Rechtbank Den Haag 01-09-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29096

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding waarin het pensioenverweer van de vrouw op grond van art. 1:153 lid 1 BW faalt wegens bestaand (bijzonder) partnerpensioen. Partneralimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan draagkracht man. Franse pensioenuitkeringen worden als pensioen aangemerkt en op grond van art. 1 lid 8 WVPS verevend; man betaalt de helft (ca. €616 netto p.m.) vanaf inschrijving echtscheiding. Waarde aandelen [bedrijfsnaam] wordt per 31-12-2021 op €43.465 gesteld; toedeling aan man met uitkering €21.732,50 aan vrouw. Verzoeken over inboedel afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Moet Frans pensioeninkomen man conform de WVPS worden verevend?
Pensioenverweer vrouw faalt wegens bestaand (bijzonder) partnerpensioen. De door de man in Frankrijk opgebouwde uitkering is geen staatspensioen. Franse pensioenuitkeringen slaan terug op arbeidsverleden in NL en moet verevend.

Datum publicatie09-10-2026
ZaaknummerC/09/690289 / FA RK 25-6254
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht; IPR pensioenverdeling bij scheiding;
Pensioen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding. Pensioenverweer (1:153 BW) faalt. Partneralimentatie afgewezen. Verdeling waarde aandelen. Pensioenverevening.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 25-6254 en FA RK 25-9436

Zaaknummers: C/09/690289 en C/09/696080

Datum beschikking: 1 september 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 18 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres in [land],

advocaat: mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers te Eindhoven.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland,

advocaat: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift met producties 1 t/m 3;

  • het bericht van 12 september 2025, met bijlagen, van de man;

  • het bericht van 25 september 2025, met bijlage, van de man;

  • het verweer met zelfstandige verzoeken van 7 november 2025, met producties 1 t/m 7, van de vrouw;

  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken van 4 december 2025, met producties 4 t/m 12 van de man;

  • het bericht van 20 mei 2026 van de man;

  • het bericht van 30 juni 2026 van de man;

  • de brief van 9 juli 2026, met producties 8 t/m 21, van de vrouw;

  • de brief van 10 juli 2026, met producties 13 t/m 20, van de man;

  • het bericht van 20 juli 2026 van de vrouw.

Op 21 juli 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man (via een videoverbinding) bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door haar advocaat. Door de advocaat van de man zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 1981 te [plaats].

  • Zij zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.

  • Blijkens de uittreksels uit de Basisregistratie personen (Brp) hebben de man en de vrouw allebei de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De man verzoekt de echtscheiding uit te spreken.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Hiernaast verzoekt de vrouw:

Primair:

1. het verzoek van de man tot echtscheiding af te wijzen;

Subsidiair:

2. de beslissing omtrent het verzoek van de man tot echtscheiding aan te houden totdat er een regeling is getroffen terzake het (nabestaanden)pensioen na echtscheiding voor de vrouw (art. 1:153 BW) ;

3. te bepalen dat de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand met een bedrag van € 3.000,- per maand dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage steeds vóór of uiterlijk op de eerste dag van de maand waarop deze betrekking heeft door de vrouw moet zijn ontvangen;

4. te bepalen dat de man binnen een maand na indiening van het verweerschrift een lijst bij de rechtbank dient in te dienen waarop is aangeven welke inboedelgoederen hij thans nog in zijn bezit heeft alsmede welke goederen hij sinds januari 2021 heeft verkocht en voor welke prijs alsmede welke goederen hij heeft weggeven;

5. te bepalen dat de man binnen een maand na indiening van het verweerschrift de jaarstukken van het bedrijf [bedrijfsnaam] bij de rechtbank dient in te dienen van 2020 tot en met september 2025 zodat kan worden bepaald wat de waarde van de aandelen is dan wel te bepalen dat de aandelen van het bedrijf in [bedrijfsnaam] aan de man worden toebedeeld onder de verplichting om wegens overbedeling aan de vrouw € 100.000,- netto te voldoen;

6. te bepalen dat de man maandelijks per vooruitbetaling voor de 1e van de maand met

ingang van 1 maart 2023, zijnde de dag dat de man zijn ouderdomspensioen is gaan ontvangen in Frankrijk, de helft van het door hem in Frankrijk opgebouwde

pensioen aan de vrouw dient over te maken en dit bedrag te begroten op € 2.500,- per maand dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek toepassen.

Ontvankelijkheid

De man is ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding, omdat aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding – in beginsel – als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

De vrouw voert echter een pensioenverweer. De rechtbank moet eerst beslissen op dit pensioenverweer, voordat eventueel de echtscheiding kan worden uitgesproken.

De rechtbank stelt voorop dat het pensioenverweer op grond van artikel 1:153 lid 1 BW uitsluitend ziet op (pensioen)uitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt, dus op nabestaandenpensioen en daarmee vergelijkbare uitkeringen. Het pensioenverweer gaat niet over ouderdomspensioen. Ouderdomspensioen kan immers worden verrekend of verevend op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

In artikel 1:153 lid 1 BW is het volgende bepaald: ‘Indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, kan deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten.’ In lid 2 is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien a) redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen, of b) indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere echtgenoot. Het is aan degene die het pensioenverweer voert – in dit geval de vrouw – om naast te stellen ook te bewijzen dat als gevolg van de echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan haar na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek tot echtscheiding heeft gedaan – in dit geval de man – zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken van Zwitserleven voldoende blijkt dat, bij (voor)overlijden van de man, de vrouw ook na echtscheiding als ex-echtgenoot aanspraak kan maken op partnerpensioen (bijzonder partnerpensioen). Hiermee is dus sprake van een pensioenvoorziening voor de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat haar vooruitzicht op deze uitkering zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen bij vooroverlijden van de man na echtscheiding. De rechtbank ziet op dit punt dus geen beletsel voor het uitspreken van de echtscheiding.

Hiernaast ontvangt de man ook (pensioen)uitkeringen in Frankrijk. Hoewel partijen twisten of hier sprake is van pensioen of een uitkering vergelijkbaar met de AOW-uitkeringen in Nederland, kan dat in het midden blijven voor wat betreft het pensioenverweer. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat in Frankrijk sprake is van een partnerpensioen voor de vrouw danwel een verloren raken of ernstig verminderen van aanspraken van de vrouw op de uitkeringen van de man na echtscheiding. In het pensioenoverzicht is daarover niets opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van een bestaand vooruitzicht op nabestaandenpensioen of een vergelijkbare uitkering dat verloren gaat of in ernstige mate vermindert door echtscheiding. Het beroep van de vrouw op artikel 1:153 lid 1 BW faalt op dit punt dus ook. Omdat het pensioenverweer gelet op het voorgaande niet slaagt, hoeft de rechtbank de verdere (subsidiaire) standpunten van de man – of het uitstellen van de echtscheiding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en of de vrouw een eigen voorziening kan treffen – niet te bespreken.

Gelet op het voorgaande kan de echtscheiding tussen partijen worden uitgesproken. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom toe. Het zelfstandige verzoek van de vrouw om de beslissing ten aanzien van de scheiding aan te houden wordt afgewezen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de vrouw – de onderhoudsgerechtigde – in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Samenleven als ware gehuwd?

Het meest verstrekkende verweer van de man is dat de vrouw samenwoont (met [naam]) als ware gehuwd, waardoor op het moment van inschrijven van de echtscheiding een einde komt aan de onderhoudsverplichting van de man. De vrouw heeft tijdens de zitting gemotiveerd betwist dat zij samenwoont als ware gehuwd. De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat sprake is van een samenleven zoals bedoeld in artikel 1:160 BW. Op geen enkele wijze is immers gebleken dat sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard, waarbij de vrouw en [naam] elkaar verzorgen, samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan dit verweer van de man.

Behoefte en behoeftigheid vrouw

De vrouw stelt op basis van het als productie 10 overgelegde overzicht van uitgaven dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 7.985,- per maand bedraagt.

De man heeft de gestelde behoefte gemotiveerd betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de hoogte van haar huwelijksgerelateerde behoefte onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, kan de vrouw niet volstaan met het overleggen van vijf foto’s en een behoeftelijst zonder onderliggende stukken. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval de precieze hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte en de vraag of het gezinsinkomen vanwege een driehoeksverhouding gedurende (een periode van) het huwelijk anders moet worden verdeeld dan tussen twee partijen in het midden kan blijven. De rechtbank is immers van oordeel dat wel duidelijk is geworden dat de vrouw in enige matig behoeftig is. Bovendien is – zoals hierna blijkt – de draagkracht van de man de beperkende factor bij het bepalen van de hoogte van partneralimentatie. De rechtbank heeft bij haar overweging ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw het volgende betrokken. Partijen zijn het erover eens dat zij het tijdens het huwelijk – onder meer door een aanzienlijke erfenis – financieel goed hadden en daardoor op een hoog welstandsniveau hebben geleefd. In 2021 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan. De vrouw is toen teruggekeerd naar Nederland. De man is in Frankrijk blijven wonen. In die periode heeft de man een overzicht gemaakt van de inkomsten en uitgaven. Dat overzicht is door de vrouw ingediend als productie 2. De rechtbank maakt uit dat overzicht op dat toen – in 2021 – sprake was van een inkomen van € 110.500,- op jaarbasis. Het inkomen van de vrouw bestaat op dit moment uit een AOW-uitkering van

€ 11.721,- bruto per jaar en € 8.841,- bruto per jaar uit het pensioen van de man bij Zwitserleven. Het huidige inkomen van de vrouw is aanzienlijk lager dan het inkomen dat partijen ten tijde van het feitelijk verbreken van de relatie – samen – tot hun beschikking hadden. De rechtbank neemt op grond van het voorgaande als uitgangspunt dat de vrouw onvoldoende inkomen heeft om volledig in haar huwelijksgerelateerde levensonderhoud te voorzien.

Draagkracht man

De rechtbank gaat er op basis van de stukken vanuit dat de man per maand het volgende netto inkomen ontvangt:

  • AOW € 851,54

  • pensioen Zwitserleven € 1.352,93

  • l’assurance retraite € 915,89

  • basispensioen CIPAV € 316,56 +

€ 3.436,92 netto

Hierbij geldt dat de vrouw al de helft van het Zwitserleven pensioen van de man ontvangt. Dat is (€ 1.352,93 / 2 =) € 676,47 per maand. Dit zal gelet op de pensioenverevening na de echtscheiding niet veranderen.

Het inkomen dat de man in Frankrijk ontvangt (l’assurance retraite en basispensioen CIPAV) moet – zoals hierna zal blijken – naar het oordeel van de rechtbank ook in het kader van verevening met de vrouw worden gedeeld. Dit betekent dat de man van die uitkeringen (€ 915,89 + € 316,56 / 2 =) € 616,23 aan de vrouw moet voldoen.

Gelet op het voorgaande resteert een inkomen voor de man van afgerond € 2.144,- netto per maand.

De rechtbank zal hiernaast geen rekening houden met inkomen of winst uit de onderneming [bedrijfsnaam]. De man is ernstig ziek en heeft de pensioengerechtigde leeftijd al bereikt. De rechtbank is van oordeel dat daarom van de man niet meer verlangd kan worden dat hij werkzaamheden verricht. Dat er in 2025 nog wel omzet is gegenereerd, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank gaat er vanuit dat de man in 2026 en daarna geen inkomsten meer zal genereren via zijn onderneming.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande de man geen draagkracht heeft om

partneralimentatie aan de vrouw te betalen. De man moet immers zijn pensioenuitkeringen al met de vrouw delen en hij moet uit zijn resterende inkomen van € 2.144,- netto per maand zijn eigen kosten van levensonderhoud betalen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot partneralimentatie daarom af.

Afwikkeling huwelijksvermogen

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek over de afwikkeling van het huwelijksvermogen.

Partijen hebben in de huwelijkse voorwaarden die zij op [datum 2] 1981 in Nederland zijn aangegaan een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht.

Tijdens het huwelijk – op 31 juli 2004 – hebben partijen bij een notaris in Frankrijk een aanvullende Franse overeenkomst opgesteld, waaruit volgt dat in afwijking van de nog steeds geldende Nederlandse huwelijkse voorwaarden, ten aanzien van de roerende en onroerende goederen die in Frankrijk verkregen zijn of verkregen zullen worden het ‘régime de la communauté universelle de biens’ volgens artikel 1526 Franse Code Civil zal gelden. De afwikkeling van de roerende en onroerende zaken in Frankrijk moet dus naar Frans recht plaatsvinden.

Inhoudelijke beoordeling

Partijen hebben voorafgaande aan het huwelijk huwelijkse voorwaarden opgesteld. In artikel 1 is opgenomen: ‘Tussen de echtgenoten zal generlei vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.’

Gelet op de aanvullende overeenkomst die partijen daarna in Frankrijk hebben gesloten, geldt voor de in Frankrijk verkregen goederen het ‘régime de la communauté universelle de biens’. Uit artikel 1526 Franse Code Civil volgt dat echtgenoten een gemeenschap van goederen kunnen afspreken voor, zowel huidige als toekomstige, roerende en onroerende zaken. Tot de gemeenschap behoren ook alle huidige en toekomstige schulden van de echtgenoten.

Peildatum

Partijen zijn het met elkaar eens om 21 november 2021 als peildatum te hanteren voor het afwikkelen van het resterende gemeenschappelijke vermogen in Frankrijk. Op dat moment is de vrouw terugverhuisd naar Nederland en hebben partijen in onderling overleg al enkele vermogensbestanddelen afgewikkeld en met elkaar verdeeld.

De verdeling

De vrouw verzoekt de rechtbank om een beslissing te nemen over de waarde van de aandelen in [bedrijfsnaam] (het makelaarskantoor in Frankrijk) en de inboedel in Frankrijk.

De man vindt dat er niet enkel een beslissing kan worden genomen over de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam] en de inboedel. Onderkend dient te worden dat er ook gemeenschappelijke schulden waren (die inmiddels door de man zijn afgelost). Indien de rechtbank een beslissing neemt over de afwikkeling moet dat ook meegewogen worden, aldus de man.

De rechtbank heeft onvoldoende informatie om een beslissing te nemen over de gestelde schulden, omdat een overzicht van de op peildatum bestaande (gemeenschappelijke) schulden ontbreekt. De rechtbank zal hierna wel een beslissing nemen over de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam] en de inboedel.

[bedrijfsnaam]

De rechtbank begrijpt uit de stukken dat de man in 2024 de aandelen van de vrouw heeft laten overzetten op zijn naam, zodat hij sindsdien 100% van de aandelen bezit. De waarde van de aandelen moeten partijen echter nog met elkaar verdelen.

De vrouw stelt dat de aandelen netto € 140.000,- waard zijn. De vrouw verwijst hierbij naar een e-mail van 31 januari 2023 van de man met het onderwerp ‘verkoop aandelen Sarl [bedrijfsnaam]’, waarin de man onder meer schrijft: “waardering voor de verkoop van aandelen is 176 465€. ik heb een en ander ook met mijn boekhouder doorgenomen, hij komt op hetzelfde uit, maar dan via een andere bereken methode. netto opbrengst zal minder zijn, schulden moeten betaald worden plus 10% courtage aan de agentschap. zeg maar tussen de 90 000 en 140 000 euro te verdelen onder ons 51/49.”

De man betwist dat die waarde als uitgangspunt moet worden genomen en stelt dat voor de waardering moet worden uitgegaan van het eigen vermogen van € 18.861,-. De man verwijst hierbij naar de waardering die de boekhouder op verzoek van de man in 2024 heeft gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de zitting hebben partijen aangegeven dat

21 november 2021 als peildatum moet worden gehanteerd voor het afwikkelen van het resterende gemeenschappelijke vermogen in Frankrijk. Gelet op die peildatum zal de rechtbank zowel voorbij gaan aan de door de vrouw gestelde waarde die in 2023 is berekend als aan de door de man gestelde waardering die in 2024 is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het bij de verdeling van de waarde van de aandelen in het kader van het afwikkelen van het huwelijksvermogen in dit geval redelijk om de intrinsieke waarde als aanknopingspunt te hanteren. De rechtbank gaat daarom uit van het eigen vermogen per

31 december 2021 zoals blijkt uit de jaarstukken 2021. De rechtbank is van oordeel dat het eigen vermogen op 31 december 2021 dicht genoeg bij de peildatum van 21 november 2021 ligt om als uitgangspunt te nemen. De waarde die de rechtbank in de verdeling betrekt bedraagt dan € 43.465,-. Uit hoofde van de ‘régime de la communauté universelle de biens’ zal deze waarde bij helfte dienen te worden verdeeld en niet naar rato van de verhouding van partijen in de aandelen. De rechtbank zal bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam] nog een bedrag van (€ 43.465,- / 2 =) € 21.732,50 aan de vrouw moet voldoen. De rechtbank deelt de aandelen toe aan de man, welke toedeling de man feitelijk al heeft uitgevoerd. Wat meer of anders is verzocht wordt afgewezen.

Inboedel

De rechtbank overweegt dat partijen allebei recht hebben op de helft van de inboedel. De rechtbank kan echter op basis van de stukken en wat er tijdens de zitting is besproken niet vaststellen waar de inboedel in Frankrijk uit bestond. Dat betekent dat de rechtbank ook niet kan vaststellen of de lijst die de vrouw als productie 21 heeft ingediend de helft van de inboedel betreft en aan de vrouw toekomt, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat de goederen op de lijst het overgrote deel van de inboedel betreft. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het verzoek van de vrouw onder 4, waarin zij verzoekt om een lijst van de inboedel die de man nog in zijn bezit heeft, toe te wijzen. Dat verzoek wijst de rechtbank af. Omdat de man onbetwist heeft aangegeven dat de goederen die de vrouw toekomen nog steeds voor haar opgeslagen staan en zij deze kan ophalen, geeft de rechtbank partijen in overweging om daar samen een afspraak voor te maken.

Pensioen

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek over de pensioenen.

De rechtbank overweegt dat artikel 10:51 BW bepaalt dat de vraag of een echtgenoot bij echtscheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Dat is in dit geval en zoals hiervoor overwogen het Nederlandse recht.

Hiernaast geldt dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) – en dus het Nederlandse recht – van toepassing is op pensioenrechten opgebouwd tijdens het huwelijk op grond van een Nederlandse pensioenregeling, ongeacht het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten.

Inhoudelijke beoordeling

Tussen partijen is niet in geschil dat het pensioen wat de man bij Zwitserleven heeft opgebouwd moet worden verevend. De man deelt dit pensioen ook al met de vrouw en zal dat blijven doen op grond van de verevening.

Het geschil gaat over de door de man in Frankrijk opgebouwde uitkering en de vraag of deze uitkering moet worden aangemerkt als pensioen of niet.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben de toepasselijkheid van de WVPS niet uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden. Verder is voor in het buitenland opgebouwd pensioen artikel 1 lid 8 WVPS relevant. Dat artikel luidt: ‘Indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is, is de wet voorts van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling die niet is een pensioenregeling als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid met dien verstande dat een recht op uitbetaling als bedoeld in artikel 2 slechts bestaat jegens de andere echtgenoot.’

De rechtbank is van oordeel dat de uitkering van de man niet kan worden gekwalificeerd als een regeling als bedoeld in artikel 1 lid 4, lid 5 of lid 6 van de WVPS en dat de uitkering moet worden aangemerkt al een pensioenregeling.

Uit de overgelegde producties blijkt dat de bedragen die de man in Frankrijk ontvangt zijn gebaseerd op zijn arbeidsverleden. Daarom gaat de rechtbank er vanuit dat dit pensioen en aanvullend pensioen betreft en niet een Frans Staatspensioen, zoals AOW. De rechtbank gaat hiermee dus voorbij aan het verweer van de man dat dit staatspensioen betreft wat vergelijkbaar is met de Nederlandse AOW en niet voor verevening, verdeling of verrekening in aanmerking komt. Dat blijkt immers niet uit de overgelegde stukken. Gelet op het voorgaande moet het Franse pensioeninkomen – net als het Nederlandse pensioen van Zwitserleven – conform de WVPS worden verevend. Uit artikel 1 lid 8 WVPS blijkt dat het recht op uitbetaling slechts bestaat jegens de andere echtgenoot (de man). De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom deels toewijzen. De vrouw heeft in haar verzoek het bedrag wat haar zou toekomen begroot op € 2.500,- per maand. Uit de stukken blijkt echter dat dit niet klopt. Het gaat om een bedrag van (€ 915,89 + € 316,56 / 2 =) € 616,23 per maand. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om de vrouw te volgen in de door haar genoemde ingangsdatum van 1 maart 2023. De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, maandelijks de helft van het aan hem uitbetaalde Franse pensioen aan de vrouw dient over te maken, begroot op afgerond € 616,- netto per maand.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum 1] 1981 te [plaats];

*

bepaalt dat de man in het kader van de verdeling van de waarde van de aandelen [bedrijfsnaam] een bedrag van (€ 43.465,- / 2 =) € 21.732,50 aan de vrouw moet voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, maandelijks de helft van het aan hem uitbetaalde Franse pensioen aan de vrouw dient over te maken, begroot op afgerond € 616,- netto per maand;

*

verklaart deze beslissing tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, C.L. Strop en M.E. Visser, rechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op

1 september 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733