Rechtbank Rotterdam 01-09-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13083

Essentie (gemaakt door AI)

Aangehouden verzoek om aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp waarin na eerdere VOTS en spoed-MUHP geen ruimte is voor voortzetting, omdat de onafhankelijke gedragswetenschapper niet instemt art. 6.1.2, vijfde lid, Jeugdwet. Open plaatsing is wenselijk maar niet beschikbaar. Minderjarige werkt mee aan behandeling en keert terug naar moeder. Uitsluitend een zeer korte verlenging van de gesloten uithuisplaatsing wordt verleend voor twee dagen (4–6 september) om praktische overdracht te borgen; het overige wordt afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Kinderrechter mag gedragswetenschapper niet overhalen: geen gesloten plaatsing kind
Hoewel positieve zaken te benoemen zijn, zijn er overwegend zorgen. Kind wil naar moeder. Open plaatsing beter; niet beschikbaar. Gedragswetenschapper stemt niet in met gesloten plaatsing. Kind mag waarmaken. Korte verlenging MUHP.

Datum publicatie05-10-2026
ZaaknummerC/10/724650 / JE RK 26-1586
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Gesloten jeugdzorg;
Familieprocesrecht; Hoor en wederhoor
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Geen gesloten-MUHP na eerdere VOTS en spoed-MUHP omdat de onafhankelijke gedragswetenschapper niet instemt. Plaats op een open groep is wenselijk, maar niet beschikbaar.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/724650 / JE RK 26-1586

Datum uitspraak: 1 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen: de Raad, gevestigd in Rotterdam,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,

advocaat mr. A. Apistola, kantoorhoudend in Zwijndrecht.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonend in [woonplaats 1] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonend in [woonplaats 2] ,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Dordrecht,

hierna te noemen: de GI, gevestigd in Dordrecht.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikkingen van 7 en 11 augustus 2026 van de kinderrechter, en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • de briefrapportage van de Raad van 27 augustus 2026, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag;

  • de verklaring van de gedragswetenschapper van 27 augustus 2026, ontvangen door de rechtbank op 28 augustus 2026.

1.2.

Op 1 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- [minderjarige] (middels videoverbinding, zie hierna onder 1.3) met haar advocaat;

  • de moeder;

  • de vader (zie hierna onder 1.3);

- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] ;

- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .

1.3.

[minderjarige] heeft voorafgaande aan de zitting aangegeven dat zij haar vader niet wil zien en dat zij niet gelijktijdig met hem in de zaal wil zijn, ook niet via een videoverbinding. De vader heeft er bezwaar tegen gemaakt dat hij niet bij de zitting aanwezig kon zijn. De kinderrechter heeft er voor gekozen om de zitting te splitsen, in een deel waar [minderjarige] wel en de vader niet bij was en een deel waar de vader wel en [minderjarige] niet bij was. Hierdoor heeft de vader aan het grootste deel van de zitting niet kunnen deelnemen, maar het belang dat [minderjarige] deelnam aan de zitting woog voor de kinderrechter zwaarder. De kinderrechter heeft daarbij het beginsel van hoor en wederhoor in acht genomen. De uitspraak is eerst gedaan in aanwezigheid van [minderjarige] en daarna herhaald in de aanwezigheid van de vader.

1.4.

Voorafgaand aan de zitting heeft de kinderrechter [minderjarige] (in aanwezigheid van haar advocaat) gesproken om haar mening te horen buiten de aanwezigheid van de overige belanghebbenden. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling 1] .

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 augustus 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 november 2026. Daarnaast is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 4 september 2026. [minderjarige] en de overige belanghebbenden zijn hierover gehoord op 11 augustus 2026. De beslissing is toen voor het overig verzochte aangehouden.

2.4.

De gedragswetenschapper heeft in zijn verklaring van 27 augustus 2026 niet ingestemd met een verdere gesloten opname.

3Het (aangehouden) verzoek

3.1.

De Raad heeft verzocht om:

  1. een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden,

  2. een machtiging om [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken,

  3. een aansluitende machtiging voor verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling,

en om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Op de verzoeken sub a en b is al beslist en de belanghebbenden zijn daarover op 11 augustus 2026 gehoord. Er resteert nog een beslissing op het verzoek sub c.

3.3.

De Raad heeft op de zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd, maar dan voor een kortere duur dan is verzocht. Er bestaan nog altijd ernstige zorgen over [minderjarige] en het is belangrijk dat de GI en de ouders de tijd krijgen om een vangnet te creëren en hulpverlening in te zetten. De afgelopen tijd is [minderjarige] nog niet toegekomen aan een behandeling en er zijn veel risico’s als [minderjarige] teruggaat naar de moeder.

4. De standpunten

4.1.

Door en namens [minderjarige] is ter zitting het volgende meegedeeld. [minderjarige] verzoekt het resterende deel van het verzoek af te wijzen, omdat de gedragswetenschapper niet instemt met een gesloten plaatsing voor haar. [minderjarige] kan instemmen met een korte verlening tot en met 5 september 2026, zodat zij dan bij haar moeder kan worden teruggeplaatst.

4.2.

Het standpunt van de GI is als volgt. Na de vorige zitting is er gekeken naar mogelijke verblijfslocaties voor [minderjarige] en er heeft op 20 augustus 2026 een groot overleg plaatsgevonden. Er is geen geschikte open groep voor [minderjarige] gevonden. Ze is of geweigerd vanwege de complexiteit van haar problemen, of er was een wachtlijst van 45 weken tot een jaar (alleen [woongroep] moet nog laten weten of, en zo ja, wanneer, [minderjarige] geplaatst kan worden). Opname op een crisisplek is in de regio op dit moment niet mogelijk voor meer dan een nacht. Gegeven het feit dat de gedragswetenschapper niet instemt met een langere gesloten opname en het feit dat er nu geen open groep beschikbaar is, zal [minderjarige] naar de moeder moeten. De GI wil daarom zo snel mogelijk afspraken maken met [minderjarige] en de moeder en het gezin aanmelden voor ambulante spoedhulp. De GI hoopt dat er snel alsnog een passende open plek beschikbaar komt voor [minderjarige] waar er passende hulpverlening wordt geboden. Verder wil de GI hulpverlening inzetten voor zowel [minderjarige] als de moeder en is [minderjarige] aangemeld voor intensieve traumabehandeling van [zorginstelling 2] . [minderjarige] heeft hier eerder niet voor open gestaan, maar zij lijkt hier op dit moment wel open voor te staan.

4.3.

De moeder heeft op de zitting het volgende meegedeeld. De moeder ziet liever niet dat [minderjarige] verblijft op een gesloten groep. De moeder vindt het belangrijk dat er een veiligheidsplan wordt opgesteld en dat [minderjarige] met regels naar haar terug kan. Een praktisch punt is dat de moeder direct na de zitting voor werk naar het buitenland gaat en pas op 5 september 2026 weer thuis zal zijn. De moeder verzoekt daarom de machtiging te verlengen voor de duur van enkele dagen.

4.4.

Op de zitting heeft de vader het volgende aangevoerd. De vader vindt het jammer hoe de afgelopen tijd is verlopen. De hulpverlening is inmiddels een jaar betrokken en er is geen sprake van een positieve ontwikkeling. Verder is het diagnostisch onderzoek nog steeds niet afgerond, waardoor er nog geen duidelijkheid is over de problematiek van [minderjarige] . Er is geen goed behandelplan beschikbaar voor [minderjarige] . Hoewel [minderjarige] nu veilig zit bij [zorginstelling 1] , krijgt zij geen behandeling vanuit [zorginstelling 3] omdat het een kort verblijf betreft. Het duurt allemaal te lang.

5De beoordeling

5.1

In de beschikkingen van 7 en 11 augustus 2026 heeft de kinderrechter al beschreven welke zorgen er over [minderjarige] zijn. [minderjarige] is het met die zorgen niet eens, maar de kinderrechter vindt dat zij de zaken te licht voorstelt. De zorgen zijn groot en ze zijn niet wezenlijk afgenomen door het verblijf van [minderjarige] in [zorginstelling 1] . Wel staan tegenover die zorgen een aantal positieve zaken in het leven van [minderjarige] : ze gaat naar school (VWO) en is daar gemotiveerd voor en ze heeft een bijbaantje. Ook heeft [minderjarige] na enkele weken gesloten plaatsing voor ogen dat zij absoluut geen gesloten plaatsing wil en geeft zij aan behandeling te zullen accepteren.

5.1.

De kinderrechter wil niet verhullen dat hij zich onderaan de streep nog steeds zorgen maakt over [minderjarige] . Dat maakt dat de kinderrechter haar op dit moment niet zou willen terugplaatsen bij de moeder. Er zijn echter geen alternatieven. Een gesloten plaatsing kan wettelijk gezien niet omdat de gedragswetenschapper niet instemt, 1 en een open plek is op dit moment niet beschikbaar. De vader heeft gevraagd of de kinderrechter de onafhankelijke gedragswetenschapper op zitting kan horen, naar de kinderrechter begrijpt om te kijken of deze niet alsnog wil instemmen met een gesloten plaatsing. Dit past echter niet bij de rol van de onafhankelijke gedragswetenschapper bij een gesloten plaatsing: zijn (of haar) instemming met een gesloten plaatsing is een wettelijk vereiste en een bescherming van de minderjarige dat niet te lichtvaardig wordt overgegaan tot een gesloten plaatsing. Daar past niet bij dat de kinderrechter (of een ouder, of de GI) de gedragswetenschapper probeert over te halen om zijn opvatting te wijzigen. Overigens staat de gedragswetenschapper niet alleen in zijn opvatting dat [minderjarige] niet langer gesloten moet zitten; ook [zorginstelling 1] vindt dat.

5.2.

[minderjarige] heeft aangegeven naar huis te willen en mee te zullen werken aan behandeling en begeleiding. [minderjarige] krijgt de gelegenheid om dat waar te maken. Het is de komende tijd van belang dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt met de moeder en [minderjarige] en dat er ambulante spoedhulp wordt ingezet. Verder is het van belang dat [minderjarige] ook echt meewerkt aan de hulpverlening en dat de gesprekken met [zorginstelling 3] doorgaan. [minderjarige] is slim en lijkt realistisch genoeg om te beseffen dat het niet meewerken met de GI het risico verhoogt dat zij weer gesloten geplaatst wordt, mogelijk zelfs buiten de regio. De kinderrechter gaat er vanuit dat de GI in de komende periode de mogelijkheid van een open groep verder onderzoekt, zodat er – als het thuis niet gaat – hopelijk toch nog een open alternatief kan worden gevonden.

5.3.

Er resteert één praktisch punt. De huidige spoedmachtiging loopt tot 4 september 2026 en eindigt dus op 3 september 2026. De moeder is pas op 5 september 2026 weer thuis. Iedereen is het er op zich wel mee eens dat [minderjarige] dus nog twee dagen extra bij [zorginstelling 1] moet blijven, maar [zorginstelling 1] heeft aangegeven dat dit niet zonder machtiging kan. Om dit in het belang van [minderjarige] op te lossen verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee dagen, te weten tot 6 september 2026. Dan kan zij op 5 september 2026 naar huis. Dit wordt naar het oordeel van de kinderrechter voldoende afgedekt door de eerdere instemmingsverklaring die ten grondslag lag aan de spoedmachtiging en door de feiten en omstandigheden zoals die voorliggen.

5.4.

De kinderrechter wijst het meer of anders verzochte af.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 september 2026 tot 6 september 2026;

6.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 10 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733