Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep van pleegouders tegen afwijzing voorlopige omgang met minderjarige waarin het hof spoedeisend belang aanneemt maar het verzoek afwijst wegens complexiteit en nabijheid van de bodemzitting. Het hof benadrukt het belang van contact tussen minderjarige en voormalige pleegouders/hechtingsfiguren en uit scherpe kritiek op de opstelling van GI en moeder. Verzoek bijzondere curator in deze voorlopige voorziening wordt afgewezen. Beschikking wordt bekrachtigd.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 12-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.372.396/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Pleegzorg |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening leent zich vanwege complexiteit niet voor toewijzing. Hof onderstreept het belang van omgang van de minderjarige met haar voormalige pleegouders/hechtingsfiguren.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.372.396/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 608178)
beschikking van 29 september 2026
in de zaak van
1 [pleegvader] ,
2. [pleegmoeder] ,
samen te noemen: de pleegouders,
die wonen in [woonplaats1] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. M.B.R. Kranenburg te Veghel
en
[moeder] ,
die woont in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt te Lelystad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Midden-Nederland, locatie Lelystad.
1De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 1 mei 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 30 juli 2026;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de pleegouders van 31 augustus 2026 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 31 augustus 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de pleegouders van 9 september 2026.
De mondelinge behandeling heeft op 10 september 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de pleegouders met hun advocaat, de moeder met haar advocaat en twee vertegenwoordigers van de GI. Ter zitting heeft de advocaat van de pleegouders mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd.
Het hof heeft de GI aanvankelijk in deze procedure aangemerkt als informant. Naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling ziet het hof echter alsnog aanleiding om de GI op grond van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in deze procedure aan te merken als belanghebbende. De GI is immers direct betrokken bij een eventuele omgang tussen [minderjarige] en de pleegouders. Ter zitting heeft de GI inhoudelijk op alle standpunten kunnen reageren. Een afschrift van de beschikking en het opgevraagde proces-verbaal zal aan de GI worden gestuurd.
3De feiten
De moeder heeft een dochter, [minderjarige] . [minderjarige] is geboren [in] 2023. Op 31 oktober 2023 is zij onder toezicht gesteld van de GI en op 23 november 2023 is zij uit huis geplaatst bij de pleegouders.
Met ingang van 23 februari 2026 is [minderjarige] weer bij haar moeder gaan wonen. Eerst in [moeder-kindhuis] en sinds april 2026 in [ouder-kindhuis] . Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is duidelijk geworden dat zij inmiddels niet meer in het ouder-kindhuis verblijven.
4De omvang van het geschil
De pleegouders willen een omgangsregeling met [minderjarige] . Zij hebben de rechtbank gevraagd, in afwachting van de bodemprocedure, een voorlopige voorziening te treffen door een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. In de bestreden beschikking van 1 mei 2026 heeft de rechtbank de verzoeken van de pleegouders afgewezen.
De pleegouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij vragen het hof alsnog een omgangsregeling vast te stellen en een bijzondere curator voor [minderjarige] aan te stellen.
De moeder voert verweer. Zij stelt dat de pleegouders geen spoedeisend belang (meer) hebben, omdat al vóór het indienen van het beroepschrift duidelijk was wanneer de mondelinge behandeling in de bodemprocedure zou plaatsvinden, namelijk op
2 oktober 2026. De moeder is hiernaast van mening dat een omgangsregeling met de pleegouders niet in het belang van [minderjarige] is, onder andere door de verstoorde relatie tussen de moeder en de pleegouders. De moeder vraagt de pleegouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken, dan wel de verzoeken af te wijzen, en, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Voorlopige voorziening
Het hof is van oordeel dat er een voldoende spoedeisend belang is om een voorlopige zorgregeling te vragen, maar het hof zal het verzoek om een voorlopige omgangsregeling afwijzen. Het hof zal de beslissing hierna uitleggen.
Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat deze vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Deze bepaling is ook van toepassing in een verzoekschriftprocedure.
Een voorlopige voorziening is een tijdelijke beslissing, die slechts geldt voor de duur van de procedure. De verzoeker moet daarvoor onderbouwen dat hij een voldoende (dringend) belang heeft bij de door hem verzochte voorziening en dat van hem niet kan worden gevraagd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.
Het hof is van oordeel dat de pleegouders op zich een voldoende dringend belang hebben bij de verzochte voorziening. [minderjarige] was nog maar 1 maand oud toen ze bij de pleegouders kwam wonen en vervolgens waren zij voor een periode van 2 jaar en 3 maanden de opvoeders en hechtingsfiguren van [minderjarige] . Na de terugplaatsing bij de moeder heeft de GI nog maar één bezoekmoment voor [minderjarige] met haar hechtingsfiguren toegestaan. Dit is onbegrijpelijk, nog meer omdat er door de raad, (kinder)rechters in eerdere beslissingen én de GI zelf steeds is benadrukt hoe belangrijk het voor [minderjarige] is dat de pleegouders een rol blijven spelen in haar leven. Van de pleegouders, maar vooral ook van [minderjarige] , kan niet gevraagd worden dat de huidige situatie nog langer voortduurt.
Het hof ziet een GI die onvoldoende doet om het contact tussen [minderjarige] en haar pleegouders te herstellen. Er lijkt bij de GI een focus te liggen bij de betrokken volwassenen en hoe zij zich tot elkaar verhouden, terwijl het belang van [minderjarige] voorop dient te staan. De GI lijkt zich te laten sturen door de moeder en haar wensen, terwijl die op punten haaks lijken te staan op de belangen van [minderjarige] . De GI wijst daarbij naar de spanningen tussen de moeder en de pleegouders, maar kan niet vertellen welke hulp er is ingezet om de manier waarop de moeder die spanningen zegt te ervaren te veranderen. Ook zet het hof vraagtekens bij de houding van de moeder; ook moeder lijkt niet te kunnen of willen inzien hoe belangrijk de pleegouders voor [minderjarige] zijn. Daarnaast is er onduidelijkheid over de woonsituatie van de moeder. De GI heeft hier desgevraagd weinig over willen zeggen, nadat eerst de moeder ter zitting geweigerd had hier iets over te vertellen. De GI lijkt de moeder te volgen, zelfs wanneer zij expliciet het standpunt inneemt dat zij niet wil dat [minderjarige] nog contact heeft met haar hechtingsfiguren. Het ligt op de weg van de GI om het belang van [minderjarige] te bewaken en om daartoe onder andere de moeder de nodige informatie en hulp te bieden zodat zij het belang van [minderjarige] bij contact met haar pleegouders en ook haar pleegzusje, haar hechtingsfiguren, kan gaan inzien.
In de bodemprocedure is de (eerste) zitting bepaald op 2 oktober 2026, dus op zeer korte termijn. Deze zaak leent zich door de complexiteit, mede veroorzaakt door de huidige houding van de moeder en de opstelling van de GI, onvoldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening. Bovendien is goed in te denken dat er in de bodemprocedure een bijzondere curator voor [minderjarige] zal worden aangesteld en er mogelijk nader onderzoek komt naar welke hulpverlening voor de moeder nodig is om haar te helpen haar focus te verleggen naar het belang van [minderjarige] en om de moeder en de pleegouders te ondersteunen in het verbeteren van hun onderlinge relatie. Gelet hierop is het hof van oordeel dat deze voorlopige voorziening zich niet leent om een omgangsregeling te bepalen.
Ook is dit niet de procedure om een bijzonder curator te benoemen, omdat dit tot een aanhouding van de zaak en vertraging zou leiden, terwijl al op 2 oktober 2026 de zitting van de bodemprocedure zal zijn.
Het hof betreurt het dat deze beslissing tot gevolg heeft dat de pleegouders, én [minderjarige] , nu mogelijk nog langer moeten wachten om weer op structurele basis contact met elkaar te hebben. De pleegouders hebben zich steeds, wellicht niet altijd even handig, ingezet om de belangen van [minderjarige] te waarborgen. Het is te begrijpen dat het een teleurstelling moet zijn geweest dat hun pogingen om uiting te geven aan het steeds opnieuw onderstreepte belang van [minderjarige] , van het voortzetten van haar relatie met haar hechtingsfiguren, is opgevat als strijden en het veroorzaken van spanning.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 1 mei 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. van der Meulen, mr. K.A.M. van Os-ten Have en mr. A.P. de Jong-de Goede, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op
29 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
