Rechtbank Midden-Nederland 09-09-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6245

Essentie (gemaakt door AI)

Wijziging partneralimentatie waarin zowel behoefte als draagkracht opnieuw is berekend wegens gewijzigde omstandigheden art. 1:401 lid 1 BW. Behoefte vrouw gehandhaafd en geïndexeerd; vrouw is deels behoeftig maar moet vanaf 2026 € 2.000 netto p/m inteeren op vermogen. Man verliest baan, benut transitievergoeding tot juli 2025 en moet eveneens inteeren op vermogen (€ 2.000 netto p/m). Alimentatie verlaagd naar € 3.336 p/m (1-8-2025–1-11-2025), € 2.000 p/m (1-11-2025–1-1-2026) en € 2.092 p/m vanaf 1-1-2026. Terugbetaling alleen over 2026.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vrouw moet interen op vermogen - maar man moet dat ook: partneralimentatie desondanks verlaagd
Hoewel de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw wordt gehandhaafd en geïndexeerd, stelt Rb vast dat vanwege vermogen vrouw zij daar op moet interen (€ 2.000 p/m). Man moet dat echter ook (€ 2.000 p/m). PAL toch verlaagd.

Datum publicatie07-10-2026
ZaaknummerC/16/586821
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsLelystad
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie; Interen op vermogen bij netto besteedbaar inkomen; Terugbetaling alimentatie bij wijziging
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging partneralimentatie. Beide partijen hebben vermogen. Zowel de vrouw (alimentatiegerechtigde) als de man (alimentatieplichtige) moeten interen op hun vermogen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/586821 / FL RK 25-29

Partneralimentatie

Beschikking van 9 september 2026

in de zaak van:

[de man] ,

volgens het uittreksel uit de Basisregistratie Personen vertrokken naar Spanje,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.D.H. Lesmeister,

tegen

[de vrouw] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.A. Bouman.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft bij beschikking van 4 maart 2026 de beslissingen op de verzoeken van de man tot wijziging van de partneralimentatie en de terugbetalingsverplichting aangehouden in afwachting van nadere gegevens en reacties van partijen daarop.

De rechtbank heeft de vrouw bevolen inzage te geven aan de man en de rechtbank in de volgende gegevens en daarbij een korte toelichting te geven:

  • haar IB-aangifte en (voorlopige) aanslag over 2024;

  • haar salarisspecificaties van mei 2025 tot heden en haar jaaropgave over 2025;

  • haar pogingen om meer inkomen te genereren dan wel een verklaringen omtrent arbeids(on)geschiktheid en re-integratie.

  • de jaaroverzichten van haar bankrekeningen, inclusief spaar- en beleggingsrekeningen, of bankafschriften waaruit de saldi op haar bankrekeningen, inclusief spaar- en beleggingsrekeningen, blijken op 1 januari 2025 en 31 december 2025.

De rechtbank heeft de man bevolen inzage te geven aan de man en de rechtbank in de volgende gegevens en daarbij een korte toelichting te geven:

  • inkomensgegevens vanaf 1 mei 2025 tot heden (uitkeringsspecificaties/salarisspecificaties en jaaropgave over 2025);

  • definitieve IB-aangifte over 2024;

  • (voorlopige) aanslag IB over 2024;

  • de saldi op de Ierse en Spaanse bank- of beleggingsrekeningen, die zijn vermeld in de aangifte IB over 2024, op 1 januari 2025 en 31 december 2025;

  • belastingaangifte in Spanje en -aanslag over 2024;

  • de jaaroverzichten van zijn bankrekeningen, inclusief spaar- en beleggingsrekeningen, of bankafschriften waaruit de saldi op zijn bankrekeningen, inclusief spaar- en beleggingsrekeningen, blijken op 1 januari 2025 en 31 december 2025.

1.2.

De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:

  • het bericht van de vrouw (met bijlagen 16 tot en met 19) van 29 april 2026;

  • het bericht van de man (met bijlagen 29 en 46 tot en met 51) van 29 april 2026;

  • het bericht van de vrouw (met bijlage 20) van 12 mei 2026;

  • het bericht van de man van 21 mei 2026;

  • het bericht van de vrouw (met bijlagen 21 tot en met 24) van 21 mei 2026.

1.3.

Een (verdere) mondelinge behandeling (zitting) heeft niet plaatsgevonden.

2Waar de procedure over gaat

2.1.

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest.

2.2.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij de beschikking van 19 december 2019 de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 november 2018 (deels) vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 30 juli 2019 als bijdrage in haar levensonderhoud € 5.351,- per maand moet betalen, en vanaf 1 september 2020

€ 3.867,- per maand. Verder heeft het hof bepaald dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw eindigt op 28 februari 2031.

2.3.

Na de wettelijke indexering (jaarlijkse verhoging) bedroeg de partneralimentatie in 2025 € 4.746,58 per maand en bedraagt de partneralimentatie in 2026 € 4.964,92 per maand.

2.4.

De man heeft in een eerdere procedure verzocht om de partneralimentatie te wijzigen door deze vanaf 30 juli 2019 op nihil te stellen en de vrouw te bevelen het teveel door haar ontvangen bedrag terug te betalen. Bij beschikking van 28 maart 2022 zijn deze verzoeken van de man afgewezen.

2.5.

Aan de rechtbank liggen nog de volgende verzoeken van partijen voor.

De man verzoekt de rechtbank, na wijziging/intrekking en aanvulling van zijn verzoeken:

- de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie te wijzigen door deze met ingang van 1 mei 2025 vast te stellen op nihil, dan wel op een bedrag en met ingang van een datum in goede justitie te bepalen;

- de vrouw te veroordelen het teveel ontvangen bedrag aan partneralimentatie binnen veertien dagen na afgifte van de beschikking aan de man terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de door de vrouw ontvangen bedragen (onverschuldigd) zijn betaald door de man.

2.6.

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van een deel van de procedure, althans een beslissing te nemen die de rechtbank passend vindt.

3De beoordeling

De beslissing

3.1.

De rechtbank zal de bij beschikking van 19 december 2019 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vastgestelde door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie wijzigen. De rechtbank zal beslissen dat de man aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen:

  • € 3.336,- per maand over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 november 2025;

  • € 2.000,- per maand over de periode van 1 november 2025 tot 1 januari 2026, en

  • € 2.092,- per maand vanaf 1 januari 2026.

Daarbij zal de rechtbank beslissen dat de vrouw de vanaf 1 januari 2026 teveel ontvangen partneralimentatie moet terugbetalen aan de man. De partneralimentatie die zij vóór 1 januari 2026 teveel heeft ontvangen, hoeft zij niet terug te betalen.

3.2.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

De reden voor de wijziging

3.3.

De rechtbank kan de partneralimentatie alleen opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. 1 Daarvan is sprake, omdat in ieder geval vaststaat dat het inkomen van de man is gewijzigd vanaf 1 november 2023. Deze wijziging is voldoende aanleiding voor een nieuwe berekening, los van de vraag of er nog meer omstandigheden zijn gewijzigd (zoals de man stelt, maar de vrouw heeft betwist). Hierbij geldt dat als de eerder vastgestelde partneralimentatie, ondanks de wijziging van omstandigheden, nog steeds aan de wettelijke maatstaven voldoet, de rechtbank de partneralimentatie niet opnieuw hoeft vast te stellen. Of dit zo is, kan de rechtbank echter dus pas na het maken van een nieuwe berekening constateren.

3.4.

De rechtbank merkt op dat partijen over en weer stellen dat de ander (meer) inkom(st)en kan genereren. Volgens de man kan de vrouw meer uren werken. Volgens de vrouw is er bij de man sprake van verwijtbaar inkomensverlies dat hij kan herstellen. Verder stellen beide partijen over en weer dat de ander inkomen uit vermogen heeft of kan interen op zijn/haar vermogen. Daardoor kan de vrouw volgens de man in haar eigen behoefte voorzien en kan de man volgens de vrouw de eerder vastgestelde partneralimentatie nog steeds aan haar betalen.

De ingangsdatum

3.5.

Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. De rechtbank hanteert als ingangsdatum voor de (eventuele) wijziging van de partneralimentatie 1 mei 2025, zoals door de man is verzocht. De vrouw heeft hier geen inhoudelijk verweer tegen gevoerd, maar alleen gesteld dat de partneralimentatie in het geheel niet gewijzigd zou moeten worden.

De huwelijksgerelateerde behoefte

3.6.

Bij de berekening van de partneralimentatie is allereerst van belang het bedrag dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd tijdens hun huwelijk en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.

3.7.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in de beschikking van 19 december 2019 overwogen dat de rechtbank de behoefte van de vrouw terecht heeft gesteld op een bedrag van € 3.215,- netto per maand in 2016. Partijen hebben hiertegen in deze procedure niets aangevoerd en deze behoefte ook gehanteerd in hun eigen processtukken en berekeningen. Ook de rechtbank gaat daarom uit van die behoefte.

Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) bedroeg de behoefte van de vrouw dan in 2025 € 4.275,68 netto per maand en bedraagt de behoefte van de vrouw in 2026 € 4.472,36 netto per maand.

De behoeftigheid

3.8.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf de hiervoor vermelde bedragen (in 2025 afgerond € 4.276,- netto per maand en in 2026 € 4.472,- netto per maand) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’ en kan zij aanspraak maken op partneralimentatie.

i) inkomen van de vrouw

3.9.

Vast staat dat de vrouw tijdens het huwelijk na de geboorte van de kinderen niet buitenshuis heeft gewerkt. Zij is in 2020 begonnen met een opleiding voor [beroepsgroep] en heeft deze opleiding in januari 2022 met succes afgerond. De vrouw werkt sinds eind 2022 bij [bedrijf 1] . Zij heeft een contract voor tien uur per week.

Volgens de vrouw kampt zij met langdurige en structurele gezondheidsproblematiek van psychische en lichamelijke aard. Daarnaast heeft zij een chronische oogaandoening met blijvend verminderd zicht. Dit beperkt haar functioneren en belastbaarheid.

3.10.

Ter onderbouwing van de stelling van de vrouw dat haar belastbaarheid beperkt is, waardoor zij niet meer uren kan werken, heeft zij onder andere de volgende stukken overgelegd: 2

  • een bericht van de bedrijfsarts van 1 april 2026: de vrouw heeft een gesprek aangevraagd vanwege haar belastbaarheid; de vrouw vult twee avonddiensten per week in (in totaal twaalf uur, bij een contract voor tien uur) en dit is passend bij de belastbaarheid;

  • een bericht van 17 april 2026 van een psychiater: diagnose persisterende depressieve stoornis; cognitieve klachten: concentratieproblemen en overprikkeling door stress rondom de rechtszaken over alimentatie; weinig ruimte voor herstel zolang de rechtszaken en dus de stress voortduren;

  • een bericht van een ergotherapeut van 21 april 2026: paramedische diagnose: fors ontregelt en overbelast zenuwstelsel door chronische stress; als gevolg van fysieke, mentale en psychische klanten is de vrouw matig belastbaar om (betaalde) werkzaamheden uit te voeren;

  • een bericht van 24 maart 2026 van een oogarts: oogproblemen met als gevolg minder scherp zicht.

3.11.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is er in de beschikking van 19 december 2019 van uitgegaan dat de vrouw uiterlijk vanaf september 2020 een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van het (fulltime) minimumloon van (€ 1.594,- bruto =) € 1.440,- netto per maand. De man is het met dit oordeel van het gerechtshof eens en vindt dat de rechtbank ook nu van deze verdiencapaciteit ter hoogte van het wettelijke minimumloon voor een fulltime dienstverband moet uitgaan.

3.12.

De rechtbank vindt dat de vrouw voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de man dat zij meer uren kan werken en dus meer inkomen kan genereren. Uit de verschillende verklaringen van artsen, in samenhang bezien, is af te leiden dat redelijkerwijs niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij meer gaat werken dan zij nu doet. Dat er geen formele beoordeling van arbeids(on)geschiktheid wordt overgelegd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit de stukken blijkt namelijk wel dat een inkomen gelijk aan het fulltime minimumloon genereren voor de vrouw nu redelijkerwijs niet mogelijk is. Voor wat betreft het inkomen van de vrouw zal de rechtbank dan ook uitgaan van de jaaropgave over 2025, waarin een loon is vermeld van € 15.572,-. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedroeg dan in 2025 € 1.255 ,- per maand 3 en in 2026 € 1.270,- per maand 4.

3.13.

Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 4.276,- netto per maand in 2025 en

€ 4.472,- in 2026 netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van

€ 1.255,- per maand in 2025 en € 1.270,- per maand in 2026, resteert een aanvullende behoefte van:

  • (4.276 -/- 1.255 =) € 3.021,- netto per maand in 2025 en

  • (4.472 -/- 1.270 =) € 3.202,- netto per maand in 2026.

vermogen van de vrouw

3.14.

In de beschikking van 4 maart 2026 heeft de rechtbank overwogen dat de man, gelet op zijn verzoek om de partneralimentatie vanaf 1 mei 2025 te wijzigen, er belang bij heeft om te weten of de vrouw op 1 mei 2025 over vermogen beschikte. Onder omstandigheden zou dan namelijk van haar verwacht kunnen worden dat zij op haar vermogen inteert om zo zelf in haar aanvullende behoefte te voorzien. Verder is in de beschikking van 4 maart 2026 al door de rechtbank overwogen dat wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de vrouw dat zij geen erfdeel heeft ontvangen, in 2023 een belasting vrije schenking van haar ouders heeft ontvangen en in 2024 en 2025 geen schenkingen heeft ontvangen.

3.15.

In de voorlopige aanslag 2024 is een bedrag van € 141.633,- aan bank- en spaartegoeden vermeld. 5

3.16.

De vrouw heeft de saldi van haar bank- en spaarrekeningen overgelegd, waaruit het volgende blijkt: 6

Saldo op 1 januari 2025

Saldo op 31 december 2025

ING Betaalrekening

€ 35,01

€ 118,37

ING Oranje Spaarrekening

€ 400,-

€ 10.128,71

Trade Republic Bank

€ 50.000,-

€ 98,63

Bunq [rekeningnummer 1]

€ 96.625,29

€ 13.531,60

Bunq [rekeningnummer 2]

€ 0,00

€ 0,00

Openbank

€ 100.000,-

€ 6,26

Totaal

€ 247.060,30

€ 23.883,57

3.17.

Op 1 december 2025 heeft de vrouw een appartement gekocht aan de [adres 1] in [woonplaats] voor € 518.000,-, inclusief kosten koper. 7 Volgens de man heeft de vrouw geen hypothecaire geldlening afgesloten voor de financiering van dit appartement. De vrouw heeft dat niet betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand beschouwt.

3.18.

Op 7 januari 2026 heeft de vrouw de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] verkocht voor € 425.000,-. 8 Deze woning was vrij van hypotheek. 9

3.19.

Uit deze financiële informatie volgt, kortom, dat de vrouw beschikt over vermogen. Als ervan uit wordt gegaan dat zij de woning aan de [adres 1] voor een deel heeft betaald door het aanwenden van spaargeld (dat in 2025 met € 223.176,73 is afgenomen), en voor een deel met de kort daarna gegeneerde verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 2] (waarmee dan het restant van [€ 518.000,-, minus € 223.176,73 =] € 294.823,27 zou zijn voldaan), dan resteert uit de verkoopopbrengst van de [adres 2] nog altijd € 130.176,73. De vrouw heeft gesteld de gehele verkoopopbrengst van de [adres 2] nodig te hebben voor haar nieuwe woning, maar dit niet onderbouwd. Ook heeft zij, zoals de man terecht naar voren heeft gebracht, niet toegelicht hoe de aankoop van de woning in december 2025 is betaald, terwijl de verkoopopbrengst van de [adres 2] pas in januari 2026 werd ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat die stellingen niet te rijmen zijn met de grote afname van het spaartegoed in 2025; de vrouw heeft niet toegelicht waar zij € 223.176,73 aan heeft besteed, terwijl zij (i) partneralimentatie ontving om te voorzien in haar aanvullende behoefte, en (ii) terwijl zoals opgemerkt, vaststaat dat zij eind 2025 de woning aan de [adres 1] zonder hypothecaire lening heeft aangekocht, terwijl zij nog niet over de verkoopopbrengst van de [adres 2] kon beschikken. De rechtbank is van oordeel dat het daarom redelijk is dat de vrouw een resterend deel van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 2] , althans van haar vermogen, aanwendt om te voorzien in een deel van haar aanvullende behoefte van € 3.202,- in 2026. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, ook als de vrouw op die verkoopinbrengst inteert, zij daarnaast nog een spaartegoed van € 23.883,57 (per 31 december 2025) tot haar beschikking heeft. Van haar wordt dus niet verwacht dat zij haar volledige vermogen aanwendt. De rechtbank gaat uit van een bedrag van € 2.000,- netto per maand waarmee de vrouw deels zelf in haar aanvullende behoefte kan voorzien. Dan resteert een aanvullende behoefte van 1.202,- netto per maand.

3.20.

Gelet op het hiervoor vermelde gaat de rechtbank ervan uit dat de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage van de man in 2025 € 3.021,- netto per maand bedroeg en (gelet op de verkoop van de [adres 2] begin januari 2026) vanaf 1 januari 2026 € 1.202,- netto per maand.

3.21.

Als de vrouw partneralimentatie ontvangt, dan moet zij daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom in 2025 een bedrag van

€ 5.734,- bruto per maand 10 en vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 2.134,- bruto per maand 11 nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.

iii) overige stellingen over de draagkracht van de vrouw

3.22.

De stellingen van de vrouw over haar aanvullende behoefte heeft de rechtbank in de voorgaande overwegingen besproken. De rechtbank vindt de overige stellingen van de man over de aanvullende behoefte van de vrouw, voor zover daar in de tussenbeschikking van 4 maart 2026 en in het voorgaande nog niet over geoordeeld is, niet relevant. Deze stellingen hebben namelijk onder meer betrekking op de vermogenspositie van de vrouw vóór 1 mei 2025. Zoals in de tussenbeschikking van 4 maart 2026 is toegelicht, is dat niet relevant, nu een wijziging per 1 mei 2025 is verzocht. Voor het overige gaan de standpunten van de man over de vermogenspositie van de vrouw; die kunnen onbesproken blijven omdat de rechtbank op de hiervoor uiteengezette gronden reeds tot het oordeel komt dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij inteert op haar vermogen.

De draagkracht van de man

3.23.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man in de aanvullende behoefte van de vrouw kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de man de volgende bedragen kan betalen:

  • € 3.336,- per maand over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 november 2025;

  • € 2.000,- per maand over de periode van 1 november 2025 tot 1 januari 2026, en

  • € 2.092,- per maand vanaf 1 januari 2026.

De rechtbank heeft dat als volgt berekend.

i. inkomen van de man

3.24.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen. Het dienstverband van de man bij [bedrijf 2] is met ingang van

1 november 2023 beëindigd met wederzijds goedvinden. De man heeft een transitievergoeding ontvangen van € 282.800,- netto. Verder heeft hij vanaf 1 november 2023 tot 1 november 2025 een WW-uitkering ontvangen. 12 De man stelt dat hij vanaf oktober 2025 geen inkomsten meer heeft.

Volgens de man heeft hij met de transitievergoeding de WW-uitkering tot 1 mei 2025 kunnen aanvullen tot zijn voormalige inkomen uit dienstverband. Hierbij stelt hij dat hij een deel van de transitievergoeding heeft gebruikt om een deel van zijn hypothecaire geldlening, die hij in verband met de overname van het aandeel van de vrouw in de voormalige echtelijke woning heeft moeten verhogen, af te lossen. Dit deed hij met het oog de verlaging van zijn inkomen.

Verder stelt de man dat hij vanaf mei 2025 in de kosten van zijn levensonderhoud voorziet door in te teren op zijn vermogen.

3.25.

Volgens de vrouw staat onvoldoende vast dat de man zijn baan is verloren zonder dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Daarbij komt dat de man kan solliciteren naar een functie in een ander bedrijf of zich als zzp’er kan verhuren aan bedrijven. Volgens de vrouw kan de man een gelijk inkomen genereren als hij eerder had, zodat het inkomensverlies van de man voor herstel vatbaar is. Hij moet in ieder geval in staat worden geacht voldoende inkomen te verwerven om de geldende partneralimentatie te blijven voldoen. De vrouw betwist dat transitievergoeding in mei 2025 volledig is uitgeput.

3.26.

De man voert verweer tegen de stelling van de vrouw dat zijn inkomensverlies verwijtbaar is.

3.27.

De rechtbank zal eerst berekenen hoe lang de man zijn WW-uitkering heeft kunnen aanvullen tot de hoogte van zijn voormalige inkomen bij [bedrijf 2] .

Uit de jaaropgave over 2023 blijkt dat het inkomen van 1 januari 2023 tot en met oktober 2023 € 916.215,- bruto bedroeg. Verminderd met de bruto transitievergoeding van € 560.000,- levert dit een bedrag op van € 356.215,- bruto, zijnde € 15.813,- netto per maand.

3.28.

Uit de overgelegde specificaties van het UWV 13 en een overzicht van het UWV 14 bedroeg de WW-uitkering:

per maand

totaal netto

in november 2023

€ 2.647,86 netto

€ 2.647,86

in december 2023

€ 2.671,19 netto

€ 2.671,19

van januari t/m april 2024

€ 2.600,84 netto

€ 10.403,36

vakantietoeslag 1 november 2023 t/m april 2024

€ 1.090,22

in mei en juni 2024

€ 2.560,34 netto

€ 5.120,68

in juli en augustus 2024

€ 2.629,31 netto

€ 5.258,62

september 2024

€ 2.629,30 netto

€ 2.629,30

oktober 2024

€ 2.667,81 netto

€ 2.667,81

november 2024

€ 2.667,80 netto

€ 2.667,80

december 2024

€ 2.485,74 netto

€ 2.485,74

januari t/m maart 2025

€ 2.762,39 netto

€ 2.762,39

april 2025

€ 1.143,33 netto

€ 1.143,33

mei 2025

€ 5.322,62 bruto (inclusief vakantietoeslag van

€ 3.627,05 bruto)

€ 1.538,-

juni 2025

€ 331,58 bruto

€ 332,-

juli 2025

€ 941,99 bruto

€ 860,-

augustus 2025

€ 3.667,60 bruto

€ 2.520,-

september 2025

€ 4.198,44 bruto

€ 2.818,-

oktober 2025

€ 2.702,46 bruto

€ 1.969,-

vakantietoeslag april 2025 t/m oktober 2025

€ 579,23 bruto

€ 579,-

Totaal

€ 52.164,30

3.29.

De totale netto WW-uitkering bedroeg uitgaande van voormelde bedragen dus over een totale periode van 24 maanden afgerond € 52.164,- netto, zijnde € 2.174,- netto per maand. Het verschil tussen deze maandelijkse netto uitkering en het netto loon van € 15.813, per maand bedraagt € 13.639,- per maand. De man heeft hiervan uitgaande met zijn transitievergoeding (282.800 / 13.639 = afgerond) gedurende 21 maanden zijn WW- uitkering kunnen aanvullen tot het niveau van zijn oude inkomen. Dat is dus tot en met juli 2025.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij een deel van de transitievergoeding heeft gebruikt om een deel van zijn hypothecaire geldlening af te lossen met het oog de verlaging van zijn inkomen. De man heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd met stukken, terwijl de vrouw deze stelling heeft betwist.

3.30.

De rechtbank ziet in het hiervoor vermelde reden om de partneralimentatie niet eerder te wijzigen dan met ingang van 1 augustus 2025, het moment waarop de transitievergoeding moet zijn geacht te zijn opgebruikt en het inkomensverlies dus daadwerkelijk een rol ging spelen.

3.31.

Over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 november 2025 gaat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de WW-uitkering die de man in die maanden gemiddeld heeft ontvangen, te weten afgerond € 3.523,- bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedroeg dan in 2025 € 2.597,- per maand. 15

3.32.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de vrouw. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De man wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 was dat een bedrag van € 1.310 per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. De overige 40% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit:

60% [2.597 – (0,3 x 2.597 + 1.310)]. Dit levert een draagkracht op van € 305,- per maand.

3.33.

De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van het woonbudget, omdat de man stelt dat zijn werkelijke woonlasten gemiddeld € 650,- per maand bedragen en dit is een lager bedrag dan het woonbudget (€ 806,- per maand). De draagkracht van de man bedroeg dan op basis van zijn WW-uitkering: 60% [2.597 – (650+ 1.310)] = € 382,- per maand op basis van zijn inkomen. Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man van € 382,- op een bedrag van € 610,- bruto per maand.

ii) vermogen van de man

3.34.

Naast naar het inkomen moet ook voor de man naar het vermogen worden gekeken. Ten aanzien van het vermogen van de man stelt de vrouw dat hij in februari 2025 zijn woning in [woonplaats] heeft verkocht voor € 625.025,-. Uit dit vermogen, en zijn overige vermogen, kan de man inkomen genereren en desnoods kan hij interen op dit vermogen ten behoeve van de vrouw. De man voert verweer tegen deze stelling van de vrouw , omdat hij met een deel van deze opbrengst de hypothecaire geldlening heeft moeten aflossen en hij vervangende woonruimte zal moeten financieren. Uit de stukken blijkt dat de netto verkoopopbrengst

€ 510.194,61 bedroeg. 16

3.35.

De man heeft de saldi van zijn bank- en spaarrekeningen overgelegd, waaruit het volgende blijkt: 17

1 januari 2025

31 december 2025

Openbank spaarrekening

95.876,65

50.113,75

Openbank betaalrekening

2.994,61

197,64

Openbank beleggingsrekening

10.890,26

17.261,71

Brand New Day Bank pensioenrekening

24.760

27.106

ING betaalrekening

2.051,98

736,56

ING spaarrekening

25.000

500.000,24

Totaal

161.573,50

595.415,90

3.36.

Uit productie 49 blijkt dat de man in oktober 2025 een rekening bij [naam] (Ierland) heeft opgezegd en het saldo bij opzegging € 5,12 bedroeg.

3.37.

De rechtbank vindt het redelijk om er bij de berekening van de draagkracht van de man van uit te gaan dat de man kan interen op zijn vermogen. Het is niet gebleken dat de man zijn vermogen op korte termijn zal aanwenden ter financiering van een woning of dat daar een noodzaak toe bestaat. De man stelt namelijk over een verblijfplaats te beschikken bij zijn ouders, of bij zijn partner in Spanje, waar hij bovendien een woning bezit. De rechtbank zal er daarom net als bij de vrouw vanuit gaan dat de man met een bedrag van € 2.000,- netto per maand kan interen op zijn vermogen en met dat bedrag deels kan voorzien in de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage.

De stellingen van partijen over de pensioenrekening laat de rechtbank onbesproken, aangezien de man ook los van het saldo op die rekening over voldoende vermogen beschikt.

3.38.

Het belastingvoordeel dat de man heeft over het netto bedrag van € 2.000,- per maand, berekend de rechtbank op € 726,- per maand in 2025, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de man naast de berekende draagkracht op basis van zijn WW-uitkering nog een aanvullend bedrag van € 2.726,- aan de vrouw kan betalen.

3.39.

Gelet op het hiervoor vermelde gaat de rechtbank ervan uit dat de man over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 november 2025 in totaal (610 + 2.726 =) € 3.336,- aan de vrouw kan betalen als partneralimentatie.

3.40.

Vast staat dat de man vanaf 1 november 2025 geen WW-uitkering meer ontvangt. Niet is gebleken dat de man ander(e) inkom(st)en ontvangt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de man vanaf 1 november 2025 over de door hem te betalen partneralimentatie geen belastingvoordeel meer geniet, zodat de man vanaf die datum € 2.000,- netto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw kan betalen door in te teren op zijn vermogen.

iii) overige stellingen over de draagkracht van de man

3.41.

De rechtbank gaat, zo blijkt uit de hiervoor uiteengezette berekening, voorbij aan de stelling van de vrouw dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man, en dat hij een gelijk inkomen kan genereren als het inkomen dat hij ontving van [bedrijf 2] .

Ten eerste vindt de rechtbank het niet redelijk om uit te gaan van een fictief inkomen (verdiencapaciteit) in een periode die in het verleden ligt. Het staat immers al vast dat dit inkomen niet meer daadwerkelijk gegenereerd kan worden. Ten tweede geldt vanaf 1 januari 2026 dat uit de hiervoor berekende beschikbare partneralimentatie en de aanvullende behoefte van de vrouw blijkt dat de man bijna geheel in de aanvullende behoefte van de vrouw kan voorzien.

3.42.

De rechtbank houdt geen rekening met het feit dat de man een bijdrage levert in de kosten van de meerderjarige zoon van partijen. De man is hier namelijk, zoals de vrouw terecht stelt, niet toe verplicht en die bijdrage heeft dan ook geen voorrang op het betalen van partneralimentatie aan de vrouw.

Te betalen partneralimentatie

3.43.

De voor partneralimentatie beschikbare draagkracht van de man is lager dan de aanvullende behoefte van de vrouw. De draagkracht vormt in dit geval de bovengrens van de partneralimentatie.

Indexering

3.44.

Aangezien de door de man vanaf 1 november 2025 te betalen partneralimentatie van

€ 2.000,- per maand ingaat op een datum die is gelegen vóór 1 januari 2026, verhoogt de rechtbank voormeld bedrag per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4,6%. De partneralimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 2.092,- per maand.

Alimentatie terugbetalen

3.45.

De rechtbank komt nu op een lager bedrag aan partneralimentatie uit dan eerder is vastgesteld.

3.46.

De rechtbank heeft hiervoor berekend dat de aanvullende behoefte van de vrouw in 2025 € 5.734,- per maand bedroeg en dat de aanvullende behoefte in 2026 € 2.134,- per maand bedraagt. De door de man te betalen partneralimentatie bedroeg in 2025 op basis van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 december 2019 afgerond € 4.747,- per maand en die alimentatie bedraagt in 2026 afgerond € 4.965,- per maand.

3.47.

De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij de door haar over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 januari 2026 van de man teveel ontvangen partneralimentatie moet terugbetalen aan de man. De door de rechtbank berekende aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt namelijk meer dan de door het gerechtshof vastgestelde partneralimentatie, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat zij de van de man ontvangen partneralimentatie al heeft uitgegeven.

3.48.

De rechtbank vindt het wel redelijk dat de vrouw de door de man vanaf 1 januari 2026 teveel ontvangen partneralimentatie terugbetaalt aan de man. De door het gerechtshof vastgestelde partneralimentatie bedraagt namelijk meer dan de hiervoor door de rechtbank berekende aanvullende behoefte, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw niet langer de volledige van de man ontvangen partneralimentatie nodig had om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. Zoals door de man is verzocht, beslist de rechtbank dat de vrouw de teveel ontvangen partneralimentatie binnen twee weken na de datum van deze beschikking aan de man moet terugbetalen. Hierbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat de vrouw over vermogen beschikt en dus in staat moet worden geacht dit bedrag te betalen.

Wettelijke rente

3.49.

Het verzoek van de man over de wettelijke rente wijst de rechtbank af. Wettelijke rente is verschuldigd als er sprake is van verzuim. Hiervan is nu nog geen sprake, omdat niet eerder dan door deze beschikking voor de vrouw duidelijk is dat zij teveel partneralimentatie van de man heeft ontvangen. De vrouw krijgt een termijn van twee weken om de teveel ontvangen partneralimentatie terug te betalen, zodat er op dit moment geen sprake is van verzuim.

Alimentatie vooruitbetalen

3.50.

De rechtbank beslist dat de man de partneralimentatie vanaf nu steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in de maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.51.

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

De proceskosten

3.52.

De rechtbank beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, zoals dit gebruikelijk is in familiezaken. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken en wijst de verzoeken van partijen om de andere partij (deels) in de proceskosten te veroordelen daarom af.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals die is vastgelegd in de beschikking van 19 december 2019 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en bepaalt dat deze partneralimentatie op:

  • € 3.336,- per maand over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 november 2025;

  • € 2.000,- per maand over de periode van 1 november 2025 tot 1 januari 2026, en

  • € 2.092,- per maand vanaf 1 januari 2026.

4.2.

beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

4.3.

bepaalt dat de vrouw de als gevolg van deze beschikking van de man over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 januari 2026 teveel ontvangen partneralimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen;

4.4.

bepaalt dat de vrouw de als gevolg van deze beschikking van de man vanaf 1 januari 2026 teveel ontvangen partneralimentatie wel aan de man moet terugbetalen binnen twee weken na de datum van deze beschikking;

4.5.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

4.7.

wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, rechter, in samenwerking met mr. J.K. Franken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2025 (behoeftigheid)

Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2026 (behoeftigheid)

Bijlage 3: brutering behoefte 2025

Bijlage 4: brutering behoefte 2026

Bijlage 5: netto besteedbaar inkomen van de man in 2025 (draagkracht)

2

Productie 18 van de zijde van de vrouw.

3

Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2025 (behoeftigheid).

4

Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2025 (behoeftigheid).

5

Productie 16 van de zijde van de vrouw.

6

Productie 19 van de zijde van de vrouw.

7

Productie 36 van de zijde van de man.

8

Productie 35 van de zijde van de man.

9

Productie 33 van de zijde van de man.

10

Bijlage 3: brutering behoefte 2025

11

Bijlage 4: brutering behoefte 2026.

12

Productie 5 van de zijde van de man.

13

Producties 21 tot en met 23 van de zijde van de man.

14

Productie 46c van de zijde van de man.

15

Bijlage 5: netto besteedbaar inkomen van de man in 2025 (draagkracht).

16

Productie 30 van de zijde van de man.

17

Producties 49 en 51 van de zijde van de man.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733