Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6295

Essentie (gemaakt door AI)

Incident tot schorsing tenuitvoerlegging in hoger beroep, waarin de rechtbank de man veroordeelt om 3,22 bitcoins aan de vrouw af te geven op straffe van dwangsom. Na vonnis komen nieuwe feiten aan het licht: arrestatie en voorlopige hechtenis van de vrouw wegens verdenking van een aanslag op de man; omgang met de dochter is geschorst. Het hof oordeelt dat hierdoor het belang van de vrouw bij snelle executie vermindert en het restitutierisico toeneemt. De verdere tenuitvoerlegging wordt geschorst.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Vrouw verdacht van betalen huurmoordenaar met crypto: afgifte bitcoins geschorst
Rb veroordeelt man tot afgifte bitcoins aan vrouw. Vrouw zit inmiddels vast op verdenking van voorbereiding moordaanslag op man met betaling in crypto. Hof schorst tenuitvoerlegging wegens nieuwe feiten en restitutierisico.

Datum publicatie06-10-2026
Zaaknummer200.372.393/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Incident tot schorsing tenuitvoerlegging in hoger beroep. De rechtbank heeft de man veroordeeld om 3,22 bitcoins af te geven aan de vrouw. Na het vonnis zijn nieuwe feiten aan het licht gekomen. De vrouw is gearresteerd voor het beramen van een moordaanslag op de man. De vrouw zit in voorlopige hechtenis en de omgang met de dochter is door de rechter opgeschort. Het belang van de vrouw bij een vlotte uitvoering van het vonnis is hierdoor verminderd. Het belang van de man om de uitkomst van het hoger beroep af te wachten is juist toegenomen, onder meer omdat er twijfels zijn of de vrouw zou kunnen terugbetalen. Het hof heeft de verdere uitvoering van het vonnis daarom geschorst.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.372.393/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 150676)

arrest van 29 september 2026 in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging dan wel tot zekerheidstelling

in het geding tussen

[de man]

die woont in [woonplaats1]

hierna: [de man]

advocaat: mr. J.J.A.M. de Haas te Tilburg

en

[de vrouw]

die woont in [woonplaats2]

hierna: [de vrouw]

advocaat: mr. S. Meeuwsen te Gorinchem.

1Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

[de man] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, (hierna: de rechtbank) op 8 juli 2026 tussen partijen heeft uitgesproken.

1.2

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, waarin is opgenomen een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, subsidiair tot het verbinden aan die tenuitvoerlegging van de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld;

- de conclusie van antwoord in het incident, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.

2De beoordeling in het incident

de feiten en de procedure in eerste aanleg

2.1

Voor zover van belang voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.2

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. In 2020 is hun dochter [het kind] geboren.

2.3

Tijdens de relatie met [de vrouw] heeft [de man] vanaf april 2020 cryptovaluta aangekocht.

2.4

Nadat de relatie tussen partijen is geëindigd, heeft [de vrouw] in eerste aanleg gevorderd (samengevat) een veroordeling van [de man] tot afgifte van de door hem met geld van [de vrouw] aangekochte bitcoins, versterkt met een dwangsom.

2.5

In het bestreden vonnis van 8 juli 2026 heeft de rechtbank [de man] veroordeeld tot afgifte aan [de vrouw] van 3,22 bitcoins binnen vier weken na de datum van het vonnis. Indien [de man] hieraan niet voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan tot een maximum van € 50.000. De rechtbank heeft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bepaald dat partijen ieder de eigen proceskosten moeten dragen.

het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging

2.6

[de man] heeft het volgende aangevoerd ter onderbouwing van zijn incidentele vordering. [de vrouw] en haar broer zijn in juni 2026 gearresteerd op verdenking van het geven van de opdracht tot het vermoorden van [de man] . Omdat [de vrouw] in voorlopige hechtenis zit, heeft het gerechtshof in Den Bosch bij beschikking van 9 juli 2026 de voorlopige zorgregeling tussen [het kind] en [de vrouw] geschorst en bepaald dat er voorlopig geen omgang zal zijn tussen [het kind] en [de vrouw] . Volgens [de man] berust het bestreden vonnis op misslagen. Het restitutierisico bij [de vrouw] is groter dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. [de vrouw] leeft van een bijstandsuitkering en kon in februari 2026 een proceskostenveroordeling ten gunste van [de man] alleen in termijnen voldoen. Ook heeft de rechtbank miskend dat cryptovaluta eenvoudig te verplaatsen zijn en daarmee aan toekomstig verhaal kunnen worden onttrokken. De arrestatie en voorlopige hechtenis van [de man] heeft de rechtbank niet kenbaar betrokken bij de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad. Volgens [de man] is in zoverre sprake van nieuwe feiten die door de rechtbank niet zijn meegewogen bij haar beslissingen, dan wel is dit een misslag. Door de rechtbank is wel meegenomen in die afweging dat [de vrouw] het geld wilde gebruiken voor de aankoop van een woning in [provincie] om dichter bij [het kind] te kunnen wonen. Door haar voorlopige hechtenis en de opschorting van de omgang is dat belang van [de vrouw] vervallen, dan wel ten onrechte meegenomen in de belangenafweging ter zake van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Verder is gebleken, aldus nog steeds [de man] , dat [de vrouw] ervan verdacht wordt cryptovaluta te hebben gebruikt om de huurmoordenaar te betalen. Volgens [de man] is het daarom maatschappelijk onaanvaardbaar om [de vrouw] (het hof begrijpt: door tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis) nogmaals in staat te stellen dergelijke handelingen te verrichten. Indien hetgeen is aangevoerd niet leidt tot schorsing van de tenuitvoerlegging, zijn dezelfde omstandigheden wel aanleiding voor een veroordeling van [de vrouw] tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 180.320. Aldus tot zover [de man] .

2.7

Het hof beoordeelt de incidentele vordering aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven 1 en die op het volgende neerkomen:

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.

b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.

c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker in zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken.

2.8

In dit geval is van belang dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.22 tot en met 4.26 de uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft gemotiveerd. Dat betekent dat [de man] ofwel moet aantonen dat die beslissing berust op een feitelijke misslag, ofwel feiten en omstandigheden moet noemen waarmee de rechtbank bij het nemen van die beslissing nog geen rekening kon houden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken.

2.9

Het hof overweegt dat uit de beschikking van het hof in Den Bosch van 29 juni 2026, die tot de gedingstukken behoort, blijkt dat [de vrouw] op 18 mei 2026 (dus niet zoals [de man] heeft aangevoerd: in juni 2026) is gearresteerd en in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van voorbereiding van een aanslag op het leven van [de man] . De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. De arrestatie van [de vrouw] heeft daarna plaatsgevonden, maar voordat de rechtbank vonnis wees op 8 juli 2026.

2.10

In het bestreden vonnis (rechtsoverweging 1.3) is vermeld dat [de man] bij brief van 2 juli 2026 heeft verzocht het vonnis aan te houden voor het nemen van een akte. Daarin had [de man] , zo begrijpt het hof, willen aanvoeren dat [de vrouw] is aangehouden voor het geven van opdracht tot moord op [de man] . De rechtbank heeft [de man] het nemen van deze akte geweigerd omdat, zo vermeldt het vonnis, zelfs indien zou komen vast te staan dat [de vrouw] omtrent de doodsbedreigingen aan het adres van [de man] zou hebben gelogen, dit voor de uitkomst geen verschil zou maken omdat het vonnis steunt op andere feiten.

2.11

Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden zoals hiervoor bedoeld in 2.7 onder c. De feiten waar het hier om gaat, de arrestatie en voorlopige hechtenis van [de vrouw] , hebben zich afgespeeld toen het vonnis van de rechtbank in staat van wijzen was. De rechtbank heeft van deze feiten geen kennis genomen en heeft met deze feiten dus geen rekening kunnen houden. Rechtsoverweging 1.3 van het bestreden vonnis maakt dat ook duidelijk; die overweging benadrukt immers dat de rechtbank geen kennis heeft wíllen nemen van de feiten die zich na de mondelinge behandeling hebben geopenbaard. Daar komt bij dat de rechtbank in rechtsoverweging 1.3 slechts spreekt over de aanhouding voor opdracht tot moord, niet over de verlenging van de voorlopige hechtenis van [de vrouw] voor 90 dagen. De rechtbank kon evenmin rekening houden met het feit dat het hof Den Bosch op 29 juni 2026 de voorlopige zorgregeling tussen [de vrouw] en [het kind] heeft geschorst.

2.12

De volgende vraag is of die nieuwe feiten en omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat van de beslissing van de rechtbank wordt afgeweken. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. [de vrouw] heeft aangegeven dat zij de van [de man] te innen gelden wil gebruiken voor de aankoop van een woning in de nabijheid van [het kind] . Dat [de vrouw] momenteel in voorlopige hechtenis zit heeft zij niet bestreden, evenmin als het feit dat de omgang met [het kind] geschorst is. Het belang van [de vrouw] bij een vlotte tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis heeft door deze omstandigheden aan gewicht verloren. [de man] wijst er verder op dat [de vrouw] en haar broer ervan verdacht worden de ingeschakelde huurmoordenaar € 30.000 in cryptovaluta te hebben betaald om [de man] om het leven te brengen. [de man] heeft er tegen die achtergrond een zwaarwegend belang bij dat het vonnis waarin hij veroordeeld is tot afgifte van bitcoins aan [de vrouw] , niet gedwongen ten uitvoer kan worden gelegd zolang niet op het hoger beroep is beslist. Bij dat laatste is van belang dat [de vrouw] kennelijk weinig (andere) financiële middelen tot haar beschikking heeft. Bovendien is sprake van een aanmerkelijk restitutierisico. [de vrouw] heeft reeds in eerste aanleg bevestigd dat zij moet rondkomen van een bijstandsuitkering. Dat betekent dat [de vrouw] , indien zij een aanmerkelijke som geld ontvangt, zij die niet naar believen kan investeren in een woning in [provincie], maar dat zij dat geld zal moeten aanwenden om in haar levensonderhoud te voorzien. Dat kan ertoe leiden dat [de vrouw] , indien [de man] in de hoofdzaak door het hof in gelijk zou worden gesteld, weinig of geen verhaal biedt. Ook heeft [de man] met het (met stukken onderbouwde) uit februari 2026 stammende voorbeeld van de proceskostenveroordeling van € 1.860 die [de vrouw] slechts in termijnen kon voldoen, dat restitutierisico concreet gemaakt.

2.13

Concluderend is het hof van oordeel dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de eerdere beslissing van de rechtbank over de door [de vrouw] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof oordeelt dat rekening houdend met de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, het belang van [de man] bij schorsing van de tenuitvoerlegging zwaarder weegt dan het belang van [de vrouw] bij behoud van de uitvoerbaarheid bij voorraad. De incidentele vordering zal daarom worden toegewezen op de manier zoals in het dictum geformuleerd. De overige argumenten van partijen kunnen onbesproken blijven.

2.14

De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

3De beslissing

Het hof:

in het incident

3.1

schorst de (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 8 juli 2026;

3.2

bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

3.3

verwijst de zaak naar de rol van 10 november 2026 voor memorie van grieven;

3.4

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J. Smit en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 29 september 2026.

1

HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733