Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9922

Essentie (gemaakt door AI)

Schenkbelasting. In huwelijkse voorwaarden is een eenmalige, geïndexeerde uitkering van €300.000 bij echtscheiding opgenomen. De rechtbank oordeelt dat dit een schenking onder opschortende voorwaarde is, die bij echtscheiding tot stand komt (art. 1 lid 9 SW). Bevoordelingsbedoeling wordt beoordeeld bij totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden en is aanwezig. Het beroep op vrijstelling voor voldoening aan een natuurlijke verbintenis (art. 33 onder 12 SW jo. art. 6:3 BW) faalt; belanghebbende toont objectief geen dringende morele verplichting aan. À

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Uitkering bij scheiding in huwelijkse voorwaarden is belaste schenking
Rb: uitkering van € 360.000 ter verzorging en behoud levensstandaard is belaste schenking bij scheiding. Vermelding "moraal en fatsoen" in huwelijkse voorwaarden volstaat niet voor vrijstelling: vrouw kon zelf in levensonderhoud voorzien.

Datum publicatie15-10-2026
ZaaknummerBRE 24/6758
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht; Schenkbelasting/erfbelasting
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Schenkbelasting. Het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen te betalen bedrag vormt een schenking. Er is geen sprake van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Ongegrond.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/6758


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. R.H.B.W. Gall),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag schenkbelasting (de aanslag). Belanghebbende is het niet eens met de aanslag. De rechtbank beoordeelt of de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of sprake is van een schenking en of de vrijstelling van artikel 33 onder 12 van de Successiewet 1956 (SW) voor de voldoening aan een natuurlijke verbintenis van toepassing is.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een schenking en dat de vrijstelling voor de voldoening aan een natuurlijke verbintenis niet van toepassing is. Dit betekent dat de aanslag in stand blijft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd.

2.1.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 mei 2024 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. T.A. van Baaren deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr.drs. [inspecteur 2] deelgenomen.

Feiten

3. Belanghebbende en haar ex-partner zijn op [datum 1] 2008 met elkaar gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

3.1.

Belanghebbende en de ex-partner zijn destijds huwelijkse voorwaarden overeengekomen. In de huwelijkse voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:

“5. Geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden.

1. De echtgenoten komen geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden overeen.

2. Als de samenleving anders dan door het overlijden van een van partijen eindigt, heeft mevrouw [belanghebbende] , ten laste van de heer [persoon] recht op een eenmalige uitkering van driehonderd duizend euro (€ 300.000,00). Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de wijziging van de

consumentenprijsindex alle huishoudens, zoals vastgesteld en gepubliceerd door

het Centraal Bureau voor de Statistiek (basisjaar 2006).

3. De betaling van bovenbedoelde uitkering wordt door partijen aangemerkt als

voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.”

3.2.

Op [datum 2] 2019 wordt de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank. Aan de beschikking is een echtscheidingsconvenant gehecht waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“ Artikel 1

1. Partijen constateren dat zij beiden op het tijdstip van ondertekening van het convenant in staat zijn om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Op grond hiervan komen zij met elkaar overeen dat na de ontbinding van hun huwelijk de één tegenover de ander niet tot betaling van alimentatie gehouden zal zijn.

2. Dit beding tan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens het bepaalde in artikel 159 lid 3 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Partijen zijn ermee bekend dat, indien een der partijen binnen de wettelijke alimentatietermijn een beroep doet op een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen, de uitkerende instantie de uitkering bij de andere partij kan trachten te verhalen ondanks het tussen partijen overeengekomen nihilbeding.

(…)

Artikel 3

1. in de akte van huwelijkse voorwaarden is opgenomen:

- In artikel 2, dat partijen met elkaar gehuwd zijn buiten elke gemeenschap van goederen;

- In artikel 4, dat geen jaarlijkse verrekening plaatsvindt;

- In artikel 5 lid 1, dat geen finale verrekening bij einde huwelijk anders dan door overlijden overeengekomen is;

- Dat op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 2 bij echtscheiding aan [belanghebbende] toekomt een eenmalige uitkering ten bedrage van € 300.000 (zegge: driehonderdduizend euro), welk bedrag jaarlijks geïndexeerd wordt conform het daarover bepaalde in de akte van huwelijksvoorwaarden, en dat de betaling van de eerder bedoelde uitkering door partijen wordt aangemerkt als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.

2. Dat partijen de uitkering welke aan [belanghebbende] toekomt per datum verdeling en rekening houdend met indexatie bepaald hebben op € 360.000 (zegge driehonderdzestigduizend euro). De uitkering zal door [persoon] voldaan worden in een periode van twaalf jaar, zijnde € 30.000 (zegge dertigduizend euro per jaar, welk laatst genoemd bedrag in twaalf maandelijkse termijnen, elk groot € 2.500 (zegge tweeduizendvijfhonderd euro), welk termijn voor de eerste keer vervalt op 1 december 2019.

3. Hoewel de hiervoor bedoelde uitkering aan te merken is als natuurlijke verbintenis, bedoeld enerzijds ter verzorging en anderzijds om na de echtscheiding te kunnen voorzien in de door partijen tijdens het huwelijk genoten levensstandaard, doen partijen een beroep op de vrijstelling van artikel 33 lid 12 Successiewet.”

Beoordeling door de rechtbank

4. Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat geen sprake is van een schenking, omdat sprake is van een nakoming van een verplichting die voortkomt uit de huwelijkse voorwaarden. Het aangaan van huwelijkse vooraarden kan geen schenking inhouden bij het overeenkomen daarvan voorafgaand aan het huwelijk. Belanghebbende verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2021. 1 Subsidiair betoogt belanghebbende dat geen sprake is van een bevoordelingsbedoeling, waardoor geen sprake kan zijn van een belaste schenking. Meer subsidiair doet belanghebbende een beroep op de vrijstelling voor de voldoening aan een natuurlijke verbintenis. In dit verband verwijst belanghebbende naar hetgeen hieromtrent is overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden.

Is sprake van een schenking?

4.1.

De rechtbank overweegt dat artikel 1, zevende lid, van de SW voor zover hier van belang bepaalt dat onder een schenking wordt verstaan de gift, bedoeld in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) alsmede de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3 van het BW. In artikel 7:186, tweede lid, van het BW wordt als gift aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Voor een schenking in de zin van de Successiewet moet dus sprake zijn van een verrijking van de ontvanger, een verarming van de schenker en van vrijgevigheid van de schenker. Voor vrijgevigheid moet sprake zijn van de bewustheid van bevoordeling en de wil tot bevoordeling. 2

4.2.

Artikel 1, negende lid, van de SW bepaalt dat een gift onder opschortende voorwaarde voor de toepassing van de SW wordt geacht tot stand te komen op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld. Deze bepaling is ook van toepassing op een schenking onder opschortende voorwaarde die voor de inwerkingtreding van de bepaling op 1 januari 2010 is gedaan en waarvan de voorwaarde na 1 januari 2010 is vervuld. 3

4.3.

In het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 1959 4, is geoordeeld dat bij het aangaan van een algehele gemeenschap van goederen tussen gehuwden zich nog niet de eenzijdige vermogensverschuiving voltrekt die kenmerkend is voor bevoordeling door schenking, en daarmee tevens voor de verkrijging door schenking in de zin van de Successiewet 1956 (hierna: SW). Dat oordeel steunde onder meer op de overweging, samengevat, dat de ‘bevoordeelde’ echtgenoot de huwelijksgemeenschap niet eenzijdig kan beëindigen, en zolang de huwelijksgemeenschap in stand blijft over het voordeel dat de boedelmenging voor hem meebrengt niet kan beschikken als een hem afzonderlijk toekomend vermogensbestanddeel. Daarnaast kende de Hoge Raad belang toe aan de omstandigheid dat de huwelijksgemeenschap een blijvende rechtsverhouding meebrengt die als gevolg van baten en lasten die van beide zijden kunnen opkomen tot verdere vermogensverschuivingen tussen de echtgenoten kan leiden, zodat het resultaat van die vermogensverschuivingen pas bij het einde van de huwelijksgemeenschap kan worden vastgesteld. In het hiervoor aangehaalde arrest van 7 mei 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het oordeel van het gerechtshof dat ook bij het aangaan van een beperkte gemeenschap van goederen, bestaande uit één bankrekening, er geen sprake is van een vermogensverschuiving van de ene naar de andere echtgenoot, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de in de onderhavige huwelijkse voorwaarden opgenomen jaarlijks te indexeren uitkering van € 300.000 een schenking vormt onder de opschortende voorwaarde dat het huwelijk anders dan door overlijden eindigt. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat, anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2021 het geval was, in dit geval geen sprake is van het aangaan van een beperkte gemeenschap van goederen, maar het voorwaardelijk toekennen van een bepaalbaar bedrag dat niet afhankelijk is van mogelijke toekomstige vermogensverschuivingen die zich tijdens het huwelijk nog zouden kunnen voordoen. In 2019 is met de scheiding de opschortende voorwaarde vervuld en wordt de schenking voor de toepassing van de Successiewet geacht tot stand te zijn gekomen op grond van artikel 1, negende lid, van de SW. Belanghebbende is door de betaling van het geïndexeerde bedrag van € 360.000 verrijkt ten koste van haar ex-partner.

4.5.

Ten aanzien van het ontbreken van een bevoordelingsbedoeling betoogt belanghebbende dat op het moment dat uitvoering werd gegeven aan de huwelijkse voorwaarden geen sprake meer was van een bevoordelingsbedoeling, maar dat louter sprake was van de nakoming van hetgeen in de huwelijkse voorwaarden was overeengekomen. Verder betoogt belanghebbende dat geen sprake was van een bevoordelingsbedoeling, omdat de betaling volgens de huwelijkse voorwaarden een voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen is.

4.6.

De rechtbank overweegt dat de vraag of sprake was van een bevoordelingsbedoeling in het geval van een overeenkomst moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop die overeenkomst tot stand komt. 5 Op het moment dat de huwelijkse voorwaarden tot stand zijn gekomen, moest dus sprake zijn van een bevoordelingsbedoeling. De rechtbank is van oordeel dat de ex-partner met het opnemen van het te betalen bedrag in de huwelijkse voorwaarden belanghebbende heeft willen bevoordelen en zich van deze bevoordeling ook bewust was. Belanghebbendes betoog dat de betaling een voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen is waardoor geen sprake is van een bevoordelingsbedoeling en dus geen sprake is van een schenking kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In dit geval zou de betaling immers een voldoening aan een natuurlijke verbintenis zijn, hetgeen in artikel 1, zevende lid, van de SW expliciet als een schenking wordt aangemerkt. Op de vraag of inderdaad sprake is van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis gaat de rechtbank hieronder in, in het kader van belanghebbendes beroep op de vrijstelling van artikel 33, aanhef en onder 12, van de SW.

Natuurlijke verbintenis

4.7.

Ingevolge artikel 33, aanhef en onder 12, van de SW geldt een vrijstelling voor de schenkbelasting indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in 6:3 van het BW. Artikel 6:3, tweede lid aanhef en onderdeel b, van het BW bepaalt dat een natuurlijke verbintenis bestaat wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De verwijzing naar de maatschappelijke opvattingen brengt mee dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, geen beslissende betekenis toekomt. De bewijslast dat sprake is van voldoen aan een natuurlijke verbintenis rust op belanghebbende. Volgens vaste rechtspraak dient bij de beantwoording van de vraag of naar objectieve maatstaven sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, mede acht te worden geslagen op de omstandigheden ten tijde van het verrichten van de prestatie, waaronder de ‘wederzijdse welstand en behoefte van partijen’. 6

4.8.

Het voorgaande brengt mee dat aan het feit dat de betaling in de huwelijkse voorwaarden wordt aangemerkt als een voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen geen beslissende betekenis toekomt. Met de enkele verwijzing naar de tekst van de huwelijkse voorwaarden heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat met de betaling wordt voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende na de echtscheiding niet in haar levensonderhoud kon voorzien. Belanghebbende en haar ex-partner zijn juist geen alimentatie overeengekomen, omdat zij beiden in staat waren om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Van voldoening aan een natuurlijke verbintenis is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

4.9.

Al het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een belaste schenking. De inspecteur heeft de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

1

Hoge Raad 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:708.

2

Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272.

3

Conclusie A-G M.R.T. Pauwels 25 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:733, onderdelen 7.18 tot en met 7.20 en Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:518.

4

Hoge Raad 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1786.

5

Hoge Raad 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8105, r.o. 3.5.2.

6

Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2931, r.o. 3.7.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733