Essentie (gemaakt door AI)
Vordering op nalatenschap wegens zorgkosten. Bewindvoerder tekent zorgovereenkomsten met eigen bijdrage €40/uur zonder vereiste machtiging; afspraak over eigen bijdrage is daarom niet rechtsgeldig. Rechtbank beoordeelt vervolgens ongerechtvaardigde verrijking art. 6:212 BW en stelt vast dat 24-uurs (palliatieve) zorg is verleend, LZAH is verarmd en erflaatster verrijkt. Schadevergoeding €188.640 als schuld van de nalatenschap art. 4:7 lid 1 sub a BW en verhaalbaar art. 4:184 BW. Buitengerechtelijke kosten afgewezen. Proceskostenveroordeling uitgespreekNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 16-10-2026 |
| Zaaknummer | C/09/691014 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Meerderjarigenbescherming; Bewind; Erfrecht; Vereffening nalatenschap |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vordering op nalatenschap. Overeenkomst tot verlenen van zorg. De bewindvoerder was niet bevoegd om de overeenkomst te sluiten. Betaling van de facturen wordt toegewezen op basis van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) .Volledige uitspraak
Team Handel
Zaaknummer: C/09/691014 / HA ZA 25-763
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
LIEVER ZORG AAN HUIS B.V. te Den Haag,
eisende partij,
advocaat: mr. I. Kotliar te Utrecht,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. K. Ripken te Den Haag.
Partijen worden hierna ook LZAH en [gedaagde] genoemd.
1De procedure
In deze zaak is op 7 januari 2026 een vonnis in incident gewezen. In dit vonnis zijn de incidentele vorderingen van [gedaagde] afgewezen. Deze vorderingen zagen er kort gezegd op dat LZAH niet-ontvankelijk moest worden verklaard in haar vorderingen, omdat (i) [gedaagde] slechts als erfgenaam en niet in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] is gedagvaard, en (ii) LZAH haar vorderingen onvoldoende heeft gesubstantieerd. In het vonnis in incident heeft de rechtbank de incidentele vorderingen afgewezen. Ten aanzien van de hoedanigheid van [gedaagde] oordeelde de rechtbank dat het voldoende duidelijk was voor [gedaagde] dat hij mede werd gedagvaard in zijn hoedanigheid van vereffenaar, zodat daarvan ook voor dit vonnis zal worden uitgegaan.
Bij tussenvonnis van 25 februari 2026 is een mondelinge behandeling bepaald.
Op 11 mei 2026 heeft LZAH een akte overlegging producties ingediend met productie 11 tot en met 19.
Op 27 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van door de advocaten aan de rechtbank overgelegde spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.
Na de mondelinge behandeling is een datum bepaald voor het wijzen van vonnis in de hoofdzaak.
2De feiten
LZAH is een particuliere zorgverlener die gespecialiseerd is in de zorg voor ouderen.
[erflaatster] was een klant van LZAH. Sinds 25 mei 2020 stond [erflaatster] onder bewind. Haar neef, de heer [bewindvoerder] , was door de Rechtbank Den Haag aangesteld als bewindvoerder. Bij beschikking van 3 februari 2022 werd hij tevens als mentor van [erflaatster] aangesteld. [erflaatster] is overleden op [datum] 2023.
[gedaagde] is de enig erfgenaam van [erflaatster] . [gedaagde] is tevens vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] . Op 22 juli 2024 heeft [gedaagde] de nalatenschap beneficiair aanvaard.
LZAH heeft vanaf oktober 2020 tot aan haar overlijden zorg aan huis verleend aan [erflaatster] . Vanaf september 2021 heeft LZAH gedurende 24 uur per dag palliatieve zorg verleend aan [erflaatster] .
Op 14 oktober 2020 hebben LZAH en [bewindvoerder] een zorgovereenkomst ondertekend (hierna: de eerste overeenkomst). Met ingang van 1 januari 2021 is de zorgovereenkomst gewijzigd met betrekking tot de door LZAH in rekening te brengen tarieven. Op 5 februari 2022 hebben LZAH en [bewindvoerder] een nieuwe zorgovereenkomst ondertekend waarin afspraken zijn opgenomen over het verlenen van palliatieve zorg (hierna: de tweede overeenkomst). In de tweede overeenkomst staat:
Artikel 4: Financiële afspraken
(…)
Extra kosten en dekking
Eventuele extra kosten die voortvloeien uit de zorgverlening worden apart in rekening gebracht. Het toegekend WLZ budget dekt niet alle zorgkosten, afgesproken wordt dat de resterende kosten na het overlijden van de zorgvragen voldaan zullen worden uit haar nalatenschap.
Waarborg voor de zorgverlener
Deze afspraken zijn vastgesteld om te garanderen dat de zorgverlener niet met onbetaalde rekeningen achterblijft. Dit sluit tevens aan bij de wens van de zorgvrager om tot haar overlijden zorg te ontvangen in haar eigen privé omgeving.
LZAH heeft in de periode september 2021 tot en met december 2022 maandelijks facturen voor de verleende zorg verstuurd aan [erflaatster] . Op 3 januari 2023 heeft LZAH de facturen over deze periode toegestuurd aan [bewindvoerder] . Op 6 maart 2024 heeft LZAH een brief gestuurd aan de heer [gedaagde] met het verzoek om het totaalbedrag van deze facturen ter hoogte van € 208.160 aan LZAH te voldoen. Op 9 maart 2024 heeft LZAH nog een aanmaning aan [gedaagde] gestuurd. De facturen zijn niet voldaan.
Op 21 augustus 2025 heeft LZAH conservatoir beslag gelegd op de woning die aan [erflaatster] toebehoorde.
3Het geschil
LZAH vordert – na eisvermindering – om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 188.640, te vermeerderen met wettelijke rente, tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 2.815,53 en in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
LZAH legt aan de vordering het volgende ten grondslag. LZAH heeft een overeenkomst gesloten met [erflaatster] c.q. haar bewindvoerder/mentor voor het verlenen van zorg. LZAH heeft (palliatieve) zorg verleend aan [erflaatster] tot aan haar overlijden. In die zorgovereenkomst is een eigen bijdrage van € 40 per uur overeengekomen. De facturen voor die eigen bijdrage in de periode van september 2021 tot en met december 2022 heeft [erflaatster] niet betaald. Deze vordering is een schuld van de nalatenschap zodat LZAH die door middel van deze procedure op de nalatenschap wenst te verhalen. LZAH heeft voorts buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht door het sturen van diverse betalingsherinneringen.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van LZAH, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van LZAH, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van LZAH in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] betwist dat er een overeenkomst tussen LZAH en [erflaatster] tot stand is gekomen, omdat deze door LZAH niet rechtsgeldig is ondertekend en omdat de bewindvoerder daartoe niet bevoegd was. Als er al een overeenkomst bestaat, dan betwist [gedaagde] dat de zorg waarvan betaling wordt gevorderd, daadwerkelijk is verleend. Verder stelt [gedaagde] dat de facturen hoger zijn dan het bedrag dat LZAH in rekening mag brengen. Bovendien is het te betalen bedrag te hoog opgelopen en had LZAH daarvoor moeten waarschuwen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
LZAH vordert nakoming van een overeenkomst, waarin betaling van een eigen bijdrage voor de zorg is overeengekomen. De eerste vraag die de rechtbank moet beoordelen, is of er een rechtsgeldige overeenkomst tussen LZAH en [erflaatster] tot stand gekomen is.
Om welke overeenkomsten gaat het?
Tussen LZAH en [erflaatster] zijn op meerdere momenten afspraken schriftelijk vastgelegd. Het dossier bevat de eerste zorgovereenkomst, de wijziging op die eerste overeenkomst en vervolgens de tweede zorgovereenkomst. LZAH vordert betaling van de eigen bijdrage over de periode van september 2021 tot en met december 2022. Zij baseert dat in de eerste plaats op die tweede overeenkomst. In die overeenkomst is namelijk de overschakeling naar 24-uurszorg in de palliatieve fase overeengekomen. Die 24-uurszorg was aangevangen per september 2021. Volgens LZAH ziet de tweede overeenkomst dus op die gehele periode van september 2021 tot en met december 2022. De tweede overeenkomst is echter ondertekend op 5 februari 2022 en bepaalt niet expliciet wat de ingangsdatum is. De rechtbank zal daarom zowel de eerste als de tweede overeenkomst in haar beoordeling betrekken.
Zijn de overeenkomsten rechtsgeldig ondertekend door LZAH?
Met betrekking tot LZAH stelt [gedaagde] dat de overeenkomsten niet zijn ondertekend door een medewerker die daartoe bevoegd was. Als dat al het geval zou zijn, dan speelt dat in deze procedure echter geen rol. Door nakoming te verlangen van die overeenkomsten en de onderhavige vorderingen in te stellen, bekrachtigt LZAH immers de ondertekening door de betreffende medewerker (artikel 3:69 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarmee is dat onderdeel van de discussie beslecht.
Zijn de overeenkomsten rechtsgeldig ondertekend namens [erflaatster] ?
Namens [erflaatster] zijn beide overeenkomsten ondertekend door [bewindvoerder] . De rechtbank moet beoordelen of dat een rechtsgeldige ondertekening is.
In beide overeenkomsten wordt afgesproken dat LZAH zorg zal verlenen aan [erflaatster] in het kader van de Wet Langdurige Zorg (de Wlz). In het kader van de Wlz is een persoonsgebonden budget beschikbaar (het PGB), waaruit de zorg aan huis gedeeltelijk kan worden betaald. Voor de zorg die niet uit het PGB kan worden voldaan, is een eigen bijdrage overeengekomen van € 40 per uur.
In deze zaak gaat het niet om de vraag of [bewindvoerder] bevoegd was om de beslissing te nemen om deze zorg af te nemen en daarvoor het PGB aan te wenden. Waar het wel om gaat, is de vraag of [bewindvoerder] bevoegd was om akkoord te gaan met de eigen bijdrage van € 40 per uur, want van die eigen bijdrage vordert LZAH in deze procedure betaling.
Ten tijde van de ondertekening van beide overeenkomsten was [bewindvoerder] al aangesteld als bewindvoerder over de vermogensrechtelijke belangen van [erflaatster] . De bewindvoerder is bevoegd om beheershandelingen te verrichten. Het gaat daarbij om het in stand houden of normaal exploiteren van het vermogen van de betrokkene. Voor beschikkingshandelingen heeft de bewindvoerder een machtiging nodig, als de kosten het bedrag van € 2.000 overstijgen. Het instemmen met een eigen bijdrage van € 40 per uur voor de zorg vanaf september 2021 is geen beheershandeling, maar een beschikkingshandeling. Het gaat namelijk om een aanzienlijke uitgave. LZAH heeft ter zitting toegelicht dat het per maand kon verschillen welk gedeelte van de verleende zorg uit het PGB kon worden voldaan. In de maand september 2021 bedroeg die eigen bijdrage echter al bijna € 8.000, waarmee de bovengenoemde grens van € 2.000 ruimschoots wordt overstegen. Nu LZAH maandelijks facturen verstuurde, moet de omvang van deze uitgave aan de bewindvoerder snel duidelijk zijn geworden. Dat blijkt overigens ook uit de afspraak die in de tweede overeenkomst is vastgelegd, om de kosten na het overlijden van [erflaatster] te voldoen uit haar nalatenschap (zie paragraaf 2.5). De uitgave was zo groot dat deze niet uit de beschikbare middelen van [erflaatster] kon worden voldaan. In dit licht was voor het aangaan van deze afspraak een machtiging vereist. Nu uit de beschikking blijkt dat [erflaatster] niet langer wilsbekwaam was, had [bewindvoerder] een machtiging van de kantonrechter nodig. Die machtiging heeft LZAH niet kunnen overleggen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de overeenkomsten tussen LZAH en [erflaatster] , zoals ondertekend door [bewindvoerder] als bewindvoerder, voor wat betreft de overeengekomen eigen bijdrage niet rechtsgeldig zijn tot stand gekomen.
Ongerechtvaardigde verrijking
Nu de afspraak over de eigen bijdrage, waarvan LZAH nakoming verlangt, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, dient de rechtbank te beoordelen of de vordering op een andere grondslag dient te worden toegewezen. Om die reden heeft de rechtbank met partijen tijdens de mondelinge behandeling besproken
1 of de vordering toewijsbaar is op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) .
Voor een aanspraak op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet sprake zijn van (i) een verrijking van de één en (ii) een verarming van de ander, (iii) waartussen een voldoende verband bestaat en (iv) waarbij voor die verrijking geen redelijke grond aanwezig is. Het rechtsgevolg is dat er een verbintenis ontstaat tot schadevergoeding, voor zover dit redelijk is.
De eerste vraag die voorligt is of [erflaatster] vóór haar overlijden verrijkt is door zorg van LZAH te ontvangen. In dit geval ging het om palliatieve zorg gedurende 24 uur per dag. Die zorg wordt niet geheel vergoed vanuit de Wlz, zoals blijkt uit de toelichting van de website van de Rijksoverheid die LZAH als productie 19 heeft overgelegd. Die zorg vertegenwoordigt dus een waarde ter hoogte van de kosten die niet door de Wlz worden gedekt. Die verrijking bedraagt in beginsel dus de optelsom van de eigen bijdrage ad € 188.640.
[gedaagde] heeft in het kader van de nakomingsvordering betwist dat er überhaupt zorg zou zijn verleend door LZAH. Die betwisting is ook relevant voor de beoordeling of [erflaatster] voor haar overlijden verrijkt is. LZAH heeft diverse stukken in het geding gebracht om te onderbouwen dat die zorg, zoals die is gefactureerd, ook is verleend. LZAH heeft het rooster overgelegd waarop de diensten van de medewerkers zijn vermeld die in de betreffende periode de zorg hebben verleend; er is een logboek overgelegd van de dagelijkse zorgverlening; er is een verklaring overgelegd van een buurman die bevestigt dat de zorg is verleend; LZAH heeft toegelicht hoe zij dagelijks zicht houdt op de betreffende medewerkers (onder meer door videobellen) en die aanstuurt; en LZAH wijst er op dat de huisarts periodiek een verklaring overlegde dat er nog steeds palliatieve zorg nodig was voor [erflaatster] en dat het zorgkantoor de declaraties van LZAH telkens heeft goedgekeurd en naar aanleiding daarvan het PGB uitbetaalde. In het licht van deze onderbouwing heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld om te concluderen dat de zorg niet verleend zou zijn. [gedaagde] heeft niet duidelijk gemaakt waarom de overgelegde stukken niet betrouwbaar zouden zijn en heeft ook onvoldoende duidelijk gemaakt welke stukken hij mist. De rechtbank gaat om die reden aan deze stellingen van [gedaagde] voorbij.
De tweede vraag is of LZAH is verarmd door het verlenen van de zorg aan [erflaatster] . Dat is het geval. LZAH zet personeel en materiaal in om de zorg te verlenen en heeft daarbij ook algemene kosten zoals met betrekking tot administratie, verzekering en kantoor. LZAH brengt voor die kosten van de zorgverlening een bedrag in rekening ter hoogte van de eigen bijdrage. Het bedrag van de verarming van LZAH is dus in beginsel gelijk aan het bedrag waarmee [erflaatster] destijds is verrijkt. Daarmee is ook aan het derde vereiste, dat de verrijking en verarming in voldoende verband met elkaar staan, voldaan. Ten slotte geldt dat voor die verrijking geen redelijke grond aanwezig is omdat er geen overeenkomst aan ten grondslag ligt (zie paragraaf 4.8).
Er is dus sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [erflaatster] vóór haar overlijden, zodat in beginsel een verplichting tot schadevergoeding aan LZAH is ontstaan. Die verplichting ontstaat slechts voor zover dit redelijk is. Daarbij kan bijvoorbeeld van belang zijn of aan iemand een niet-passende besteding is opgedrongen. Dat is hier niet het geval. Het was de wens van [erflaatster] om tot haar overlijden zorg te ontvangen in haar eigen privé-omgeving. Dat is ook in de tweede overeenkomst omschreven. Wel zijn er nog diverse verweren relevant die aanvankelijk door [gedaagde] waren opgeworpen in het kader van de vordering tot nakoming. Die verweren zijn ook bij de beoordeling van de schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking relevant en de rechtbank zal die in het navolgende bespreken.
[gedaagde] betwist dat het überhaupt is toegestaan om een eigen bijdrage te rekenen wanneer zorg in het kader van de Wlz wordt overeengekomen. Ook heeft [gedaagde] betwist dat de hoogte van de eigen bijdrage van € 40 toelaatbaar is. Deze verweren slagen echter niet. Uit productie 19 van LZAH blijkt dat de 24-uurszorg nooit geheel wordt vergoed vanuit de Wlz. Uit productie 13A van LZAH blijkt dat de SVB akkoord is gegaan met het overeengekomen uurtarief van € 40. De advocaat van [gedaagde] heeft in dit kader nog gewezen op artikel 2.3.5 van de Wlz, maar dat artikel biedt ook geen grondslag voor de stelling van [gedaagde] . De rechtbank ziet daarom geen reden om in dit geval aan te nemen dat de eigen bijdrage van € 40 niet redelijk zou zijn. Ten slotte heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat op LZAH een waarschuwingsplicht rustte om te waarschuwen voor het oplopen van de facturen en dat LZAH die waarschuwingsplicht heeft geschonden. Nog afgezien van de vraag of zo’n zorgplicht bestaat, blijkt uit productie 2 en 3 bij de conclusie van antwoord in het incident dat LZAH maandelijks facturen heeft gezonden, zodat het oplopen van de kosten bekend was.
Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot het oordeel dat vóór het overlijden van [erflaatster] een verplichting tot schadevergoeding is ontstaan en dat het redelijk is om die schadevergoeding vast te stellen op het bedrag van € 188.640, gelijk aan de eigen bijdrage die LZAH in rekening had gebracht.
Deze vordering is een schuld van de nalatenschap op grond van artikel 4:7 lid 1 sub a BW en LZAH kan die op de nalatenschap verhalen op grond van artikel 4:184 BW. De rechtbank zal de vordering van LZAH daarom toewijzen. Dat geldt ook voor de wettelijke rente
Wettelijke rente
LZAH heeft vergoeding van de wettelijke rente gevorderd. De verplichting tot schadevergoeding ontstaat in beginsel zodra het vermogen van [erflaatster] ten koste van LZAH is verrijkt. De verplichting tot vergoeding van wettelijke rente ontstaat pas wanneer [gedaagde] in verzuim is ten aanzien van de betaling van schadevergoeding. Bij brief van 6 maart 2024 heeft LZAH voor het eerst aanspraak gemaakt op betaling door [gedaagde] binnen 8 dagen. De gevorderde wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 6 maart 2024 + 8 dagen = 15 maart 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
LZAH vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een natuurlijk persoon is die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] in verzuim verkeerde toen de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW werd verstuurd (te weten de brief van 6 maart. 2024, zoals genoemd in paragraaf 4.18), terwijl artikel 6:96 lid 6 BW dat wel verlangt. Er is dus niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldaan. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LZAH worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
144,47 |
|
|
- griffierecht |
€ |
6.147,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
4.102,00 |
(2 punten × € 2.051,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
10.582,47 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan LZAH te betalen een bedrag van € 188.640, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.582,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Voorrips en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
Artikel 24 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
