Essentie (gemaakt door AI)
Verzetzaak over bruidsgave naar Iraans recht. Vaststaat dat partijen in Iran niet gescheiden zijn. De rechtbank oordeelt dat echtscheiding geen voorwaarde is voor aanspraak op de bruidsgave; de vrouw kan deze op grond van art. 1082 IBW vorderen. Geen afstand of verplichting daartoe door de vrouw. Waardeering: vrouw mag munten of tegenwaarde kiezen; aanspraak op 200 munten of €104.360. Wegens beperkte draagkracht man betaling deels in termijnen: 110 munten direct (of €57.398) en het restant minimaal één munt per jaar.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 15-10-2026 |
| Zaaknummer | C/05/450790 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR huwelijksvermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzet. Bruidsgave naar Iraans recht. De echtscheiding is geen voorwaarde om een beroep op de bruidsgave te kunnen doen. Partijen zijn in Iran niet gescheiden. Daardoor komt de rechtbank niet toe aan de vraag welke echtscheidingsvorm van toepassing zou zijn. Geen situatie dat de vrouw afstand heeft gedaan of zou moeten doen van de bruidsgave. Wel deels betaling in termijnen vanwege de draagkracht van de man.Volledige uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/450790 / HA ZA 25-169
vonnis in verzet van 7 oktober 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. K. Mohasselzadeh in Voorburg,
tegen
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. D. Rezaie in Amsterdam.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het vonnis in verzet van 6 mei 2026;
-
het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 augustus 2026, bij welke behandeling zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk.
Het dossier in de zaak met zaaknummer C/05/421523 / HA ZA 23-298 met het vonnis van 2 augustus 2023 maakt onderdeel uit van deze procedure. In dat vonnis is verstek verleend aan de man. De rechtbank heeft in het vonnis de man veroordeeld om de overeengekomen bruidsgave aan de vrouw te voldoen door 200 volle (1) Bahar-e Azadi gouden munten dan wel de waarde daarvan ad € 104.260,00 (honderdvierduizend driehonderdzestig euro) aan de vrouw te overhandigen respectievelijk te vergoeden, te voldoen binnen vier weken na de datum van het vonnis. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man is tegen dit vonnis in verzet gegaan.
De man heeft in de verzetdagvaarding tevens gevorderd om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 2 augustus 2023 te schorsen totdat op de hoofdzaak is beslist. Bij vonnis in incident van 9 juli 2025 is deze vordering van de man afgewezen en zijn de kosten van het incident tussen partijen gecompenseerd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] in Teheran, Iran.
Zij hebben de Iraanse nationaliteit.
Partijen zijn bij het huwelijk een huwelijksakte overeengekomen, waarin staat vermeld (vertaald naar de Engelse taal
1), voor zover hier van belang:
(…) Marriage Portion: One volume of holy book Quran, a mirror and a pair of candlesticks, some sugar candy, 200 pieces of One-Bahar-e Azadi gold coin and a Hajj, pilgrimage to Mecca, which remain due en payable by the husband to the wife on her demand. (…)
On the following cases the wife can apply to the court for the issuance of divorce certificate as follows:
1. Husband’s none-support of the wife, or his failure to discharge other maritual duties for a period of six months, provided that he cannot be compelled to carry out the same. (…)
8. If the man leaves the marriage life without any justified reason and considering the justified reason is with the court or for six consecutive months be absent without justified reason in court’s law. (…)
12. If the man marries another wife without the permission of his previously married wife or does not observe justice among his wives in view of the court.
Samengevat komt dit erop neer dat de bruidsgave onder meer 200 stuk 1-Bahar-e Azadi gouden munt omvat. Verder zijn partijen in aanvulling op het Iraanse Burgerlijk Wetboek (hierna: IBW) enkele omstandigheden overeengekomen waaronder de vrouw gerechtigd is de echtscheiding aan te vragen.
Partijen zijn Iran ontvlucht. De man is als eerste van het gezin naar Nederland gekomen en bezit een verblijfsvergunning. De vrouw is de man met de beide kinderen van partijen nagereisd.
Bij beschikking van 5 april 2023 heeft deze rechtbank op verzoek van de vrouw naar Nederlands recht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder meer een bedrag aan kinderalimentatie van € 150 per kind per maand ten laste van de man vastgesteld. De man is niet verschenen in die procedure.
De man heeft tijdens zijn werk een bedrijfsongeval gehad. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag is de door de man te betalen kinderalimentatie verlaagd naar € 25 per kind per maand.
De vrouw incasseert door middel van loonbeslag € 80 per maand bij de man op grond van het verstekvonnis van 2 augustus 2023.
3Het geschil
De man vordert om het bij verstek gewezen vonnis te vernietigen en alle vorderingen van de vrouw af te wijzen.
Primair stelt de man dat de vrouw naar Iraans recht door het indienen van het echtscheidingsverzoek afstand heeft gedaan van haar aanspraak op de bruidsgave. Het echtscheidingsverzoek van de vrouw in Nederland was namelijk niet gebaseerd op een van de echtscheidingsgronden die volgen uit de (Iraanse) wet of uit de huwelijksakte van partijen. Nu de vrouw in Nederland heeft verzocht om een echtscheiding op de grond dat het huwelijk duurzaam was ontwricht heeft verzocht, en intussen ook daadwerkelijk gescheiden woont van de man, dient zij de man te compenseren door afstand te doen van haar bruidsgave.
Subsidiair stelt de man dat de waarde van de gouden munten niet op de juiste wijze is berekend. Voor het bepalen van het bedrag dat in de plaats van de munten betaald moet worden, moet namelijk aangesloten worden bij de goudprijs op de dag dat de bruidsgave voor het eerst is gevorderd. Hij verwijst daartoe naar een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) van 11 april 2024 aan Gerechtshof Den Haag.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de vordering van de man en handhaving van het verstekvonnis.
4De beoordeling
De rechtbank heeft in het vonnis van 2 augustus 2023 de vordering van de vrouw over de bruidsgave beschouwd als een nevenvoorziening bij de echtscheiding. Daarbij is overwogen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht had omdat zij ook rechtsmacht had met betrekking tot de echtscheiding. Omdat het verzet is gericht tegen dit vonnis, is de Nederlandse rechter en vervolgens ook deze rechtbank bevoegd.
De vraag naar het bestaan van een aanspraak van de vrouw op de bruidsgave dient te worden beoordeeld naar het recht waarnaar de afspraak waarop de vrouw zich beroept tot stand zou zijn gekomen, waarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de bedoeling van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank dient te worden aangenomen dat partijen de in de huwelijksakte opgenomen bepaling ter zake de bruidsgave naar Iraans recht zijn overeengekomen. De vordering zal daarom worden beoordeeld naar Iraans recht. Hiervoor maakt het overigens geen verschil of de bruidsgave wordt gezien als een onderdeel van de huwelijksafspraken of als een overeenkomst sui generis.
2
Het IBW bevat bepalingen over de bruidsgave, de rechten en verplichtingen van echtgenoten en de echtscheiding.
Het eerste deel van het zevende hoofdstuk van het IBW gaat over de huwelijkssluiting. Daarin is ook de bruidsgave geregeld.
Artikel 1082 van het IBW bepaalt
3:
De echtgenote wordt door het huwelijk eigenaresse van de bruidsgave en kan daarover beschikken zoals haar goeddunkt.
Het tweede deel van het zevende hoofdstuk van het IBW gaat over de vormen van beëindiging van het huwelijk.
Artikel 1129 van het IBW bepaalt:
Weigert de echtgenoot onderhoud te verschaffen en is tenuitvoerlegging van de verplichting niet mogelijk en kan hij tot nakoming van de verplichting niet worden gedwongen, dan kan de vrouw op die grond echtscheiding aanvragen bij het gerecht en dwingt de rechter de echtgenoot tot scheiding. Datzelfde geldt in het geval van onvermogen van de echtgenoot onderhoud te verschaffen.
Artikel 1146 van het IBW bepaalt:
De ḫolˊ-scheiding
4 is een scheiding waarbij op grond van de afkeer de de echtgenote voor de echtgenoot ondervindt het huwelijk ontbonden wordt door het geven van een vermogenswaarde aan de echtgenoot, welke vermogenswaarde de bruidsgave is of met de waarde van de bruidsgave overeenstemt of groter of kleiner is dan die waarde.
Partijen zijn inmiddels in Nederland naar Nederlands recht gescheiden. Naar Nederlands recht kan een echtscheiding uitsluitend worden uitgesproken op de grond dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Naar Iraans recht bestaan er andere gronden voor echtscheiding, waaronder dat de man is vreemdgegaan en/of dat hij enige tijd niet heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. Dit komt naar voren in onder meer artikel 1129 van het IBW en de onderdelen 1, 8 en 12 van de huwelijksakte van partijen.
Vaststaat dat de Iraanse rechter niet de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij niet heeft geprobeerd om de Nederlandse echtscheiding in Iran te laten erkennen. Het gevolg hiervan is dat partijen naar Iraans recht nog steeds met elkaar getrouwd zijn. Dit hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling ook erkend.
Met de vrouw komt de rechtbank tot het oordeel dat de echtscheiding geen voorwaarde is voor het kunnen doen van een beroep op de bruidsgave. Dit volgt uit de formulering van artikel 1082 IBW in combinatie met het feit dat de bruidsgave is geregeld in het eerste deel van hoofdstuk 7, dat gaat over de huwelijkssluiting, en niet in het tweede deel, dat gaat over de vormen van beëindiging van het huwelijk. De aanspraak op de bruidsgave heeft dus als uitgangspunt niets met de echtscheiding te maken.
5
Zowel uit artikel 1082 IBW als uit de huwelijksakte van partijen volgt dat de vrouw de bruidsgave van de man kan vorderen wanneer zij dat wenst. In de akte zijn daaraan geen voorwaarden verbonden. Omdat er naar Iraans recht geen sprake is van een echtscheiding en ook geen verzoek daartoe is gedaan, heeft de vrouw de aanspraak gedaan vóór een eventuele echtscheiding naar Iraans recht. Daardoor komt de rechtbank niet toe aan de vraag welke echtscheidingsgrond naar Iraans recht van toepassing zou zijn.
De man heeft echter aangevoerd dat partijen naar Iraans recht in materieel opzicht wel zijn gescheiden, omdat zij intussen daadwerkelijk gescheiden wonen. Volgens hem is daarmee al sprake van een khul-echtscheiding als bedoeld in artikel 1146 van het IBW, aangezien de vrouw het initiatief hiertoe heeft genomen. De rechtbank volgt de man hierin niet. De vrouw heeft in Nederland een echtscheidingsverzoek gedaan op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Dit verzoek is toegewezen, maar kan niet zonder meer worden vertaald naar een khul-echtscheiding naar Iraans recht. Pas op het moment dat de vrouw een verzoek in Iran zou doen (dan wel een van partijen legalisatie van de Nederlandse beschikking zou vragen in Iran), komt de vraag aan de orde of sprake is van een khul-echtscheiding. Ook pas op dat moment kan worden toegekomen aan de vraag of de vrouw de bruidsgave alsnog geheel of gedeeltelijk moet prijsgeven. Niet gesteld of gebleken is dat partijen daarover op enig moment andere afspraken hebben gemaakt dan beschreven in artikel 1146 van het IBW en dat de vrouw afstand zou hebben gedaan van haar recht op (een deel van) de bruidsgave.
De verwijzing van de man naar een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2025
6 leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie, aangezien hetzelfde hof twee jaar daarvoor nog tot een tegengesteld oordeel kwam
7 en niet blijkt van een bewuste koerswijziging. Dat laatste wordt nog versterkt doordat nadien hetzelfde hof opnieuw een andere route heeft gekozen
8.
Wat volgt uit de huwelijksakte en het bepaalde in artikel 1082 van het IBW is dat de vrouw rechthebbende op de bruidsgave is vanaf de dag van huwelijkssluiting. Er is tot op dit moment geen situatie ontstaan die maakt dat geconcludeerd kan worden dat de vrouw hiervan afstand heeft gedaan of zou moeten doen. In zoverre is de vordering van de vrouw dus toewijsbaar.
Het subsidiaire standpunt van de man, heeft betrekking op de waardering van de gouden munten. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Indien de man in zijn stelling wordt gevolgd en wordt aangesloten bij de goudprijs op de dag dat de bruidsgave voor het eerst is gevorderd, 15 mei 2023
9, zou de geldwaarde van het goud uitkomen op afgerond € 82.611 bij een koersprijs van € 56,41 per gram.
In de huwelijksakte staat slechts dat de bruidsgave uit 200 gouden munten bestaat. Hierin is niet een tekst opgenomen dat daarvoor in de plaats de waarde van de munten komt. De vrouw mag daarom bepalen of zij de als bruidsgave overeengekomen gouden munten wenst te ontvangen dan wel dat zij de waarde daarvan in geld wenst te ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij er de voorkeur aan geeft om gouden munten te ontvangen in plaats van de lagere waarde van ruim € 82.000. Hierdoor kan de man in beginsel alleen bevrijdend betalen door daadwerkelijk munten aan de vrouw te geven.
Partijen zijn het er overigens wel over eens dat de geldwaarde van de munten hoger is dan de intrinsieke waarde van het goud. De vrouw stemt er wel mee in dat de man aan haar in plaats van munten de waarde van de munten betaalt, die dus hoger is dan de goudprijs. De vrouw heeft hiervan bewijs overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de man deze onderbouwing onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De vrouw kan dus aanspraak maken op 200 gouden munten dan wel de tegenwaarde daarvan van € 104.360.
De man heeft verklaard dat hij door arbeidsongeschiktheid nu een laag inkomen heeft. De rechtbank heeft dit opgevat als een draagkrachtverweer. De man stelt dat hij de draagkracht mist om de bruidsgave te betalen omdat hij vanwege het bedrijfsongeval niet meer kan werken. Hij heeft zijn knie gebroken en kan in ieder geval het werk dat hij in het verleden deed in de toekomst niet meer doen. Hij ontvangt op dit moment een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hij wijst er op dat Rechtbank Den Haag eerder dit jaar heeft bepaald dat hij de minimale kinderalimentatie van € 25 per kind per maand moet betalen. De vrouw heeft verweer gevoerd en stelt dat de man zijn arbeidsongeschiktheid niet heeft onderbouwd met stukken.
De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de man op dit moment arbeidsongeschikt is, een uitkering ontvangt en niet veel draagkracht heeft. Dit volgt met name uit de beslissing van Rechtbank Den Haag tot verlaging van de kinderalimentatie en dat heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist. Daar komt bij dat er op de man al betalingsverplichtingen rusten, namelijk van een onderhoudsbijdrage van € 50 per maand voor de kinderen en € 80 per maand voor de bruidsgave, op basis van het vonnis van 2 augustus 2023. Dit is relevant voor de vaststelling van de betalingsverplichtingen van de man.
Het IJI heeft in een eerder rapport
10 geschreven:
“Gaat het om een vordering boven de 110 Bahar Azadi goudstukken (…), dan (…) kan de draagkracht van de man worden meegewogen in de rechterlijke beslissing over vorderingen met betrekking tot de (uitgestelde) bruidsgave die nog hoger liggen. Een aflossing in termijnen is dan, bijvoorbeeld, mogelijk. De vordering van de vrouw voor het 'surplus’ blijft evenwel opeisbaar vanaf het moment dat de man weer voldoende draagkracht of financiële ruimte heeft voor het aflossen van de bruidsgave.”
Dit zou meebrengen dat de man in ieder geval 110 Bahar-Azadi gouden munten per omgaande aan de vrouw dient te voldoen en dat voor het restant van 90 munten eventueel een betalingsregeling kan worden vastgesteld. Daarbij speelt de financiële ruimte van de man een rol.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat inmiddels niet langer de regel geldt dat in ieder geval 110 munten opeisbaar zijn, maar dat het om 14 munten gaat. Hij heeft verklaard dat ook in Iran mensen problemen hebben met de betaling van een bruidsgave in munten. Hij denkt bovendien dat de vrouw nooit volledige munten zal kunnen krijgen; er kan wel een afspraak worden gemaakt over bijvoorbeeld een halve of kwart gouden munt per jaar.
De vrouw heeft verweer gevoerd. Er wordt inderdaad gesproken over verlaging van het minimale aantal opeisbare munten tot 14, maar navraag bij advocaten in Iran heeft geleerd dat dit nog slechts een wetsvoorstel betreft. Voor zover het al wet zou worden, zal het alleen voor toekomstige situaties gelden, zodat dat verweer de man dus niet kan baten.
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stelling over 14 munten, tegen de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet heeft onderbouwd. Wat de rechtbank uit openbare bronnen heeft kunnen afleiden - zij het dat de betrouwbaarheid hiervan moeilijk controleerbaar is - is dat het Iraanse parlement inmiddels zou hebben ingestemd met de verlaging naar 14 munten, maar dat de wet nog niet is ingevoerd, zoals de vrouw inderdaad heeft aangevoerd. Omdat de man niet anderszins heeft onderbouwd, gaat de rechtbank ervan uit dat de grens nog bij 110 munten ligt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man veroordelen om 110 Bahar-e Azadi gouden munten (of de tegenwaarde van € 57.398) per omgaande aan de vrouw te voldoen en dat het meerdere in termijnen kan worden voldaan met ten minste één Bahar-e Azadi gouden muntstuk (of de tegenwaarde van € 521,80) per jaar. De rechtbank ziet in de beperkte waarde van één munt en het feit dat nu € 80 per maand kan worden geïncasseerd geen reden de betaling te beperken tot een halve of een kwart munt per jaar. Deze beslisisng laat onverlet dat de vrouw, bij gewijzigde omstandigheden, als de man weer meer draagkracht heeft, om wijziging van deze afbetalingsregeling kan vragen.
Omdat partijen elkaars ex-partners zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank:
vernietigt het vonnis van deze rechtbank van 2 augustus 2023 en veroordeelt de man om de overeengekomen bruidsgave van in totaal 200 volle Bahar-e Azadi gouden munten aan de vrouw te voldoen door:
-
overhandiging van 110 volle Bahar-e Azadi gouden munten dan wel de waarde daarvan ad € 57.398 (zevenenvijftig duizend driehonderdachtennegentig euro) zodra dit vonnis aan hem is betekend, en
-
het surplus door overhandiging van ten minste één volle Bahar-e Azidi gouden munt per jaar, danwel de waarde daarvan van € 521,80 (vijfhonderdeenentwintig euro en tachtig cent);
compenseert de kosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Productie 2 bij de dagvaarding van de vrouw van 27 juni 2023.
Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2362.
Bron: Internationales Ehe- und Kindschafsrecht met Staatsangehörigkeitsrecht, begründet von Dr. Alexander Bergmann. Oorspronkelijke tekst in het Duits, door de rechtbank vertaald naar het Nederlands.
Hierna zal de rechtbank de Engelse schrijfwijze khul hanteren.
De rechtbank oordeelt hier dus uitdrukkelijk anders dan Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:537.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5421.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2362.
De datum van de dagvaarding is 27 juni 2023, maar per brief van 15 mei 2023 heeft de vrouw voor het eerst de bruidsgave gevorderd.
Kenbaar uit Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren 18 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2610, overweging 5.7.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
