Essentie (gemaakt door AI)
Machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toegewezen. Ondanks OTS en herhaalde hulptrajecten stimuleert moeder al jaren het contact met vader niet; [minderjarige] krijgt geen emotionele toestemming, waardoor contactherstel alleen nog via uithuisplaatsing mogelijk is. Er zijn daarnaast zorgen over moeders beperkte emotionele beschikbaarheid, traumaproblematiek en de hechtingsrelatie, waarvoor moeder onvoldoende intrinsieke motivatie toont. Plaatsing in accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot einde OTS. art. 1:265b BW.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 15-10-2026 |
| Zaaknummer | C/05/462698 |
| Procedure | Eerste aanleg - meervoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Machtiging tot uithuisplaatsing toegewezen. Jarenlang is het contact tussen de minderjarige en haar vader niet gestimuleerd door de moeder. Minderjarige krijgt geen emotionele toestemming voor dit contact. Dit patroon is alleen nog te doorbreken via een uithuisplaatsing. Daarnaast is de uithuisplaatsing nodig omdat de zorgen over de emotionele beschikbaarheid en traumaproblematiek van de moeder en de hechtingsrelatie met de minderjarige onvoldoende worden aangepakt vanuit de huidige situatie. Er is bij de moeder nog onvoldoende intrinsieke motivatie om met die problematiek aan de slag te gaan.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummer: C/05/462698 / JE RK 26-127
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Jeugd Veilig Verder te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Willemsen uit Lent,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.C. van Heerd uit Venlo,
1Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
de beschikking van 31 maart 2026;
-
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 juli 2026;
-
de reactie van de vader op het raadsrapport van 31 juli 2026;
-
de brief van de GI met een aanvullend voorwaardelijk verzoek van 3 augustus 2026;
-
de reactie van de moeder op het raadsrapport van 19 augustus 2026;
-
het aanvullende voorwaardelijke verzoek van de moeder, ontvangen op 9 september 2026.
Op 10 september 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming als adviseur;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
Bij beschikking van 31 maart 2026 heeft de rechtbank de Raad gevraagd om onderzoek te doen naar de situatie van [minderjarige] , meer specifiek of een uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, en zo ja, voor hoe lang en welke mogelijkheden er zijn voor contactherstel tussen de vader en [minderjarige] als [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De Raad heeft op 21 juli 2026 een raadsrapport ingediend, de partijen hebben daarop gereageerd. De Raad adviseert in het rapport om [minderjarige] niet uit huis te plaatsen.
Bij beschikking van 18 mei 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 mei 2027.
3Waar moet de rechtbank nog op beslissen?
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie (de rechtbank begrijpt: gezinshuis) te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Als de rechtbank het verzoek tot uithuisplaatsing afwijst, vraagt de GI om de ondertoezichtstelling op te heffen. Als de rechtbank het verzoek afwijst én de ondertoezichtstelling niet opheft, vraagt de moeder om de GI te vervangen.
4De standpunten
De vader wil dat het verzoek van de GI wordt toegewezen. Hij vindt de uithuisplaatsing noodzakelijk om het patroon van de moeder te doorbreken en contactherstel tussen de vader en [minderjarige] mogelijk te maken.
De moeder wil dat het verzoek van de GI wordt afgewezen. De moeder is het eens met de visie van de Raad en vindt dat [minderjarige] niet uit huis geplaatst moet worden. [minderjarige] ontwikkelt zich goed, functioneert naar behoren op school, heeft vriendschappen en wordt goed verzorgd. De Raad concludeert dat een uithuisplaatsing voor [minderjarige] schadelijkere gevolgen zal hebben dan het op dit moment ontbrekende contact met de vader. Ook is het niet zeker of een uithuisplaatsing dat contact daadwerkelijk mogelijk maakt. Daarmee is volgens de moeder niet voldaan aan het noodzakelijkheidsvereiste voor een uithuisplaatsing.
5Aanvullend advies van de Raad ter zitting
Tijdens de zitting heeft de zittingsvertegenwoordigster van de Raad vragen gesteld aan de moeder over haar bereidheid om met (individuele) hulpverlening aan de slag te gaan. Tijdens het gesprek dat de moeder met de raadsonderzoeker heeft gehad, leek zij zich hiervoor wel in te willen zetten. Uit de antwoorden op de vragen van de rechtbank tijdens de zitting leidt de zittingsvertegenwoordigster echter af dat de moeder niet echt de motivatie lijkt te hebben om de situatie te verbeteren. Zij lijkt niet open te staan voor hulp om haar eigen interactie met [minderjarige] te verbeteren of om aan haar emotionele toestemming voor contact tussen de vader en [minderjarige] te werken. De zittingsvertegenwoordigster adviseert daarom de zaak nog een keer aan te houden om de moeder nog één keer de kans te geven om te laten zien dat zij daadwerkelijk mee wil werken.
6De beoordeling
Op basis van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
1 De uithuisplaatsing is noodzakelijk om twee redenen. Om het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] nog een kans te geven. Dit lukt niet zolang [minderjarige] bij haar moeder woont. En omdat de moeder in het belang van [minderjarige] met haar eigen traumaproblematiek en emotionele beschikbaarheid aan de slag moet. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
In de beschikking van 31 maart 2026 heeft de rechtbank al overwogen dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . Het contact tussen [minderjarige] en de vader blijft al jarenlang uit door een gebrek aan emotionele toestemming van de moeder en haar niet-ondersteunende houding richting [minderjarige] in het aangaan van dit contact. Ook zijn er zorgen over de hechting tussen [minderjarige] en de moeder en het gebrek aan emotionele beschikbaarheid van de moeder. De moeder erkent deze zorgen niet, wat de kans op verandering/verbetering onder gelijkblijvende omstandigheden klein maakt.
[minderjarige] is inmiddels zeven jaar. De ouders hebben al lange tijd een moeizame verstandhouding.
2 In het eerste levensjaar van [minderjarige] (juli 2019) heeft de vader een verzoek bij de rechtbank ingediend om vervangende toestemming voor erkenning, om mede met het gezag over haar te worden belast en om omgang met haar te krijgen. De rechtbank heeft de vervangende toestemming voor de erkenning verleend. Ook heeft de rechtbank de Raad gevraagd om onderzoek te doen. In 2020 heeft de Raad een rapport uitgebracht met daarin aanbevelingen aan de ouders en de rechtbank. Dat advies was toen: nog geen gezamenlijk gezag, maar wel begeleide omgang opstarten. In dit raadsrapport stelt de Raad onder andere:
“Het baart de RvdK zorgen dat moeder het woord “papa” niet gebruikt in het bijzijn van [minderjarige] en ook het kinderdagverblijf dit niet mag/doet. Het is in dezen juist de taak van moeder om [minderjarige] ’s vader voor haar levend te houden. Positief praten over vader en foto's laten zien, is voor elk kind (hoe jong ook) erg belangrijk. Dit zorgt ervoor dat de stap naar eventueel contact tussen vader en [minderjarige] minder belastend voor haar wordt, zeker gezien het feit dat ze hem al sinds juni 2019 niet meer heeft gezien.”
“De RvdK ziet dat moeder, ondanks dat zij heeft toegezegd mee te zullen werken aan begeleide omgang tussen vader en [minderjarige] , er tot nu toe alles aan heeft gedaan om vader buiten beeld te houden uit angst en wantrouwen voor vader. De RvdK is dan ook van mening dat er een stok achter de deur nodig is om beide ouders te motiveren om bovengenoemde adviezen op te volgen.”
Sinds de eerste beschikking waarin de rechtbank heeft bepaald dat er begeleide omgang moet komen (juni 2020) zijn er verschillende trajecten ingezet. Eerst begeleide omgang via het omgangshuis in [plaats] . Dit blijkt niet passend. Het omgangshuis adviseert begeleide omgang via Grand Care of Pactum. Ouders zetten dit niet direct in, maar wachten een nieuwe beschikking van de rechtbank af. Begin januari 2021 bepaalt de rechtbank dat er begeleide omgang moet komen met hulp van Grand Care, Pactum of een vergelijkbare instantie. Ook dit traject komt niet duurzaam van de grond. Dit vormt voor de rechtbank in 2022 aanleiding om de Raad nogmaals te verzoeken een raadsonderzoek uit te voeren. De rechtbank verzoekt de Raad daarbij te onderzoeken waar de weerstand van [minderjarige] tegen de omgang met haar vader vandaan komt en of een omgangsregeling mogelijk is.
Uit het onderzoek (9 mei 2023) blijkt dat er volgens de Raad geen contra-indicaties zijn om een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] . Ook vindt de Raad dat het contact zo snel mogelijk weer moet worden opgestart. Op de zitting adviseert de Raad een omgangsregeling vast te stellen die inhoudt dat er binnen één jaar gefaseerd wordt toegewerkt naar een tweewekelijkse weekendregeling en een verdeling van de schoolvakanties onder regie van een gezinsvoogd en met de inzet van gespecialiseerde omgangsbemiddeling. De Raad is van mening dat er zo spoedig mogelijk wekelijks begeleide omgang moet zijn tussen vader en [minderjarige] . In het raadsonderzoek staat onder andere:
“(…) [minderjarige] krijgt door moeders angst voor en wantrouwen jegens vader, momenteel geen ruimte voor het ontwikkelen van een volwaardige relatie met haar vader. De beleving en spanningen van moeder lijken direct impact te hebben op [minderjarige] . De RvdK trekt deze conclusie onder andere naar aanleiding van de informatie vanuit de speltherapeut. De speltherapeut merkt een enorme spanning bij moeder gedurende het raadsonderzoek en ziet dit terug in het contact met [minderjarige]. (…) De weerstand van [minderjarige] is volgens Pactum niet te herleiden naar de omgangsmomenten met vader. (…) De RvdK is zeer bezorgd over [minderjarige] 's mogelijkheden om, onder regie van moeder en door de angst die moeder ervaart, een autonoom beeld van haar vader te mogen en kunnen vormen (…).
De RvdK is tevens bezorgd over de wijze waarop moeder adviezen van betrokken professionals interpreteert en hier uitsluitend vanuit de juridische opdracht uitvoering wenst te geven aan het traject. Zo brengt Pactum naar voren dat ze in de communicatie tussen ouders niet konden bemiddelen, omdat moeder hiervoor geen opdracht teruglas in de beschikking. Het lijkt alsof de weging van wat van belang is voor het slagen van een omgangstraject volledig vastgelegd moet worden, terwijl het voor [minderjarige] nodig is om op oplossingsgerichte wijze te kijken wat er nodig is om tot een ontspannen en fijn contact te komen met haar beide ouders. (…)
Als er niets verandert dan bestaat er een grote kans dat [minderjarige] het contact met haar vader volledig zal verliezen en niet in staat zal zijn een autonoom beeld van haar vader te kunnen vormen. [minderjarige] zal dan onrust, angst of weerstand bij hem blijven voelen. De RvdK weet dat het onvrijwillig contactverlies met een ouder voor opgroeiende kinderen negatieve langetermijngevolgen kan hebben waarbij [minderjarige] 's identiteitsvorming moeizamer tot stand komt, ze minder vertrouwen in zichzelf en anderen voelt en gedragsproblemen of stemmingsklachten kan ervaren. Afwijzing van een ouder betekent immers afwijzing van een deel van haarzelf. Kinderen hebben het voor een evenwichtige ontwikkeling nodig om hun eigen beeld bij hun beide ouders te vormen. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] daar de ruimte voor krijgt en zo min mogelijk belast wordt met de (bewuste en onbewuste) spanningen van moeder hieromtrent.”
Het raadsonderzoek vormt voor de Raad ook aanleiding om de kinderrechter te verzoeken [minderjarige] onder toezicht te stellen. De kinderrechter stelt [minderjarige] vervolgens op 22 mei 2023 onder toezicht van Jeugdbescherming Gelderland. De kinderrechter vervangt deze GI bij beschikking van 20 september 2023, omdat moeder geen vertrouwen meer heeft in de toegewezen jeugdbeschermers.
Ook tijdens de ondertoezichtstelling is het contact tussen [minderjarige] en de vader niet tot stand gekomen. Ondanks dat de rechtbank in de beschikkingen van 7 juni 2023, 3 juli 2025 en 7 november 2025 beslissingen neemt met als doel de omgang tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen. En ondanks dat de ondertoezichtstelling meermaals wordt verlengd
3, omdat het contact tussen [minderjarige] en haar vader niet van de grond komt. Daarnaast vormen de zorgen over de gehechtheidsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] een grond voor verlenging.
De GI heeft tijdens ondertoezichtstelling Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) ingezet bij de moeder vanuit [instelling] . Volgens de moeder is [minderjarige] nog niet toe aan omgang met de vader. Kaartjes sturen is een eerste stap. Moeder en [minderjarige] krijgen begeleiding bij het ontvangen van deze kaartjes. Een jaar later (medio 2024) is de omgang nog steeds niet van de grond gekomen. De moeder stelt echter wel vertrouwen te hebben in [instelling] die de IAG uitvoert en al lange tijd bezig is draagvlak te creëren voor een eerste contactmoment tussen [minderjarige] en de vader. De GI besluit daarop eerst zelf de omgang te begeleiden zolang [instelling] nog niet beschikbaar is en daarna een traject via [instelling] in te zetten. In maart 2024 heeft de GI bij [instelling] al verschillende vormen van hulp aangevraagd: omgangsbegeleiding, IAG en een NIKA-traject om de hechting van [minderjarige] te onderzoeken. Het eerste contactmoment staat gepland op 10 juni 2025. Ook dit contactmoment heeft niet plaatsgevonden, omdat [minderjarige] volgens de moeder hiervoor te veel weerstand vertoonde.
4
De eindrapporten van het NIKA-traject, de omgangsbegeleiding en de IAG zijn opgesteld in november 2025. Alle trajecten hebben lang gelopen of hebben een lange aanloop gehad. Uit de verslagen blijkt dat het lastig is geweest afspraken met de moeder in te plannen. De moeder is vaak niet beschikbaar of kiest van alle voorgestelde data de laatste. Contacten komen volgens [instelling] ‘vertraagd’ tot stand gedurende het gehele traject.
Ook de omgang die [instelling] begeleidt, loopt vast. Uit het eindverslag van de omgangsbegeleiding van [instelling] (november 2025) blijkt dat [minderjarige] tijdens de eerste omgangsmomenten gedrag liet zien waaruit blijkt dat zij openstaat voor nabijheid en contact met haar vader en dat zij nieuwsgierig is naar hem. Enkele omgangsmomenten later is er echter een gedragsverandering bij [minderjarige] te zien: ze is afwerend en laat boosheid zien.
5 [minderjarige] is heel erg gericht op het contact met haar moeder. Pogingen om de moeder even afstand te laten nemen door bijvoorbeeld drinken te halen accepteert [minderjarige] niet. Tegelijkertijd zien de omgangsbegeleiders dat de moeder het moeilijk vindt om [minderjarige] de ruimte te geven om het contact met haar vader te ontwikkelen. Wanneer [minderjarige] bijvoorbeeld aanstalten maakt om de kortste route naar het gebouw te lopen, wijst de moeder haar tot twee keer toe op de route met een boog om de vader heen. Het is [instelling] na alle inspanningen uiteindelijk niet gelukt om een setting te creëren waarbij er vrij contact mogelijk is tussen [minderjarige] en haar vader. Dit zal volgens [instelling] alleen mogelijk zijn wanneer de moeder [minderjarige] emotioneel steunt in het laten ervaren dat het veilig en toegestaan is om contact aan te gaan met haar vader. Hierover zijn gedurende het traject ook diverse gesprekken gevoerd met de moeder, zo is te lezen in het eindverslag van de IAG. Echter, is het de hulpverleners niet gelukt om samen met de moeder te onderzoeken of het beeld dat zij van de vader heeft anders zou kunnen zijn dan het beeld waarvan zij overtuigd is. Ook is het niet gelukt met haar in gesprek te gaan over de impact van het verbroken contact met haar vader op [minderjarige] . Ondanks dat de moeder aangeeft dat zij ervoor openstaat dat [minderjarige] contact heeft met haar vader, was er gedurende het traject geen intrinsieke motivatie voelbaar. Ook de aankondiging van een schriftelijke aanwijzing heeft hierin geen verandering kunnen brengen. Vervolgens is ook nog de mogelijkheid verkend om [minderjarige] samen met iemand uit het netwerk naar de omgang te laten gaan. Hiervoor zag moeder echter geen mogelijkheden. Naar aanleiding van het stagneren van het omgangstraject heeft [instelling] in november 2025 besloten de omgangsmomenten stop te zetten. De GI is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het patroon dat de moeder de afgelopen jaren heeft laten zien niet anders kan worden doorbroken dan door een uithuisplaatsing van [minderjarige] , waarna de GI onderhavig verzoek heeft gedaan.
Het patroon van de moeder, zoals hierboven weergegeven, is uiterst schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] op de korte termijn (zij ervaart immers dezelfde spanning en angst als haar moeder), maar vooral op de lange termijn. [minderjarige] wijst tot op heden een deel van haar eigen identiteit af door het handelen van de moeder. Hoewel de moeder toezegt mee te gaan werken met de omgang, is de afgelopen jaren keer op keer gebleken dat zij hiertoe emotioneel onvoldoende in staat is. De moeder zegt het één, maar uit haar gedrag blijkt dat zij eigenlijk niet wil dat [minderjarige] op enige wijze contact heeft met haar vader. Zelfs de wetenschap dat [minderjarige] een halfbroertje bij de vader heeft, is voor de moeder kennelijk niet redengevend genoeg geweest om toch te proberen het contact tot stand te brengen. Het lukt de moeder niet om de angst en spanningen die zij ervaart weg te houden bij [minderjarige] . De verwachting is dat – als er niets verandert – [minderjarige] heel haar leven last blijft houden van dit patroon. Of die schade is om te keren zal nog moeten blijken. Er zijn immers al heel wat jaren verloren gegaan.
Ook zijn er zorgen over de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] . Uit de eindevaluatie van het NIKA-traject (november 2025) komt naar voren dat er een beperkte emotionele beschikbaarheid is van de moeder voor [minderjarige] tijdens stressvolle situaties. Zo krijgt [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten de ruimte om zich grensoverschrijdend te gedragen. Ook wanneer de moeder iets vraagt van [minderjarige] wat zij niet wil (bijvoorbeeld opruimen) ontstaat die stress. De moeder wordt dan overspoeld door haar emoties en het lukt haar dan niet meer om de emoties van [minderjarige] te begrijpen, te benoemen of te reguleren. Zij is dan ook niet in staat om grenzen te stellen en [minderjarige] de structuur te bieden die zij nodig heeft. De moeder schiet in plaats daarvan in haar patroon van vermijden, waardoor zij uit contact treedt en emotioneel niet langer beschikbaar is voor [minderjarige] . [minderjarige] treedt daarop ook uit contact en neemt de leiding over van de moeder, wat zorgt voor emotionele onveiligheid. De moeder ziet dit gedrag van [minderjarige] als een signaal dat [minderjarige] de situatie niet aankan en beschermd moet worden tegen verdere belasting en niet als een reactie op haar eigen gedrag. De moeder ziet dus haar aandeel in het gedrag dat [minderjarige] laat zien niet en onderkent ook niet de zorgen die er zijn, waardoor de kans op verbetering klein is. Het advies uit de eindevaluatie van het NIKA-traject (november 2025) om opnieuw een hulpverleningstraject in de GGZ aan te gaan, zodat zij meer grip krijgt/leert omgaan met de angsten die er zijn rondom de omgang met vader en zo emotioneel beschikbaar kan blijven voor [minderjarige] , heeft de moeder tot op heden niet opgevolgd. Onderdeel van dit advies was om te onderzoeken of mogelijk trauma (ondanks eerdere succesvolle behandeling) of aanleg hierbij een rol spelen. De moeder heeft zich tijdens de zitting desgevraagd bereid verklaard om opnieuw met haar trauma aan de slag te gaan. Het lukte haar vervolgens echter niet om een hulpvraag te formuleren. Anders dan de zittingsvertegenwoordigster van de Raad ziet de rechtbank dan ook geen reden om het verzoek van de GI nogmaals aan te houden. Het opnieuw inzetten van hulpverleningstrajecten in de situatie dat [minderjarige] bij haar moeder woont, zal na al die jaren en alle voorgaande trajecten niet tot verandering leiden. De noodzaak voor de moeder om met zichzelf aan de slag te gaan zal, hoe verdrietig ook, naar verwachting pas ontstaan als [minderjarige] uit huis is geplaatst.
De rechtbank wijst het verzoek van de GI dan ook toe en machtigt de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen. De rechtbank begrijpt dat die beslissing zeer ingrijpend is voor de moeder en [minderjarige] . De rechtbank ziet in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] echter geen andere mogelijkheid meer.
Hoe moet de uithuisplaatsing uitgevoerd worden?
Tijdens de zitting is uitgebreid gesproken met partijen over hoe een uithuisplaatsing, als die zou worden uitgesproken, er praktisch uit moet zien. Gesproken is over een deeltijduithuisplaatsing om de gevolgen voor [minderjarige] zo beperkt mogelijk te houden. Tegelijkertijd is het belangrijk dat [minderjarige] in ieder geval in de beginfase tijdelijk wordt onttrokken aan de invloedsfeer van de moeder. Alleen op die manier kan het gesprek met [minderjarige] over ‘papa’ tot stand komen en kan op termijn ook het contactherstel plaats gaan vinden. Toch blijft het belangrijk dat [minderjarige] haar moeder kan blijven zien, zo snel als dat de GI dat haalbaar vindt. De rechtbank denkt dat een weekendregeling met de moeder binnen enkele weken na de uithuisplaatsing haalbaar kan zijn, maar laat deze keuze op dit moment bij de GI. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing dus niet al op voorhand beperken.
De categorie machtiging uithuisplaatsing
De GI heeft verzocht om een machtiging voor een plaatsing in een gezinsgerichte accommodatie. Daarmee wordt bedoeld een gezinshuis (ook wel gezinsgerichte voorziening). De GI heeft tijdens het onderzoek van de Raad en tijdens de zitting echter ook gesproken over een andere plek, namelijk een kleinschalige woongroep in de nabijheid van de school van [minderjarige] , zodat zij haar vertrouwde leefomgeving zoveel mogelijk kan behouden. De rechtbank begrijpt dat dit het meest actuele verzoek van de GI is. Gelet op ‘Bijlage C: Categorieën uithuisplaatsing bij het Procesreglement Civiel jeugdrecht, juli 2026’, wordt een woongroep doorgaans gecategoriseerd als een ‘accommodatie van een jeugdhulpaanbieder’. Dat is dan ook de machtiging die de rechtbank zal verlenen. Daarbij merkt de rechtbank op dat een plaatsing in een gezinshuis met deze machtiging ook is toegestaan.
De duur en doelen van de uithuisplaatsing
De GI heeft verzocht om de uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. Dat is dus tot 22 mei 2027. De rechtbank zal de machtiging ook voor die duur verlenen. De bedoeling is weliswaar dat [minderjarige] zo snel als mogelijk weer bij haar moeder gaat wonen, maar dan wel met de juiste hulp en randvoorwaarden. Dat wil zeggen dat de moeder aantoonbaar aan de slag is gegaan met een hulpverleningstraject dat ook is gericht op het vergroten van haar emotionele beschikbaarheid voor [minderjarige] . Daarnaast moet er een manier gevonden zijn waarop de vader in het leven van [minderjarige] betrokken kan blijven, ook als [minderjarige] weer bij de moeder woont. Tijdens de uithuisplaatsing moet aan de volgende doelstellingen worden gewerkt:
- [minderjarige] krijgt hulp en begeleiding bij het herintroduceren van het onderwerp ‘papa’ en bij het contactherstel. Belangrijk is dat haar tempo goed wordt gevolgd;
- De vader krijgt begeleiding bij de te zetten stappen richting contactherstel, met name als dit langzamer gaat dan dat hij zou willen;
- De moeder gaat verder aan de slag met haar eigen problematiek, de angst en weerstand richting de vader, de emotionele beschikbaarheid voor [minderjarige] en emotieregulatie. Naast de inzet van Theraplay dient er ook aandacht te zijn voor een ouderschaps- en opvoedversterkende inzet;
- Ouders volgen een ouderschapsbemiddelingstraject gericht op het wegnemen van hun onderlinge spanningen.
Geen vervanging GI
De rechtbank vervangt de GI niet ondanks het verzoek van de moeder en het advies van de Raad. De GI is al eerder gewijzigd. De huidige GI is goed betrokken en op de hoogte van de situatie. Vervanging zal niet alleen voor onnodige vertraging zorgen, maar de verwachting is ook dat het niets zal opleveren. Het enkele feit dat de moeder geen vertrouwen heeft in de GI is onvoldoende om de GI te vervangen. Het wantrouwen van de moeder is immers ook onderdeel van haar patroon en de verwachting van de rechtbank is dat dit bij een nieuwe GI opnieuw zal voorkomen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing blijft gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat en voor zo lang het gerechtshof niet anders beslist.
7De beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 2 oktober 2026 tot 22 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. drs. E.L. de Jongh, voorzitter en kinderrechter, mr. D.S.M. Bak en mr. K. van der Lee, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. G. Vlemmings als griffier. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Er loopt bijvoorbeeld sinds medio 2019 een zaak over erkenning, gezag en omgang tussen de ouders. De ontwikkelingen in deze zaak hebben uiteindelijk geleid tot de lopende ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
Beschikkingen van 7 mei 2024, 7 mei 2025 en 18 mei 2026.
Zie beschikking van 3 juli 2025.
Ditzelfde patroon was zichtbaar tijdens het traject bij Pactum.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
