Essentie (gemaakt door AI)
Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht art. 1:87 BW. Vrouw verzoekt vergoedingsrecht: primair €22.000 wegens volstorting aandelen man met door haar vader geschonken bedrag, subsidiair €11.000 wegens betaling vanaf gezamenlijke rekening. Hof wijst af wegens vermenging en geen bewijs herkomst. Cassatie slaagt wegens motiveringsgebrek: hof beslist niet op het subsidiaire verzoek. Beschikking vernietigd en zaak verwezen voor verdere behandeling.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 16-10-2026 |
| Zaaknummer | 25/03466 |
| Procedure | Cassatie |
| Formele relaties | Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:469; In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:1194 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Vergoedingsrechten art. 1:87; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht (art. 1:87 BW) . Volstorting aandelen man vanaf gezamenlijke bankrekening na schenking vader van de vrouw op die bankrekening. Subsidiair standpunt van de vrouw dat haar een vergoedingsrecht toekomt ten belope van de helft van het geschonken bedrag; motiveringsgebrek.Volledige uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/03466
Datum 16 oktober 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
woonplaats kiezende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: A.H.M. van den Steenhoven,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: C.G.A. van Stratum.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/10/662779/ FA RK 23-5415 van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2024 en 16 augustus 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.348.302/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 juni 2025.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 25 juni 2025 en tot verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd in 2003. Het huwelijk tussen partijen is in 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers.
(ii) Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.
In deze procedure verzoekt de vrouw onder meer dat de man wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen van primair € 22.000,-- en (na wijziging van haar verzoek in hoger beroep) subsidiair € 11.000,--. De vrouw legt daaraan ten grondslag dat zij op grond van het bepaalde in art. 1:87 BW jegens de man aanspraak op een vergoeding heeft.
De rechtbank
1 heeft het verzoek van de vrouw afgewezen.
Het hof
2 heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
“Vergoedingsrecht ad € 22.000,-
De vrouw stelt dat haar vader op 20 december 2007 een bedrag aan haar heeft geschonken ad
€ 22.000,- onder uitsluitingsclausule, welk bedrag door de man op 29 mei 2008 is gebruikt ter volstorting van de aandelen in de door de man opgerichte holding.
De man voert gemotiveerd verweer.
Het hof komt evenals de rechtbank tot een afwijzing van het verzoek van de vrouw. Gelet op artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden, waarin is opgenomen dat partijen met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, maakt het voor het betoog van de vrouw niet uit of de schenkingen onder uitsluitingsclausule zijn gedaan, hetgeen overigens niet uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt. Het hof overweegt verder dat niet is gebleken dat de man de aandelen in mei 2008 heeft volgestort met het door de vader van de vrouw geschonken bedrag ad € 22.000,-. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat het geschonken bedrag op de gezamenlijke bankrekening van partijen is gestort, waarna vermenging met het saldo op die rekening heeft plaatsgevonden. Tussen de schenking en de volstorting van de aandelen zijn vijf maanden verstreken waarin het saldo op de gezamenlijke bankrekening met alle daarop in- en uitgaande bedragen is vermengd. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de volstorting van de aandelen is gedaan met het bedrag dat de vader aan de vrouw heeft geschonken. (…)”
3Beoordeling van het middel
Onderdeel 4 van het middel is gericht tegen rov. 5.16, waarin het hof oordeelt dat het verzoek van de vrouw tot toekenning aan haar van een vergoedingsrecht van € 22.000,-- moet worden afgewezen. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof niet heeft beslist op het subsidiaire standpunt van de vrouw dat, indien en voor zover sprake zou zijn van vermenging, dan toch in ieder geval de volstorting door de man van zijn aandelen vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen, voor de helft met haar geld is gedaan. Ook op die grond heeft de vrouw aanspraak gemaakt op een vergoedingsrecht, zij het van een bedrag van € 11.000,--, aldus het onderdeel.
Deze klacht slaagt. Uit de gedingstukken blijkt dat de vrouw heeft aangevoerd dat haar vader een bedrag aan haar heeft geschonken van € 22.000,--, welk bedrag door de man is gebruikt ter volstorting van de aandelen in een door de man opgerichte vennootschap. In hoger beroep heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van primair € 22.000,-- en subsidiair € 11.000,--. Aan haar subsidiaire verzoek heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat het bedrag van € 22.000,-- dat is gebruikt voor de volstorting van de aandelen, van de bankrekening van partijen is betaald, zodat die volstorting voor de helft met haar geld is gedaan en zij op grond van art. 1:87 BW aanspraak op een vergoeding heeft voor de helft van dit bedrag. Het hof heeft dit subsidiaire verzoek weergegeven in rov. 4.2 onder II van zijn beschikking, maar hierop niet beslist.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO) .
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 25 juni 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 oktober 2026.
Rechtbank Rotterdam 16 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:14096.
Gerechtshof Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1194.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
