Rechtbank Gelderland 03-03-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7758

Essentie (gemaakt door AI)

Kinderalimentatie. Wijziging wegens samengesteld gezin en toegenomen onderhoudsplichten. Ingangsdatum 11-09-2025. Behoefte kind bepaald via gemiddelde methode omdat ouders niet hebben samengeleefd. Draagkracht vader vastgesteld op fictief inkomen (€26.000 p.j.) gelet op inspanningsverplichting; NBI €3.309 en draagkracht €704. Schottenmethode toegepast; ideaal aandeel vervolgens naar rato verlaagd. Zorgkorting 5%. Bijdrage vader: €67,37 p.m. en per 01-01-2026 €70,47 p.m. Verzoeken voor het overige afgewezen. Proceskosten aangehouden.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Samengesteld gezin: alimentatierechter plaatst 'schotten' tussen gezinnen
Wijziging KAL om samengesteld gezin. Behoefte kind gemiddeld, omdat ouders niet hebben samengeleefd. Draagkracht vader op fictief inkomen vastgesteld. Schottenmethode: draagkrachtvergelijking om te komen tot 'ideale aandeel' per kind.

Datum publicatie08-10-2026
ZaaknummerC/05/430392 / FA RK 24-119
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Samengestelde gezinnen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kinderalimentatie. Schottenmethode samengesteld gezin.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/430392 / FA RK 24-119

Datum uitspraak: 3 maart 2026

beschikking kinderalimentatie

in de zaak van

[de moeder] (hierna: de moeder),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R.C.H. Bruinier te Ede

tegen

[de vader] (hierna: de vader),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.R.T. Tromp te Nijmegen.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop met betrekking tot de kinderalimentatie blijkt uit de volgende stukken:

- het zelfstandig verzoek van de vader van 6 maart 2024;

- de (tussen)beschikkingen van 4 april 2024 en 9 oktober 2024;

- het gewijzigde verzoek van de vader, ontvangen op 11 september 2025;

- de brief van mr. Bruinier, ontvangen op 15 september 2025;

- de brief van mr. Tromp, ontvangen op 16 september 2025;

- de brief van mr. Bruinier, ontvangen op 17 september 2025;

- de (tussen)beschikking van 2 oktober 2025;

- het verweerschrift van de moeder van 14 oktober 2025;

- de brief met de juiste bijlage 74 van mr. Bruinier, ontvangen op 14 januari 2026;

- de brief met bijlagen 76 t/m 91 van mr. Bruinier, ontvangen op 16 januari 2026;

- de brief met bijlagen 12 t/m 18 van mr. Tromp, ontvangen op 19 januari 2026;

- de brief van mr. Bruinier van 19 januari 2026;

- de brief met bijlagen 19 t/m 23 van mr. Tromp, ontvangen op 22 januari 2026.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van 29 januari 2026 zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.C.H. Bruinier;

- de vader, bijgestaan door mr. E.R.T. Tromp.

1.3.

Bij beschikkingen van 4 april 2024, 9 oktober 2024 en 2 oktober 2025 is het verzoek

van de vader over de kinderalimentatie aangehouden.

2De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ).

2.2.

[minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. In deze procedure moet nog een beslissing worden genomen over de (wijziging van de) hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De beslissingen op die punten zijn aangehouden tot 21 april 2026 pro forma.

2.3.

Op 28 september 2022 heeft de rechtbank beslist dat de vader een bedrag van € 150 per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, met ingang van [geboortedag] 2020.

2.4.

De vader is op 19 juni 2024 gehuwd met [persoon 1] . Zij zijn samen de ouders van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2022, en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag] 2025.

2.5.

[persoon 1] heeft ook nog drie kinderen uit een eerdere relatie: [meerderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008, [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , beiden geboren op [geboortedag] 2011.

3Het (gewijzigde) verzoek

3.1.

De vader verzoekt de kinderalimentatie te wijzigen en de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op € 25 per maand te stellen.

3.2.

De moeder voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek, dan wel tot afwijzing hiervan.

4De beoordeling

conclusie

4.1.

De rechtbank zal beslissen dat de vader vanaf 11 september 2025 een kinderalimentatie van € 67,37 per maand aan de moeder moet betalen en per 1 januari 2026

€ 70,47 per maand. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd.

reden voor de wijziging

4.2.

Tussen partijen staat ter discussie of zij eerder bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven ten gunste van [minderjarige 1] . De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 19 maart 2021 1 overwogen dat als partijen ten gunste van minderjarige kinderen zijn afgeweken, wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie op de voet van artikel 1:401 lid 5 BW in beginsel niet mogelijk is als die afwijking bewust heeft plaatsgevonden. Vervolgens geeft de Hoge Raad aan dat van dit uitgangspunt afgeweken kan worden indien de onderhoudsplichtige ouder ook onderhoudsverplichtingen heeft jegens andere kinderen, onder wie kinderen uit andere relaties.

De vader is gaan samenwonen met [persoon 1] en met haar gehuwd. Zij zijn ouders geworden van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , voor wie de vader onderhoudsplichtig is. Daarnaast is de vader sinds hij gehuwd is met [persoon 1] onderhoudsplichtig geworden voor [meerderjarige] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de vader inmiddels onderhoudsplichtig is voor 6 kinderen, een wijziging van omstandigheden is, die meebrengt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man nog langer aan de eerder vastgestelde bijdrage van € 150 zou worden gehouden.

ingangsdatum

4.3.

De wet 2 laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.

4.4.

De vader wil dat de nieuwe kinderalimentatie met terugwerkende kracht ingaat, en wel met ingang van de datum van zijn verzoek (6 maart 2024). De moeder vindt dat van terugwerkende kracht geen sprake kan zijn, omdat de vader zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en omdat de vader pas later, op 11 september 2025, zijn verzoek heeft geconcretiseerd.

4.5.

Hier hanteert de rechtbank 11 september 2025 als ingangsdatum, omdat de rechtbank vindt dat de moeder in ieder geval vanaf deze datum rekening had moeten houden met een lagere bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] . De vader heeft in deze procedure op 6 maart 2024 een zelfstandig verzoek gedaan om de kinderalimentatie te wijzigen naar nihil, dan wel naar een nog nader te verzoeken bijdrage. Hoewel de vader toen al heeft aangegeven dat hij samen was gaan wonen met [persoon 1] en samen met haar ouder was geworden van [minderjarige 2] , heeft de vader zijn verzoek in zijn brief van 11 september 2025 gewijzigd. De vader heeft op dat moment aangegeven dat hij inmiddels ook gehuwd is met [persoon 1] , waardoor hij onderhoudsplichtig is geworden voor zes kinderen. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn verzoek eerder te wijzigen en te concretiseren, zodat er ook eerder een mondelinge behandeling gepland had kunnen worden om de kinderalimentatie te bespreken. Dat de vader in de ogen van de moeder zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen invloed op de ingangsdatum, omdat dit ziet op de beoordeling van de behoefte van [minderjarige 1] , dan wel de draagkracht van de vader. Het standpunt van de moeder dat de kinderalimentatie pas kan ingaan met ingang van de datum van deze beschikking, volgt de rechtbank daarom niet.

behoefte van [minderjarige 1]

4.6.

Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Normaal gesproken hangt de hoogte van de behoefte af van het (voormalige) gezinsinkomen. In dit geval hebben de ouders echter aangegeven dat zij niet in gezinsverband met [minderjarige 1] hebben samengeleefd. In zulke gevallen bepaalt de rechtbank het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 1] door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordeelt de rechtbank de welstand die [minderjarige 1] bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als hij alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houdt de rechtbank geen rekening. Wel houdt de rechtbank rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), als de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als [minderjarige 1] bij hem of haar zou opgroeien. Voor de vader gaat het dus om een fictief bedrag (alsof [minderjarige 1] alleen bij hem zou opgroeien).

Inkomen van de vader

4.7.

Met betrekking tot het inkomen van de vader stelt de moeder dat de vader onvoldoende inkomensgegevens heeft overgelegd om zijn inkomen te onderbouwen. Dit leidt er volgens haar toe dat de huidige bijdrage niet gewijzigd kan worden. De moeder verwijst in dat kader naar een aantal uitspraken van de Hoge Raad 3 en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4. In deze zaken is – kort gezegd – overwogen dat wanneer een onderhoudsplichtige onvoldoende inzage geeft in zijn/haar inkomensgegevens, niet vastgesteld kan worden in hoeverre diegene draagkracht heeft. De rechter kan dan de draagkracht schatten of een verzoek tot wijziging van de alimentatie afwijzen. De moeder verwijst ook nog naar een uitspraak van het gerechtshof Den Bosch 5, waarin is overwogen dat (extra) gewicht toegekend kan worden aan het feit dat een onderhoudsplichtige waardevolle bezittingen heeft op het moment dat diegene onvoldoende inzage geeft in zijn/haar financiële gegevens. In die zaak had de man onvoldoende inzage gegeven in bijvoorbeeld de inkomsten uit verhuur. Ook had de man in die zaak twee stukken weidegrond en twee dure Porsches, terwijl hij dat aanvankelijk had tegengesproken.
De moeder vindt dat dit een vergelijkbare zaak is. De vader heeft zowel een vof ( [bedrijf 1] ) als een eenmanszaak ( [bedrijf 2] ). De moeder mist onder andere jaarrekeningen, prognoses, aanslagen omzetbelasting over de afgelopen jaren en een vennootschapsovereenkomst waaruit de winstdeling blijkt van de vof. Daarbij komt dat de vader over drie dure auto’s beschikt die de vader tijdens deze procedure gekocht heeft. Ook gaat de vader vaak op vakantie met zijn nieuwe gezin, gaan zij vaak dagjes uit en heeft hij vaak een etentje. Ten slotte betaalt de vader veel geld aan wegenbelasting, wat alleen reëel is bij een hoog inkomen.

4.8.

De vader vindt wel dat hij voldoende stukken heeft overgelegd om zijn inkomen te onderbouwen. Alle financiële gegevens die hij momenteel ter beschikking heeft, zijn in het geding gebracht. De vader is ook bereid om – als de beslissing opnieuw wordt aangehouden – over een aantal weken zijn gegevens over 2025 te overleggen. Verder benadrukt de vader dat jaarrekeningen niet aan de orde zijn, omdat hij een eenmanszaak en een vof heeft. Voor zover er jaarcijfers zijn, heeft de vader deze zelf opgemaakt en zijn de cijfers door een boekhouder gecontroleerd. De vader betwist dat hij over buitensporig veel kapitaal beschikt. Zo zijn de auto’s slechts deels door hem zelf gefinancierd. Ook geeft de vader niet veel uit aan vakanties.

4.9.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en bewijslast van het ontbreken van (voldoende) draagkracht in dit geval rust op de vader. De rechtbank vindt dat de vader hier in dit geval wel aan heeft voldaan. De vader heeft over de jaren 2022-2024 zowel de aangiften als aanslagen inkomstenbelasting overgelegd, en de aangiften omzetbelasting van beide ondernemingen. Hoewel de cijfers van de ondernemingen over 2025 nog ontbreken, heeft de vader aangegeven dat hij bereid is deze nog te overleggen zodra deze gereed zijn. Verder overweegt de rechtbank dat de vader niet wettelijk verplicht is om jaarrekeningen op te stellen zoals dat bij een BV of NV wel zo is. In dit geval heeft de vader eigen jaaroverzichten in het geding gebracht. Los van de vraag in hoeverre deze verifieerbaar zijn, kan de vader niet worden tegengeworpen dat hij niet aan zijn stelplicht en bewijslast heeft voldaan. De uitspraken waarnaar de moeder heeft verwezen zien op situaties die naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vergelijkbaar zijn. Wat betreft de stelling van de moeder dat de vader over voldoende draagkracht beschikt, gelet op zijn uitgavenpatroon en bezittingen, volgt de rechtbank deze niet. Het staat vast dat de vader – samen met [persoon 1] en zijn compagnon – over een aantal auto’s beschikt. Ook is de vader het afgelopen jaar een aantal keer een dagje uit geweest met zijn gezin en is hij op vakantie geweest. Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de vader over dusdanig vermogen beschikt dat aangenomen moet worden dat de vader in het kader van de behoefteberekening over een hoger netto besteedbaar inkomen beschikt.

4.10.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank wat betreft de behoefte van [minderjarige 1] uit van de feitelijke, gemiddelde winst uit de vof van de vader over 2022-2024 van € 14.691,66 per jaar. De vader geniet geen inkomen uit de eenmanszaak. Dit maakt dat de vader, rekening houdend met de (fictieve) inkomensafhankelijke combinatiekorting, kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop, een netto besteedbaar inkomen (NBI) heeft van € 1.670 per maand. Het eigen aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] is dan € 200 per maand.

Inkomen van de moeder

4.11.

Het inkomen van de moeder bepaalt de rechtbank aan de hand van de door haar overgelegde loonstrook over december 2025. Hieruit blijk dat de moeder over heel 2025

€ 45.339,76 heeft verdiend. Verder houdt de rechtbank dus rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en een alleenstaande ouderkop. Het NBI van de moeder is dan € 3.676 per maand en het eigen aandeel in de kosten van [minderjarige 1] is € 493 per maand.

Conclusie

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat het gemiddelde van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 1] € 346 per maand bedraagt. 6 Dit is dus de behoefte van [minderjarige 1] .

behoefte van de andere kinderen

4.13.

Omdat hier sprake is van een samengesteld gezin aan de kant van de vader, moet de rechtbank ook rekening houden met de behoefte van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [meerderjarige] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Op die manier kan de rechtbank berekenen in welke verhouding de vader zijn draagkracht moet verdelen over de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is.

4.14.

De behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt vastgesteld aan de hand van de inkomens van de vader en [persoon 1] . De rechtbank rekent wat betreft de vader met dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefte van [minderjarige 1] . Het NBI van de vader is dan € 1.178 per maand. Bij [persoon 1] gaat de rechtbank uit van de door de vader overgelegde loonstrook over december 2025. Hieruit blijkt dat [persoon 1] over 2025 € 28.320,02 heeft verdiend (bruto). Het NBI is dan € 2.209 per maand. Verder rekent de rechtbank met een kindgebonden budget (voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) van € 410 per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is daarmee € 3.797 per maand.

4.15.

Nu de rechtbank weet wat de vader en [persoon 1] te besteden hebben voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van € 3.797 per maand, gemiddeld € 857 per maand uitgaven voor hun kinderen in 2025, dus per kind € 429 per maand. 7

4.16.

Wat de behoefte van [meerderjarige] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] betreft blijkt uit de door de vader overgelegde beschikking van 6 juni 2016 dat deze in 2016 in totaal € 594 per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 790 per maand. De rechtbank zal hiervan uitgaan.

draagkracht van de ouders

4.17.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien 8.

4.18.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit:

70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].

4.19.

Ook de inkomens van [persoon 1] en haar ex-partner, [persoon 2] , zijn van belang. Deze hebben namelijk invloed op de vraag in hoeverre de vader zijn draagkracht over de kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is moet verdelen.

draagkracht van de vader

4.20.

Voor het bepalen van de draagkracht van de vader rekent de rechtbank met een fictief inkomen van € 26.000 per jaar. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom.

4.21.

Bij de vaststelling van de draagkracht kan de rechtbank rekening houden met het inkomen dat de onderhoudsplichtige redelijkerwijs kan gaan verdienen, bijvoorbeeld door ander werk te zoeken of in loondienst te treden. De vader genereert op dit moment alleen inkomsten uit een vof met een gemiddelde winst van € 14.691,66 per jaar. In 2024 bedroeg de winst uit onderneming zelfs € 5.304. De vader is onderhoudsplichtig voor zes kinderen en op hem rust een inspanningsverplichting om zoveel mogelijk in de behoefte van deze kinderen te voorzien. Het huidige (gemiddelde) inkomen van de vader is hiervoor duidelijk onvoldoende. De rechtbank vindt het daarom in dit geval redelijk, zeker nu de moeder betwist dat de vader niet meer kan voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] , om uit te gaan van een hoger inkomen. Van de vader mag namelijk worden verwacht dat hij zijn inkomen verhoogt door bijvoorbeeld ander werk te zoeken of door in loondienst te gaan werken. Niet is gebleken dat er sprake is van omstandigheden die dit belemmeren. De rechtbank schat in, op basis van het werk dat de vader verricht, dat de vader jaarlijks in ieder geval € 26.000 kan verdienen als hij in loondienst zou werken.

4.22.

De rechtbank rekent dus met dit inkomen, met dien verstande dat de rechtbank er ook van uit gaat dat de vader in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Daarnaast rekent de rechtbank met een kindgebonden budget op basis van het (fictieve) verzamelinkomen van de vader en [persoon 1] . Het NBI is dan € 3.309 per maand. 9

4.23.

Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vader een draagkracht van € 704 per maand.

draagkracht van de moeder

4.24.

Voor het bepalen van de draagkracht van de moeder rekent de rechtbank op basis van dezelfde gegevens als bij de berekening van de behoefte van [minderjarige 1] . Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Het NBI is dan € 3.676 per maand. 10

4.25.

Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de moeder een draagkracht van € 884 per maand.

draagkracht van [persoon 1]

4.26.

Voor het bepalen van de draagkracht van [persoon 1] gaat de rechtbank ook uit van dezelfde gegevens als bij de berekening van de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Het NBI is dan € 2.209 per maand. 11

4.27.

Volgens de hiervoor vermelde methode heeft [persoon 1] een draagkracht van € 165 per maand.

draagkracht van [persoon 2]

4.28.

Uit de door de vader overgelegde beschikking van 6 juni 2016 blijkt dat de rechtbank destijds heeft gerekend met een draagkracht van € 323 per maand. Bij gebrek aan huidige inkomensgegevens, gaat de rechtbank uit van een geïndexeerde draagkracht van € 430 per maand.

verdeling kosten

4.29.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

4.30.

Omdat hier aan de kant van de vader sprake is van een samengesteld gezin, zal de rechtbank eerst een draagkrachtvergelijking maken tussen de onderhoudsplichtigen per kind.

In die draagkrachtvergelijking neemt de rechtbank steeds de volledige draagkracht van iedere onderhoudsplichtige in aanmerking, waarbij in eerste instantie wordt genegeerd dat diegene onderhoudsplichten tegenover andere kinderen heeft. Er worden op die manier als het ware 'schotten' geplaatst tussen de verschillende gezinnen. Met die draagkrachtvergelijking stelt de rechtbank vast wat de vader per kind idealiter zou moeten betalen (het 'ideale aandeel'). Vervolgens stelt de rechtbank die ideale aandelen voor alle kinderen voor wie de vader onderhoudsplichtig is bij elkaar op en stelt de rechtbank vast of dat uit de draagkracht van de vader kan worden betaald.

Ideale aandeel in behoefte [minderjarige 1]

4.31.

De vader en de moeder hebben samen een draagkracht van € 1.588 per maand en de behoefte van [minderjarige 1] is € 346 per maand. Dit betekent dat het ideale aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] (704 / 1.588 x 346 =) € 153,39 per maand bedraagt.

Ideale aandeel in behoefte [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

4.32.

De vader en [persoon 1] hebben samen een draagkracht van € 869 per maand en de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is in totaal € 857 per maand. Dit betekent dat het ideale aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (704 / 869 x 857 =) € 694,28 per maand bedraagt.

Ideale aandeel in behoefte [meerderjarige] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5]

4.33.

De vader, [persoon 1] en [persoon 2] hebben samen een draagkracht van € 1.299 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [meerderjarige] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te betalen, want die zijn in totaal € 790 per maand. Dit betekent dat het ideale aandeel van de vader in de kosten van [meerderjarige] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (704 / 1.299 x 790 =) € 428,14 per maand bedraagt.

Conclusie

4.34.

Gelet op het voorgaande kan de vader in het ideale geval (153,39 + 694,28 + 428,14 =) € 1.275,81 per maand betalen voor alle kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Dit past echter niet in de draagkracht van de vader, want die is € 704 per maand. Dit betekent dat de draagkracht van de vader verdeeld moet worden naar rato van de ideale aandelen. De vader kan slechts (704 / 1.275,81 * 100% =) voor 55,2% aan zijn onderhoudsverplichting voldoen. Voor dit percentage kan de vader dus ook in het ideale aandeel van [minderjarige 1] bijdragen:
55,2% x 153,39 = € 84,67 per maand.

zorgkorting

4.35.

De vader maakt op de dagen dat [minderjarige 1] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de vader – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van [minderjarige 1] staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.

4.36.

Op dit moment geldt een voorlopige zorgregeling op basis waarvan [minderjarige 1] minimaal twee uur per week bij de vader verblijft. Daarbij past een zorgkorting van 5% van de behoefte van [minderjarige 1] , dus € 17,30 per maand. Dat betekent dat de vader een bedrag van (84,67 -/- 17,30 =) € 67,37 per maand moet betalen.

indexering

4.37.

Omdat voormelde bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2026 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4,6%.

alimentatie vooruitbetalen

4.38.

De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Proceskosten

4.39.

De moeder heeft in haar brief van 16 januari 2026 een verzoek gedaan om de vader te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank begrijpt dit verzoek zo, dat de moeder dit verzoek alleen doet in het kader van de kinderalimentatie. Omdat de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie een deelbeslissing betreft in deze procedure – over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling moet namelijk nog worden beslist – betreft dit een tussenbeschikking. Een beslissing over proceskosten kan alleen in een eindbeschikking worden genomen. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing op het verzoek over de proceskosten aanhoudt tot 21 april 2026 pro forma (tot die datum zijn eerder ook de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aangehouden).

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 28 september 2022, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 11 september 2025 € 67,37 per maand bedraagt en vanaf 1 januari 2026 € 70,47 per maand;

5.2.

bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie voor het overige af;

5.5.

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot 21 april 2026 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. van Apeldoorn, rechter, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Bijlage 1: de behoefte van [minderjarige 1]

[Afbeelding geanonimeseerd]

[Afbeelding geanonimiseerd]

[Afbeelding geanonimiseerd]

Bijlage 2: de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

[Afbeelding geanonimiseerd]

[Afbeelding geanonimiseerd]

[Afbeelding geanonimiseerd]

Bijlage 3: draagkracht van de vader

[Afbeelding geanonimiseerd]

Bijlage 4: draagkracht van de moeder

[Afbeelding geanonimiseerd]

Bijlage 5: draagkracht van [persoon 1]

[Afbeelding geanonimiseerd]

6

Bijlage 1: de behoefte van [minderjarige 1]

7

Bijlage 2: de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

9

Bijlage 3: draagkracht van de vader.

10

Bijlage 4: draagkracht van de moeder.

11

Bijlage 5: draagkracht van [persoon 1] .



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733