Essentie (gemaakt door AI)
Uitleg van een testament waarin “[gedaagde]” wordt benoemd tot enig erfgenaam met de toevoeging “mijn vriendin en levenspartner”, bezien in het licht van art. 4:46 lid 1 BW. De toevoeging duidt op de toenmalige relatie en geldt als contextbepalend: de beschikking ziet slechts op de periode waarin [gedaagde] die hoedanigheid heeft. Nu de relatie in 2008 is geëindigd, kan [gedaagde] geen rechten ontlenen aan het testament. Versterferfrecht is van toepassing; [eiser] is enig erfgenaam. Proceskostenveroordeling jegens [gedaagde].Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 16-10-2026 |
| Zaaknummer | C/18/253876 / HA ZA 26-126 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Burgerlijk procesrecht |
| Trefwoorden | Erfrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Interpretatie van de toevoeging “mijn vriendin en levenspartner” in een testament (artikel 4:46 lid 1 BW) .Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/253876 / HA ZA 26-126
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats ],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. W.M. Smeets,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats ],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. B.L. Lok.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 mei 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026 en de ter gelegenheid daarvan in het geding gebrachte stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van het geschil
In de kern betreft deze zaak de uitleg van een testament.
3De feiten
[eiser], geboren op 13 maart 2002, is de dochter van [erflater], geboren op [geboortedatum] 1966 (hierna: erflater). Erflater had destijds een affectieve relatie met de moeder van [eiser]. Die affectieve relatie is omstreeks 2003 verbroken.
Erflater heeft vanaf ongeveer 2003 een affectieve relatie gehad met [gedaagde]. Zij hebben op 14 februari 2005 een samenlevingscontract (met verblijvingsbeding) gesloten en vanaf 15 februari 2005 hebben zij samengewoond in de door hen samen gekochte woning aan [adres].
Op 3 maart 2006 is ten overstaan van notaris mr. [notaris], te [plaats ] een testament van erflater verleden. Hierin zijn onder meer alle eerdere uiterste wilsbeschikkingen van erflater herroepen, is aan [eiser] (“mijn dochter, [eiser]”) een aantal persoonlijke roerende zaken gelegateerd en is verder de volgende erfstelling opgenomen:
IV ERFSTELLING
Onder bezwaar van voornoemde legaten benoem ik tot enig erfgename van mijn gehele nalatenschap:
mijn vriendin en levenspartner, mevrouw [gedaagde], wonende te [adres], geboren te [geboorteplaats] op negentwintig december negentienhonderd één en tachtig, ongehuwd en niet geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap, hierna te noemen: “mijn partner”.
Verder is onder meer nog een tweetrapsmaking met vervreemdings- en verteringsbevoegdheid opgenomen, met [eiser] als verwachter, waarbij deze tweede trap komt te vervallen als de bezwaarde (“mijn partner”) één of meer afstammelingen in de eerste groep achterlaat, dan wel bij testament over haar nalatenschap heeft beschikt. Voor het geval [eiser] de leeftijd van 18 jaar nog niet zou hebben bereikt, is [gedaagde] tot bewindvoerder benoemd.
De affectieve relatie tussen erflater en [gedaagde] is in 2008 verbroken. Bij notariële verdelingsakte van 17 maart 2008 is de notariële samenlevingsovereenkomst ontbonden. Ook is in die akte de woning tussen erflater en [gedaagde] in die zin verdeeld, dat deze aan erflater is toegedeeld.
Eveneens door notaris mr. [notaris] te [plaats ] is op 13 mei 2008 een concept van een testament opgesteld in opdracht van erflater. In dit concept-testament worden alle eerdere uiterste wilsbeschikkingen herroepen en is [eiser] tot zijn enige erfgenaam benoemd. Ook in dit concept-testament is een tweetrapsmaking met vervreemdings- en verteringsbevoegdheid opgenomen, met zijn vader, zijn moeder en zijn zuster als verwachters, waarbij deze tweede trap komt te vervallen als [eiser] één of meer afstammelingen in de eerste groep achterlaat, dan wel bij testament over haar nalatenschap heeft beschikt. Voor het geval [eiser] de leeftijd van 23 jaar nog niet zou hebben bereikt, is de vader van erflater - en indien hij dat niet aanvaardt: de moeder van erflater - tot bewindvoerder benoemd.
Dit concept heeft niet geleid tot de ondertekening van een overeenkomstig testament bij de notaris.
Omstreeks 2015/2017 heeft erflater een affectieve relatie gekregen met [naam] (hierna: [naam]). Erflater is met haar gaan samenwonen in haar woning. Begin 2023 is bij [naam] een ongeneeslijke ziekte geconstateerd. Nadat erflater en [naam] in april 2025 een geregistreerd partnerschap waren aangegaan, is zij in mei 2025 overleden.
Op grond van het testament van [naam] is erflater voor 1/14 deel gerechtigd in (in ieder geval) haar woning.
Op 11 juli 2025 is erflater plotseling overleden tijdens een vakantie in Cuba.
4De vordering
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [gedaagde] aan het testament van 3 maart 2006 van erflater geen rechten kan ontlenen;
voor recht verklaart dat aan het testament van 3 maart 2006 van erflater de werking is komen te ontvallen, aldus dat daar geen betekenis aan toekomt voor wat betreft de vererving van de nalatenschap van erflater en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is;
voor recht verklaart dat [eiser], enig kind van erflater, enig erfgenaam is van erflater;
[gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, primair vast te stellen op een bedrag van € 8.409,43 + P.M., zoals onder randnummer 43 van de dagvaarding is gespecifieerd, subsidiair vast te stellen met toepassing van één van de onder randnummer 43 genoemde mogelijkheden, meer subsidiair in goede justitie te bepalen en nog meer subsidiair conform het liquidatietarief, alles te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis voldoening van de proceskosten heeft plaatsgevonden en met veroordeling in de nakosten ex artikel 237 lid 4 Rv.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met compensatie van de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5Het geschil en de beoordeling daarvan
Uitleg van het testament van 3 maart 2006
Tussen partijen is in geschil wie de erfgename is van erflater. Volgens [eiser] volgt uit het testament van erflater van 3 maart 2006 dat [gedaagde] alleen tot zijn erfgename is benoemd in het geval zij ten tijde van zijn overlijden nog steeds is aan te merken als zijn vriendin en levenspartner, hetgeen volgens [eiser] niet het geval is. Volgens [eiser] is die erfstelling dus niet aan de orde en is zij - op grond van het versterferfrecht - aan te merken als de enige erfgename van erflater. [gedaagde] stelt zich daarentegen op het standpunt dat zij, “[gedaagde]” in het testament van erflater van 3 maart 2006 als zijn enige erfgename is benoemd. De toevoeging “vriendin en levenspartner” is volgens haar enkel beschrijvend van aard en is niet als voorwaarde opgenomen voor de erfststelling. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat zij ten tijde van het overlijden van erflater nog steeds als zijn vriendin en levenspartner was aan te merken.
Hoewel beide partijen zich op het standpunt stellen dat het testament van erflater duidelijk is en dus geen uitleg behoeft, blijkt naar het oordeel van de rechtbank alleen al uit de door henzelf ingenomen standpunten, dat dat niet het geval is. Het testament moet dus uitgelegd worden.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW) . Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Verwachtingen van erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. In het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, ligt besloten dat voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, mede acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd. Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] ten tijde van het verlijden van het testament van 3 maart 2006 de vriendin en levenspartner van erflater was. Zij woonden op dat moment samen in de woning die hun gemeenschappelijk eigendom was. Erflater is in dit testament niet vooruitgelopen op de situatie waarin [gedaagde] ten tijde van zijn overlijden niet meer zijn vriendin en levenspartner zou zijn. Met de expliciete toevoeging “mijn vriendin en levenspartner” voorafgaande aan de naam van [gedaagde] heeft erflater de verhoudingen geschetst zoals die op dat moment bestonden. Gelet op die toevoeging - die zinloos zou zijn geweest indien erflater daar geen doel mee voor ogen had - en onder verwijzing naar Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531 zal de rechtbank het testament van erflater aldus uitleggen dat hetgeen daarin is geregeld alleen heeft gegolden voor de situatie die bestond in de periode waarin [gedaagde] zijn vriendin en levenspartner was. In de omstandigheid dat erflater in dit testament bij het legateren van een aantal persoonlijke roerende zaken aan [eiser] de toevoeging “mijn dochter” heeft gehanteerd, ziet de rechtbank - anders dan [gedaagde] - onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ook hiermee heeft erflater de verhoudingen geschetst. Niet in geschil is dat [eiser] daadwerkelijk de dochter van erflater is, zodat de situatie ten tijde van zijn overlijden op dat punt aansluit bij die ten tijde van het verlijden van het testament van 3 maart 2006. De omstandigheid dat erflater in 2008 een nieuw testament heeft laten opstellen, dat het stadium van concept nooit voorbij is gegaan, doet - wat de beweegredenen van erflater ook zijn geweest - naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de hiervoor gegeven uitleg aan het testament van 3 maart 2006 dat hetgeen daarin is geregeld alleen heeft gegolden voor de situatie die bestond in de periode waarin [gedaagde] de vriendin en levenspartner van erflater was.
Voor het geval [eiser] gevolgd zou worden in de door haar gegeven uitleg van het testament - hetgeen het geval is - heeft [gedaagde] aangevoerd dat de situatie die erflater in het testament van 3 maart 2006 heeft willen regelen, ten tijde van zijn overlijden nog steeds aan de orde was. [gedaagde] stelt zich immers op het standpunt dat zij altijd de vriendin en levenspartner van erflater is gebleven en dat zij die hoedanigheid dus ook nog bezat ten tijde van het overlijden van erflater. Zij heeft daartoe onder overlegging van diverse whatsappberichten aangevoerd dat hoewel de affectieve relatie tussen haar en erflater in 2008 was beëindigd, de liefde, vriendschap en diepe emotionele verbondenheid tussen hen nooit is verbroken. Ook indien dit al juist zou zijn - hetgeen door [eiser] is weersproken en naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende volgt uit de door [gedaagde] in dit verband in het geding gebrachte whatsappberichten tussen haar en erflater - is de rechtbank van oordeel dat zij desondanks niet meer kan worden aangemerkt als “mijn vriendin en levenspartner”, zoals in het testament van erflater bedoeld. [gedaagde] heeft immers niet weersproken dat de affectieve relatie tussen haar en erflater in 2008 is verbroken. Niet alleen heeft erflater een affectieve relatie gekregen met [naam] waarmee hij jaren later, vlak voor haar overlijden, een geregistreerd partnerschap is aangegaan, maar ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat ook [gedaagde] een nieuwe affectieve relatie is aangegaan en dat zij ook kinderen heeft gekregen.
Het voorgaande brengt met zich dat [gedaagde] geen rechten kan ontlenen aan het testament van erflater van 3 maart 2006. Gelet op de bepaling in dit testament dat alle eerdere uiterste wilsbeschikkingen worden herroepen, is op de vererving van de nalatenschap van erflater naar het oordeel van de rechtbank het versterferfrecht van toepassing. Dat betekent dat [eiser] - enig kind van erflater - de enige erfgename is van erflater. De door [eiser] gevorderde verklaringen van recht zullen worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.414,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
3.062,02 |
De rechtbank overweegt daarbij dat zij geen aanleiding ziet om [gedaagde] tot een hoger bedrag aan proceskosten te veroordelen dan het hiervoor conform het liquidatietarief berekende bedrag. Voor een volledige proceskostenveroordeling - zoals [eiser] heeft gevorderd - kan slechts sprake zijn onder bijzonder omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. [eiser] heeft hiertoe gesteld dat [gedaagde] niet in ingegaan op een door [eiser] gewenst minnelijk traject. Ook heeft [gedaagde] volgens [eiser] niet gereageerd op het standpunt van [eiser] ten aanzien van het erfgenaamschap, maar heeft zij buiten [eiser] om getracht een verklaring van erfrecht te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat - wat daar verder ook van zij - uit de stellingen van [eiser] wél volgt dat [gedaagde] aan haar kenbaar heeft gemaakt dat zij zich op het standpunt stelt dat niet [eiser] maar zijzelf op basis van het testament van erflater erfgename van hem is. Dat is een gerechtvaardigd standpunt. Ook indien zij in deze principiële kwestie geen minnelijk overleg met [eiser] heeft willen voeren - wat door haar is weersproken - maar haar (vermeende) rechten als erfgename van erflater heeft willen uitoefenen, is dat niet als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan te merken. Ook ziet de rechtbank in de gestelde omstandigheden geen aanleiding om anderszins af te wijken van het liquidatietarief, zoals [eiser] subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair heeft gevorderd.
Uitvoerbaar bij voorraad
De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt afgewezen wat betreft de toe te wijzen verklaringen van recht. In zoverre betreft het immers een declaratoir vonnis, waarvan de aard met zich brengt dat uitvoerbaarverklaring niet mogelijk is. De proceskostenveroordeling zal daarentegen wél uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [gedaagde] heeft in zoverre ook geen verweer gevoerd. Zij heeft enkel verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad voor zover het de beslissing over het erfgenaamschap betreft.
6De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [gedaagde] aan het testament van 3 maart 2006 van erflater, [erflater], geen rechten kan ontlenen,
verklaart voor recht dat aan het testament van 3 maart 2006 van erflater de werking is komen te ontvallen, aldus dat daar geen betekenis aan toekomt voor wat betreft de vererving van de nalatenschap van erflater, [erflater], en dat daarop het versterferfrecht van toepassing is,
verklaart voor recht dat [eiser], enig kind van erflater, enig erfgenaam is van erflater,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.062,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. P.R. Tjallema en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
1153
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
