Essentie (gemaakt door AI)
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en uitleg convenant. De vorderingen over aanvullende partneralimentatie (informatieverschaffing IB 2022–2029 en uitleg inkomensbegrip) worden afgesplitst en verwezen naar de sector Familie om volgens de verzoekschriftprocedure te worden behandeld. Voor de verdeling oordeelt de rechtbank dat het convenant, uitgelegd naar Haviltex, de onderneming met alle activa en passiva aan man toedeelt, met finale kwijting; vorderingen vrouw tot (na)verdeling en betaling worden afgewezen. Verrekening €7.843 met afkoopsom alimentatie is toewNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 06-10-2026 |
| Zaaknummer | C/09/695857 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijkse goederengemeenschap. Uitleg convenant. De vorderingen die zien op de partneralimentatie worden gesplitst en behandeld volgens de regels die gelden voor een verzoekschriftprocedure.Volledige uitspraak
Team Handel
Zaaknummer: C/09/695857 / HA ZA 25-1108
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eiseres] , te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. A.J. van Steensel,
tegen
[gedaagde] , te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. M.H. Vaandrager.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 december 2025, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9;
- de akte van de man, met producties 10 tot en met 19;
- de akte van de vrouw, met producties 8 tot en met 14.
Op 3 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
De man en de vrouw zijn op [datum] 2001 met elkaar getrouwd. Bij beschikking van 15 februari 2021 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren die ten tijde van de scheiding meerderjarig waren.
Onderdeel van die beschikking is het tussen partijen overeengekomen en ondertekende echtscheidingsconvenant van 29 december 2020 (hierna: het “convenant”). In het convenant hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Bij het convenant is een vermogensverdeelstaat gevoegd,
eveneens ondertekend door partijen. Volgens het convenant en de verdeelstaat werd het gemeenschappelijke vermogen bij helfte verdeeld, waaronder: de gezamenlijke koopwoning (deze werd verkocht), de auto’s, boot en trailer, en huisraad.
In het convenant is onder meer het volgende opgenomen:
“ ArtIKEL 3 […]
B. OVERIGE GEMEENSCHAPPELIJKE GOEDEREN
Peildatum
De partners nemen als peildatum voor de verdeling van hun gemeenschappelijke goederen één januari tweeduizend eenentwintig.
Verdeling
De partners zullen na beëindiging van hun huwelijk overgaan tot de verdeling van hun gemeenschappelijke goederen, zoals deze zijn weergegeven op een aan de akte gehechte lijst, en wel als volgt:
1. Toedeling aan de man
Aan de man worden toegedeeld de navolgende goederen:
- De door hem als eenmanszaak gevoerde onderneming;
- Zijn kleding en andere lijfgoederen,
- Het gedeelte van de inboedel van de echtelijke woning zoals tussen de man en de vrouw is overeengekomen en zoals weergegeven op een aan deze akte gehechte lijst;
- Een/tweede van de opgebouwde waarde van de aan de hypothecaire leenschuld gekoppelde spaarpolis bij Onderlinge ‘s-Gravenhage met polisnummer [polisnummer] ,
en voorts de schulden die vanaf één januari tweeduizend eenentwintig op zijn naam en/of door zijn toedoen nog zullen ontstaan, onder de verplichting voor de man om:
- Een bedrag wegens overbedeling aan de vrouw te voldoen groot vijfenveertigduizend euro (€ 45.731,00)
2. Toedeling aan de vrouw
Aan de vrouw worden toegedeeld de navolgende goederen:
- Haar kleding en andere lijfgoederen;
- Het gedeelte van de inboedel van de echtelijke woning zoals tussen de man en de vrouw is overeengekomen en zoals weergegeven op een aan deze akte gehechte lijst;
- Een/tweede van de opgebouwde waarde van de aan de hypothecaire leenschuld gekoppelde spaarpolis bij Onderlinge ’s-Gravenhage met polisnummer [polisnummer] ;
- Een vordering op de man groot vijfenveertigduizend zevenhonderd eenendertig euro (€ 45.731,00),
en voorts de schulden die vanaf één januari tweeduizend een eenentwintig op haar naam en/of door haar toedoen zullen ontstaan.
Gezamenlijke bankrekeningen
De man en de vrouw bezitten de volgende rekeningen:
1. [bankrekening 1] ;
2. [bankrekening 2] ;
3. [bankrekening 3] ;
4.Toprekening bij de ING Bank.
Het saldo van de spaarrekening wordt per direct tussen de man en de vrouw verdeeld. De gezamenlijke rekeningen worden opgeheven danwel door één van hen voortgezet. De op eigen naam staande bankrekeningen zet ieder voor zich voort met verdeling van de saldi tussen hen beiden.
Het saldo van de betaalrekening ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding zal per datum einde van hun gemeenschappelijke huishouding worden gedeeld. De rekening ten behoeve van hun kinderen zullen partijen voortzetten en zij zullen gezamenlijk besluiten waarvoor deze rekening wordt aangewend.
Betaling overbedelingssom
De partners zijn overeengekomen dat in het kader van vorenstaande toedeling van auto, inboedel enzovoorts, de man wegens overbedeling een bedrag groot vijfenveertigduizend zevenhonderd eenendertig euro (€ 45.731,00) aan de vrouw verschuldigd is.
Dit bedrag dient uiterlijk te zijn voldaan uiterlijk 30 (dertig) dagen na de datum van inschrijving van de beschikking van de rechter in de registers van de Burgerlijke Stand.
[…]
Artikel 5.
a. Fiscale regeling Inkomstenbelasting
De aanslagen inkomstenbelasting betrekking hebbend op de huwelijkse jaren tot en met de datum van echtscheiding komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft. Eventuele fiscale teruggaven of fiscale naheffingen over deze periode zullen door partijen bij helfte worden gedeeld.
[…]
Artikel 6.
KWIJTING, VRIJWARING
a. Partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar kwijting te verlenen.”
Bij brief van 26 januari 2023 heeft de man aan de vrouw geschreven dat hij het laatste deel van de bruto alimentatie van € 13.221,- zal verrekenen met de bijdrage van de vrouw van € 7.843,- in de naheffingen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet over 2019 en 2020. De man schrijft in deze brief dat hij na verrekening een bedrag van € 5.738,- aan de vrouw zal betalen.
De man heeft dit bedrag op 30 januari 2023 aan de vrouw betaald.
Bij brief van 20 februari 2025 heeft de advocaat van de vrouw de man verzocht om de aangiftes inkomstenbelasting 2022 en 2023 af te geven alsmede bankafschriften van de bankrekeningen en beleggingsrekeningen bij de Triodosbank en KNAB.
De advocaat van de man heeft bij brief van 6 maart 2025 geschreven dat partijen hebben afgewikkeld wat zij moesten afwikkelen en dat de man geen informatie meer zal verstrekken.
3Het geschil
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man veroordeelt om binnen een week na betekening van het vonnis aan de vrouw af te geven zijn aangiften inkomstenbelasting 2022 tot en met 2024 inclusief de onderliggende jaarstukken van diens onderneming, en voor zover de man inmiddels in loondienst is, tevens zijn jaaropgaven over voormelde jaren, alsmede de man veroordeelt aan de vrouw af te geven zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2025 tot en met 2029 inclusief de onderliggende jaarstukken van diens onderneming en voor zover de man inmiddels in loondienst is tevens zijn jaaropgaven over die jaren uiterlijk vóór 1 mei van het daaropvolgende jaar, alles op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de man daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 30.000,- per jaar;
II. verklaart voor recht dat partijen voor het bepalen van een eventueel aan de vrouw toekomende aanvullende alimentatie aan de zijde van de man jaarlijks moeten uitgaan van diens fiscale winst uit onderneming, althans het bruto jaarloon van de man, dan wel de som van die beide inkomensbestanddelen als bruto inkomen in enig jaar;
III. de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van € 32.179,- ter zake de overbedeling van de man, te vermeerderen met de helft van de saldi op de door de man aangehouden bankrekeningen bij de KNAB- en Triodosbank en de aan die rekening gekoppelde effectenrekeningen per 1 januari 2021 voor zover die saldi niet reeds zijn verdisconteerd in de jaarstukken 2020 van de man;
IV. de man veroordeelt aan de vrouw af te geven kopieën van de bankafschriften van de Triodosbank en KNAB-bank over het volledige jaar 2020, inclusief overzichten van de eventueel aan die rekeningen gekoppelde effectenrekeningen;
V. verklaart voor recht dat de man ten onrechte € 7.843,- heeft verrekend met de door hem te betalen afkoopsom betreffende de partneralimentatie;
VI. de man veroordeelt aan de vrouw het restant van de netto afkoopsom alimentatie van € 7.843,- te betalen;
VII. de man te veroordelen in de (werkelijke) proceskosten.
De man voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw met veroordeling van de vrouw in de (werkelijke) proceskosten.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig, nader ingegaan bij de beoordeling.
4De beoordeling
Doorverwijzing naar de sector Familie
De vrouw heeft op grond van artikel 3:296 van het Burgerlijk Wetboek vorderingen ingesteld die zien op nakoming door de man van de afspraken over de aanvullende partneralimentatie. Zij vordert afgifte van de (huidige en toekomstige) aangiftes inkomstenbelasting van 2022 tot en met 2029, alsmede een verklaring voor recht dat partijen voor het bepalen van een eventueel aan de vrouw toekomende aanvullende alimentatie moeten uitgaan van de fiscale winst uit onderneming althans het bruto jaarloon van de man.
De vrouw beroept zich op artikel 1 sub d van het convenant dat ziet op een aanvulling afkoop partneralimentatie. Indien het jaarinkomen van de man in de jaren 2022 tot en met 2029 hoger is dan € 66.000,-, bedraagt de aanvullende partneralimentatie 25% bruto van het meerdere, aldus de vrouw.
Het meest verstrekkende verweer van de man is dat de vrouw deze vordering bij verzoekschrift had moeten instellen. Dit verweer slaagt. In een arrest van 2 mei 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF8125) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het volgen van een verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven moet worden beschouwd, ook als daar een overeenkomst aan ten grondslag ligt. De vorderingen van de vrouw worden beschouwd als een dergelijke zaak. De rechtbank zal de vorderingen I. en II. daarom op grond van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de sector Familie van de Afdeling Privaatrecht van deze rechtbank.
Partijen worden zo nodig in de gelegenheid gesteld hun stellingen aan te passen aan de toepasselijke regels van de verzoekschriftprocedure.
Vorderingen ter zake de overbedeling
De vrouw vordert betaling van een bedrag van € 32.179,- ter zake de overbedeling van de man, te vermeerderen met de helft van de saldi op de door de man aangehouden bankrekeningen bij de KNAB- en Triodosbank. Daarnaast vordert de vrouw afgifte van de kopieën van de zakelijke bankafschriften van de Triodosbank en KNAB-bank over het volledige jaar 2020, inclusief overzichten van de eventueel aan die rekeningen gekoppelde effectenrekeningen.
Volgens de vrouw hebben partijen in het convenant geen afspraken gemaakt over de waarde van de activa en passiva behorende bij de door de man als eenmanszaak gevoerde onderneming. Een onderneming die in de vorm van een eenmanszaak wordt gedreven, is geen goed dat als zodanig in de ontbonden huwelijksgemeenschap van goederen. De toedeling van de onderneming, zoals in het convenant opgenomen, sorteert daarom geen effect. De activa moeten nog worden verdeeld, en deze moeten aan de man worden toebedeeld, aldus de vrouw.
De man betoogt dat partijen in het convenant afspraken gemaakt over de verdeling van de waarde van de eenmanszaak. Volgens deze afspraken zou de man de ‘activa en de passiva’ overnemen, bestaande uit de banksaldi van de zakelijke bankrekeningen. De man verwachtte nog aanslagen inkomstenbelasting over de winst over de jaren voorafgaand aan de scheiding, en heeft hiervoor een reservering aangehouden op zijn zakelijke bankrekening. Om die reden hebben partijen afgesproken dat de man de naheffingsaanslagen uit die reserves zou voldoen. Dit blijkt volgens de man uit een door de vrouw verstrekt Excel-overzicht.
Wanneer partijen het niet eens zijn wat zij onderling hebben afgesproken, moet de rechtbank deze afspraken uitleggen. Daarbij beoordeelt de rechtbank de afspraken aan de hand van het Haviltex-criterium (Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Overeenkomstig deze maatstaf komt het bij de uitleg van het convenant aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de hierin opgenomen bepalingen mochten toekennen en op het hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle concrete omstandigheden van belang, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
De rechtbank overweegt dat de tekst van het convenant op zichzelf duidelijk is. In artikel 3 van het convenant staat dat aan de man wordt toebedeeld de door hem als eenmanszaak gevoerde onderneming. Het is op zich juist dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen kent, en daarom geen goed is dat kan worden verdeeld, maar ook uit de door de vrouw tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting volgt dat partijen met deze zinsnede hebben beoogd dat alle activa en passiva behorende bij de onderneming zouden worden toebedeeld aan de man. Om deze reden faalt de stelling van de vrouw dat er nog sprake is van een onverdeelde gemeenschap. Voor zover de vrouw zich op het standpunt heeft gesteld dat de waarde van de onderneming op een later moment nog definitief moest worden vastgesteld, wordt dit door de rechtbank verworpen. Uit artikel 3 van het convenant volgt dat de man uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 45.731,- aan de vrouw dient te voldoen. Partijen hebben elkaar daarnaast – gelet op artikel 6 sub a van het convenant – finale kwijting verleend zonder voorbehoud. De man mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat, met het ondertekenen van het convenant, ook definitieve zekerheid was over de financiële gevolgen van de toedeling van ‘de onderneming’ aan de man.
Voor zover de vrouw betoogt dat de in het convenant gemaakte afspraken niet eerlijk zijn, dat er onvoldoende transparantie was bij het opstellen van het convenant, en dat de waarde van de onderneming veel hoger was dan destijds door de man aan haar is voorgespiegeld, gaat de rechtbank daar aan voorbij. De vrouw heeft uiteindelijk met het convenant ingestemd. Het gaat in deze procedure om de uitleg van de in het convenant gemaakte afspraken. De rechtbank kan in deze procedure daarom niet toetsen of er een ‘eerlijke’ verdeling tot stand is gekomen, of dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding in voldoende mate door de man is voorgelicht over de waarde van de onderneming.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering van de vrouw tot betaling van € 32.179,- ter zake de overbedeling van de man, te vermeerderen met de helft van de saldi op de door de man aangehouden bankrekeningen bij de KNAB- en Triodosbank, afgewezen.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van de kopieën van de bankafschriften van de Triodosbank en KNAB-bank over het volledige jaar 2020, inclusief overzichten van de eventueel aan die rekeningen gekoppelde effectenrekeningen, en dat hij deze vrijwillig aan de vrouw zal verstrekken. Dit gedeelte van de vordering hoeft door de rechtbank daarom niet verder te worden beoordeeld.
Verrekening van € 7.843,- met de afkoopsom betreffende de partneralimentatie
De vrouw vordert een verklaring voor recht dat de man ten onrechte een bedrag van € 7.843,- heeft verrekend met de door hem te betalen afkoopsom betreffende de partneralimentatie, en de betaling van dit bedrag aan haar.
Bij de beoordeling van deze vorderingen is de navolgende achtergrond van belang. Tussen partijen is niet in geschil dat uit artikel 5 sub a van het convenant volgt dat partijen de aanslagen inkomstenbelasting die betrekking hebben op de huwelijkse jaren bij helfte zouden delen. Evenmin is in geschil dat de man hiervoor een reservering op zijn zakelijke rekening heeft aangehouden, dat de naheffingen hoger dan het gereserveerde bedrag bleken te zijn, en dat de man deze naheffingen heeft betaald. Volgens de man is de vrouw gehouden om de helft van het verschil tussen de gemaakte reservering en de naheffing te betalen (ad € 7.843,-) en heeft hij dit mogen verrekenen met de door hem te betalen afkoopsom betreffende de partneralimentatie. Volgens de vrouw zijn de afspraken over de verdeling van de aanslagen inkomensbelasting alleen eerlijk als beide partijen in gelijke mate delen in de netto inkomsten van het gehele jaar. Dat is niet gebeurd. De waardering van de onderneming heeft plaatsgevonden in oktober 2020. De vrouw heeft zodoende niet gedeeld in de baten van de onderneming, terwijl zij wel dient mee te betalen aan de belasting over de door de onderneming gegenereerde inkomsten.
De rechtbank overweegt dat, nu partijen nadrukkelijk overeen zijn gekomen dat de aanslagen inkomstenbelasting die betrekking hebben op de huwelijkse jaren bij helfte worden gedeeld, de vrouw gehouden is om de helft van het verschil tussen de gemaakte reservering en de naheffingen te betalen. Voor zover de vrouw meent dat dit niet eerlijk is, geldt dat zij niet met deze afspraak had moeten instemmen. Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd kan er dus niet toe leiden dat het verschil tussen de reservering en de naheffing voor rekening van de man dient te blijven.
De vrouw heeft voorts betoogd dat de man zijn vordering niet met de vordering van de vrouw had mogen verrekenen, maar de rechtbank gaat hier niet in mee. Het is op zich juist dat verrekening met een alimentatievordering in beginsel niet mogelijk is. De achterliggende gedachte is dat alimentatie is bedoeld om de maandelijkse kosten van levensonderhoud te dekken. Verrekening kan in een dergelijk geval bij de alimentatieontvanger tot acute betalingsproblemen leiden. Daar is in dit geval geen sprake van omdat de man zijn alimentatieverplichting met een betaling van een bedrag van € 20.000,- netto ineens heeft afgekocht. De man heeft kort na de scheiding € 20.000,- aan de vrouw betaald. De vordering van de vrouw heeft betrekking op de over de afkoopsom verschuldigde belasting. Beide vorderingen houden dus verband met de in het convenant geregelde onderlinge draagplicht voor vorderingen van de belastingdienst. De rechtbank neemt om deze reden aan dat de schuld van de vrouw aan de man beantwoordt aan zijn schuld jegens de vrouw, en de man dus tot verrekening bevoegd was (artikel 6:127 lid 2 BW) .
De conclusie van het voorgaande is dat de gevorderde verklaring van recht zal worden afgewezen. De vordering tot betaling van € 7.843,- treft hetzelfde lot.
De proceskosten
De rechtbank ziet in de omstandigheid dat partijen voormalig echtgenoten zijn aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij zijn of haar eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
splitst de vorderingen sub I. en II., zoals weergegeven onder 3.1, en
- beveelt dat het afgesplitste deel van de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,
- verwijst het afgesplitste deel van de procedure in de stand waarin deze zich bevindt naar de sector Familie van deze rechtbank,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn of haar eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
||
3516
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
