Essentie (gemaakt door AI)
Partijen kopen tijdens affectieve relatie een woning en sluiten bij uiteengaan een beëindigingsovereenkomst waarin toedeling aan man, ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid en een vaste overwaarde-uitkering aan vrouw is afgesproken. Vrouw vordert verkoop met dwangsom, gebruiksvergoeding en schade wegens gemist belastingvoordeel. Geoordeeld wordt dat de overeenkomst een onvoorwaardelijke verdeling inhoudt; verkoop is niet aan de orde. Gebruiksvergoeding en belastingvordering worden afgewezen. Vrouw wordt in proceskosten veroordeeld.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 08-10-2026 |
| Zaaknummer | C/03/342940 / HA ZA 25-274 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Tijdens affectieve relatie is een woning gekocht. Bij het einde van de relatie is een beëindigingsovereenkomst gesloten met daarin afspraken over de verdeling. Deze zijn niet volledig nagekomen, waarna een van de partijen verkoop van de woning vordert. Vordering wordt afgewezen omdat de woning al is verdeeld althans dat het niet redelijk zou zijn om nu verdeling middels verkoop te vorderen.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/342940 / HA ZA 25-274
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. M.M. van Tol,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. M. van Riet.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 11 juni 2026 met producties van [gedaagde partij] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 juni 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. In dat kader zijn zij op 8 juli 1996 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Zij hebben in 2001 samen de woning aan [adres] (hierna: ‘de woning’) gekocht en geleverd gekregen.
De affectieve relatie is in 2011 geëindigd. In verband daarmee hebben partijen op
10 april 2012 een zogenoemde beëindigingsovereenkomst gesloten
1. Daarin staat over de woning het volgende:
‘De man
2 en de vrouw
3 zijn gezamenlijk eigenaar van het registergoed kadastraal békend [kadastrale aanduiding] , plaatselijk bekend als [adres] . Dit registergoed werd hun eigendom door levering aan hen samen ieder voor een onverdeeld gelijk gedeelte. De eigendomsakte is bijgevoegd als bijlage 3.
Aan de verwerving van het registergoed is met eigen geld bijgedragen door de man voor € 15.909,-. De man ziet af van verrekening van deze inbreng.
De man en de vrouw hebben een geldlening (A), waarvoor het registergoed als voormeld met hypotheek werd bezwaard en waarvoor de man en de vrouw samen, voor gelijke delen, en jegens de bank hoofdelijk aansprakelijk zijn. De leenschuld bedraagt thans in hoofdsom € 299.995,-. De rente is in het verleden door de man en de vrouw samen voldaan, uit het beschikbare inkomen, als kosten van de huishouding. Op de lening is afgelost middels een spaarpolis. De hypotheekakte is bijgevoegd als bijlage 4.
Aan de woning is een spaarverzekering Interpolis [kenmerk] verpand. De waarde bedraagt per 24 februari 2012
€ 74.744,- Ten behoeve van de betaling van de premie van de spaarverzekering is een premiedepot geopend. De waarde bedraagt per 24 februari 2012 € 6.941,-.
De man en de vrouw hebben ieder voor gelijke delen een tweede hypotheek (B) gegeven en pandrechten verleend aan de Rabobank op 31 maart 2008 op de echtelijke
4 woning ten behoeve van een geldlening van Capital Matters ten belope van € 300.000,- vermeerderd met kosten ad € 105.000,-.
De man en de vrouw hebben de waarde van de woning in het economisch verkeer in onderling overleg vastgesteld op € 410.750,-.
De man zal uiterlijk binnen 3 jaar na ondertekening van onderhavige beëindigingsovereenkomst de woning van de vrouw overnemen en zal haar ontslaan uit iedere verplichting van hypothecaire geldlening (A). De vrouw en de man zullen de eigendomsakte en de hypotheekakte op naam laten stellen van de man, waarbij de vrouw uit haar hoofdelijkheid wordt ontslagen. De kosten van de notariële akte voor de wijziging van de eigendom van de huidige woning aan de man worden gedragen door de man.
De man zal uiterlijk binnen 3 jaar na ondertekening van onderhavige beëindigingsovereenkomst de vrouw ontslaan uit iedere verplichting van hypothecaire geldlening (B).
Indien de man na ommekomst van de termijn van 3 jaar niet in staat is de eigendom van de woning over te nemen en de vrouw te ontslaan uit de verplichtingen van de hypothecaire geldlening (A) zal de woning worden verkocht, tenzij de man en de vrouw in onderling overleg tot nadere afspraken komen omdat overname van de woning door de man binnen afzienbare termijn mogelijk is.
De man vrijwaart de vrouw voor alle aanspraken die voortvloeien uit de verplichtingen van de hypothecaire
geldleningen A en B.
De man zal de vrouw binnen 3 jaar na ondertekening van deze beëindigingsovereenkomst, of zoveel eerder als hij de beschikking heeft over het geldbedrag, 50% van de overwaarde betalen. De vrouw ontvangt derhalve
€ 96.220,-. De man betaalt dit bedrag ineens of zoveel eerder in delen als hij er de beschikking over heeft. De vrouw ziet af van een rentevordering op dit bedrag.’
Na het verbreken van de affectieve relatie is [gedaagde partij] in woning blijven wonen. Hij heeft binnen de overeengekomen termijn van drie jaren [eisende partij] niet doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schulden. Ook heeft hij binnen die termijn niet de overeengekomen overwaarde-uitkering van € 96.220,00 aan [eisende partij] betaald. Deze betaling heeft hij alsnog in de periode van juli 2016 tot en met februari 2021 in delen verricht.
Vanaf in ieder geval eind 2022 zijn partijen in overleg getreden over de verkoop van de woning of de overdracht van het aandeel van [eisende partij] aan [gedaagde partij] , daarbij op enig moment bijgestaan door advocaten. Er is geen overeenstemming bereikt.
3Het geschil
[eisende partij] vordert - samengevat – dat de rechtbank [gedaagde partij] veroordeelt om:
- op straffe van een dwangsom mee te werken aan de verkoop en levering van de woning, bij gebreke waarvan het vonnis deels in de plaats treedt van die medewerking,
- aan [eisende partij] met ingang van 11 april 2015 een gebruiksvergoeding van € 373,10 per maand te betalen in verband met het gebruik door [gedaagde partij] van de woning,
- aan [eisende partij] € 13.000,00 te betalen uit hoofde van gemist belastingvoordeel, te vermeerderen met wettelijke rente,
met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
[gedaagde partij] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Verkoop woning
Aan de vordering die er toe strekt dat de woning wordt verkocht en, hoewel dat niet in het petitum staat, de overwaarde wordt verdeeld, legt [eisende partij] het standpunt ten grondslag dat er nog geen verdeling van de woning heeft plaatsgevonden. Zij stelt dat de beëindigingsovereenkomst een verdeling van de woning onder opschortende voorwaarden behelst en dat aan de opschortende voorwaarden niet is voldaan. Als voorwaarden noemt [eisende partij] dat [gedaagde partij] binnen drie jaar:
- de woning zou overnemen,
- [eisende partij] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire leningen zou ontslaan,
- de overwaarde-uitkering van € 96.220,00 zou voldoen.
Het niet voldaan zijn aan deze voorwaarden betekent volgens [eisende partij] dat de afspraak tussen partijen over toebedeling van de woning aan [gedaagde partij] tegen een waarde van
€ 410.750,00 niet tot stand is gekomen en er tussen partijen dus geen overeenkomst tot verdeling tot stand is gekomen. De eenvoudige gemeenschap waartoe de woning behoort is daarom onverdeeld gebleven, aldus [eisende partij] . Omdat zij niet gehouden is in een onverdeeldheid te blijven, wenst zij dat de verdeling nu plaatsvindt, en wel door verkoop van de woning.
[gedaagde partij] stelt dat de woning middels de afspraken in de beëindigingsovereenkomst al is verdeeld, zodat verdeling door verkoop of anderszins niet meer aan de orde is. De overdracht van het aandeel van [eisende partij] in de woning moet nog wel geregeld worden, net als het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, maar dat is nog niet gebeurd omdat [eisende partij] haar medewerking weigert aan die overdracht (althans eist dat zij daarbij een aanvullende betaling ontvangt van eerst € 10.000,00 en inmiddels € 75.000,00), terwijl de financierende bank het akkoord van [eisende partij] als voorwaarde stelt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Partijen hebben duidelijk de bedoeling gehad om in de beëindigingsovereenkomst afspraken te maken over de verdeling van de woning, waarbij de toedeling aan [gedaagde partij] de insteek was. In die overeenkomst is in dat kader vastgelegd dat [gedaagde partij] de woning binnen drie jaar zal overnemen – waarmee klaarblijkelijk bedoeld wordt dat [gedaagde partij] het aandeel van [eisende partij] in de woning zal overnemen – en [eisende partij] binnen die periode zal laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Tegelijkertijd is ook bepaald welk bedrag [eisende partij] toekomt op grond van de overbedeling van [gedaagde partij] en dat [gedaagde partij] gehouden is dat bedrag te betalen. Er staat ook in de beëindigingsovereenkomst dat als [gedaagde partij] er niet in slaagt [eisende partij] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, de woning dan verkocht zal worden. Wat er niet staat is dat in dat geval de aanspraak van [eisende partij] op de overwaarde wijzigt. Er zijn ook geen aanwijzingen dat dit bedoeld is. Daarbij staat voorop dat daarin niet is voorzien in de, verder gedetailleerd uitgewerkte, overeenkomst. Verder geldt dat er ook een zelfstandig ander belang aanwezig was voor [eisende partij] om te komen tot verkoop als [gedaagde partij] de overname van haar aandeel niet kon regelen. Daarmee zou zij immers alsnog worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, ervan uitgaande dat een verkoopprijs zou volstaan om de resterende schuld af te betalen. Verder wijst de rechtbank erop dat [eisende partij] kennelijk (en vermoedelijk terecht) aanneemt dat een overwaarde berekend per heden hoger is dan de in de beëindigingsovereenkomst genoemde overwaarde, maar dat niet kan worden aangenomen dat dit in 2012 ook zo werd voorzien. Het betrof de periode van de kredietcrisis, met (anders dan daarna en nu) een gemiddelde daling van de woningprijzen tot gevolg. Anders gezegd: het is goed voorstelbaar dat het anno 2012 verstandig voorkwam om de aanspraak op de overwaarde vast te leggen en dat juist niet afhankelijk te laten zijn van het al dan niet door [gedaagde partij] (kunnen) nakomen van de afspraken. De rechtbank concludeert dan ook dat [eisende partij] ook bij verkoop van de woning geen aanvullende aanspraak op de (over)waarde op de woning toekomt. Dat [gedaagde partij] zich in ieder geval in eerste instantie niet heeft gehouden aan de afspraak om binnen drie jaar te betalen en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te regelen, maakt dat niet anders. Een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst wijzigt op zichzelf niet de inhoud van die overeenkomst.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de vervolgconclusie dat partijen een onvoorwaardelijke verdeling van de woning zijn overeengekomen, waarmee die verdeling een feit is. Dit betekent dat verdeling middels verkoop of anderszins niet meer aan de orde is, om welke reden de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen. De omstandigheid dat de beëindigingsovereenkomst ook voorziet in de mogelijkheid dat de woning moet worden verkocht bij het niet (kunnen) nakomen van een deel van de afspraken door [gedaagde partij] is weliswaar ongebruikelijk, maar kan niet tot het oordeel leiden dat er geen verdeling is overeengekomen. Het is namelijk zo dat een verdeling er in feite uit bestaat dat wordt bepaald welk deel van de waarde van het gemeenschappelijk goed aan elk van de deelgenoten toekomt en hoe dezen die waarde verkrijgen. Dat hebben partijen hier in de beëindigingsovereenkomst vastgelegd en daarop zou een eventuele verkoop geen invloed meer hebben, zo is hiervoor geoordeeld.
Opgemerkt moet nog worden dat, hoewel dat niet in de letterlijke bewoordingen van de vordering terugkomt, het duidelijk is dat de wens van [eisende partij] om nu te komen tot verkoop van de woning deels is ingegeven door de aanname dat zij vervolgens aanspraak zou kunnen maken op een aanvullende overwaarde-uitkering. Omdat de rechtbank aanneemt dat uit de beëindigingsovereenkomst volgt dat [eisende partij] geen aanspraak op een dergelijke aanvullende uitkering toekomt, zou – ook als zou worden aangenomen dat de woning nog niet verdeeld is – zij in zoverre geen belang hebben bij haar vordering strekkende tot verkoop van de woning. Dat zou namelijk niet tegemoetkomen aan het kennelijk door [eisende partij] nagestreefde belang van een aanvullende uitkering. Het zou wel tegemoet komen aan de legitieme wens van [eisende partij] om te worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [gedaagde partij] heeft echter onweersproken gesteld dat hij daarvoor – gegeven de inmiddels verrichte aflossingen op de hypothecaire schuld – zorg kan dragen, maar dat dit niet is gebeurd omdat de (door de financier gevraagde) instemming van [eisende partij] is uitgebleven. Onder deze omstandigheden zou – ook in het scenario dat er nog niet is verdeeld – in redelijkheid niet van [gedaagde partij] kunnen worden geëist dat hij zich zou neerleggen bij een door hem niet gewenste verkoop van de woning.
Gebruiksvergoeding
[eisende partij] maakt aanspraak op een gebruiksvergoeding in verband met het exclusieve gebruik dat [gedaagde partij] heeft gehad van de woning. Zij rekent vanaf het moment dat [gedaagde partij] bij correcte nakoming van de beëindigingsovereenkomst uiterlijk het overname van [eisende partij] aandeel in de woning en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid had moeten regelen en de overwaarde had moeten uitkeren.
Deze vordering kan niet worden toegewezen omdat er geen aanspraak meer gemaakt worden op een gebruiksvergoeding nadat het betreffende goed is verdeeld. De verdeling heeft hier plaatsgevonden met het sluiten van de beëindigingsovereenkomst op
10 april 2012.
Gemist belastingvoordeel
[eisende partij] stelt dat zij nadeel heeft geleden doordat de afwikkeling van de beëindigingsovereenkomst nog niet volledig is voltooid. Meer specifiek doelt zij op de vermogensbelasting die zij heeft moeten betalen doordat de woning mede op haar naam geregistreerd is gebleven. Zij stelt de door haar geleden schade op € 13.000,00 en vordert – overigens zonder een rechtsgrond te noemen – betaling van dit bedrag van [gedaagde partij] .
[gedaagde partij] heeft verklaard bereid te zijn om [eisende partij] te compenseren voor het belastingnadeel dat zij heeft geleden, althans over de periode 2020-2025. Hij is echter niet bereid het door [eisende partij] genoemde bedrag te betalen omdat dit – ondanks verzoek daartoe – niet inzichtelijk is gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eisende partij] (nog) geen belastingnadeel heeft geleden omdat zij de woning niet heeft verwerkt in haar belastingaangiftes. Ook heeft zij geen proefberekening gemaakt om in te schatten wat de omvang van het belastingnadeel zou (kunnen) zijn. [eisende partij] stelt nog een aanslag te verwachten.
Omdat [eisende partij] het gevorderde bedrag in het geheel niet heeft toegelicht en – afgaande op haar eigen stellingen – het nadeel nog niet is geleden en ook niet zeker is dat het nadeel gaat ontstaan, dient de vordering alleen al om die reden als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.
Proceskosten
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
1.374,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.580,00 |
(2 punten × € 1.290,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
4.143,00 |
5De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||
productie 2 van [eisende partij]
lees: [gedaagde partij]
lees: [eisende partij]
partijen waren niet gehuwd, dus dit is een verschrijving
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
