Essentie (gemaakt door AI)
Arrest in kort geding waarin toevertrouwing van de kinderen en het voortgezet gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning centraal staan. De eisvermeerdering van man tot inzage in parkeer- en reisgegevens wordt buiten beschouwing gelaten wegens de twee-conclusieregel (art. 130 lid 1 Rv en art. 353 lid 1 Rv). Het hof acht spoedeisend belang aanwezig, verwerpt de grieven en bekrachtigt dat de kinderen voorlopig aan moeder zijn toevertrouwd en dat zij exclusief het gebruik van de huurwoning heeft. Hoger beroep faalt.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 13-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.367.612 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Kinderen; Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Arrest in kort geding. Toevertrouwing van de kinderen en het voortgezet gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning. Artikel 130 lid 1 Rv en artikel 353 lid 1 Rv, eiswijziging of -vermeerdering.Volledige uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.367.612
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 606750
arrest in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. J.J. Stobbe
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. E.E. Tiebie
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), opgenomen in een proces-verbaal, die de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op
13 maart 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties
-
de memorie van antwoord met producties
-
een akte wijziging eis van 15 mei 2026
-
een H3 formulier namens de vrouw met producties
-
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 21 mei 2026 is gehouden
Op 18 mei 2026 hebben een raadsheer en een griffier van het hof met [de minderjarige1] gesproken.
2De kern van de zaak
De man en de vrouw zijn de ouders van:
-
[de minderjarige1] , geboren [in] 2015 en
-
[de minderjarige2] , geboren [in] 2021.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De vrouw heeft bij de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat zij (samen met de kinderen) met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning en de man te veroordelen om binnen een week na betekening van het te geven vonnis die huurwoning te verlaten en daaraan een dwangsom te verbinden van € 250 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 10.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man na overschrijding van deze termijn nalatig is de woning te verlaten dan wel per keer dat de man na het verlaten van de woning de woning weer zal betreden, en te bepalen dat de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd.
De voorzieningenrechter heeft de kinderen aan de vrouw toevertrouwd, bepaald dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning staande en gelegen in [woonplaats] aan [adres] alsmede de zich daarin bevindende inboedel en de man veroordeeld om binnen twee weken na dit vonnis voormelde huurwoning te verlaten. De voorzieningenrechter heeft dat vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De bedoeling van de man van dit hoger beroep is dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd en dat hij (samen met de kinderen) met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning met bevel dat de vrouw de woning binnen 14 dagen na het door het hof te wijzen arrest dient te verlaten en niet meer mag betreden.
De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen in hoger beroep, dan wel tot ongegrondverklaring van zijn hoger beroep, en bekrachtiging van de uitspraak van 13 maart 2026.
Daarna heeft de man zijn eis gewijzigd. Hij vordert:
1. te bepalen dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd;
2 de vrouw te bevelen op grond van (het hof begrijpt) artikel 194 Rv inzage te verstrekken in haar parkeeractiviteiten door kopieën van de rekeningen van de ParkBee app te verstrekken met de bijbehorende transactieoverzichten over de afgelopen drie jaar en dat de vrouw inzage geeft in haar reis- en visagegevens in haar paspoort;
3 te bepalen dat de man met de kinderen met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] alsmede de zich daarin bevindende inboedel, met bevel dat de vrouw de woning binnen 14 dagen na het door het hof te wijzen arrest dient te verlaten en niet meer mag betreden,
met compensatie van de proceskosten.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Procedureel
De man heeft bij akte van 15 mei 2026 zijn eis vermeerderd in die zin dat hij ook vordert de vrouw te bevelen inzage te verstrekken in, kort gezegd, haar parkeeractiviteiten en haar reis- en visagegeven in haar paspoort.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering.
Op grond van artikel 130 lid 1 Rv en artikel 353 lid 1 Rv komt aan de man de bevoegdheid toe zijn eis (of de gronden daarvan) te veranderen of te vermeerderen. Deze bevoegdheid is in hoger beroep in die zin beperkt dat de eiswijziging of -vermeerdering (behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen) niet later dan bij memorie van grieven (of antwoord) moet plaats vinden.
1 Het aanvoeren van standpunten in nadere stukken is in beginsel niet meer mogelijk. In de jurisprudentie zijn uitzonderingen aanvaard op de twee-conclusieregel (kort gezegd: ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij, nova en de bijzondere aard van de desbetreffende procedure). Het hof is van oordeel dat deze uitzonderingen hier niet aan de orde zijn. De twee-conclusieregel staat niet in de weg aan het nader uitwerken van reeds eerder aangevoerde grieven, stellingen of verweren. Verder kan een uitzondering worden gemaakt als het geschilpunt ligt in het verlengde van reeds aangevoerde grieven (mits de wederpartij zich voldoende heeft kunnen uitlaten). Het hof is van oordeel dat het bevel om inzage te verstrekken in de stukken niet als een nadere toelichting op of verduidelijking van de aanvankelijk geformuleerde grieven kan worden gezien. Het hof zal de eisvermeerdering dan ook buiten beschouwing laten.
Spoedeisend belang
Het hof stelt voorop dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).
Het hof overweegt dat partijen niet meer met elkaar in één woning kunnen samenwonen en dat de kinderen dus aan één van beiden zullen moeten worden toevertrouwd. Dat gegeven vormt een voldoende spoedeisend belang en het hof zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Beoordeling
Het hof zal zich eerst een voorlopig oordeel vormen over de feiten en het daarop toe te passen recht en zal daarna beoordelen of de gevraagde voorlopige voorziening moet worden gegeven. Het hof zal daarbij de belangen van beide partijen tegen elkaar afwegen en in ieder geval rekening houden met (i) het voorlopige karakter van zijn oordeel, (ii) de spoedeisendheid, (iii) de ingrijpendheid of onomkeerbaarheid van de gevraagde voorziening en (iv) de voor- en nadelen van het uitblijven daarvan.
Het hof ziet in hetgeen de man in dit hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding anders te beslissen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan voor wat betreft de toevertrouwing van de kinderen en het voortgezet gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning. Het hof zal die vorderingen van de man afwijzen. Hieronder zal het hof uitleggen waarom.
De eerste twee grieven van de man komen erop neer dat hij stelt dat hij altijd de hoofdverzorger van de kinderen is geweest en dat de kinderen daarom aan hem moeten worden toevertrouwd. De vrouw heeft die stelling gemotiveerd betwist. Het hof overweegt dat de term “hoofdverzorger” geen juridisch begrip is. Bovendien is komen vast te staan dat beide partijen tijdens hun samenwoning een groot aandeel hebben gehad in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Deze omstandigheid kan daarmee niet doorslaggevend zijn bij de afweging aan wie de kinderen moeten worden toevertrouwd. Ook is uit het dossier en op de zitting niet gebleken van signalen die erop zouden kunnen duiden dat één van beide ouders meer of beter in staat is om voor de kinderen te zorgen en hen op te voeden. De raad heeft dit desgevraagd op de zitting bevestigd. Beide partijen hebben op de zitting gezegd dat de andere ouder een goede ouder is. Ook in de opvoedvaardigheden en/of kindsignalen kunnen dus geen argumenten worden gevonden die maken dat de kinderen beter aan de ene dan aan de andere ouder kunnen worden toevertrouwd. Voor het hof is bij zijn oordeel doorslaggevend dat de kinderen de afgelopen twee maanden door de vrouw werden verzorgd en opgevoed. Niet is gebleken van signalen die maken dat die situatie dient te worden gewijzigd in die zin dat de kinderen aan de man moeten worden toevertrouwd. De vrouw stelt dat het goed gaat met de kinderen en dat ze rust ervaren doordat partijen niet meer samenwonen. Het hof constateert verder dat in de afgelopen periode geen structurele contactregeling tussen de man en de kinderen tot stand is gekomen, waarbij partijen verschillen van mening over de oorzaak daarvan. Tegen deze achtergrond, waarbij de kinderen al langere tijd door de vrouw worden verzorgd en opgevoed en waarbij er geen structurele contactregeling met de man is, is het voor de stabiliteit en de continuïteit van de opvoedingsomgeving van de kinderen van belang dat geen wijziging wordt aangebracht in de persoon aan wie de kinderen zijn toevertrouwd. Bij zijn oordeel neemt het hof ook in aanmerking het advies van de raad op de zitting om de uitspraak van de voorzieningenrechter te bekrachtigen. Daarbij is voor de raad van belang dat bij de vrouw, meer dan bij de man, ruimte bestaat voor overleg met de andere ouder. De eerste twee grieven falen.
Nu de kinderen toevertrouwd blijven aan de vrouw, heeft zij het grootste belang bij het voortgezet gebruik van de gemeenschappelijke huurwoning. De kinderen zijn daar geworteld en hebben daar hun school en hun sociale leven. Het hof ziet in het door de man gestelde geen aanleiding om daarin verandering aan te brengen. Daarmee faalt de derde grief.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt niet.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
Het hof zal [de minderjarige1] , zoals zij heeft gevraagd tijdens het gesprek met de raadsheer en de griffier, een brief sturen met daarin een uitleg over de door het hof genomen beslissingen.
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de uitspraak van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 maart 2026;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. Davila Talavera, R. Feunekes en D.J.M. van de Voort, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
