Gerechtshof Amsterdam 21-07-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2162

Essentie (gemaakt door AI)

Bekrachtiging beschikking waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen bij vader is verleend. Kernpunt is of ten tijde van de bestreden beschikking en tot het einde van de machtiging grond bestaat voor uithuisplaatsing. Hof acht dit noodzakelijk wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door jarenlange strijd en loyaliteitsconflict, waarbij weerstand tegen contact met vader niet objectief autonoom blijkt. Verzoeken van moeder tot benoeming deskundige (art. 810a Rv) en bijzondere curator (art. 1:250 BW) worden afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Uithuisplaatsing noodzakelijk om band met vader te herstellen - onverklaarbare weerstand bij kinderen
Als de kinderen bij moeder blijven wonen, zal omgang met vader niet meer plaatsvinden. Daarmee wordt hen de kans ontnomen om hun - niet-objectiveerbare - negatieve beeld van hem bij te stellen en de band te herstellen. MUHP bij vader.

Datum publicatie12-10-2026
Zaaknummer200.279.309/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

bekrachtiging uitspraak kinderrechter over machtiging tot uithuisplaatsing

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.279.309/01

zaaknummer rechtbank: C/15/300790/JU RK 20-529

beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2020 inzake

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Verhoog te Alkmaar,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] ,

gevestigd te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- de minderjarige [minderjarige 2] ( hierna te noemen: [minderjarige 2] );

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

Als informant is aangemerkt:

- mevrouw H.S. Koppejan-Luitze, psycholoog NIP (hierna te noemen: Koppejan).

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), van 8 mei 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

De moeder is op 11 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 mei 2020.

2.2

De GI heeft op 29 juni 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 30 juni 2020, ingekomen op dezelfde datum;

- een faxbericht van de zijde van de vader van 1 juli 2020 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 1 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- afschriften van de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg van 30 maart 2020 respectievelijk 4 mei 2020, ingekomen op 1 juli 2020.

2.4

De voorzitter en de jongste raadsheer hebben voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 2] heeft daarbij een brief overhandigd.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en de teammanager;

- de vader, bijgestaan door mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, advocaat te Alkmaar;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Daalderop.

De moeder heeft ter zitting nog een productie overgelegd en de GI heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van pleitnotities die door haar eveneens zijn overgelegd.

3De feiten

3.1.

Uit het in 2010 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn – voor zover in dit geding van belang - geboren:

- [minderjarige 1] , [in] 2006 te [plaats C] ;

- [minderjarige 2] , [in] 2006 te [plaats C] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna ook gezamenlijk ‘de kinderen’ genoemd.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds de bestreden beschikking bij de vader. Daarvoor waren zij woonachtig bij de moeder. Bij de vader is tevens al enige jaren woonachtig de oudste zoon van de ouders, [zoon] , die inmiddels meerderjarig is (geboren [in] 2001 te [plaats C] ).

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank van 3 februari 2016 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 3 februari 2016 tot 3 februari 2017.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank van 21 januari 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw onder toezicht gesteld, tot 21 januari 2020. Bij beschikking van de rechtbank van 16 januari 2020 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 16 juli 2020. De beslissing ten aanzien van het meer verzochte is aangehouden tot 16 juni 2020 pro forma, in afwachting van informatie over onder meer het verloop van de zorgregeling tussen de man en de kinderen.

3.4.

Op 30 maart 2020 heeft bij de rechtbank een (in verband met de corona-maatregelen telefonische) zitting plaatsgevonden ter behandeling van de verzoeken van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader, tot wijziging van de zorgregeling en tot oplegging van een boetebeding. Blijkens het ter zake opgemaakte proces-verbaal is tijdens die zitting afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wekelijks van vrijdag tot maandag bij de vader verblijven en is de beslissing op de verzoeken van de GI aangehouden tot een datum eind mei 2020 pro forma.

4De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover in hoger beroep van belang – op verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verleend met ingang van 8 mei 2020 tot 16 juli 2020.

4.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader af te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder het hof een deskundige te benoemen op grond van het bepaalde in artikel 810a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alsmede een bijzondere curator op grond van het bepaalde in artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.3.

De GI en de vader verzoeken – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2

Ter beoordeling ligt aan het hof de vraag voor of ten tijde van de bestreden beschikking voldoende grond aanwezig was voor de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader en of dat ook op 15 juli 2020 (de datum waarop de machtiging ingevolge de bestreden beschikking uiterlijk gold) het geval was. De moeder beantwoordt deze vraag ontkennend, de GI en de vader bevestigend. De raad onderschrijft het standpunt van laatstgenoemden en heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het hof zal hierna nader ingaan op de standpunten van de moeder, de GI en de vader.

5.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken. De samenwoning van de ouders is geëindigd toen de kinderen een jaar oud waren. De kinderen verbleven sindsdien bij de moeder. De onderlinge verhouding tussen de ouders is tot op heden ernstig verstoord. De omgang tussen de vader en de kinderen is altijd moeizaam verlopen en er zijn periodes geweest dat helemaal geen omgang plaatsvond. Dit ondanks verschillende vormen van hulpverlening zoals Kinderen uit de Knel en hulp van Kindbehartigers. De kinderen zijn eerder (in 2016) een jaar onder toezicht gesteld geweest en staan thans met ingang van 21 januari 2019 wederom onder toezicht van de GI. In de beschikking van de kinderrechter van 21 januari 2019 is onder meer overwogen: De kinderrechter onderschrijft het standpunt van de Raad dat (…) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen worden van jongs af aan geconfronteerd met de conflicten en spanningen als gevolg van de ernstig verstoorde relatie tussen hun ouders. Door de spanningen, de tegenstrijdige visies, de verwijten over en weer en de zeer negatieve en afwijzende bejegening naar elkaar toe, wordt er constant een beroep gedaan op de loyaliteit van de kinderen. Om zich in deze situatie staande te houden en omdat de kinderen geen verwachting meer lijken te hebben dat deze situatie kan worden veranderd, lijken zij partij te kiezen voor de ouder bij wie zij wonen. Dit is zeer schadelijk voor de emotionele en sociale ontwikkeling van de kinderen (…).

Eind mei 2019 hebben de ouders ingestemd met een door de GI geïnitieerde interventie van Koppejan, die tot doel had het realiseren van onbelast contact tussen de kinderen en de ouders, met name de vader. De inzet was het realiseren van het bewustwordingsproces bij de ouders over wat de kinderen nodig hebben van iedere ouder individueel om onbelemmerd omgang te kunnen hebben met ieder van de ouders. De begeleiding van Koppejan bestond onder meer uit het voeren van gesprekken met de ouders en de kinderen en het aanwezig zijn bij de (aanvang van de) omgang. In haar rapport van onderzoek in opdracht van de GI van 31 juli 2019 concludeert Koppejan onder meer: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen gegronde reden gegeven voor de omgangsproblematiek. Uit het onderzoek blijkt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en moeder, vanuit de zorgen bij moeder over de omgang met vader, in een vicieuze cirkel zijn geraakt en elkaar steeds meer in die bezorgdheid voeden. Deze vicieuze cirkel belemmert de vrije omgang met vader. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf laten een beeld zien van een loyaliteitsconflict. De tweeling kiest hierbij voor de moeder, ook vanuit een visie dat hun oudere broer gekozen zou hebben voor de vader, ook dit belemmert de vrije omgang met vader. De tweeling vertoont bij de afname van dit onderzoek echter geen kenmerkend onthecht gedrag. (…) Moeder geeft in duidelijke bewoording weer dat de kinderen zich hebben uitgesproken (geen omgang meer) en dat daarnaar geluisterd moet worden. Door een kind de ruimte te bieden zelf de keuze te mogen maken bij welke ouder het wil zijn, wordt dat kind voortijdig beslisser over belangrijke aspecten van zijn of haar leven. Dit lijkt vaak tot rust te leiden, de stress van de cognitieve dissonantie is verminderd. Tegelijkertijd echter groeit het besef bij de kinderen dat zij nu een ouder hebben buitengesloten, hetgeen weer voor nieuwe, maar meer verborgen stress zorgt: zij hebben zelf gekozen, en krijgen daardoor het gevoel dat zij debet/schuldig zijn aan deze buitensluiting. (…) Het onderzoeksrapport van Koppejan bevat onder meer het volgende advies: De zorgen die moeder heeft ten aanzien van de omgang van de tweeling met vader, en de interactie tussen de tweeling en moeder hieromtrent, leidt ertoe dat de kinderen – conform hetgeen moeder meldt – in toenemende mate weerstand rapporteren bij moeder. De perceptie van de kinderen over hoe de omgang tussen hun oudere broer en moeder is verlopen, lijkt hier negatief aan bij te dragen. Omdat de hersenen van een mens pas volgroeid zijn rond de 30 jaar, kunnen kinderen op hun leeftijd nog niet inschatten wat de lange termijn gevolgen van hun beslissing zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de hulp van volwassenen nodig om hen te behoeden voor deze gevolgen. Tezamen met hun moeder hebben ze daarom professionele hulp nodig om hierin hun gedeelde visie en interactie te veranderen, opdat de omgangsregeling op zeer korte termijn weer nageleefd wordt. Hoe langer de omgangsbelemmering immers duurt, hoe hoger de drempel wordt. Mijn advies is verder de tweeling professionele hulp te bieden bij weerbaarder worden, en moeder professionele hulp te bieden bij het verwerken van het verleden opdat zij haar zorgen over de kinderen kan doen verminderen. (…)

Op 19 december 2019 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven die ertoe strekt – kort gezegd – dat de moeder zich dient te houden aan de geldende omgangsregeling waarbij de kinderen om het weekend vanaf vrijdag 17.30 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader zijn alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties. De GI constateert dat de omgang tussen de kinderen en de vader weliswaar weer is opgestart, maar dat deze niet verloopt conform de omgangsbeschikking. De schriftelijke aanwijzing is vervolgens aan de kinderrechter ter toetsing voorgelegd. Blijkens de beschikking van 16 januari 2020 heeft de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing niet bekrachtigd, maar hebben partijen ter zitting ingestemd met een voorlopige zorgregeling – als opstap naar een definitieve zorgregeling - die onder begeleiding van Koppejan zal worden opgestart en die er als volgt uitziet: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een tweewekelijks schema het ene weekend van vrijdag na school tot zaterdag na voetbal bij de vader. De moeder brengt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de vader en de vader brengt hen terug bij de moeder. Het andere weekend verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader vanaf zaterdag na voetbal tot zaterdag 20.00 uur. Indien er geen voetbal is verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van zaterdag 14.00 uur tot zaterdag 20.00 uur bij de vader. De vader haalt de kinderen op na de voetbal dan wel bij de moeder en brengt hen terug bij de moeder. Bij afzonderlijke beschikking van de kinderrechter van 16 januari 2020 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd.

De omgang als vermeld in de eerstgenoemde beschikking van 16 januari 2020 is niet uitgevoerd. Blijkens haar eindrapport van 16 maart 2020 heeft Koppejan op 10 februari 2020 samen met de GI een gesprek met de moeder gevoerd. De moeder heeft daarbij aangegeven het niet eens te zijn met de omgangsregeling en haar advocaat te hebben gevraagd beëindiging van de omgangsregeling te verzoeken. Het eindrapport bevat onder meer de volgende conclusies aan de hand van observaties die zij heeft verricht en in het rapport nader omschrijft: Ik heb geobserveerd dat vader en zijn gezin een veilige hechtingsbasis bieden voor de kinderen. Het belang van de kinderen stond hierbij centraal. Ze ondersteunen de behoefte aan exploratie, en vormen een veilige basis als de kinderen met problemen zitten en/of vragen hebben die hen stress bezorgen. Ik heb niet geobserveerd dat vader, of stiefmoeder de kinderen beïnvloedt in hun loyaliteit naar moeder. (…) Ik heb geobserveerd dat moeder in onvoldoende mate een veilige hechtingsbasis kan bieden voor de kinderen; dit zie ik in relatie met de pijn en verdriet van moeder jegens het verleden en het verlies van het contact met [zoon] . Moeder ondersteunt de behoefte aan exploratie, maar geeft daarbij in onvoldoende mate grenzen aan. Grenzen die jongens van 13 jaar nog moeten ervaren. Moeder vormt in onvoldoende mate een veilige basis als de kinderen met problemen zitten en/of vragen hebben over hun vader die hen stress bezorgen. Door haar eigen irritatie vergroot zij de stress van de kinderen, hetgeen een vicieuze cirkel wordt waar moeder niet uit lijkt te kunnen stappen. Ik heb tevens geobserveerd dat moeder de kinderen beïnvloedt in hun loyaliteit naar vader en zijn gezin. Voorbeelden die deze conclusie onderbouwen, staan hierboven beschreven. Het eindrapport van Koppejan bevat naast de bovengenoemde en een aantal andere overwegingen de aanbeveling om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen naar vader en een omgangsregeling van de tweeling met de moeder tot stand te brengen.

Nadat de GI het inleidend verzoek tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader op 12 maart 2020 bij de rechtbank had ingediend, heeft op 30 maart 2020 de (telefonische) zitting plaatsgevonden zoals hiervoor onder 3.4 is weergegeven, waarbij is afgesproken dat de kinderen voorlopig, totdat nader wordt beslist, van vrijdag tot maandag bij de vader verblijven. Op het eerste weekend na heeft die omgang niet plaatsgevonden. De zitting is vervolgens op 4 mei 2020 voortgezet, waarna de rechtbank op 8 mei 2020 de bestreden beschikking heeft gegeven.

5.4

Het hof stelt bij de beoordeling van de onder 5.2. geformuleerde vraag het volgende voorop. Vaststaat dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Verwezen wordt naar de beschikkingen van de kinderrechter waarbij de kinderen onder toezicht van de GI zijn gesteld respectievelijk waarbij de ondertoezichtstelling vervolgens is verlengd. Deze beschikkingen zijn onherroepelijk geworden zodat daarvan moet worden uitgegaan. Uitgangspunt is verder dat de kinderen recht hebben op en belang hebben bij onbelast contact met beide ouders.

5.5.

Uit alles blijkt dat de kinderen grote weerstand hebben tegen omgang met de vader. Dat hebben zij ook tijdens hun gesprekken met de rechters in eerste aanleg en met de raadsheren in hoger beroep bevestigd. De moeder verschilt van mening met de GI over de oorzaak van die weerstand. Volgens haar is de oorzaak gelegen in de relatie tussen de vader en de kinderen; de kinderen missen affectie bij de vader, voelen zich bij hem niet welkom en hebben het vertrouwen in de vader verloren. De moeder heeft alles gedaan om de omgang tussen de vader en de kinderen te faciliteren en te stimuleren. Er moet naar de kinderen worden geluisterd en hun wens om geen omgang met de vader te hebben moet worden gehonoreerd, aldus de moeder. De GI betoogt, onder verwijzing naar de rapportages van Koppejan, dat de moeder omgang tussen de kinderen en de vader belemmert doordat zij de kinderen daarvoor (onbewust) haar toestemming onthoudt. De kinderen bevinden zich al jaren in een loyaliteitsconflict, wat nog is versterkt doordat hun oudere broer bij de vader is gaan wonen. Daardoor hebben de kinderen het gevoel voor hun moeder te moeten kiezen. Deze keuze houdt voor hen in dat zij geen contact met de vader mogen hebben, aldus de GI.

Het hof ziet in het onderhavige geval te weinig aanknopingspunten om de weerstand van de kinderen tegen omgang met de vader tot uitgangspunt te nemen op de wijze zoals de moeder voorstaat. Om die weerstand als (overwegend) autonoom aan te merken, moet deze in zekere mate objectiveerbaar zijn aan de hand van een of meer concrete (ingrijpende) gebeurtenissen of omstandigheden. Van dergelijke gebeurtenissen of omstandigheden is niet gebleken. Het misverstand rond de verjaardag van de kinderen kan, wat daar verder van zij, niet als zodanig worden aangemerkt. Hetgeen de moeder voor het overige heeft aangevoerd en hetgeen de kinderen tegenover de rechters en de raadsheren hebben verklaard, is te algemeen en te weinig concreet om aan de hand daarvan de weerstand van de kinderen te objectiveren, en volstaat dus niet. Het hof gaat er derhalve, evenals de GI en Koppejan, vanuit dat de weerstand van de kinderen is ontstaan doordat zij klem zitten tussen de ouders wier relatie nog altijd ernstig is verstoord, en zich in een loyaliteitsconflict bevinden zoals de raad in zijn rapport van 24 december 2018 al heeft geconstateerd. Het hof acht dit ook, gelet op de jarenlange strijd tussen de ouders, alleszins aannemelijk. De moeder voert aan dat aan de weerstand van de kinderen wellicht nog een andere – nader te onderzoeken – oorzaak ten grondslag ligt, maar bij gebrek aan nadere concretisering daarvan door de moeder gaat het hof daaraan voorbij. Ervan uitgaande dat de weerstand van de kinderen voortkomt uit een (reeds lang bestaand) loyaliteitsconflict, ligt het op de weg van de verzorgende ouder om, waar nodig met (intensieve) hulp, te voorkomen dat ruimte wordt geboden aan de weerstand van de kinderen tegen de omgang met de andere ouder, dat de kinderen een beslissingsbevoegdheid krijgen die niet bij hen thuis hoort en dat de kinderen zich als gevolg daarvan schuldig (gaan) voelen jegens de buitengesloten ouder. Het hof sluit daarbij aan bij hetgeen in het onderzoeksrapport van Koppejan van 31 juli 2019 is weergegeven. Voor zover de moeder betoogt dat de rapporten van Koppejan buiten beschouwing moeten blijven, verwerpt het hof dat standpunt. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden geen bezwaar tegen de combinatie van de verschillende werkzaamheden die Koppejan – in opdracht van de GI en deels ook met instemming van de ouders – heeft verricht (kort gezegd: begeleiding van de omgang, rapportage en advies). De omstandigheid dat de moeder inmiddels geen vertrouwen meer heeft in Koppejan en klaarblijkelijk niet meer achter haar instemming staat, maakt dat niet anders. Ook het betoog van de moeder ter zitting dat Koppejan niet (voldoende) gekwalificeerd zou zijn om de betreffende werkzaamheden te verrichten, verwerpt het hof als ongegrond. Het hof ziet in de inhoud van de door de moeder ter zitting overgelegde verklaring van haar GZ-psycholoog geen aanleiding anders te oordelen.

De moeder blijft, zo is ook ter zitting in hoger beroep gebleken, bij haar standpunt dat de weerstand van de kinderen uit henzelf komt en dat daaraan tegemoet moet worden gekomen. Een verzoek tot beëindiging van de zorgregeling met de vader is door haar reeds bij de rechtbank ingediend. Het mag zo zijn dat de moeder, zoals zij stelt onder verwijzing naar verklaringen van maatschappelijk werk en de GZ-psycholoog, het belang van omgang tussen de kinderen en de vader erkent en de omgang tussen de kinderen en de vader in haar beleving op geen enkele wijze belemmert. Daaraan kan echter geen betekenis worden toegekend, nu de oorzaak van de weerstand van de kinderen volgens haar een andere is dan waarvan het hof, evenals de rechtbank, met de GI, de raad en Koppejan uitgaat.

5.6

Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat, indien de kinderen bij de moeder blijven wonen, omgang met de vader niet meer zal plaatsvinden. Daarmee zal de kinderen de gelegenheid worden ontnomen het negatieve beeld dat zij van de vader hebben, bij te stellen en hun band met hem te herstellen. Aannemelijk is dat dit, zeker op de lange termijn, schadelijk is voor hun sociale en emotionele ontwikkeling en hun identiteitsontwikkeling. Om dat te voorkomen is uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk. Het hof realiseert zich dat deze uithuisplaatsing zeer ingrijpend is voor de kinderen, die zeggen niets liever te willen dan terug te keren naar de moeder. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank daarover in r.o. 4.6 van de bestreden beschikking heeft overwogen en neemt dat over. Het hof deelt echter niet de zorgen van de moeder dat het de kinderen zodanig slecht vergaat bij de vader dat de uithuisplaatsing ongedaan moet worden gemaakt. De kinderen hebben tijd nodig op bij de vader te aarden. De duur van de uithuisplaatsing is thans nog te kort om daarover te kunnen oordelen. Bovendien is ter zitting in hoger beroep uit informatie van de GI en de vader gebleken dat er veel momenten zijn waarop de kinderen zich kunnen ontspannen en onbelast meedraaien in het gezin van de vader. Uit het eindrapport van Koppejan en de door haar verrichte observaties blijkt dat de vader de kinderen daartoe de nodige ruimte biedt. Van groot belang is ook dat de vader er blijk van geeft de aanwijzingen van de GI en Koppejan op te volgen waaruit zijn bereidheid volgt om van zijn kant er alles aan te doen om onbelast contact tussen de kinderen en de moeder mogelijk te maken. Anders dan de moeder, ziet het hof geen aanleiding dit in twijfel te trekken. De omstandigheid dat het contact tussen [zoon] en de moeder nog niet is hersteld, maakt dit niet anders, nu ter zitting genoegzaam is gebleken dat hieraan een andere oorzaak ten grondslag ligt dan dat de vader het contact belemmert.

5.7

Uit het voorgaande volgt dat de grond voor de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig was en dat ook op 15 juli 2020 nog was. Het hof verwerpt de stelling van de moeder ter zitting dat de machtiging tot uithuisplaatsing – naar het hof begrijpt – een oneigenlijk middel is, omdat deze niet is gericht op terugplaatsing van de kinderen bij de moeder en in feite een (verkapte) wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen betreft. De moeder miskent dat bij uitvoering van de machtiging het perspectief van de kinderen nog steeds bij een van de gezaghebbende ouders ligt en dat de machtiging een tijdelijk karakter heeft en kan worden verstrekt in afwachting van de beslissing van de rechter op het door de vader in te dienen verzoek om wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

5.8

Gebleken is dat inmiddels begeleide omgang tussen de kinderen en de moeder plaatsvindt. Het hof gaat ervan uit dat de GI zal zorgdragen voor uitbreiding van die omgang en informatievoorziening aan de moeder over het verblijf van de kinderen bij de vader, alles voor zover dit het gewenningsproces van de kinderen bij de vader niet in de weg staat. Het hof onderschrijft het advies van de rechtbank aan de moeder om mee te werken aan alle geadviseerde hulpverlening, zowel voor de kinderen als voor haarzelf.

5.9

De moeder heeft het hof verzocht een deskundige op grond van het bepaalde in artikel 810a Rv. te benoemen alsmede een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW. Binnen het bestek van deze procedure is voor toewijzing van de verzoeken echter geen plaats, nu de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing heden reeds is verstreken.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M van Baardewijk, mr. A. van Haeringen en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 21 juli 2020 door de voorzitter in het openbaar uitgesproken.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733