Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-10-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9709

Essentie (gemaakt door AI)

Inkomstenbelasting. art. 3.102 lid 3 Wet IB 2001. Navorderingsaanslag IB/PVV en belastingrente blijven in stand. Een in 2020 door belanghebbende van ex-echtgenoot ontvangen bedrag (€152.334) wegens verrekening van bij echtscheiding verzwegen lijfrentepolissen kwalificeert als aangewezen periodieke uitkering en behoort tot box 1. Tijdverloop en reeds genoten lijfrente-uitkeringen door ex-echtgenoot doen daaraan niet af. Hoor- en motiveringsklachten falen. Rechtbank verklaart zich onbevoegd over art. 63 AWR (hardheidsclausule).

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Twintig jaar tussen echtscheiding en uitbetaling aandeel lijfrente: bedrag toch aangemerkt als inkomen
Als in het kader van een echtscheiding een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is toegescheiden aan één van de echtgenoten en de ander daarom recht heeft op waardeverrekening, is dat - ook nu nog - belastbaar inkomen.

Datum publicatie14-10-2026
ZaaknummerBRE 25/1606
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Inkomstenbelasting. Artikel 3.102 Wet IB 2001.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/1606


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de navorderingsaanslag en de belastingrente. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of een bedrag dat belanghebbende in het jaar 2020 heeft ontvangen van haar ex-echtgenoot is belast omdat het is ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen, als bedoeld in artikel 3.102 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de navorderingsaanslag en de belastingrente in stand blijven. Verder is de rechtbank onbevoegd om te beoordelen of de toepassing van de hardheidsclausule terecht is afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Daarbij is het belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met € 152.334 naar € 179.703.

2.1.

Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 6.210 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

2.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] .

Feiten

3. Belanghebbende is gehuwd geweest met [persoon] (de ex-echtgenoot). Het huwelijk is ontbonden op [datum] 1998 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De gevolgen van de echtscheiding zijn geregeld in een convenant van 8 april 1998, waarin ook een verdeling van het vermogen is opgenomen.

3.1.

In het jaar 2019 bleek dat de ex-echtgenoot bij het opmaken van het in 3 bedoelde convenant had verzuimd een aantal polissen van kapitaalverzekering, met lijfrenteclausule, te melden (de lijfrentepolissen), die bij de verdeling van het huwelijksvermogen meegenomen hadden moeten worden.

3.2.

De ex-echtgenoot had op dat moment de lijfrentepolissen reeds omgezet in een lijfrenteverzekering die tevens al volledig tot uitkering was gekomen. In de jaren 2006 tot en met 2015 heeft de ex-echtgenoot uitkeringen uit de lijfrenteverzekering genoten.

3.3.

In het jaar 2020 is de waarde van de in 3.1 bedoelde polissen op het moment van echtscheiding in onderling overleg tussen belanghebbende en de ex-echtgenoot vastgesteld op € 304.668 en heeft belanghebbende € 152.334 van haar ex-echtgenoot ontvangen.

3.4.

De inspecteur heeft het bedrag van € 152.334 aangemerkt als belastbare inkomsten uit werk en woning en om die reden de navorderingsaanslag opgelegd.

3.5.

Belanghebbende heeft verzocht om toepassing van de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) waarbij zij heeft aangevoerd dat zij, door het belasten van het in 3.3 bedoelde bedrag onevenredig zwaar en buitenproportioneel wordt belast. Dit verzoek is afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Artikel 3.100, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang:

“1. Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn:

a. de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen;”

4.1.

Artikel 3.102, derde lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang:

“3. Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoort wat in het kader van echtscheiding (…) wordt ontvangen ter zake van het recht op verrekening van:

(…)

b. lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen.”

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van artikel 3.102, derde lid, van de Wet IB 2001 duidelijk. Deze tekst houdt in dat indien, zoals in het onderhavige geval, in het kader van echtscheiding een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is toegescheiden aan één van de ex-echtgenoten en de andere ex-echtgenoot op grond daarvan recht heeft op verrekening van de waarde daarvan en in verband daarmee een bedrag van de voormalige echtgenoot ontvangt, dit ontvangen bedrag wordt aangemerkt als aangewezen periodieke uitkering en daarmee tot het belastbare inkomen uit werk en woning behoort. Daaraan doet niet af dat in het onderhavige geval meer dan twintig jaar is verstreken tussen de echtscheiding en de uitbetaling van het in 3.2 bedoelde bedrag aan belanghebbende en dat de uitkeringen aan de ex-echtgenoot inmiddels al hadden plaatsgevonden. Het is en blijft een bedrag dat belanghebbende heeft ontvangen ter verrekening van de lijfrentepolissen.

4.3.

Anders dan belanghebbende meent, zou het in 3.2 bedoelde bedrag, op grond van artikel 31, zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1998), ook belast zijn geweest als belanghebbende dit bedrag op het moment van echtscheiding zou hebben ontvangen. In zoverre bestaat dus geen verschil in de belastingheffing.

4.4.

De rechtbank is verder van oordeel dat het hoorrecht en het motiveringsbeginsel niet zijn geschonden in de bezwaarfase. Belanghebbende heeft bevestigd dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Ook heeft de inspecteur voldoende inzicht gegeven in de reden waarom het bezwaar ongegrond is verklaard. Dat belanghebbende het inhoudelijk niet eens is met de standpunten van de inspecteur, maakt niet dat deze beginselen zijn geschonden.

4.5.

Verder heeft belanghebbende gesteld dat het niet toepassen van de hardheidsclausule discutabel is. De bevoegdheid tot toepassing van die clausule is echter voorbehouden aan de minister van Financiën. Het beroep op de hardheidsclausule kan belanghebbende daarom in deze procedure niet baten. De rechtbank zal zich op dit punt onbevoegd verklaren.

5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2025 ongegrond;

- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep de toepassing van artikel 63 van de AWR betreft.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op 7 oktober 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733