Rechtbank Den Haag 05-08-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29511

Essentie (gemaakt door AI)

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Eiser verwijt zijn voormalig advocaat dat hij in nalatenschapsgeschil geen tijdige vaderschapsactie voor eiser adviseert, waardoor broer als enige legitimaris wordt behandeld en een te hoge legitieme portie krijgt. Eerste verwijt (herroeping) laat eiser vallen; tweede verwijt (OD-actie tegen broer) faalt. Rechtbank oordeelt dat niet geadviseerde vaderschapsactie een beroepsfout is. Aansprakelijkheid staat vast; schadeomvang onduidelijk en wordt verwezen naar schadestaat. Gedaagde wordt in proceskosten veroordeeld.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Advocaat adviseert geen tijdige vaderschapsactie: beroepsfout
Eiser verwijt advocaat dat hij geen tijdige vaderschapsactie heeft geadviseerd, waardoor zijn broer als enige legitimaris is behandeld en deze een te hoge legitieme portie heeft gekregen. Gevolgd, verwijzing naar schadestaatprocedure.

Datum publicatie13-10-2026
ZaaknummerC/09/685071
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid advocaat;
Erfrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beroepsaansprakelijkheid advocaat

Volledige uitspraak


RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/685071 / HA ZA 25-416

Vonnis van 5 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats 1] ,

eiser,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. V. Kortenbach,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. R. Kossen.

1De zaak in het kort

1.1.

[gedaagde] heeft [eiser] in 2015 als advocaat bijgestaan in een procedure tussen [eiser] en zijn broer. [eiser] verwijt [gedaagde] kort gezegd dat hij een beroepsfout heeft gemaakt waardoor [eiser] schade heeft geleden bij de afwikkeling van de nalatenschap van zijn biologische vader. Zijn broer heeft volgens [eiser] uit die nalatenschap meer ontvangen dan waar hij recht op had doordat voor die broer al juridisch was vastgesteld dat hij een afstammeling was, maar voor [eiser] nog niet.

1.2.

De rechtbank concludeert dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt en dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor (mogelijk) heeft geleden en nog zal lijden. Welk bedrag daarmee gemoeid is kan in deze procedure niet worden vastgesteld. Dat moet in een vervolgprocedure worden uitgewerkt.

2De procedure

2.1.

[eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard en diende de dagvaarding in met producties 1 tot en met 12. [gedaagde] is in de procedure verschenen en hij diende een conclusie van antwoord in met producties 1 tot en met 4. Daarna is een mondelinge behandeling bepaald.

2.2.

Tijdens de mondelinge behandeling op 21 oktober 2025 is een akte met aanvullende producties 13 en 14 ingediend door [eiser] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt en aan partijen gezonden. Na de zitting is de zaak aangehouden voor overleg tussen partijen.

2.3.

Nadat partijen hadden bericht dat het niet was gelukt om een regeling te treffen heeft [eiser] een conclusie van repliek ingediend met een wijziging van eis en producties 16 tot en met 21. Daarop heeft [gedaagde] gereageerd met een conclusie van dupliek met productie 5.

2.4.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

3De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

[eiser] en zijn broer [de broer] (hierna: [de broer] ) zijn geboren tijdens het huwelijk van hun moeder met de (inmiddels overleden) heer [naam] . [naam] is in 2003 overleden.

3.2.

Uit een rapport van het forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek van 11 juli 2003 blijkt dat [erflater] de biologische vader is van [de broer] en [eiser] .

3.3.

Op 14 november 2012 is [erflater] overleden. Bij testament van 27 augustus 2007 heeft [erflater] [eiser] als enig erfgenaam en executeur van zijn nalatenschap benoemd.

3.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 april 2013 heeft de rechtbank ten aanzien van [de broer] de ontkenning van het vaderschap van [naam] gegrond verklaard en het juridisch vaderschap van [erflater] over [de broer] vastgesteld.

3.5.

Op 5 augustus 2013 heeft [de broer] aangeschreven en – onder verwijzing naar de beschikking van 22 april 2013 – een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

3.6.

Bij dagvaarding van 30 juni 2015 is [de broer] een procedure gestart tegen [eiser] om (onder meer) zijn legitieme portie op te eisen. [gedaagde] heeft [eiser] in die procedure bijgestaan als advocaat. In die procedure nam [eiser] de stelling in dat ook hij een zoon was van [erflater] .

3.7.

Bij (tussen)vonnis van 12 oktober 2016 heeft deze rechtbank [eiser] bevolen om zijn stelling dat hij ook een afstammeling is van [erflater] nader toe te lichten, meer in het bijzonder door het in het geding brengen van zijn geboorteakte, inclusief de daarbij behorende latere vermeldingen waaruit zijn afstamming kan worden afgeleid.

Op grond van de vervolgens door [eiser] overgelegde stukken heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat [erflater] de juridische vader is van [eiser] . De rechtbank heeft daarom in haar (tussen)vonnis van 22 februari 2017 aangenomen dat [de broer] de enige afstammeling is van [erflater] en dat hij als legitimaris aanspraak kan maken op de helft van de legitimaire massa.

3.8.

Bij (eind)vonnis van 24 mei 2017 heeft deze rechtbank [eiser] (onder meer) veroordeeld om als executeur in de nalatenschap van [erflater] aan [de broer] diens legitieme portie te betalen ten bedrage van € 332.593,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 14 november 2012 tot aan de dag van volledige betaling.

3.9.

[eiser] heeft tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld. [de broer] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

3.10.

Bij arrest van 10 juli 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van 24 mei 2017 vernietigd voor zover het de legitieme portie en de proceskostenveroordeling betreft en [eiser] in zijn hoedanigheid van executeur (onder meer) veroordeeld om aan [de broer] te betalen zijn legitieme portie ten bedrage van € 390.786,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 14 november 2012 tot aan de dag van volledige betaling.

3.11.

Op 11 januari 2021 hebben [eiser] en [de broer] een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin zijn zij onder meer het volgende overeengekomen:

    [eiser] betaalt aan [de broer] een bedrag van € 800.000,-- (zegge: achthonderdduizend euro) netto.

    Van het bedrag onder artikel 1 maken deel uit, alle vorderingen van [de broer] op [eiser] die in rechte zijn vastgesteld, inclusief renten en nakosten, het aandeel van [de broer] in de exploitatieopbrengst van de loods vanaf 1 januari 2020, het aandeel van [de broer] in de eigendom van de loods (5%) en al hetgeen [de broer] meent uit andere hoofde van [eiser] te vorderen te hebben, niets uitgezonderd.

(…)

14. Indien en zodra [eiser] en [de broer] hun verplichtingen uit deze overeenkomst (integraal) zijn nagekomen, worden zij geacht niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen zij

elkaar algehele finale kwijting over en weer ter zake van al hetgeen hen verdeeld houdt en/of

verdeeld heeft gehouden, zodat geen van hen nog iets van de ander te vorderen heeft, uit

welke hoofde dan ook. Hieronder wordt mede bedoeld, de tussen hen gewezen uitspraken door de Rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag.

3.12.

[eiser] en [de broer] waren samen eigenaar van een loods. Bij overeenkomst van 12 juni 2021 heeft [eiser] zijn aandeel in de loods aan [de broer] (en een derde) verkocht. In de leveringsakte van 15 juli 2021 staat onder meer:

E. KOOPPRIJS

De koopprijs van het verkochte bedraagt: EEN MILJOEN VIJFHONDERDNEGENENTWINTIGDUIZEND VIJFHONDERD EURO

( 1.529.500,00).

De koopprijs is door Koper als volgt voldaan:

(…)

- Door verrekening van een vorderingsrecht van Koper 2 (aanvulling rechtbank: [de broer] ), op Verkoper casu quo een schuld van Verkoper aan Koper 2, van een bedrag ter grootte van zevenhonderdnegenentwintigduizend vierhonderdnegentig euro (€ 729.490,00), waarvan blijkt uit een vaststellingsovereenkomst de dato elf januari tweeduizend eenentwintig (…) zodat beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgaan.

3.13.

Bij brief van 15 september 2022 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van de door [gedaagde] gemaakte beroepsfout in de procedure tegen zijn broer.

3.14.

Bij beschikking van 3 mei 2024 heeft deze rechtbank de ontkenning van het vaderschap van [naam] ten aanzien van [eiser] gegrond verklaard en het juridisch vaderschap van [erflater] over [eiser] vastgesteld.

4Het geschil

4.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van primair € 390.786,33, subsidiair € 195.393,16, vermeerderd met de samengestelde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf 14 november 2012 tot aan de dag van volledige betaling;

II. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 3.302,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de samengestelde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 september 2022 tot aan de dag van volledige betaling;

III. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en eventueel nog zal lijden als gevolg van de wegens de veroordeling tot betaling van een legitieme portie aan [de broer] gedwongen verkoop van de loods, met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding aan [eiser] van die schade, op te maken bij staat;

IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van volledig betaling, vermeerderd met de nakosten.

4.2.

[eiser] legt daaraan ten grondslag dat [de broer] in de procedure tot gegrondverklaring van de ontkenning van het juridisch vaderschap van [naam] en de vaststelling van het vaderschap van [erflater] over hem, heeft gelogen over het moment dat hij bekend werd met het feit dat [erflater] zijn biologische vader was. [gedaagde] had hem moeten adviseren om het rechtsmiddel van herroeping in te stellen tegen de beschikking van 22 april 2013 om de vaststelling van het vaderschap – die ertoe leidde dat [de broer] aanspraak kon maken op zijn legitieme portie in de nalatenschap van [erflater] – ongedaan te maken. Dan zou [de broer] , die te laat was met zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het juridisch vaderschap van [naam] , geen legitimaris zijn geweest.

[gedaagde] had hem ook moeten adviseren om een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen [de broer] uit onrechtmatige daad. Door zijn bedrog in de vaderschapsprocedure in 2013 was [de broer] legitimaris geworden en benadeelde hij [eiser] als erfgenaam. Verder had [gedaagde] [eiser] moeten adviseren om zelf ook een vaderschapsactie in te stellen zodat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap kon aantonen dat hij ook een afstammeling was van [erflater] en [de broer] niet de enige legitimaris was. [gedaagde] had hem in ieder geval niet moeten adviseren om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de rechtbank. Volgens [eiser] waren de destijds ingediende grieven kansloos en was de kans groot dat het hof – zoals dat ook gebeurde in het arrest van 10 juli 2018 – de legitieme portie van [de broer] nog hoger zou vaststellen.

4.3.

[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

5.1.

In deze zaak staat centraal of [gedaagde] als advocaat beroepsfouten heeft gemaakt bij de uitvoering van de tussen hem en [eiser] gesloten overeenkomst van opdracht als gevolg waarvan [eiser] schade heeft geleden.

Het eerste verwijt

5.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn eerste verwijt – dat [gedaagde] hem had moeten adviseren om een procedure te beginnen tot herroeping van de beslissing van 22 april 2013 waarbij het vaderschap van [erflater] over [de broer] werd vastgesteld – laten vallen. De rechtbank gaat daarop dus ook niet meer in.

Het tweede verwijt

5.3.

Het tweede verwijt is dat [gedaagde] [eiser] ten onrechte niet heeft geadviseerd om schadevergoeding te vorderen van [de broer] . De grondslag voor die schadevergoedingsvordering zou zijn dat [de broer] onrechtmatig jegens [eiser] handelde door zijn bedrog in de procedure over het vaderschap en [eiser] daardoor schade leed. Door het bedrog is het verzoek van [de broer] tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [naam] gegrond verklaard, hoewel de termijn daarvoor eigenlijk al was verstreken. Vervolgens is het vaderschap van [erflater] over [de broer] vastgesteld. Door de vaststelling kon [de broer] (als enige afstammeling) aanspraak maken op zijn legitieme portie. Die legitieme portie moest worden betaald uit de nalatenschap waarvan [eiser] de enige erfgenaam was. Als het vaderschap van [erflater] over [de broer] niet was vastgesteld, zou [de broer] niets uit die nalatenschap hebben gekregen en had [eiser] alles gehad, aldus [eiser] .

5.4.

[gedaagde] voert als verweer dat de beschikking van 22 april 2013 onherroepelijk is en dus uitgegaan moet worden van de juistheid daarvan. Dit geldt ook ten aanzien van de vaststelling van de rechtbank dat het verzoek van [de broer] tijdig is gedaan en toewijsbaar is. Het stelsel van gesloten rechtsmiddelen staat er volgens [gedaagde] aan in de weg dat in deze procedure alsnog wordt geoordeeld dat het verzoek niet tijdig is gedaan en (dus) had moeten worden afgewezen. Dat verweer slaagt niet. De inhoud van de beschikking over het vaderschap uit 2013 staat op zich niet eraan in de weg dat in de hypothetische door [eiser] nu voorgestane procedure, wordt aangenomen dat [de broer] bedrog heeft gepleegd, daardoor jegens [eiser] onrechtmatig handelde en dat bij de berekening van de schade wordt aangenomen dat zonder die ‘fout’ het verzoek van [de broer] niet zou zijn toegewezen.

5.5.

Het verweer dat niet voldoende duidelijk is dat [de broer] met zijn verzoekschrift in 2013 onrechtmatig handelde jegens [eiser] en [eiser] daardoor schade leed, slaagt wel.

Als het zo is dat [de broer] eind 2003 al wist dat [erflater] zijn biologische vader was en hij welbewust in 2013, omdat hij toen eigenlijk al te laat was met zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [naam] , in strijd met de waarheid aanvoerde dat hij dat pas recent had gehoord, dan betekent dat niet dat hij daarmee in de gegeven omstandigheden onrechtmatig handelde jegens [eiser] . Daarbij is van belang dat zowel [de broer] als [eiser] al jaren wisten dat zij allebei zoons zijn van [erflater] en dat zij dus allebei als zijn kind aanspraak konden maken op (een deel van) zijn nalatenschap. Of zij – voorafgaand aan het overlijden van [erflater] – wisten dat daarvoor nog juridische stappen moesten worden gezet, kan uit de stukken niet worden afgeleid. Ook kan niet worden vastgesteld dat het de betrokkenen bij het opstellen van het testament van [erflater] destijds duidelijk was dat noch [de broer] , noch [eiser] juridisch een afstammeling was van [erflater] én dat [eiser] alleen aanspraak zou kunnen maken op de volledige nalatenschap (zonder aan [de broer] een legitieme portie uit te keren) als het vaderschap van [erflater] over [de broer] niet zou worden vastgesteld. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de gerechtvaardigde belangen van [eiser] [de broer] ervan hadden moeten weerhouden om te liegen over het moment dat hij bekend werd met de uitkomst van het DNA-onderzoek waaruit bleek dat [erflater] zijn vader was.

5.6.

Overigens kan ook niet worden aangenomen dat als [de broer] in 2013 open kaart had gespeeld in het verzoekschrift, zijn verzoeken zonder meer zouden zijn afgewezen. Het komt immers voor dat de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader gegrond wordt verklaard (en in navolging daarvan het juridisch vaderschap van de biologische vader gerechtelijk wordt vastgesteld) terwijl het verzoek daartoe eigenlijk te laat is ingediend.

5.7.

De conclusie is dan ook dat het tweede verwijt geen doel treft. De door [eiser] aangedragen feiten en omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat een redelijk handelend advocaat [eiser] zou hebben aangeraden om tegen [de broer] een vordering tot schadevergoeding in te stellen op grond van onrechtmatige daad.

Het derde verwijt

5.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] [eiser] had kunnen en moeten adviseren om – toen duidelijk werd dat [eiser] juridisch niet gold als afstammeling van [erflater] – zelf ook een verzoek in te dienen tot gegrondverklaring van de ontkenning van het juridisch vaderschap van [naam] en (gelijktijdig) een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het juridisch vaderschap van [erflater] over hem, ook al was de wettelijke termijn voor het eerstgenoemde verzoek ingevolge artikel 1:200 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) al verstreken. Uit de jurisprudentie blijkt immers dat verzoeken tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader die niet binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn zijn ingediend, niet zonder meer kansloos zijn en geregeld worden toegewezen. Daar zijn partijen het ook over eens. [gedaagde] betwist ook niet dat hij in zoverre een beroepsfout heeft gemaakt en aansprakelijk is voor schade die [eiser] daardoor heeft geleden. Daar gaat de rechtbank bij de verdere beoordeling dus ook van uit.

De schade

5.9.

Om te komen tot een begroting van de door [eiser] ten gevolge van de fout geleden schade moet de rechtbank de huidige situatie, dus mét de beroepsfout, vergelijken met de hypothetische situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd als de beroepsfout niet zou zijn gemaakt. De rechtbank neemt in dit verband aan dat als [gedaagde] [eiser] zou hebben geadviseerd om de onder rechtsoverweging 5.8 bedoelde verzoeken bij de rechtbank in te dienen, [eiser] dat zou hebben gedaan. Partijen zijn daar niet expliciet op ingegaan, maar in hun stellingen ligt dat wel besloten en het ligt ook in de rede omdat het gaat om een overzichtelijke en betaalbare procedure. Er moest een verzoekschrift worden ingediend en in de regel volgt daarop een beslissing waarbij de verzoeken worden toe- of afgewezen.

5.10.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat de verzoeken tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [naam] en de vaststelling van het vaderschap van [erflater] over [eiser] destijds (in de periode 2015-2017) waarschijnlijk zouden zijn toegewezen. Het in 2024 – te laat ingediende – verzoek van [eiser] tot gegrondverklaring van de ontkenning van het juridisch vaderschap van [naam] is toegewezen en uit de jurisprudentie komt ook naar voren dat ook in de periode 2015 tot en met 2017 al regelmatig soepel werd omgegaan met de termijnoverschrijding van artikel 1:200 lid 6 BW. De rechtbank neemt daarom voor de begroting van de schade als uitgangspunt dat eerder ingediende verzoeken van [eiser] over het vaderschap zouden zijn toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] de schade die [eiser] lijdt vanwege het feit dat hij niet eerder als afstammeling van [erflater] is aangemerkt, moet vergoeden.

Teveel betaalde legitieme portie

5.11.

Partijen zijn het erover eens dat die schade in beginsel (in elk geval) bestaat uit het verschil tussen de legitieme portie die door het hof in 2018 is vastgesteld en de legitieme portie die [de broer] op grond van de wet toekomt nu is vastgesteld dat niet alleen hij, maar ook [eiser] een afstammeling is van [erflater] . Dan bedraagt de legitieme portie de helft van wat [de broer] als één van de twee kinderen – die volgens de regels van de wet erfgenamen zijn – zou hebben verkregen, terwijl hij van het hof als enige legitimaris de helft kreeg toegewezen van wat hij als enig kind zou hebben geërfd op grond van de wet. Het verschil is € 195.393,16.

5.12.

[gedaagde] voert terecht als verweer dat niet duidelijk is dat [eiser] het door het hof vastgestelde bedrag daadwerkelijk aan [de broer] heeft betaald en dat dus niet voldoende is onderbouwd dat [eiser] het in dit verband gevorderde bedrag aan schade heeft geleden.

Uit de tussen [eiser] en [de broer] in 2021 gesloten vaststellingsovereenkomst blijkt dat de vordering die [de broer] had op basis van het arrest van 10 juli 2018 uit hoofde van zijn legitieme portie is verdisconteerd in het door [eiser] aan [de broer] te betalen bedrag van € 800.000, maar niet duidelijk is of dit het gehele bedrag van € 390.786,33 betreft of dat hierover wellicht andere afspraken zijn gemaakt. Van de € 800.000 maken blijkens artikel 2 van de overeenkomst namelijk ook andere vorderingen van [de broer] op [eiser] deel uit, alsook het aandeel van [de broer] in de exploitatieopbrengst van de loods vanaf 1 januari 2020 en het aandeel van [de broer] in de eigendom van de loods. De afzonderlijke vorderingen zijn in de overeenkomst niet gespecificeerd. Hierdoor is niet duidelijk hoeveel er is afgerekend uit hoofde van de legitieme portie en in hoeverre daarvan dus meer is betaald dan overeenkomt met een kwart van de legitimaire massa, waarop [de broer] uiteindelijk recht had.

5.13.

Voor het bedrag dat méér is betaald dan een kwart van de legitimaire massa (€ 195.393,16) heeft [eiser] een recht op terugbetaling. De vaststelling van het vaderschap van [erflater] over (ook) hem heeft terugwerkende kracht, zodat hij als (tweede) legitimaris heeft te gelden. Dat maakt dat hij als erfgenaam van [de broer] kan terugvorderen wat [de broer] aan legitieme portie achteraf bezien teveel heeft ontvangen. Doordat hij met [de broer] in de vaststellingsovereenkomst heeft afgesproken dat zij elkaar over en weer finale kwijting verlenen en niets meer van elkaar te vorderen hebben, heeft hij die mogelijkheid nu echter niet meer.

5.14.

Volgens [gedaagde] leidt die vaststellingsovereenkomst ertoe dat sprake is van ‘eigen schuld’ van [eiser] in de zin van artikel 6:101 BW en is hij niet gehouden tot vergoeding van wat [eiser] (mogelijk) boven € 195.393,16 heeft voldaan en nu niet meer van [de broer] kan (terug)vorderen. Daarin volgt de rechtbank hem niet. Voor een geslaagd beroep op eigen schuld is vereist dat de benadeelde (in casu [eiser] ) zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Dat is in dit geval niet aan de orde. De vaststellingsovereenkomst staat er alleen aan in de weg dat [eiser] de (reeds ontstane) schade van [de broer] kan terugvorderen.

5.15.

Voor zover [gedaagde] bedoelt dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht, passeert de rechtbank ook dat verweer. [eiser] hoefde op het moment dat hij de vaststellingsovereenkomst sloot geen rekening te houden met het belang van [gedaagde] bij het beperken van de te vergoeden schade. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat [eiser] destijds al wist van een fout van [gedaagde] en een mogelijke schadevergoedingsvordering op [gedaagde] . De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [eiser] [gedaagde] pas in september 2022 (ruim anderhalf jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst) aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade.

5.16.

Partijen hebben na afloop van de mondelinge behandeling in deze zaak nog stukken ingediend met betrekking tot de schade van [eiser] . Niettemin heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om nu de door [eiser] geleden schade te kunnen begroten. Wat [de broer] uit hoofde van de legitieme portie heeft ontvangen kan aan de hand daarvan niet worden vastgesteld of benaderd.

Verdere schadeposten

5.17.

[eiser] heeft na de mondelinge behandeling zijn eis vermeerderd met een vordering tot een verklaring voor recht dat [gedaagde] jegens hem aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en eventueel nog zal lijden als gevolg van de – wegens de (te hoge) vordering van [de broer] op grond van de legitieme portie – gedwongen verkoop van de loods, met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding aan [eiser] van die schade, op te maken bij staat. Volgens [eiser] bestaat de schade uit misgelopen inkomsten die hij tot zijn overlijden uit de (verhuur van de) loods zou hebben verkregen. Dat is door [gedaagde] betwist. Hij voert aan dat [eiser] zowel onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom verkoop van de loods noodzakelijk was, als dat dit voorkomen had kunnen worden indien hij een (lagere) legitieme portie van € 195.393,16 aan [de broer] had moeten betalen. Dat verweer slaagt.

Dat betekent dat niet voor recht verklaard kan worden dat [gedaagde] voor de met de verkoop van de loods gemoeide schade aansprakelijk is.

Tegelijkertijd kan niet kan worden uitgesloten dat [eiser] vanwege de (te hoge) vordering van [de broer] op grond van de legitieme portie, de loods heeft moeten verkopen en hij dus meer schade heeft geleden dan alleen het teveel betaalde aan legitieme portie. Of en in hoeverre dat het geval is kan nu niet worden vastgesteld.

Begroting in de schadestaatprocedure

5.18.

Nu vaststaat dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt en aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor leed, ook voldoende aannemelijk is dat [eiser] schade heeft geleden door de fout, maar in deze procedure niet kan worden vastgesteld om welk bedrag het gaat, zal [gedaagde] veroordeeld worden om die schade te vergoeden op te maken bij staat. In de schadestaatprocedure zal de schade verder in kaart moeten worden gebracht.

Daar zal ook de gevorderde (schade)vergoeding voor buitengerechtelijke kosten aan de orde kunnen komen.

Proceskosten

5.19.

[gedaagde] is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

144,47

- griffierecht

€

2.803,00

- salaris advocaat

€

1.959,00

(3 punten × € 653, tarief II)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

5.095,47

5.20.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de schade die [eiser] leed/lijdt ten gevolge van de beroepsfout van [gedaagde] – beschreven in 5.8 van dit vonnis – waardoor [eiser] niet eerder als afstammeling van [erflater] is aangemerkt, op te maken bij staat;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.095,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.


3474



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733