Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-10-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6471

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep gezag en omgang. Vader trekt schorsingsverzoek en verzoek artikel 810 lid 2 Rv in; vader is niet-ontvankelijk in schorsing. Hof betrekt het Verdrag van Istanbul expliciet: veiligheid moeder en kind staat voorop. Ernstig huiselijk geweld, trauma bij kind, langdurig verblijf vader in tbs-kliniek, geen communicatie en geen betrokkenheid. Toets aan art. 1:251 lid 2 BW, art. 1:253n i.c.m. art. 1:251a lid 1 BW, art. 1:377e BW en art. 1:377a lid 3 BW. Moeder houdt eenhoofdig gezag; geen omgangsregeling.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

"Gezamenlijk gezag omvat meer dan het zetten van een handtekening"
Moeder krijgt eenhoofdig gezag na huiselijk geweld vader, ook al gaf hij steeds toestemming. Gedwongen contact en overleg met vader zijn strijdig met Verdrag van Istanbul: moeder en kind moeten worden beschermd. Ook geen omgang.

Datum publicatie15-10-2026
Zaaknummer200.370.298
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
Trefwoorden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Artikel 1:251 lid 2 BW, artikel 1:253n in combinatie met artikel 1:251a lid 1 BW, artikel 1:377e BW, artikel 1:377a lid 3 BW
Verdrag van Istanbul Gezag en omgang

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.370.298/01 en 200.370.298/02

(zaaknummer rechtbank Overijssel 331567)

beschikking van 8 oktober 2026

over [de minderjarige] ,

in de zaak van

[verzoeker] (de vader)

die thans verblijft in [kliniek] in [woonplaats1]

advocaat: mr. S.R. van Laar

en

[verweerster] (de moeder)

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. W. Geersen-Janssen

1Samenvatting

De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de moeder met ingang van 9 maart 2026 eenhoofdig wordt belast met het gezag over [de minderjarige] . Ook heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een zorgregeling te bepalen, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2De feiten

2.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (verder: [de minderjarige] ), geboren [in] 2015 in [woonplaats2] . Tot de beslissing van de rechtbank oefenden de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .

2.2

Bij beschikking van 8 maart 2023 heeft de rechtbank de zorg- en contactregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 26 november 2017 en de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2020 en het vonnis van 30 november 2020, voor zover die zien op de (voorlopige) zorg- en contactregeling gewijzigd, en bepaald dat tussen de vader en [de minderjarige] geen zorg- en contactregeling geldt. Verder heeft de rechtbank bij die beschikking aan de moeder een informatieverplichting opgelegd en het verzoek van de moeder om met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] belast te worden, afgewezen.

2.3

Bij beschikking van 7 juli 2025 heeft de rechtbank de beslissing over de zorgregeling en de gezagsvoorziening aangehouden in afwachting van de hulpverlening van [naam1] .

3De procedure bij de rechtbank

3.1

De vader heeft de rechtbank verzocht een zorgregeling tussen hem en [de minderjarige] te bepalen. De moeder heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat zij alleen met het gezag over [de minderjarige] wordt belast.

3.2

De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag beëindigd en bepaald dat de moeder met ingang van 9 maart 2026 eenhoofdig is belast met het gezag over [de minderjarige] en het verzoek van de vader afgewezen.

3.3

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 maart 2026.

4De procedure bij het hof

4.1

De vader is het niet eens met die beslissing. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking schorst. Ook wil hij dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en dat de ouders gezamenlijk belast blijven met het gezag over [de minderjarige] . Verder wil hij dat alsnog de zorg-/omgangsregeling zoals verzocht aan de rechtbank wordt vastgesteld. Tot slot verzoekt hij een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke deskundige als bedoeld in artikel 810 lid 2 Rv.

4.2

De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.3

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift met het verzoek tot schorsing ontvangen op 9 juni 2026

  • het verweerschrift

  • het stuk van de moeder ingediend op 17 september 2026

4.4

[de minderjarige] heeft een brief geschreven. Hij heeft verteld wat hij vindt van het gezag en het contact met de vader.

4.5

De zitting was op 24 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader bijgestaan door zijn advocaat

- de moeder bijgestaan door haar advocaat

- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad)

5Het oordeel van het hof

In de zaak met nummer 200.370.298/02 (het schorsingsverzoek)

5.1

Namens de vader is op de zitting het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de vader de gronden van het schorsingsverzoek niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek tot schorsing.

In de zaak met zaaknummer 200.370.798 (de hoofdzaak)

5.2

Namens de vader is het verzoek tot het gelasten van een onderzoek als bedoeld in artikel 810 lid 2 Rv ingetrokken, zodat het hof daarop niet meer hoeft te beslissen.

Wat vindt het hof in deze zaak van belang om bij de beslissing rekening mee te houden?

5.3

Bij het nemen van een beslissing over kinderen staat het belang van het kind voorop (artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind) . Ook het belang van de verzorgende ouder van het kind moet door de rechter worden meegenomen bij het nemen van een beslissing. Vaak zijn deze belangen niet te onderscheiden en lopen ze parallel. Wanneer de belangen van de verzorgende ouder worden geschaad door de andere ouder, met als gevolg dat de verzorgende ouder lichamelijke of psychische schade oploopt, zal dit namelijk ook schadelijke gevolgen hebben voor het kind. Het kind is immers, om zich op een gezonde en evenwichtige manier te kunnen ontwikkelen, afhankelijk van het welzijn en welbevinden van deze ouder.

5.4

In 2017 heeft een incident plaatsgevonden waarbij de vader fors geweld heeft gebruikt tegen de moeder, waarvan [de minderjarige] getuige is geweest. [de minderjarige] was toen nog geen twee jaar oud. De vader heeft op de zitting gezegd dat hij voor dat geweld strafrechtelijk is veroordeeld en dat aan hem een tbs-maatregel is opgelegd. Het hof beschikt niet over de strafrechtelijke stukken daarvan. De vader heeft de afgelopen jaren in een tbs-kliniek verbleven en verblijft daar nog steeds. Hoewel de vader dat betwist, blijkt uit het dossier dat [de minderjarige] is gediagnosticeerd met PTSS door de traumatische ervaringen die hij heeft meegemaakt als baby/peuter. Voor het hof is in elk geval voldoende komen vast te staan dat [de minderjarige] getraumatiseerd is geraakt, dat de vader een grote rol heeft gespeeld in de totstandkoming van dat trauma en dat [de minderjarige] nog steeds last heeft van de gevolgen van dat trauma. [de minderjarige] krijgt al geruime tijd hulpverlening, eerst van [naam2] en nu van [naam1] . Door gedragsproblemen is [de minderjarige] enkele jaren geleden overgestapt van het regulier onderwijs naar het speciaal basisonderwijs. [de minderjarige] wil geen contact met de vader en is daar consequent in. Bij de moeder is sprake van angstgevoelens richting de vader. Er was een contactverbod tussen de moeder en de vader.

5.5

Van huiselijk geweld tegen een (ex)partner zijn ook kinderen slachtoffer, zelfs wanneer zij niet zelf getuige waren van het geweld. Op allerlei manieren kunnen zij het verbale en fysieke geweld waarnemen en geconfronteerd worden met de gevolgen ervan. De moeder en [de minderjarige] hebben recht op veiligheid en rust, en recht op bescherming hiervan door de overheid en de rechter.

Internationaal recht over huiselijk geweld en familierecht

5.6

Op 1 maart 2016 is in Nederland in werking getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld.

In de Memorie van Toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanbul staat bij artikel 2 lid 2 dat het verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, dus ook mannen en kinderen. In dezelfde Memorie van Toelichting staat bij artikel 31 (over voogdij, omgangsregeling en veiligheid) dat ingevolge het eerste lid van artikel 31 Verdragspartijen wetgevende of andere maatregelen moeten nemen teneinde te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag. Het tweede lid van artikel 31 verplicht Verdragspartijen te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

5.7

In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar op grond van het Verdrag van Istanbul is het vanzelfsprekend dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet (gaan) doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal daarom ook centraal moeten staan bij de te nemen beslissing over het ouderlijk gezag. Voor het hof betekent dit dat het bij de beslissing in deze zaak er rekening mee zal houden dat de rechten en de veiligheid van de moeder en van [de minderjarige] gewaarborgd zijn.

Gezag

5.8

Het hof zal, net als de rechtbank, bepalen dat de moeder alleen het gezag over [de minderjarige] heeft. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel. Het hof zal hierna zijn beslissing uitleggen.

5.9

Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders die gezamenlijk het gezag hebben dit gezag ook als zij niet meer samen zijn gezamenlijk blijven uitoefenen. 1 Alleen in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat dit wordt gewijzigd en één van de ouders alleen met het gezag wordt belast. Zo moet zich een relevante wijziging van omstandigheden hebben voorgedaan of is er bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens uitgegaan. Daarnaast moet sprake zijn van een situatie waardoor handhaving van het gezamenlijk gezag ofwel het onaanvaardbaar risico met zich brengt dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders ofwel het anderszins in zijn of haar belang noodzakelijk is dat voortaan alleen één ouder met het gezag belast is. 2

5.10

Tussen de ouders is niet in geschil is dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een beoordeling van het gezag rechtvaardigt.

5.11

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat alleen de moeder met het gezag wordt belast. Het hof sluit aan bij de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over en voegt hieraan het volgende toe.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders in staat zijn om in onderling overleg beslissingen te nemen over de verzorging en opvoeding van hun kind, op een wijze die niet belastend is voor het kind. Deze minimaal noodzakelijke basis ontbreekt in dit geval. De verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord. Er is sprake van een groot onderling wantrouwen. Afgezien van de berichten die de moeder op grond van haar informatieplicht aan de vader stuurt, vindt er geen communicatie plaats. Daarnaast is de vader al geruime tijd niet meer actief betrokken in het leven van [de minderjarige] . De vader verblijft al jaren in een tbs-kliniek. Het laatste contact tussen de vader en [de minderjarige] was twee jaar geleden. Hoewel niet is gebleken dat de vader gezagsbeslissingen heeft tegengehouden, heeft hij de afgelopen jaren geen uitvoering gegeven aan zijn gezag. De vader was slechts op afstand betrokken bij [de minderjarige] . De moeder voert in dat verband aan dat de vader zelf nauwelijks actie onderneemt om betrokken te zijn in het leven van [de minderjarige] en dat de vader niet reageert op haar berichten over hoe het met [de minderjarige] gaat. De vader heeft die stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist. De moeder is al jaren de hoofdopvoeder van [de minderjarige] . Dat betekent dat de vader inmiddels weinig zicht heeft op de vraag welke beslissingen het belang van [de minderjarige] het meest dienen. Dat de vader stelt dat hij altijd heeft getekend voor toestemming wanneer de moeder daarom vroeg, maakt dit niet anders. Immers omvat het uitvoeren van het gezamenlijk gezag meer dan het zetten van een handtekening. Ten slotte overweegt het hof dat gezamenlijk gezag in strijd zou zijn met de uitgangspunten van het Verdrag van Istanbul. De moeder en [de minderjarige] moeten immers in hun veiligheid worden beschermd tegen de vader. Het dwingen van de moeder tot contact en overleggen met de vader over beslissingen over [de minderjarige] is hiermee in strijd, en valt ook niet te rijmen met de veroordeling door de strafrechter van de vader tot een tbs-maatregel in verband met geweld tegen de moeder.

De omgangsregeling

5.12

Het hof zal, net als de rechtbank, geen omgangsregeling vaststellen tussen [de minderjarige] en de vader. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel. Het hof zal hierna zijn beslissing uitleggen.

5.13

De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 3

5.14

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 4

5.15

Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat geen omgangsregeling met de vader wordt vastgesteld. Het hof sluit aan bij de door de rechtbank gegeven motivering. Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over en voegt hieraan het volgende toe. [de minderjarige] is een zeer kwetsbaar kind, onder andere doordat hij op hele jonge leeftijd werd geconfronteerd met geweld van de vader richting de moeder. [de minderjarige] ontvangt nog steeds professionele hulpverlening in verband met het trauma dat hij daardoor heeft opgelopen. [de minderjarige] is inmiddels elf jaar oud en zegt al jaren (ook aan hulpverleners en buiten het bijzijn van de moeder) dat hij geen contact wil met de vader. Hij is consequent en duidelijk in die mening. [de minderjarige] heeft nu al twee jaar geen contact meer met de vader. Volgens [naam1] is bij [de minderjarige] sindsdien meer rust ontstaan. [naam1] heeft, rekening houdend met de kwetsbaarheden en mogelijkheden van [de minderjarige] , in 2025 gesprekken gevoerd met [de minderjarige] om de mogelijkheden voor contact met de vader te onderzoeken. [naam1] concludeert dat [de minderjarige] kwetsbaar is en blijft, en dat het belangrijk is om zijn wensen te respecteren. Daarnaast is het essentieel dat hij zelf regie behoudt en de ruimte krijgt om zijn eigen keuzes te maken, zonder druk vanuit zijn omgeving, ook wanneer hij in de toekomst wél open zou staan voor contactherstel met zijn vader, aldus [naam1] . De raad heeft op de zitting geadviseerd geen omgangsregeling vast te stellen. De raad adviseert dat, gelet op de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en zijn leeftijd, zijn standpunt gerespecteerd moet worden. [de minderjarige] dient zelf de regie te hebben over contact met de vader. De rust waar [de minderjarige] om vraagt is nodig om hem tot ontwikkeling te laten komen. Gedwongen contact zou op dit moment een averechts effect hebben, aldus de raad. Het hof sluit zich na eigen onderzoek aan bij dat advies. Daarbij overweegt het hof verder dat omgang tussen de vader en [de minderjarige] in strijd zou zijn met de hierboven geformuleerde uitgangspunten van het Verdrag van Istanbul. De moeder en [de minderjarige] moeten immers in hun veiligheid worden beschermd tegen de vader. Gedwongen omgang met de vader is hiermee in strijd.

Proceskosten

5.16

Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), vanwege de aard van de zaak (een familierechtelijke aangelegenheid).

6De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met nummer 200.370.298/02

verklaart de vader niet-ontvankelijk;

in de zaak met nummer 200.370.298/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 9 maart 2026;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os-ten Have en A.T. Bol en is op 8 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

Artikel 1:251 lid 2 BW

2

Artikel 1:253n in combinatie met artikel 1:251a lid 1 BW

3

artikel 1:377e BW

4

artikel 1:377a lid 3 BW



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733