Essentie (gemaakt door AI)
Verlenging machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 15 november 2026 toegewezen en beslissing voor het overige aangehouden tot een nadere zitting. De kinderrechter overweegt dat verlenging noodzakelijk is gezien het perspectief bij pleegouders en lopend raadsonderzoek naar gezagsbeëindiging. Belang van informatievoorziening aan ouders weegt zwaar; de advocaat moet vrijelijk met cliënt kunnen spreken. Niet de woongroep, maar cliënt beslist met de advocaat over zittingsdeelname. Uitvoerbaar bij voorraad verklaard.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 08-10-2026 |
| Zaaknummer | C/05/471481 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Zutphen |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW; Familieprocesrecht; Hoor en wederhoor |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Aanhouding beslissing. Een advocaat moet de gelegenheid hebben om de dossierstukken met zijn of haar cliënt te bespreken. Niet de leiding van de woongroep, maar de cliënt zelf beslist samen met de advocaat of hij of zij naar de zitting komt.Volledige uitspraak
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/471481 / ZJ RK 26-732
Datum uitspraak: 17 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Groningen,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R.M. Bissumbhar uit Barneveld,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 augustus 2026;
-
de pleitnota van mr. Bissumbhar, overhandigd tijdens de zitting.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de advocaat van de moeder;
-
de pleegouders (deelgenomen via een Teams-verbinding);
- twee vertegenwoordigers van de GI (deelgenomen via een Teams-verbinding).
De vader is niet verschenen tijdens de zitting.
Voorafgaand aan de zitting heeft de advocaat van de moeder de rechtbank verzocht om de zitting te verplaatsen in verband met ziekte van de moeder. De rechtbank heeft het verzoek niet ingewilligd, omdat het niet mogelijk was om de zaak voor afloop van de termijn van de ondertoezichtstelling opnieuw op zitting te plannen. Aan de moeder is de mogelijkheid geboden om digitaal aan te sluiten. De advocaat heeft laten weten dat dit geen oplossing bood in dit specifieke geval, omdat de moeder medisch niet in staat was om digitaal deel te nemen.
2De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 april 2027.
Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 2 oktober 2026. Het overige deel van het verzoek heeft de kinderrechter afgewezen.
3Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Tijdens de zitting handhaaft de GI het verzoek. In juni 2026 heeft de GI een perspectiefbesluit genomen. Dit besluit houdt in dat [minderjarige] niet bij de ouders kan opgroeien; er wordt niet gewerkt aan een thuisplaatsing van [minderjarige] . Naast dit perspectiefbesluit heeft de GI in juli 2026 een verzoek tot raadsonderzoek naar een gezagsbeëindiging ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad). Met dit onderzoek wil de GI duidelijkheid bieden aan zowel [minderjarige] als de ouders over de rol van de ouders in het leven van [minderjarige] . De persoonlijke problematiek van de ouders brengt met zich dat zij gebaat zijn bij duidelijkheid en voorspelbaarheid. De Raad heeft nog niet gereageerd op dit verzoek van de GI. Verder vermeldt de zittingsvertegenwoordiger tijdens de zitting dat uit de stukken blijkt dat de ouders zijn meegenomen in het voorliggende verzoek en dat zij instemmen met het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] .
4Het standpunt van de moeder
Primair verzoekt de advocaat van de moeder de beslissing op het verzoek aan te houden en een nieuwe zitting te plannen voor 1 oktober 2026. Subsidiair pleit de advocaat om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van één maand en de beslissing op het overige deel aan te houden tot een nader te bepalen zitting.
De advocaat van de moeder brengt naar voren dat de moeder graag aanwezig wilde zijn bij de zitting, maar door ziekte is verhinderd. De advocaat is door de groepsleiding geïnformeerd dat de moeder niet naar de zitting zou willen komen. Dit kan de advocaat niet rijmen met het telefoongesprek dat de advocaat zelf met de moeder heeft gevoerd kort voordat deze mededeling werd gedaan. Al eerder heeft de advocaat ervaren dat zij moeilijk in contact kan komen met de moeder door de wijze waarop de woongroep met de gehele situatie omgaat. De advocaat vertelt tijdens de zitting in persoon te zijn geïntimideerd. De advocaat werd erop gewezen dat een gesprek met de moeder enkel en alleen in het bijzijn van een begeleider van de woongroep gevoerd kan worden. Daarbij zou ook de opmerking zijn gemaakt ‘dat het toch allemaal geen zin heeft’. De advocaat vindt de gang van zaken een schending van het recht van de moeder om goed ingelicht te worden over het verzoek door haar advocaat. Omdat de advocaat belemmerd is in het contact met de moeder, heeft zij het verzoek dan ook niet met de moeder kunnen bespreken. De persoonlijk problematiek van de moeder vraagt wel om een goede uitleg. Om deze reden vindt de advocaat een aanhouding van de zaak op zijn plaats. Verder voert de advocaat aan dat het verzoekschrift feitelijke onjuistheden bevat. Tot slot vindt de advocaat het opmerkelijk dat tussen het genomen perspectiefbesluit en het indienen van het verzoekschrift een periode van tien weken zit.
5Het standpunt van de pleegouders
De pleegouders zijn het eens met het verzoek van de GI. De pleegouders hebben goed contact met de GI, de ouders en ook de zus van [minderjarige] . Ook de pleegouders vinden het belangrijk dat duidelijkheid wordt verkregen voor alle partijen. Deze duidelijkheid kan worden verkregen door het verzoek toe te wijzen. Naar de mening van de pleegouders zou dit ook kunnen. Het opnieuw plannen van een zitting zou ook belastend werken voor de ouders.
6De beoordeling
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 15 november 2026. De beslissing op het overige deel van het verzoek houdt de kinderrechter aan tot een nader te bepalen zitting in oktober of de eerste helft van november 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom hij deze beslissing neemt.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
1 De ouders zijn vanuit hun eigen problematiek nu niet in staat om [minderjarige] een veilige opvoedomgeving te bieden. De GI is tot de conclusie gekomen dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt en heeft bij de Raad een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel aangevraagd. In de tussentijd is het noodzakelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing doorloopt, om het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin te continueren. Om deze reden wijst de kinderrechter het verzoek (gedeeltelijk) toe. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor slechts een korte periode en de beslissing voor het overige aan te houden. Daarover het volgende.
Het is van groot belang dat de ouders een rol blijven spelen in het leven van [minderjarige] . Hiervoor is het noodzakelijk dat de ouders worden ingelicht over verzoeken van de GI en de juridische gevolgen hiervan. De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting voldoende naar voren gebracht dat het haar door de leiding van de woongroep van de moeder onmogelijk werd gemaakt om vrijelijk met haar cliënte te spreken. De kinderrechter keurt die gang van zaken af. Het staat buiten kijf dat een advocaat in de gelegenheid moet worden gesteld om met zijn of haar cliënt contact te hebben om de dossierstukken te bespreken. Niet de leiding van de woongroep, maar de cliënt zelf beslist samen met de advocaat of hij of zij naar de zitting komt. Dit kan anders zijn als het welzijn van de cliënt ernstig in het geding is, maar dan dient dit verschil van inzicht van tevoren tussen de advocaat en de leiding van de woongroep te worden besproken.
Door middel van het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een maand wordt de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin gewaarborgd en wordt aan de moeder (en de vader) gelegenheid geboden om zich te laten informeren over het verzoek. De kinderrechter vertrouwt erop dat de advocaat voor de vervolgzitting voldoende in contact kan komen met haar cliënte.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 november 2026;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing op het overige deel van het verzoek aan tot een nader te bepalen zitting vóór 15 november 2026 (bij voorkeur) van mr. G. Hilberink.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. G. Hilberink, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E. Zeka als griffier, en op schrift gesteld op 6 oktober 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
