Essentie (gemaakt door AI)
Incidentele vordering ex art. 351 Rv. Tenuitvoerlegging van een veroordeling van de man om mee te werken aan verkoop en levering van de gezamenlijke woning en tot ontruiming wordt geschorst. Het hof weegt het belang bij behoud van de bestaande situatie, mede gelet op de minderjarige dochter met zware handicap en de zwangere partner, zwaarder dan het belang van de vrouw bij directe executie; belangenafweging mede op grond van art. 3 IVRK. Beslissing over kosten incident wordt aangehouden.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 06-10-2026 |
| Zaaknummer | 200.374.078 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Medewerking aan verkoop/toedeling; Familieprocesrecht; Executiegeschil / verz. schorsing uitv. bij voorr. |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Incidentele vordering ex art. 351 Rv. Tenuitvoerlegging veroordeling man om mee te werken aan verkoop en levering gezamenlijke woning wordt geschorst, mede op grond van art. 3 IVRK, tot het hof in de hoofdzaak in kort geding zal hebben beslist.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.374.078/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 258401
arrest in het incident in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats] ,
eiser in het incident,
advocaat: mr. M. Dijkstra te Leeuwarden,
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. H.C.L. Crozier te [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, op 2 september 2026 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep met grieven en een vordering in het incident
• de antwoordakte in het incident.
Het hoger beroep is op 3 september 2026 ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Partijen hebben arrest gevraagd in het incident.
2De kern van het incident
Het gaat in dit incident om de vraag of de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarbij de man is veroordeeld om mee te werken aan de verkoop en levering van de gezamenlijke woning van partijen en deze daartoe te ontruimen, moet worden geschorst op grond van artikel 351 Rv. Het hof zal oordelen dat dit moet en licht dat hierna toe.
3De feiten en de procedure bij de rechtbank
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die in 2015 is beëindigd.
In 2014 hebben zij de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna ook: de woning) gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, in eigendom verkregen.
De man is na het verbreken van de relatie van partijen in de woning blijven wonen en woont daar nu met zijn partner en hun minderjarige dochter van 7 jaar oud. De woning is tot op heden onverdeeld gebleven. Er is een hypothecaire geldlening bij de ING-bank aan de woning verbonden, waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De man, die volgens de tussen partijen gemaakte afspraken de hypothecaire lasten moest voldoen, is daar enige malen mee ingebreke gebleven. De ING heeft ook de vrouw aangeschreven dat de achterstand moest worden aangezuiverd.
De vrouw heeft bij de voorzieningenrechter vorderingen ingediend die ertoe strekken dat de man op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan een derde en om de woning in verband daarmee te ontruimen.
Bij het vonnis van 2 september 2026 heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld om, op straffe van een dwangsom, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan een opdracht tot bemiddeling aan [de makelaar] te [woonplaats] met betrekking tot de verkoop van de woning en om zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, een en ander te bepalen door de makelaar, waarbij onder die volledige medewerking in ieder geval wordt verstaan:
- de makelaar en/of een geïnteresseerde koper in het kader van de verkoop vrijelijk toegang te verlenen tot de woning, om de woning te kunnen verkopen en/of
bezichtigen;
- het verrichten van iedere rechtshandeling die noodzakelijk is voor verkoop en
levering van de woning;
- het representatief houden van de woning, het verlenen van medewerking aan het
plaatsen van een te koop-bord bij of aan de woning en aan publicatie van de woning
in de media en internet in de breedste zin van het woord totdat de woning is
verkocht,
Daarnaast is de man veroordeeld om de woning uiterlijk veertien dagen voor de levering daarvan aan een derde, met medeneming van zijn huisraad, te ontruimen en niet meer te betreden.
Bepaald is verder dat het vonnis in de plaats treedt van de verklaring/ondertekening van de
man in/van de akte strekkende tot het geven van de opdracht aan de makelaar, de akte tot
verkoop van de woning (de schriftelijke overeenkomst) en de (notariële) akte tot levering van
de woning aan de koper, indien de man niet binnen vijf dagen na een schriftelijk sommatie
aan een verzoek tot medewerking gehoor geeft. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
verklaard en de man is in de proceskosten veroordeeld.
4Het geschil in het incident
De man is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 september 2026 en heeft ook een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 351 Rv. Hij vordert in het incident dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 september 2026 zal schorsen totdat het hof eindarrest heeft gewezen in het hoger beroep en om de vrouw te veroordelen in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente indien die kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen arrest zijn voldaan.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van de man in de kosten van het incident.
5De toelichting op de beslissing van het hof
Het hof stelt vast dat de voorzieningenrechter de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet heeft gemotiveerd. Het hof kan de uitvoerbaarheid dan onder meer schorsen als het belang van een partij om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. In een situatie zoals hier aan de orde, moeten daarbij bovendien de belangen van de minderjarige dochter van de man op grond van onder meer artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), ambtshalve in de belangenafweging worden betrokken. Het hof kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep.
1
Het hof is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat het belang van de vrouw bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis niet opweegt tegen het belang van de man om in elk geval totdat in de hoofdzaak van dit kort geding zal zijn beslist, met zijn partner en minderjarige dochter in de woning te kunnen blijven wonen en de woning niet te hoeven ontruimen. Het belang van de vrouw bij tenuitvoerlegging op korte termijn is er kennelijk in gelegen dat zij niet meer wil worden aangesproken voor betalingsachterstanden van de man, die in het verleden regelmatig zijn ontstaan en ook recent weer is opgetreden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het op de woning gelegde executoriale beslag inmiddels is opgeheven en de man heeft in de appeldagvaarding betwist dat er, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, een reële kans is dat er weer nieuwe betalingsachterstanden zullen ontstaan. De vrouw heeft bij de antwoordakte echter een bericht van de ING Bank aan de man en de vrouw overgelegd, waaruit blijkt dat de afschrijving van het hypotheekbedrag op 1 september 2026 niet is gelukt en waarin aan partijen wordt verzocht het bedrag alsnog te betalen. Wat hier ook van zij, het hof is bij de belangenafweging die in dit incident moet worden gemaakt, van oordeel dat het risico dat de vrouw loopt om te worden aangesproken voor deze betalingstermijn en voor een aantal verdere betalingstermijnen, niet opweegt tegen het belang van de man bij behoud van zijn huidige woonruimte totdat in de hoofdzaak van dit kort geding over de vorderingen van de vrouw zal zijn beslist. Daarbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat de woning blijkens de verklaringen van partijen een aanzienlijke overwaarde heeft. Het hof gaat er dan ook van uit dat eventuele regresvorderingen van de vrouw, door de man zo nodig in een later stadium, na verkoop van de woning, uit de overwaarde kunnen worden voldaan (dan wel uit het aandeel van de man in de overwaarde). Het hof neemt verder in aanmerking dat als de man de woning moet ontruimen, dit ook direct raakt aan de belangen van zijn minderjarige dochter en zijn partner. Vast staat dat de minderjarige dochter van de man een zeldzame ziekte heeft en zwaar gehandicapt is en de man heeft in de appeldagvaarding naar voren gebracht dat zijn partner zwanger is van hun tweede kind. Dat de man niet over andere woonruimte beschikt en dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wellicht betekent dat de man met zijn gezin op straat komt te staan, is door de vrouw niet betwist. Het hof is van oordeel dat al deze omstandigheden, mede gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3 IVRK, meebrengen dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis moet worden geschorst totdat het hof in de hoofdzaak zal hebben beslist.
De conclusie
Het hof wijst de incidentele vordering toe en houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.
De hoofdzaak wordt verwezen naar de roldatum van 20 oktober 2026 voor memorie van antwoord (ambtshalve peremptoir).
4De beslissing
Het hof:
in het incident:
schorst de tenuitvoerlegging van de beslissingen in het dictum van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van
2 september 2026 totdat het hof in de hoofdzaak zal hebben beslist;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
verwijst de hoofdzaak naar de roldatum van 20 oktober 2026 voor memorie van antwoord;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, J.H. Kuiper en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
29 september 2026.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
