Essentie (gemaakt door AI)
Artikel 10:62 BW. Openbare orde-exceptie. Erfrechtelijk geschil over erkenning van een Braziliaanse união estável als geregistreerd partnerschap in Nederland, waarop aanspraak op enig erfgenaamschap wordt gebaseerd. Rechtbank oordeelt dat zelfs indien in Brazilië post mortem erkenning volgt en aan art. 10:61 BW zou zijn voldaan, erkenning in NL wegens strijd met de openbare orde achterwege blijft, gelet op rechtszekerheid en eigendomsbescherming. Verklaard dat [onderbewindgestelde] geen echtgenote/GP is; neven/nichten blijven erfgenamen; executeursbenoemngNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 13-10-2026 |
| Zaaknummer | C/09/698417 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | IPR familierecht; IPR erfrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 10:62 BW. Openbare orde-exceptie.Volledige uitspraak
Team Handel
Zaaknummer: C/09/698417 / HA ZA 26-111
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] ,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [onderbewindgestelde],
eiser in conventie en verweerder in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J. de Jong van Lier,
tegen
1
[gedaagden sub 1] te [woonplaats 2],
2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats 3],
gedaagden in conventie en eisers in reconventie in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. G.J. Van den Adel.
Eiser wordt hierna ‘[eiser] genoemd’. Gedaagden worden afzonderlijk respectievelijk ‘[gedaagden sub 1]’ en ‘[gedaagden sub 2]´ genoemd en gezamenlijk (ook) ‘[gedaagden]’.
1De zaak in het kort
Deze zaak gaat in de kern om de vraag wie erfgenaam is dan wel erfgenamen zijn in de nalatenschap van [erflater] (hierna: erflater). Erflater had ten tijde van zijn overlijden een affectieve relatie met [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde]). [eiser] stelt zich (namens [onderbewindgestelde]) op het standpunt dat tussen [onderbewindgestelde] en erflater een ‘união estável’ heeft bestaan. Dit is een wettelijke samenlevingsvorm naar Braziliaans recht, die volgens [eiser] in Nederland wordt erkend als een geregistreerd partnerschap. De aanmerking van [onderbewindgestelde] als geregistreerd partner van erflater brengt met zich dat [onderbewindgestelde] op grond van het testament van erflater enig erfgename is, aldus [eiser]. [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zijn een neef respectievelijk nicht van erflater. Zij betwisten de stellingen van [eiser] en stellen zich op het standpunt dat zij – samen met vier andere neven en nichten die in het testament van erflater zijn genoemd – enig erfgenamen zijn.
De rechtbank oordeelt in dit vonnis over de vraag of, indien komt vast te staan dat er een união estável heeft bestaan tussen erflater en [onderbewindgestelde], deze in Nederland kan worden erkend als geregistreerd partnerschap. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is, omdat dit kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde in de zin van artikel 10:62 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Met inachtneming van dit oordeel beslist de rechtbank op de vorderingen in conventie en in reconventie.
2De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 1 december 2025, met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, tevens houdende incidentele vorderingen en een provisionele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties 1 tot en met 19;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens conclusie van antwoord in het incident, tevens akte in conventie met voorwaardelijke vermindering van eis;
- de akte overlegging producties, tevens akte uitlating, met producties 20 tot en met 36 van de zijde van [gedaagden]; en
- een brief van de zijde van [eiser].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen aan de hand van spreekaantekeningen hun standpunten toegelicht. De spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd.
Op 12 augustus 2026 zijn partijen nogmaals naar de rechtbank gekomen om te bezien of zij een minnelijke regeling konden treffen. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt en hebben verzocht om vonnis te wijzen.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.
3De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan
In de hoofdzaak en in het incident
Het overlijden en het testament van erflater
Erflater is op [datum] 2025 overleden. Hij had geen kinderen.
Erflater is gehuwd geweest met [naam 1] (hierna te noemen: [naam 1]). Dit huwelijk is ontbonden door het overlijden van [naam 1] op 14 oktober 2014.
Erflater heeft bij testament van 18 oktober 2013 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. In het testament staat onder meer, van zover van belang:
‘ERFSTELLING
Voor het geval mijn huwelijk met mevrouw [naam 1] […] hierna te noemen: “mijn echtgenote”, door mijn overlijden wordt ontbonden, benoem ik tot mijn enig erfgename mijn echtgenote.
OVERLIJDEN ZONDER ECHTGENOTE
Voor het geval mijn voornoemde echtgenote niet in mijn nalatenschap opkomt en ik ongehuwd kom te overlijden, beschik ik als volgt:
(…)
II. ERFSTELLING
Ik benoem tot mijn enige erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen:
a. mevrouw [naam 2], voornoemd;
b. mevrouw [gedaagden sub 2], voornoemd;
c. de heer [gedaagden sub 1], voornoemd;
d. de heer [naam 3] […];
e. de heer [naam 4] […];
f. de heer [naam 5], […].
Op de benoeming van mijn neven en nichten tot erfgenamen verklaar ik de wettelijke regels van plaatsvervulling van overeenkomstige toepassing.
EXECUTEUR
1. Benoeming executeur (-afwikkelingsbewindvoerder)
Ik benoem mijn echtgenote tot mijn executeur, zolang de afwikkeling van mijn
nalatenschap duurt.
Indien mijn echtgenote deze executeursbenoeming niet kan of wil aanvaarden of in geval van haar defungeren, benoem ik in haar plaats tot executeurs de heer [gedaagden sub 1], voornoemd en mevrouw [gedaagden sub 2], voornoemd. Indien een van hen deze executeursbenoeming niet kan of wil aanvaarden of in geval van zijn/haar defungeren, benoem ik in zijn/haar plaats tot executeur de heer [naam 5], voornoemd.
(…)
GEREGISTREERD PARTNERSCHAP
Indien in deze akte een rechtsgevolg afhankelijk is gesteld van het al dan niet gehuwd zijn of van een rechtstreeks met het huwelijk verbonden rechtsfeit, wordt met het huwelijk gelijkgesteld een geregistreerd partnerschap, tenzij in deze akte uitdrukkelijk anders is bepaald.’
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zijn onder de tweede erfstelling opgenomen onder de letters c respectievelijk e. Eveneens zijn zij onder het kopje “EXECUTEUR” gezamenlijk benoemd tot executeurs in het geval de echtgenote van erflater de executeursbenoeming niet kan of wil aanvaarden of in geval van haar defungeren.
Na het overlijden van erflater is er tussen partijen discussie ontstaan over de vraag wie erfgenaam is dan wel erfgenamen zijn van erflater.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hebben hun benoeming tot executeur-afwikkelingsbewindvoerders aanvaard. Op de verklaring van executele is een aantekening geplaatst dat de erfrechtelijke positie van [gedaagden] door [onderbewindgestelde] ter discussie wordt gesteld.
In de nalatenschap vallen onder meer de aandelen in [vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap), een vennootschap waarvan erflater bij leven bestuurder en aandeelhouder was.
De relatie tussen erflater en [onderbewindgestelde]
Omstreeks november 2015 heeft erflater in Brazilië [onderbewindgestelde] leren kennen, met wie hij vrijwel meteen een relatie kreeg. Deze relatie duurde voort tot het overlijden van erflater. [onderbewindgestelde] en erflater zijn in Nederland niet gehuwd en zijn ook geen geregistreerd partnerschap aangegaan.
De eerste jaren van hun relatie verbleven erflater en [onderbewindgestelde] afwisselend samen in Nederland en Brazilië. Vanaf omstreeks medio 2021 woonden erflater en [onderbewindgestelde] samen in Nederland in de woning van erflater aan de [adres] te [plaats] (hierna ook te noemen: de woning). Na het overlijden van erflater is [onderbewindgestelde], samen met haar kleindochter [naam 6] (hierna: [naam 6]) in de woning blijven wonen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 november 2025 is beperkt bewind ingesteld over al hetgeen [onderbewindgestelde] heeft verkregen/zal verkrijgen uit de nalatenschap van erflater. [eiser] is bij deze beschikking benoemd tot bewindvoerder.
4Het geschil
[eiser] vordert kort gezegd dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat er tussen [onderbewindgestelde] en erflater een união estável heeft bestaan die is aangevangen op 15 november 2015 en die is ontbonden door het overlijden van erflater op 14 februari 2025, althans gelijkluidend te verklaren met bepaling van de aanvangsdag van de união estável die de rechtbank correct acht;
II. voor recht verklaart dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] niet de executeurs zijn van de nalatenschap van erflater en dat zij niet de afwikkelingsbewindvoerders zijn van de nalatenschap van erflater, alsmede dat zij niet beschikkingsbevoegd zijn over de goederen van de nalatenschap en dat een eventuele vertegenwoordiging door hen of door een door hen aangewezen bestuurder van de vennootschap ongeldig is;
III. althans voor recht verklaart dat:
- bij het wijzen van het vonnis onzeker is wie de executeur is of de executeurs zijn van de nalatenschap van erflater;
- dat bij het wijzen van het vonnis onzeker is wie de afwikkelingsbewindvoerder is (of de afwikkelings-bewindvoerders zijn) zijn van de nalatenschap van erflater;
- dat bij het wijzen van het vonnis onzeker is wie er beschikkingsbevoegd zijn over de goederen van de nalatenschap; en
- dat bij het wijzen van het vonnis onzeker is wie de vennootschap kan vertegenwoordigen;
IV. kosten rechtens.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
[gedaagden] vorderen dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat er geen união estável tot stand is gekomen tussen erflater en [onderbewindgestelde];
II. voor recht verklaart dat [onderbewindgestelde] geen echtgenote dan wel geregistreerd partner van erflater is in de zin het testament van erflater en boek 4 BW en derhalve geen wettelijke erfrechtelijke aanspraken heeft in de nalatenschap van erflater;
III. voor recht verklaart dat [naam 2], [gedaagden sub 1], [naam 5], [gedaagden sub 2], [naam 3] en [naam 4] de enige erfgenamen van erflater zijn;
IV. voor recht verklaart dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] conform het testament van erflater executeurs- afwikkelingsbewindvoerders zijn;
V. indien de incidentele vordering tot ontruiming (zie randnummer 4.6) wordt afgewezen, bepaalt dat [onderbewindgestelde], [naam 6], alsmede iedere andere persoon die zonder recht of titel verblijf houdt aan de woning en opstallen gelegen aan de [adres] te [plaats], wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na datum van het vonnis de woning en opstallen staande en gelegen aan de [adres] zal hebben verlaten en verlaten zal houden met achterlating van alle roerende zaken die toebehoren aan de nalatenschap en met afgifte van alle sleutels van de woning en opstallen aan [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] op het kantoor van hun advocaat;
VI. [eiser] en [onderbewindgestelde] veroordeelt in de (proces)kosten, de eventuele nakosten daaronder begrepen, althans zodanig oordeelt als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden], met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
In conventie en in reconventie
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
[gedaagden] vorderen dat de rechtbank, bij zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. een voorlopige voorziening treft inhoudende dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] gedurende het geding (de hoofdzaak) bevoegd zijn om als executeurs van de nalatenschap van erflater te mogen optreden, althans het beheer te mogen voeren over de goederen van de nalatenschap;
II. bepaalt dat [eiser] en [onderbewindgestelde] binnen 14 dagen na de datum van het vonnis in incident de gehele administratie, maar in ieder geval de onder randnummer 49 genoemde stukken en sleutels, beschikbaar moet stellen aan [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2], althans [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] toegang tot de woning en het kantoor van de vennootschap te verstrekken zodat zij deze stukken en sleutels mee kunnen nemen;
III. bepaalt dat [onderbewindgestelde], alsmede iedere andere persoon die zonder recht of titel verblijf houdt aan de woning en opstallen gelegen aan de [adres] te [plaats], binnen veertien dagen na datum van het vonnis in incident de woning en opstallen staande en gelegen aan de [adres] zal hebben verlaten en verlaten zal houden met achterlating van alle roerende zaken die toebehoren aan de nalatenschap en met afgifte van alle sleutels van de woning en opstallen aan [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] op het kantoor hun advocaat;
IV. [eiser] en [onderbewindgestelde] veroordeelt in de (proces)kosten, de eventuele nakosten daaronder begrepen, althans zodanig te oordelen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
De rechtbank zal de vorderingen over en weer, gelet op hun onderlinge samenhang, samen bespreken.
Inleiding
Het geschil tussen partijen gaat in de kern om (het antwoord op) de vraag wie erfgenaam is dan wel erfgenamen zijn van erflater. In het verlengde hiervan is tussen partijen in geschil wie executeur(s)-afwikkelingsbewindvoerder(s) is/zijn in de nalatenschap van erflater.
In het testament van erflater zijn twee erfstellingen opgenomen. De eerste erfstelling ziet op de situatie waarin erflater eerder komt te overlijden dan zijn echtgenote [naam 1], in welk geval erflater haar tot zijn enig erfgename benoemt. Duidelijk is dat deze erfstelling niet opgaat, nu [naam 1] na het opmaken van het testament maar vóór erflater is overleden. De tweede erfstelling is van toepassing wanneer [naam 1] niet in de nalatenschap opkomt én erflater ongehuwd komt te overlijden. Indien aan deze twee voorwaarden is voldaan, benoemt erflater zes neven en nichten (hierna: de neven en nichten) tot zijn enige erfgenamen. Tussen partijen is in geschil of deze erfstelling in werking is getreden.
Volgens [eiser] is dit niet het geval. [eiser] stelt dat er tussen [onderbewindgestelde] en erflater een zogeheten união estável heeft bestaan. De união estável is een naar Braziliaans recht wettelijk erkende duurzame samenlevingsvorm tussen twee personen. Een união estável ontstaat wanneer er tussen twee personen sprake is van een openbare, voortdurende en duurzame samenleving die wordt aangegaan met het oog op het stichten van een gezin. Een união estável kent geen vormvereisten en ontstaat door feitelijke omstandigheden. Partijen kunnen er voor kiezen om een (onderhandse of notariële) akte op te (laten) stellen waarin zij verklaren dat er tussen hen een união estável bestaat. Voor de totstandkoming van een união estável is registratie echter niet vereist. [eiser] heeft aangevoerd dat erflater en [onderbewindgestelde] een dergelijke verklaring in een notariële akte van 6 december 2022 hebben vastgelegd. De rechtsgeldigheid van deze akte wordt door [gedaagden] betwist. Niet in geschil is dat een dergelijke registratie in deze zaak nooit heeft plaatsgevonden.
Het is in Brazilië eveneens mogelijk om na het overlijden van één van de partners (met terugwerkende kracht) op verzoek van de achterblijvende partner een união estável gerechtelijk te laten erkennen (een zogeheten ‘post mortem’ erkenning). Het vonnis waarin de união estável wordt erkend kan worden ingeschreven in de openbare registers. De vraag of een união estável heeft bestaan tussen [onderbewindgestelde] en erflater ligt momenteel voor in meerdere hoger beroepsprocedures bij de Braziliaanse rechter. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat het ook voor partijen niet helemaal duidelijk was wat op dit moment de precieze stand van zaken van die procedures is en op welke termijn een eindbeslissing kan worden.
[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien in de Braziliaanse procedure wordt geoordeeld dat tussen erflater en [onderbewindgestelde] een união estável heeft bestaan, deze união estável moet worden erkend als geregistreerd partnerschap. In het testament is onder het kopje ‘geregistreerd partnerschap’ opgenomen dat, indien in het testament een rechtsgevolg afhankelijk is gesteld van het al dan niet gehuwd zijn, met het huwelijk wordt gelijkgesteld een geregistreerd partnerschap, tenzij in de akte uitdrukkelijk anders is bepaald. Dat betekent dat in het geval in rechte komt vast te staan dat tussen erflater en [onderbewindgestelde] een união estável heeft bestaan, deze moet worden erkend als geregistreerd partnerschap, hetgeen op basis van voormelde bepaling in het testament gelijk staat aan een huwelijk. In dat geval is niet voldaan aan de tweede voorwaarde voor de tweede erfstelling, namelijk dat erflater ongehuwd komt te overlijden. Dit brengt met zich dat de neven en nichten geen erfgenamen zijn van erflater en dat [onderbewindgestelde] als enig erfgename moet worden aangemerkt, aldus [eiser].
Voorts stelt [eiser] zich op het standpunt dat – gelet op de bepaling in het testament die de rechtsgevolgen van een geregistreerd partnerschap gelijkstelt met de rechtsgevolgen van een huwelijk – [onderbewindgestelde] executeur is in de nalatenschap, nu erflater in zijn testament heeft opgenomen dat hij zijn echtgenote tot executeur benoemt.
Volgens [gedaagden] is wel aan de voorwaarden voor het intreden van de tweede erfstelling voldaan en zijn de neven en nichten de enige erfgenamen van erflater. Ten tijde van zijn overlijden was erflater ongehuwd. [gedaagden] hebben het standpunt ingenomen dat – indien mocht blijken dat er tussen [onderbewindgestelde] en erflater een união estável tot stand is gekomen, hetgeen zij betwisten – deze in Nederland niet als geregistreerd partnerschap wordt erkend. Bovendien brengt de erkenning van een eventuele união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater niet met zich dat [onderbewindgestelde] op grond van het testament van erflater als enig erfgenaam moet worden aangemerkt, aldus [gedaagden] Voorts stellen [gedaagden] zich op het standpunt dat, onafhankelijk van de beoordeling wie erfgenaam is of erfgenamen zijn, zij ingevolge het testament van erflater executeurs zijn.
Moet een (eventuele) união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater in Nederland erkend worden als geregistreerd partnerschap?
De vraag of een união estável heeft bestaan tussen [onderbewindgestelde] en erflater ligt momenteel voor in een hoger beroepsprocedure bij de Braziliaanse rechter. Partijen zijn het erover eens dat op basis van de regeling voor litispendentie (artikel 12 Rv) de beoordeling van de vraag of tussen erflater en [onderbewindgestelde] een união estável heeft bestaan, in de Braziliaanse procedure dient te plaats te vinden, en dat onderhavige procedure ten aanzien van die rechtsvraag moet worden aangehouden. Indien in de Braziliaanse procedure wordt geoordeeld dat een união estável heeft bestaan tussen erflater en [onderbewindgestelde], dan kan dat oordeel alleen gevolgen hebben in onderhavige procedure, indien de união estável naar Nederlands recht moet worden erkend. Nu ten aanzien van die erkenning verweer gevoerd is door [gedaagden], ziet de rechtbank aanleiding om eerst dat verweer te behandelen.
Juridisch kader erkenning geregistreerd partnerschap
Ingevolge artikel 10:61 lid 1 BW geldt als uitgangspunt dat een buiten Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap dat ingevolge het recht van de staat waar het geregistreerd partnerschap is aangegaan rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend. Ingevolge artikel 10:61 lid 4 BW wordt een geregistreerd partnerschap vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een verklaring omtrent het geregistreerd partnerschap is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
Artikel 10:61 lid 5 BW bevat enkele extra criteria waaraan een buiten Nederland geregistreerd partnerschap moet voldoen om in Nederland voor erkenning in aanmerking te komen. Ingevolge laatstgenoemde bepaling kan een buiten Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap slechts als zodanig worden erkend indien het een wettelijk geregelde samenlevingsvorm betreft van twee personen die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, welke samenlevingsvorm ten minste:
door een ter plaatse van het aangaan bevoegde autoriteit is geregistreerd;
het bestaan van een huwelijk of andere wettelijke geregelde samenlevingsvorm met een derde uitsluit; en
verplichtingen tussen partners in het leven roept die in hoofdzaak overeenstemmen met die welke verbonden zijn aan het huwelijk.
De bedoeling van deze criteria is om alleen die samenlevingsvormen
te erkennen die voldoende overeenstemmen met het Nederlandse geregistreerd
partnerschap. De rechtbank zal hierna beoordelen of een eventuele união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater aan voornoemde erkenningscriteria voldoet. [gedaagden] hebben ter onderbouwing van hun verweer een beroep gedaan op een partijdeskundigenrapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI). Waar dat van toepassing is zal de rechtbank ook de bevindingen van het IJI bespreken.
Registratie (a)
Tussen partijen is niet in geschil dat [onderbewindgestelde] en erflater in Brazilië nimmer een união estável hebben laten registreren. Dit brengt met zich dat (op dit moment) niet is voldaan aan het registratiecriterium van artikel 10:61 lid 5 sub a BW. Mogelijk verandert dit wanneer de Braziliaanse rechter, met terugwerkende kracht, oordeelt dat er een união estável heeft bestaan tussen [onderbewindgestelde] en erflater en het vonnis waarin deze erkenning is vastgelegd wordt ingeschreven in een openbaar register.
Het IJI heeft echter de kanttekening geplaatst dat niet duidelijk is of – om voor erkenning in Nederland in aanmerking te komen – vereist is dat een buitenlandse samenlevingsvorm enkel kan ontstaan door registratie door een bevoegde autoriteit of dat een samenlevingsvorm die in beginsel vormvrij is, maar in een betreffend geval is geregistreerd, ook kan worden erkend. De parlementaire geschiedenis en de literatuur geven hierover geen uitsluitsel, aldus het IJI.
De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op het door het IJI opgeworpen vraagstuk afhankelijk is van de inhoud van het rechterlijk oordeel van de Braziliaanse rechter en met name van de precieze verwoording van de motivering ten aanzien van de registratie. In ieder geval dient er na de uitspraak in de procedure bij de Braziliaanse rechter nog een partijdebat plaats te vinden over het betreffende vraagstuk.
Exclusieve verbintenis (b)
Voor de erkenning als geregistreerd partnerschap moet voorts sprake zijn van een samenlevingsvorm die exclusief is. Dat betekent dat het moet gaan om een verbintenis die een huwelijk of een andere wettelijke geregelde samenlevingsvorm met een derde uitsluit en bestemd is voor de juridische bevestiging en bescherming van affectieve relaties. [gedaagden] stellen zich, onder verwijzing naar het adviesrapport van het IJI, op het standpunt dat niet aan dit criterium wordt voldaan. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het advies van het IJI volgt dat ingevolge artikel 1.723 lid 1 van het Braziliaans Burgerlijk Wetboek (BraBW) een união estável niet tot stand komt wanneer zich één van de in artikel 1.521 BraBW genoemde belemmeringen voordoet. Artikel 1.521 BraBW somt omstandigheden op die in de weg staan aan het sluiten van een huwelijk. Eén van deze omstandigheden is de onder sub VI genoemde situatie waarin iemand al gehuwd is. Een gehuwd persoon kan dus geen união estável aangaan. Dit brengt met zich dat een união estável in beginsel een exclusief karakter heeft, aldus het IJI. Uit artikel 1.723 lid 1 BraBW, zo voert het IJI aan, volgt echter ook dat artikel 1.521 sub VI BraBW niet van toepassing is “indien de gehuwde persoon feitelijk of van tafel en bed is gescheiden”. Dit betekent dat een persoon die formeel (nog) gehuwd is, maar die feitelijk gescheiden leeft van zijn huwelijkspartner wél een união estável kan aangaan, aldus het IJI. Op grond hiervan komt het IJI tot de conclusie dat een união estável geen exclusief karakter heeft en daarom niet als geregistreerd partnerschap in Nederland kan worden erkend.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat het IJI de Braziliaanse regelgeving verkeerd heeft geïnterpreteerd en dat het exclusiviteitsvereiste niet in de weg staat aan erkenning van een união estável als geregistreerd partnerschap.
De rechtbank is van oordeel dat het IJI voornoemde conclusie onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt hiertoe dat in het rapport niet wordt uitgelegd wat precies bedoeld wordt met ‘feitelijk gescheiden leven’. Evenmin wordt toegelicht wat de rechtsfiguur scheiding van tafel en bed in Brazilië precies inhoudt en welke wettelijke regeling van toepassing is. De rechtbank acht zich dan ook op dit moment onvoldoende voorgelicht om te kunnen beoordelen of aan het exclusiviteitsvereiste van artikel 10:61 lid 5 sub b BW is voldaan en zou, om hierover een oordeel te kunnen geven, nader onderzoek moeten doen, mogelijk met raadpleging van een deskundige.
Vergelijkbare verplichtingen tussen partners als tussen echtgenoten (c)
Op basis van de beschrijving van de kenmerken van een união estável, en dit volgt ook uit het rapport van het IJI , heeft een união estável vergelijkbare wederzijdse verplichtingen als tussen partners die een geregistreerd partnerschap naar Nederlands recht zijn aangegaan. Tussen partijen is dit ook niet in geschil. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een eventuele união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater voldoet aan het vereiste van artikel 10:61 lid 5 sub c BW.
Conclusie
Voorgaande brengt met zich dat de rechtbank op dit moment niet in rechte kan vaststellen of een eventuele (post mortem gerechtelijk vastgestelde) união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater op grond van artikel 10:61 BW in Nederland wordt erkend als geregistreerd partnerschap. Op dit moment kan nog niet definitief worden geoordeeld over de vraag of met de inschrijving in de openbare registers van een vonnis waarin de união estável wordt erkend aan het erkenningsvereiste van artikel 10:61 lid 5 sub a kan worden voldaan. Ten aanzien van het vereiste onder lid 5 sub b acht de rechtbank het nodig zich nader te laten voorlichten door een deskundige alvorens hierover een oordeel te kunnen geven.
De openbare orde-exceptie: juridisch kader
Echter, ook indien zou worden aangenomen dat een tussen [onderbewindgestelde] en erflater post mortem erkende união estável op grond van artikel 10:61 BW in Nederland kan worden erkend als geregistreerd partnerschap, is de rechtbank van oordeel dat erkenning achterwege moet blijven. Hiervoor is redengevend dat erkenning in het onderhavige geval onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
Artikel 10:62 BW bepaalt dat, ongeacht artikel 10:61 BW, aan een buiten
Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap erkenning wordt onthouden,
indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar zou zijn met de openbare orde. Dit betekent dat ook als de buitenlandse relatievorm voldoet aan de erkenningsvoorwaarden van artikel 10:61 BW, erkenning met een beroep op de openbare orde alsnog kan worden geweigerd.
Het begrip ‘openbare orde’ is in artikel 10:62 BW niet nader uitgewerkt en betreft een open norm. In de memorie van toelichting is opgemerkt dat de regel overeenkomt met de equivalente bepaling in het kader van de erkenning van een buitenlands huwelijk (artikel 10:32 BW) . In het huidige artikel 10:32 BW wordt een aantal situaties opgesomd waarin erkenning van een buitenlands huwelijk in ieder geval strijdig is met de openbare orde. Bij de toepassing van artikel 10:62 BW kan artikel 10:32 BW tot leidraad dienen. De in artikel 10:32 BW genoemde situaties zijn overigens niet limitatief. Dit betekent dat een buitenlands huwelijk of geregistreerd partnerschap ook in andere situaties in strijd kan zijn met de Nederlandse openbare orde.
In zijn algemeenheid geldt dat de openbare orde-exceptie restrictief moet worden toegepast. Voor een geslaagd beroep hierop is vereist dat erkenning van een naar buitenlands recht tot stand gekomen samenlevingsvorm afbreuk doet aan fundamentele beginselen en waarden van de Nederlandse rechtsorde. Of hiervan sprake is, zal telkens van geval tot geval beoordeeld moeten worden.
Bij de toepassing van de openbare orde-toets moet voorts worden meegewogen of de naar buitenlands recht tot stand gekomen samenlevingsvorm voldoende sterke betrokkenheid heeft met de Nederlandse rechtssfeer. Naarmate deze betrokkenheid groter is, zal eerder sprake (kunnen) zijn van strijd met de openbare orde. Andersom geldt dat naarmate de verbondenheid met de Nederlandse rechtsorde geringer is, een beroep op de openbare orde-exceptie minder snel zal slagen. De rechtbank stelt voorop dat er in onderhavige kwestie sterke betrokkenheid is met de Nederlandse rechtssfeer, nu erflater de Nederlandse nationaliteit had en zijn gewone verblijfplaats had in Nederland. Verder heeft de erkenning van de união estável doorwerking in de naar Nederlands recht te beoordelen nalatenschap van erflater, welk oordeel rechtsgevolgen heeft voor in Nederland woonachtige personen.
De openbare orde-exceptie in onderhavige casus
[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat erkenning van de eventuele post mortem erkende união estável onverenigbaar is met de openbare orde, zodat op grond van artikel 10:62 BW geen erkenning kan plaatsvinden. Zij verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt haar het rapport van het IJI.
Het IJI schrijft in zijn adviesrapport dat indien naar Braziliaans recht ná het overlijden van erflater zou worden erkend dat er sprake was van een união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater, erflater daarvoor niet vrijelijk zijn toestemming heeft kunnen verlenen. Er zou dan sprake zijn van dwang, hetgeen strijd oplevert op met de Nederlandse openbare orde. Het is immers een fundamenteel beginsel in de Nederlands rechtsorde dat beide partners hun vrije toestemming aan een geregistreerd partnerschap moeten geven. Het IJI verwijst in dit verband naar artikel 10:32 onder e BW. Ingevolge deze bepaling wordt aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien een der echtgenoten op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk niet vrijelijk zijn toestemming tot het huwelijk had gegeven. Verder wijst het IJI erop dat het naar Nederlands recht niet mogelijk is om post mortem een huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap aan te gaan. Voorgaande staat in de weg aan erkenning van een eventuele post mortem vastgestelde união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater, aldus het IJI.
[eiser] betwist dat de erkenning van een post mortem vastgestelde união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater strijdig is met de openbare orde. Hij voert hiertoe aan dat erflater niet tegen zijn zin is terechtgekomen in een união estável met [onderbewindgestelde]. [eiser] wijst in dit verband op een door de erflater bij leven getekende akte, opgemaakt ten overstaan van een Braziliaanse notaris, waarin hij verklaart dat er tussen hem en [onderbewindgestelde] een união estável bestaat. Van dwang is dan ook geen sprake, aldus [eiser].
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt [gedaagden] niet in hun stelling dat erkenning van een post mortem erkende união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater als zodanig onverenigbaar is met de openbare orde op grond van artikel 10:32 onder e BW. Met de eventuele post mortem gerechtelijke erkenning in Brazilië ontstaat de união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater immers niet. Het betreft de erkenning (met terugwerkende kracht) op grond van feitelijke omstandigheden dat er tussen erflater en [onderbewindgestelde] een união estável heeft bestaan. Het is dus niet zo dat erflater, door de erkenning van de união estável door de Braziliaanse rechter, is terechtgekomen in een wettelijk erkende relatievorm zonder dat hij daaraan zijn toestemming heeft kunnen verlenen. Evenmin is sprake van één van de overige in artikel 10:32 BW genoemde situaties die aan erkenning van een post mortem união estável in de weg staan.
Desondanks is de rechtbank van oordeel dat erkenning van een post mortem erkende união estável strijdig is met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank stelt voorop dat bij leven van erflater niet was voldaan aan de vereisten voor erkenning in Nederland van een (eventueel) tussen hem en [onderbewindgestelde] tot stand gekomen união estável als geregistreerd partnerschap. In ieder geval is niet voldaan aan het vereiste dat een buitenlandse wettelijk geregelde samenlevingsvorm moet zijn geregistreerd door een ter plaatse bevoegde autoriteit (artikel 10:61 lid 5 sub a BW) . Ook als zou komen vast te staan dat de door [eiser] overgelegde akte door [onderbewindgestelde] en erflater is ondertekend met het doel om een tussen hen bestaande união estável vast te leggen (hetgeen door [gedaagden] wordt betwist), neemt dit niet weg dat zij deze akte niet hebben laten registreren in de openbare registers.
Op het moment dat de Braziliaanse rechter post mortem erkent dat een união estável tussen erflater en [onderbewindgestelde] heeft bestaan en deze beslissing vervolgens wordt ingeschreven in de openbare registers, wordt mogelijk wél aan het registratievereiste voldaan (zie hiervoor onder randnummers 5.13 tot en met 5.15. Nu erflater is overleden, kan niet worden vastgesteld dat zijn wil er ook op gericht was om de união estável te laten registreren. De rechtbank acht dit van belang, omdat juist door deze registratie (mogelijk) wordt voldaan aan één van de vereisten voor erkenning van de união estável als geregistreerd partnerschap in Nederland, waarmee de união estável ook vermogensrechtelijke gevolgen in Nederland heeft. Erflater heeft hierop geen invloed gehad en hij heeft daarmee niet in vrijheid kunnen beschikken over zijn eigendomsrecht.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat, hoewel erflater en [onderbewindgestelde] een langdurige relatie met elkaar hadden, zij in Nederland nooit een huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Bovendien heeft erflater er niet voor gekozen om [onderbewindgestelde] op te nemen in zijn testament, ook niet nadat erflater, die toen al op leeftijd was, ongeneeslijk ziek bleek te zijn. Ook hierin vindt de rechtbank steun dat uit het feitelijk handelen van erflater niet blijkt dat hij [onderbewindgestelde] de positie van erfgenaam heeft willen geven.
De erkenning in Nederland van de eventuele post mortem vastgestelde união estável brengt met zich dat aan een (ten tijde van het overlijden van erflater) in Nederland niet bestaand geregistreerd partnerschap met terugwerkende kracht rechtsgeldigheid wordt verleend. Dit grijpt achteraf in in bestaande rechtsverhoudingen en brengt mogelijk relatievermogensrechtelijke en erfrechtelijke gevolgen met zich, die erflater niet heeft kunnen voorzien en waarvan niet kan worden vastgesteld of erflater ook deze (rechts)gevolgen gewild heeft. Dit is in strijd met het fundamentele recht van erflater om vrij en ongestoord over zijn eigendomsrecht te kunnen beschikken.
Daar komt bij dat erkenning van een post mortem vastgesteld geregistreerd partnerschap tot grote rechtsonzekerheid leidt die in meerdere rechtsverhoudingen doorwerkt. De eisen die worden gesteld aan het opmaken en registreren van een testament en een geregistreerd partnerschap, zijn er juist op gericht om deze rechtsonzekerheid te voorkomen. Door een post mortem erkenning toe te staan, hetgeen voor een geregistreerd partnerschap dat gesloten is naar Nederlands recht op goede gronden niet mogelijk is, wordt de in deze context als een fundamenteel beginsel te beschouwen rechtszekerheid aangetast.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat erkenning van een eventuele post mortem erkende união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Erkenning kan daarom niet plaatsvinden.
Voor zover [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat een união estável in Nederland (ook) als huwelijk kan worden erkend, gaat de rechtbank hieraan voorbij, nu deze stelling onvoldoende is onderbouwd.
Conclusies
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusies.
[onderbewindgestelde] is geen erfgenaam
Nu een post mortem gerechtelijk erkende união estável tussen [onderbewindgestelde] en erflater in Nederland niet als geregistreerd partnerschap kan worden erkend, gaat de stelling van [onderbewindgestelde] dat zij (als zijnde geregistreerd partner) op grond van het testament als enig erfgenaam moet worden aangemerkt, niet op. De rechtbank concludeert dat [onderbewindgestelde] ingevolge het testament van erflater geen erfgenaam is. De vordering onder II in reconventie zal daarom worden toegewezen. Op vordering III in reconventie hoeft niet meer te worden beslist, nu de advocaat van [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat deze was ingesteld onder de voorwaarde dat vordering II zou worden afgewezen. Bij deze stand van de beoordeling kan verder ook in het midden blijven of [gedaagden] in de juiste hoedanigheid in de procedure betrokken zijn.
Geen belang bij verklaring voor recht over het al dan niet bestaan van een união estável
De rechtbank overweegt dat partijen in deze procedure geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen die zien op een verklaring voor recht dat er al dan niet een união estável heeft bestaan tussen [onderbewindgestelde] en erflater. Een eventuele post mortem erkende união estável wordt in Nederland immers niet als geregistreerd partnerschap erkend en heeft dus geen rechtsgevolgen die van belang zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het verzoek van partijen om – met een beroep op litispendentie – de beslissing op vordering I in conventie en vordering I in reconventie aan te houden (in afwachting van de procedure in Brazilië) en zal in plaats daarvan deze vorderingen afwijzen.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zijn executeurs-afwikkelingsbewindvoerders
In het testament van erflater is bepaald dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] executeurs zijn in de nalatenschap van erflater, indien zijn echtgenote de executeursbenoeming niet kan of wil aanvaarden (of in geval van haar defungeren). De rechtbank stelt vast dat deze situatie zich voordoet, zodat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] executeurs-afwikkelingsbewindvoerders zijn in de nalatenschap van erflater. Vordering IV in reconventie zal daarom worden toegewezen. De vorderingen II en III in conventie worden afgewezen.
Ontruiming van de woning
[gedaagden] hebben gevorderd – kort gezegd – dat de rechtbank bepaalt dat [onderbewindgestelde], alsook iedere andere persoon die zonder recht of titel in de woning van erflater verblijft, de woning moet verlaten, met achterlating van alle roerende zaken die toebehoren aan de nalatenschap. Volgens [eiser] kan de rechtbank de ontruimingsvordering niet beoordelen, nu [onderbewindgestelde] niet in de procedure is opgeroepen.
De rechtbank stelt voorop dat [eiser], als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] over al hetgeen [onderbewindgestelde] heeft verkregen dan wel zal verkrijgen uit de nalatenschap van erflater, de formele procespartij is in onderhavige procedure. Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte (artikel 1:441 BW) . Dit betekent dat in een procedure waarin een onder bewind gesteld goed (mede) onderwerp van geschil is, de bewindvoerder degene is die in rechte moet worden betrokken. Nu in deze procedure is komen vast te staan dat [onderbewindgestelde] geen erfgenaam is, is de woning echter geen onder bewind gesteld goed. Bovendien ziet de ontruimingsvordering op het feitelijk handelen van [onderbewindgestelde], waarop het bewind geen betrekking heeft. Een eventuele ontruimingsvordering zal daarom in een afzonderlijke procedure tegen [onderbewindgestelde] moeten worden ingesteld (en niet tegen [eiser]). Dit brengt met zich dat [gedaagden] niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.
De proceskosten in conventie
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
331,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
148,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.785,00 |
De proceskosten in reconventie
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
|
- salaris advocaat |
€ |
326,50 |
(1 punt × factor 0,5 × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
148,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
474,50 |
Provisionele vordering ex art. 223 Rv
Nu de rechtbank in de hoofdzaak voor recht zal verklaren dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] executeurs-afwikkelingsbewindvoerders zijn in de nalatenschap van erflater, hebben zij geen belang (meer) bij hun vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat zij gedurende het geding bevoegd zijn om als executeurs van de nalatenschap van erflater te mogen optreden. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
De vordering tot afgifte van gegevens en sleutels
[gedaagden] vorderen afgifte van de onder randnummer 49 van de conclusie van antwoord in reconventie genoemde - tot de nalatenschap behorende - stukken en sleutels (van diverse motorvoertuigen en onroerende goederen). [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Volgens [eiser] kunnen de vorderingen niet tegen hem als bewindvoerder worden ingesteld. Daarnaast betwist [eiser] dat hij over (een groot deel van) de gevorderde sleutels en stukken beschikt.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Artikel 194 Rv geeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking in beginsel recht op inzage, afschrift of uittreksel daarvan, mits die partij daarbij voldoende belang heeft. Als degene die informatie van een ander verlangt aan deze voorwaarden voldoet, kan de rechter een daartoe strekkende vordering alleen afwijzen als (a) degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv toekomt of (b) gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten (artikel 195 lid 1 Rv in samenhang met artikel 194 lid 2 Rv) .
De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat [eiser] (dan wel [onderbewindgestelde]) over de gevorderde sleutels en stukken beschikt. De vorderingen van [gedaagden] zullen daarom worden afgewezen.
De vordering tot ontruiming van de woning
Onder verwijzing naar de beoordeling van de in reconventie gevorderde ontruiming (zie randnummer 5.43), worden [gedaagden] niet-ontvankelijk verklaard in hun incidentele vordering tot ontruiming.
De proceskosten in het incident
[gedaagden] zijn in het incident in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten van [eiser] in het incident betalen. Omdat er geen separate proceshandelingen zijn verricht voor het incident, er geen aparte mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en het incident en de hoofdzaak een nauwe samenhang vertonen, worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] in het incident begroot op nihil.
6De beslissing
De rechtbank
verklaart [gedaagden] niet-ontvankelijk in hun incidentele vordering onder III;
wijst de overige vorderingen van [gedaagden] in het incident af;
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van [eiser] in het incident en begroot deze kosten op nihil;
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.785,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
verklaart voor recht dat [onderbewindgestelde] geen echtgenote dan wel geregistreerd partner van erflater is in de zin het testament van erflater en boek 4 BW en derhalve geen erfrechtelijke aanspraken heeft in de nalatenschap van erflater;
verklaart voor recht dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] conform het testament van erflater executeurs- afwikkelingsbewindvoerders zijn;
verklaart [gedaagden] niet-ontvankelijk in hun vordering onder V;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak in conventie en in reconventie
veroordeelt [eiser] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.5, 6.9 en 6.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026. |
3474
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
