Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6505

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Executeur/erfgenaam vordert terugbetaling van schenkingen gedaan op naam van erflaatster aan [geïntimeerden] en [appellanten], stellende misbruik van omstandigheden. Het hof past art. 7:176 BW toe: executeur voldoet aan stelplicht; bewijslast dat géén misbruik is gemaakt rust op begiftigden. Verjaring ex art. 3:52 BW verworpen. Schenkingen na 22 mei 2019 zijn nietig wegens wilsontbreken; terugbetaling daarvan volgt in eindarrest. Vordering “ongedekte facturen” wordt afgewezen. Verdere beslissing aangehouden.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Executeur stelt misbruik bij schenkingen: bewijslast ligt nu bij begiftigden
Executeur/erfgenaam eist terugbetaling van schenkingen gedaan op naam van erflaatster wegens misbruik van omstandigheden. Hof past art. 7:176 BW toe: bewijslast dat géén misbruik is gemaakt, rust op begiftigden.

Datum publicatie15-10-2026
Zaaknummer200.355.521/01 en 200.356.356/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Executeur nalatenschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Familierecht. Informele rechtsingang minderjarig kind. Het hof volgt advies van de raad. Zorgregeling onder regie van de GI in belang van de minderjarige.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.355.521/01 en 200.356.356/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 191491

arrest van 22 september 2026

in de zaak met nummer 200.355.521 van

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356]
hierna te noemen: [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356]

die woont in [woonplaats1]

bij de rechtbank: eiser

advocaat: mr. F.P van Dalen

en

1 [geïntimeerde1]
2. [geïntimeerde2]

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden]
en afzonderlijk: [geïntimeerde1] respectievelijk [geïntimeerde2]
die wonen in [woonplaats2]

bij de rechtbank: gedaagden
advocaat: mr. J. Verdonk

en in de zaak met nummer 200.356.356 van

1
1. [appellant1]
die woont in [woonplaats3]

2. [appellant2]

zonder bekende woon- of verblijfplaats
3. [appellant3]
die woont in [woonplaats2]
4. [appellant4]
die woont in [woonplaats2]
5. [appellant5]
die is overleden [in] 2026
en bij leven woonde in [woonplaats2]
gezamenlijk te noemen: [appellanten]
en afzonderlijk: [appellant1] , [appellant2] , [appellant3] , [appellant4] respectievelijk [appellant5]

bij de rechtbank: gedaagden (niet verschenen)

advocaat: mr. J. Verdonk

en

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356]
hierna te noemen: [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356]

die woont in [woonplaats1]

bij de rechtbank: eiser

advocaat: mr. F.P van Dalen

1Het verloop van de procedures in hoger beroep

in de zaak met nummer 200.355.521

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden (hierna: de rechtbank), op 12 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep

  • de memorie van grieven

  • de memorie van antwoord

  • een akte van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] met nadere producties

  • een akte van [geïntimeerden] met nadere producties

.

in de zaak met nummer 200.356.356

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, (hierna: de rechtbank) op 11 september 2024 en 12 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep

  • de memorie van grieven

  • de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep

  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep

  • een akte van [appellanten] met nadere producties

  • een akte van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] met nadere producties

in beide zaken

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 augustus 2026 gelijktijdig in beide zaken is gehouden.

Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2De kern van de zaak

2.1

Op naam van mevrouw [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster) zijn in de periode van 2015 tot aan haar overlijden in 2020 verschillende malen (grote) geldbedragen geschonken aan [geïntimeerden] . Daarnaast zijn in die periode op haar naam ook bedragen geschonken aan [appellanten] . [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] is de (enig) erfgenaam en executeur van erflaatster. Hij vordert van [geïntimeerden] en [appellanten] de terugbetaling van de schenkingen aan de nalatenschap. Daarnaast heeft [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] veroordeling van [geïntimeerden] gevorderd tot betaling van nog een paar andere posten.

2.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] tegen [geïntimeerden] afgewezen, op een relatief kleine andere post na, die wel is toegewezen. [appellanten] hebben verstek laten gaan bij de rechtbank en de vorderingen tegen hen zijn toegewezen.

2.3

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] is in hoger beroep gekomen van de afwijzing van zijn vorderingen en wil dat [geïntimeerden] alsnog worden veroordeeld tot terugbetaling van de schenkingen, omdat sprake zou zijn geweest van misbruik van omstandigheden. Daarnaast wil hij dat [geïntimeerden] worden veroordeeld tot betaling van een post “ongedekte facturen”. [geïntimeerden] hebben geen hoger beroep ingesteld van hun veroordeling tot betaling van de relatief kleine andere post.

2.4

Het hoger beroep van [appellanten] strekt ertoe dat de vorderingen van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] alsnog moeten worden afgewezen. [appellanten] beroepen zich daarvoor op hetzelfde verweer als [geïntimeerden] tegen die vorderingen hadden aangevoerd bij de rechtbank.

2.5

Het hof zal beslissen dat [geïntimeerden] de schenkingen moeten terugbetalen, tenzij zij kunnen bewijzen dat er geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. [geïntimeerden] dienen zich bij akte uit te laten of zij dat bewijs willen leveren en zo ja, op welke wijze. De vordering tot betaling van “ongedekte facturen” wordt afgewezen. Voor [appellanten] geldt voor de aan hen geschonken bedragen hetzelfde als voor de schenkingen aan [geïntimeerden]

3De toelichting op de beslissing van het hof

de feiten

3.1

Erflaatster was getrouwd met de heer [naam] . Hij is in 2004 overleden. Erflaatster is daarna blijven wonen in de voormalige echtelijke woning in [woonplaats2] .

3.2

In 2008 heeft erflaatster haar (laatste) testament gemaakt. Daarin heeft zij tot erfgenamen benoemd de vijf kinderen van haar (aangetrouwde) schoonzuster [naam] . [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] is één van die kinderen. In het testament is hij tevens benoemd tot executeur.

3.3

In juli 2014 is erflaatster gevallen en heeft daarbij haar schouder gebroken. In het kader van haar revalidatie is zij op 1 oktober 2014 opgenomen in woonzorgcentrum [naam2] . Die tijdelijke opname is een blijvende opname geworden, omdat [naam2] dat wenselijk achtte in verband met lichamelijke en psychische problemen bij erflaatster. In [naam2] heeft erflaatster vriendschap opgebouwd met de heer [appellant5] , de (schoon)vader van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] , die daar al verbleef in een aanleunwoning. Via [appellant5] zijn ook [geïntimeerden] in contact gekomen met erflaatster.

3.4

Op 20 augustus 2015 heeft erflaatster een uitgebreide notariële volmacht verstrekt aan [geïntimeerde1] om haar (vermogensrechtelijke) belangen te behartigen.

3.5

Op 6 oktober 2015 is de voormalige echtelijke woning van erflaatster geleverd aan een koper. De notaris heeft op die datum de netto-verkoopopbrengst, € 181.331,32, overgemaakt naar de rekening van erflaatster bij de Rabobank.

3.6

Op diezelfde dag, 6 oktober 2015, zijn door [geïntimeerde1] van die rekening van erflaatster drie bedragen overgeboekt naar de gemeenschappelijke rekening van hem en [geïntimeerde2] , telkens onder de vermelding “schenkingsform”. Het betroffen bedragen van twee keer € 45.000 en een keer € 31.295. Voor die overboekingen heeft [geïntimeerde1] schenkingsformulieren opgesteld; één ten gunste van hemzelf en twee ten gunste van [geïntimeerde2] . In die formulieren verklaart erflaatster dat zij de bedragen heeft geschonken aan [geïntimeerde1] respectievelijk [geïntimeerde2] . Elk van die formulieren is voorzien van een handtekening op naam van erflaatster. Ook in de jaren daarna heeft [geïntimeerde1] geregeld schenkingen op naam van erflaatster overgeboekt. Het betroffen schenkingen aan hem en [geïntimeerde2] , maar ook aan zijn twee zonen, [appellant1] en [appellant3] , en aan hun toenmalige echtgenotes, [appellant2] en [appellant4] . Al die schenkingen heeft [geïntimeerde1] (eerst) overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekening van hem en [geïntimeerde2] . Daarnaast zijn door [geïntimeerde1] ook rechtstreekse schenkingen overgeboekt op de bankrekening van [appellant5] . De laatste overboekingen dateren van 4 mei 2020.
In de periode van 6 oktober 2015 tot en met 4 mei 2020 heeft [geïntimeerde1] de volgende schenkingsoverboekingen verricht:
- € 62.097 voor zichzelf,

- € 137.270 voor [geïntimeerde2] ,

- € 8.475 voor [appellant1] ,

- € 6.346 voor [appellant2] ,

- € 2.000 voor [appellant3] ,

- € 2.000 voor [appellant4] ,

- € 13.369 aan [appellant5] .

In totaal is daarmee van het vermogen van erflaatster € 231.557 weggeschonken.
Van al deze schenkingen zijn ondertekende schenkingsformulieren op naam van erflaatster opgemaakt.

3.7

In een “verslag psychologisch consult” van 5 juni 2019 van het behandelteam Patyna bestemd voor de huisarts van erflaatster, staat als bevindingen van een onderzoek op 22 mei 2019 onder meer:

screening en cognitie
(…)
Resultaten op de Cognitieve Screeningstest liggen onder de grenswaarden, waarbij van dementie wordt gesproken (…). Dit zou betekenen dat er aanwijzingen zijn voor een dementie.
(…)
Samenvatting en conclusie
(…)
Uit neuropsychologische screening komt naar voren dat er sprake is van uitgebreide neurocognitieve problematiek. (…)

3.8

[in] 2020 is erflaatster op 88-jarige leeftijd overleden. [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. De andere erfgenamen hebben de nalatenschap verworpen.

3.9

Op 9 maart 2022 heeft mr. Santema namens [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] [geïntimeerde1] gesommeerd tot terugbetaling van de schenkingen en tot betaling van nog een paar andere posten die [geïntimeerde1] onrechtmatig aan het vermogen van erflaatster zou hebben onttrokken. Ook de andere personen aan wie schenkingen zijn gedaan, zijn gesommeerd tot terugbetaling. De schenkingen zijn daarbij door mr. Santema buitengerechtelijk vernietigd op de voet van artikel 3:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.10

In een beschikking van 23 september 2022 heeft de rechtbank op verzoek van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] een voorlopig deskundigenbericht gelast naar, kort gezegd, de geestelijke vermogens van erflaatster ten tijde van de ondertekening van de volmacht en de schenkingen. In het bijzonder ging het daarbij om de vragen of zij wilsbekwaam was bij het tekenen van de volmacht en of zij in de periode daarna in staat was de (juridische en financiële) gevolgen te overzien van haar handelingen. Als deskundige is benoemd dr. Th. Trompetter.

3.11

In een kort geding vonnis van 26 oktober 2022 heeft de rechtbank de huisarts van erflaatster gelast om aan dr. Trompetter het volledige medisch dossier van erflaatster af te geven over de periode vanaf 2011 tot aan haar overlijden.

3.12

Op 26 april 2023 heeft dr. Trompetter zijn rapport ingediend. In dat rapport staat onder meer het volgende.

(…)
Ad 1: Op 20 augustus was nog geen sprake van dementie.
(…)
Uit gedocumenteerd onderzoek blijkt dat mevrouw sinds haar jeugd vanwege affectieve verwaarlozing persoonlijkheidsproblematiek had ontwikkeld. Op zichzelf betekent dit objectief medisch gezien niet dat zij ten tijde van de ondertekening van de volmacht d.d. 20 augustus 2015 onvoldoende helder van geest was om haar wil te vormen ten aanzien van deze volmacht.

(...)

Zij zal in haar kwetsbare en afhankelijke geestelijke situatie, klagend over eenzaamheid bij weinig contacten met familie, naar mijn overtuiging gevoelig geweest zijn voor positieve aandacht. In die zin was ze bovenmatig beïnvloedbaar.
Ad 2: Het is objectief medisch gezien op grond van de medische rapportages zeker dat er in 2015 een geestelijke stoornis aanwezig was (neurogene affectieve cognitieve problematiek) en kennelijk was ze in haar gedrag functionerend op een kinderlijk niveau (…). Dat haar persoonlijkheid niet goed ontwikkeld was, betekent echter niet met zekerheid dat zij (dus) cognitief cq verstandelijk gezien wilsonbekwaam was. Uit de medische rapportage blijkt niet dat mevrouw verstandelijk gehandicapt was, zij functioneerde tot de opname in [naam2] verstandelijk gezien zelfstandig (al was er in haar gedrag weliswaar het een en ander niet goed ontwikkeld) en er was toen ook nog geen sprake van dementie. Erflaatster was zich mogelijk wel bewust van en in staat om de (op zichzelf algemene en eenvoudige) financiële en juridische gevolgen te overzien van inwerkstelling van de volmacht. (…)

misbruik van omstandigheden; het beroep van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] op artikel 7:176 BW slaagt

3.13

Artikel 3:44 lid 4 BW bepaalt dat misbruik van omstandigheden aanwezig is, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

3.14

Artikel 7:176 BW bepaalt dat indien de schenker feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

3.15

De rechtbank heeft voorop gesteld dat voor de bijzondere bewijsregel van artikel 7:176 BW slechts plaats is als de schenker uitdrukkelijk feiten heeft gesteld waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Volgens de rechtbank heeft [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] niet aan die stelplicht voldaan.

3.16

Tegen dat oordeel is [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] in hoger beroep opgekomen. Hij meent dat hij wel aan zijn stelplicht heeft voldaan. Hij wijst in het bijzonder op de volgende door hem gestelde omstandigheden:
- erflaatster was in oktober 2015 al 83 jaar oud en eenzaam;

- erflaatster had lichamelijke en geestelijke problemen;
- er was bij haar aangeboren hersenletsel waardoor zij op het niveau van een kind acteerde;

- erflaatster was voor haar financiën volledig afhankelijk van [geïntimeerde1] ; erflaatster kon niet met de computer omgaan en had nog nooit internet gebankierd. Zij kon niet controleren wat [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] deed, omdat zij geen bankafschriften kreeg. Zij had ook geen enkele belangstelling voor financiën en had daar geen overzicht over;

- de schenkingen passen niet in goed vermogensbeheer. In oktober 2015 had zij nog een box 3 vermogen van € 308.883 en bij haar overlijden was haar vermogen nog maar € 6.316;

- er zijn grote bedragen geschonken aan personen die erflaatster voor haar opname in [naam2] nog niet kende.

3.17

Voor de onderbouwing van zijn stellingen heeft [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] verwezen naar door hem overgelegde schriftelijke verklaringen van bekenden van erflaatster, het rapport van Trompetter, verslagen van [naam2] die zijn opgemaakt over erflaatster, bankbescheiden en aangiften inkomstenbelasting.

3.18

De bescheiden bieden inderdaad onderbouwing voor de stellingen. In het bijzonder komt uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van bekenden van erflaatster eenduidig het beeld naar voren van erflaatster als iemand die altijd al kinderlijk gedrag vertoonde, snel boos en verongelijkt was, chaotisch was, en geen belangstelling had voor financiële zaken en het overzicht daarover ook miste. Ook komt daaruit naar voren dat zij na het overlijden van haar man vereenzaamde en geestelijk minder werd. Dat beeld van een kwetsbare oudere wordt bevestigd door verslagen van [naam2] . Daarin wordt verder vermeld dat niet alleen sprake was van lichamelijke problemen, maar dat ook psychische problematiek aanwezig was. Weliswaar ontbreekt rapportage voor de onderbouwing van de stelling dat erflaatster vanwege aangeboren hersenletsel functioneerde als een kind - een (oud) rapport van professor Bladergroen waarin dat zou staan ontbreekt in het dossier -, maar dat bij erflaatster psychische problematiek aanwezig was en dat zij kinderlijk gedrag kon vertonen, is voldoende onderbouwd. Trompetter benadrukt in zijn rapport daarnaast nog dat erflaatster zich eenzaam voelde en bovenmatig beïnvloedbaar was.

3.19

Daarmee heeft [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] voldoende feiten en omstandigheden onderbouwd gesteld waaruit volgt dat bij erflaatster sprake was van een abnormale geestestoestand. In die feiten en omstandigheden ligt ook het causale verband tussen de buitengewone omstandigheden en de schenkingen genoegzaam besloten. [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] heeft dan ook voldaan aan zijn stelplicht die volgt uit artikel 7:176 BW. Onder de aangevoerde omstandigheden hadden [geïntimeerden] niet behoren mee te werken aan de schenkingen (bijvoorbeeld door zelf de overboekingen te verrichten), maar hadden zij integendeel erflaatster daarvan behoren te weerhouden. Of in ieder geval hadden zij ervoor moeten zorgen dat de schenkingen notarieel werden vastgelegd. Nog hogere eisen stellen aan de stelplicht, zoals de rechtbank kennelijk heeft gedaan, miskent de beschermingsgedachte voor de (kwetsbare) schenker die ten grondslag ligt aan artikel 7:176 BW.

3.20

Op [geïntimeerden] rust dus de bewijslast dat de schenkingen niet zijn verricht door misbruik te maken van omstandigheden. Een bewijslast die [geïntimeerden] eenvoudig hadden kunnen vermijden door de schenking notarieel te laten vastleggen. Dat had in dit geval helemaal voor de hand gelegen, omdat er betrekkelijk kort voor de (aanzienlijke) schenkingen van 6 oktober 2015 nog contact was geweest met de notaris over de volmacht en de overdracht van de woning. Dat dit toch niet is gebeurd, versterkt het vermoeden dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. [geïntimeerde1] heeft nog wel verklaard dat hij er achteraf spijt van heeft dat de notaris niet is ingeschakeld voor de schenkingen, maar tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij over geen van de schenkingen schenkbelasting heeft afgedragen. Dat doet er aan twijfelen of [geïntimeerde1] achteraf gezien daadwerkelijk de notaris had willen inschakelen, want dan had hij ongetwijfeld wel schenkbelasting moeten afdragen. Ook het feit dat geen aangifte is gedaan voor de schenkbelasting versterkt het vermoeden dat bij de schenkingen sprake was van misbruik van omstandigheden.

3.21

Het hof is niet gebleken van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:176 BW die met zich brengen dat het toch in strijd zou zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid om [geïntimeerden] te belasten met het bewijs dat geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. [geïntimeerde1] heeft daarvoor aangevoerd dat hij niet meer (volledig) kan beschikken over de door hem voor erflaatster gevoerde administratie omdat wat daarvan lag in het appartement van erflaatster door anderen is weggegooid, en dat hij ook geen toegang heeft tot bescheiden uit de administratie van [naam2] en van de notaris. Die omstandigheden zijn echter onvoldoende om af te wijken van de bewijslastverdeling van artikel 7:176 BW. Overigens is veel van de administratie van erflaatster en van [naam2] wel beschikbaar en hebben [geïntimeerden] niet concreet aangegeven en onderbouwd over welke documenten zij wel zouden willen beschikken maar waartoe zij geen toegang hebben.

verwerping van het beroep van [geïntimeerden] op verjaring.

3.22

Het verweer van [geïntimeerden] dat het beroep van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] op misbruik van omstandigheden verjaard zou zijn, wordt verworpen. Artikel 3:52 BW bepaalt dat de verjaringstermijn voor een vordering tot vernietiging van een rechtshandeling wegens misbruik van omstandigheden eindigt drie jaar nadat de invloed heeft opgehouden te werken. In dit geval was dat pas met de dood van erflaatster. De verjaringstermijn eindigde dus [in] 2023. Ruim binnen die termijn heeft mr. Santema namens [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] de buitengerechtelijke vernietiging van de schenkingen ingeroepen, ook vanwege misbruik van omstandigheden. Verder is ook de dagvaarding nog binnen die termijn uitgebracht.

[geïntimeerden] hebben niet bewezen dat geen misbruik is gemaakt van omstandigheden

3.23

[geïntimeerden] hebben gesteld dat zij geen misbruik hebben gemaakt van omstandigheden. Zij hebben aangevoerd dat zij geen wetenschap hadden van geestesstoornissen bij erflaatster, dat zij haar voor intelligent hielden, dat de wil om te schenken bij erflaatster aanwezig was en dat zij op die wil geen invloed hebben uitgeoefend. Als (nadere) onderbouwing daarvoor hebben zij erop gewezen dat erflaatster onthutst was door de hoogte van de CAK-bijdragen die zij moest betalen voor haar verblijf in [naam2] en dat zij in verband hiermee door het doen van schenkingen haar vermogen wilde verlagen. Ook hebben zij gemeld dat erflaatster door anderen was geadviseerd om met de “warme hand” te schenken, omdat dat fiscaal gunstiger was.

Van een en ander hebben zij echter geen bewijs geleverd.

3.24

Voor de stelling dat erflaatster wilde schenken om minder CAK-bijdrage te betalen is weliswaar enige steun te vinden in de verslagen van [naam2] , die er melding van maken dat erflaatster niet begreep dat zij CAK-bijdragen moest betalen en andere bewoners niet of minder. Maar daaruit blijkt nog niet dat erflaatster ook de wil had om haar vermogen weg te schenken. Voor de stelling dat haar was geadviseerd met de “warme hand” te schenken ontbreekt iedere onderbouwing. Bovendien valt niet in te zien dat schenkingen aan niet-familieleden die geen erfgenaam zijn, schenkingen zijn die met “de warme hand” worden gedaan; zij voorkomen niet de betaling van (successie)belastingen (als wordt voldaan aan de verplichting om aangifte te doen van schenkbelasting). Ook zijn de schenkingen doorgegaan nadat het vermogen van erflaatster was gedaald tot onder het toetsbedrag dat het CAK hanteert.

3.25

Verder laat de stelling van [geïntimeerden] dat zij geen invloed hebben gehad op de schenkingswil van erflaatster, zich moeilijk rijmen met de omstandigheid dat er nog schenkingen zijn gedaan tot vlak voor het overlijden van erflaatster, op een moment dat al was vastgesteld dat bij haar sprake kon zijn van dementie. Dat [geïntimeerden] van die geestesgesteldheid toen niets gemerkt hebben, is niet geloofwaardig en kleurt ook hun verklaring dat zij in de periode daarvoor niets hebben gemerkt van een bijzondere kwetsbaarheid van erflaatster. Daarbij wordt nog opgemerkt dat [geïntimeerde1] op de zitting in hoger beroep een andere verklaring heeft afgelegd over hoe de schenkingen van 4 mei 2020 hebben plaatsgevonden - door uitwisseling van schenkingsverklaringen via de receptie van [naam2] - dan tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank - hij bezocht erflaatster met blauw schort voor en mondkapje. Die wisselende verklaringen op een cruciaal punt - zijn de schenkingsverklaringen tijdens de lock down ook door erflaatster zelf ondertekend - roept verdere twijfel op over de geloofwaardigheid van zijn verklaringen op andere punten.

3.26

[geïntimeerden] hebben nog gewezen op een door hen overgelegde schriftelijke verklaring van de eerstverantwoordelijke verzorger van erflaatster, die haar beschrijft als mentaal zeer zelfstandig en duidelijk. Aan die verklaring hecht het hof echter minder waarde, omdat die verklaring afwijkt van gespreksverslagen van [naam2] , waaraan die eerstverantwoordelijke heeft deelgenomen en die een heel ander beeld schetsen van erflaatster.
3.27 Ook de eigen verklaringen van [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandelingen bij de rechtbank en in hoger beroep, acht het hof ontoereikend voor het bewijs dat geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. Ook niet gevoegd bij de verklaringen van [appellant1] en [appellant3] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep.

In het licht van de overige omstandigheden in deze zaak acht het hof hun verklaringen dat zij bij erflaatster niets ongewoons hebben bemerkt van onvoldoende gewicht om tot het oordeel te komen dat geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden.

nadere bewijslevering door [geïntimeerden] ?

3.28

[geïntimeerden] hebben aangegeven dat als de bewijslast op hen mocht komen te rusten voor hen wel duidelijk moet zijn waar zij het bewijs van dienen te leveren. Dat zij geen andere bescheiden in het geding kunnen brengen dan zij al gedaan hebben en dat zij alleen zichzelf nog als getuigen kunnen aanbieden, maar dat zij over niet meer kunnen verklaren dan over hun momenten met erflaatster.

3.29

Met deze uitspraak is duidelijk dat [geïntimeerden] zullen moeten bewijzen dat geen sprake is van de omstandigheden die door [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] ten grondslag zijn gelegd aan de stelling dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden bij de schenkingen die zijn gedaan op naam van erflaatster.
Het hof zal [geïntimeerden] in de gelegenheid stellen om bij akte aan te geven of zij dat bewijs willen leveren en zo ja, op welke wijze. Het hof zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol.

eventuele bewijslevering strekt zich niet over schenkingen gedaan na 22 mei 2019

3.30

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] heeft aangevoerd dat schenkingen gedaan na 22 mei 2019 nietig zijn vanwege wilsontbreken bij erflaatster. Uit het onderzoeksrapport van 5 juni 2019 met de bevindingen van een onderzoek verricht op 22 mei 2019 leidt het hof af dat op 22 mei 2019 bij erflaatster inmiddels sprake was van dementie. De schenkingen die na die datum zijn gedaan zijn daarom inderdaad nietig vanwege wilsontbreken, zoals voor dat geval door [geïntimeerden] ook is erkend.
Daarmee zijn schenkingen aan [geïntimeerden] tot een bedrag van in totaal € 22.346 nietig. [geïntimeerden] zullen bij eindarrest dus in ieder geval tot terugbetaling van dat bedrag worden veroordeeld, ongeacht de uitkomst van de (nadere) bewijslevering.

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] heeft geen aanspraak op betaling door [geïntimeerden] van € 18.145,67 aan “ongedekte facturen”

3.31

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] heeft betaling door [geïntimeerden] gevorderd van een € 18.145,67 aan “ongedekte facturen”. Die vordering berust op een opstelling die [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] van [geïntimeerden] heeft ontvangen. Op dat overzicht staan diverse kosten die [geïntimeerde1] bij erflaatster in rekening heeft gebracht voor verschillende diensten en voorgeschoten kosten. [geïntimeerden] hebben het overzicht als zodanig niet bestreden, maar hebben aangevoerd dat daarin ook kosten zitten die vallen onder het bedrag van € 6.546 dat zij al aan [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] hebben voldaan op grond van het vonnis van 12 maart 2025. Verder stellen zij dat de uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan, maar dat de bonnen die dat kunnen aantonen zijn verdwenen uit het appartement van erflaatster.

3.32

[appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] kon tijdens de mondelinge behandeling niet weerspreken dat in de vordering uit “ongedekte facturen” ook het bedrag van € 6.546 zit begrepen dat [geïntimeerden] al hebben terugbetaald. Voor de overige uitgaven die op het overzicht staan geldt dat [geïntimeerde1] als gevolmachtigde van erflaatster bevoegd was bedragen voor te schieten en weer terug te halen bij erflaatster. Uit de volmacht kan niet een op [geïntimeerde1] rustende verplichting worden afgeleid om iedere (voorgeschoten) uitgave ook met onderliggende bonnen te verantwoorden. Het is daarom aan [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] om eerst gemotiveerd te stellen dat bepaalde voorgeschoten uitgaven in werkelijkheid niet zullen zijn gedaan. Daarin is [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] tekort geschoten. Zeker, omdat van bepaalde uitgaven op voorhand wel aannemelijk is dat die daadwerkelijk zijn gedaan. Bij wijze van voorbeeld: op het overzicht komt voor een voorgeschoten uitgave “achterstallige aanmaning” CAK van € 2.087,46. Zonder gemotiveerde betwisting door [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] , is op zichzelf wel aannemelijk dat die uitgave is gedaan, gelet op het ontbreken van financieel overzicht bij erflaatster.

De vordering uit “ongedekte facturen” zal bij eindarrest dus worden afgewezen.

de conclusie wat betreft [geïntimeerden]

3.33

Het hof heeft in dit arrest een aantal bindende beslissingen gegeven, maar komt nog niet tot een eindarrest. Eerst zullen [geïntimeerden] in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag of en zo ja, op welke wijze zij bewijs willen leveren als in overwegingen 3.28 en 3.29 aangegeven.

De grief van [appellanten]

3.34

[appellanten] hebben erover geklaagd dat de rechtbank de door [geïntimeerden] gevoerde verweren tegen de vorderingen van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] niet ook heeft meegewogen in hun zaak. Zij beroepen zich in hoger beroep op die verweren.

3.35

De rechtbank heeft gemotiveerd waarom zij die verweren niet heeft meegewogen, met uitzondering van het (aanvaarde) verweer dat bij erflaatster geen sprake was van wilsontbreken. Tegen die motivering hebben [appellanten] geen argumenten ingebracht. Daarmee faalt die grief. Overigens hebben [appellanten] ook geen belang bij de beoordeling van die grief; in hoger beroep zullen die verweren alsnog worden beoordeeld, omdat [appellanten] hun hoger beroep hebben gegrond op die verweren.

3.36

In hoger beroep heeft [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] alleen zijn stelling gehandhaafd dat bij de schenkingen op naam van erflaatster sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. Alleen die grondslag voor de vorderingen van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] ligt in hoger beroep dus ter beoordeling voor en daarvoor geldt wat het hof hiervoor heeft overwogen, namelijk dat van misbruik van omstandigheden moet worden uitgegaan behoudens bewijs van het tegendeel. [appellanten] zelf hebben geen bewijsaanbod gedaan. Het hof beschouwt de schenkingen echter als één geheel en is daarom van oordeel dat beslissingen in de ene zaak over de vernietigbaarheid/nietigheid van de schenkingen ook gelden voor de andere zaak. Als in zaak tussen [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] en [geïntimeerden] mocht komen vast te staan dat de schenkingen niet tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden, zal dat dus ook gelden voor deze zaak.

3.37

Ook in deze zaak geldt dat schenkingen die zijn gedaan na 22 mei 2019 nietig zijn, ook al heeft [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] zich daar in deze zaak niet afzonderlijk op beroepen. Dat betekent dat [appellant1] in ieder geval blijft gehouden tot terugbetaling van € 2.173, [appellant2] tot terugbetaling van € 2.173 en (de erfgenamen van) [appellant5] tot terugbetaling van € 2.723.


het incidentele hoger beroep van [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] in de zaak tegen [appellanten] is nodeloos ingesteld en het beroep van [appellanten] op verjaring faalt.

3.38

Het door [appellant in zaak 200.355.521 en geïntimeerde in zaak 200.356.356] ingestelde incidentele hoger beroep is nodeloos ingesteld. Zijn verweer tegen het beroep van [appellant5] c.s op verjaring dient al betrokken te worden bij de beoordeling van de vorderingen van [appellanten] in het door hen ingestelde hoger beroep.
Op dezelfde overwegingen als in de zaak met nummer 200.355.521 onder randnummer 3.22 faalt dat beroep op verjaring.
Omdat het beroep nodeloos is ingesteld zullen daaraan bij de einduitspraak in die zaak geen kosten aan worden toegerekend.

de slotsom

3.39

Iedere verder beslissing in beide zaken zal worden aangehouden.

4De beslissing

Het hof:

In zaak 200.355.521
- stelt [geïntimeerden] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten zoals hiervoor onder 3.28 en 3.29 bepaald en verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 20 oktober 2026;

In beide zaken

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, J.H. Kuiper en J.G. Knot en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

22 september 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733