Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding waarin verdeling van een vóór 2018 ontstane gemeenschap en vergoedingsrechten uit uitgesloten schenkingen centraal staan. Woning wordt aan man toegedeeld met taxatie- en uitkoopspoorboekje; onverdeeldheid en voortgezet gebruik door vrouw worden afgewezen. Man heeft vergoedingsrechten m.b.t. inleg, aflossingen en investeringen in de woning; rechtbank past beleggingsleer toe en geeft rekenmethodes. Beleggingsrekening (€60.000) en boot (€32.400) zijn privé. Bijdrage woonlasten afgewezen. Verbeurdverklaring art. 3:194 lid 2 BW afgewezen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 05-10-2026 |
| Zaaknummer | C/09/678432 / FA RK 25-212 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Vergoedingsrechten art. 1:87 |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Scheiding met verdeling. vergoedingsrechten. beleggingsleerVolledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-212 (echtscheiding) en FA RK 25-3669 (verdeling
Zaaknummer: C/09/678432 (echtscheiding) en C/09/685355 (verdeling)
Datum beschikking: 28 augustus 2026
Scheiding
Beschikking op het op 10 januari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.S. Meijer te Wageningen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Braat te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het F9-formulier van 21 februari 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
-
het verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken tevens aanvullende verzoeken;
-
het F9-formulier van 28 mei 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 5 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 6 juni 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
-
het F9-formulier van 17 juni 2026 van de zijde van de man, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige] heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.
Op 18 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn partijen met hun advocaten verschenen. Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Door de advocaat van de man zijn aanvullende stukken overgelegd.
Feiten
-
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats] .
-
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
-
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
-
Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat het ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant deel uitmaken van de te wijzen echtscheidingsbeschikking;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als volgt:
- bepaling dat de echtelijke woning van partijen aan [adres] , toegedeeld wordt aan de man tegen een waarde van € 640.000,- waarbij de te verdelen overwaarde tussen partijen verrekend zal worden met inachtneming van de vergoedingsrechten van de man;
- bepaling dat de inboedel zal worden verdeeld conform de door de man opgestelde inboedellijst;
- bepaling dat de man uit hoofde van zijn vergoedingsrechten een vordering heeft op de gemeenschap van ten minste € 241 .597,94 danwel dat de man uit hoofde van zijn vergoedingsrecht een vordering heeft op de gemeenschap van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
- bepaling dat de vrouw aan de man € 247,- met voldoen, te weten de helft van de factuur voor de uitgevoerde taxatie van de woning;
- bepaling dat de vrouw € 3.816,35 aan de man moet voldoen ter zake de door de man voor de vrouw voorgeschoten woonlasten met ingang van datum indienen verzoekschrift tot aan het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning (17 juli 2025) en te bepalen dat de vrouw gehouden is met ingang van de datum dat de vrouw vertrokken is uit de woning, te weten 17 juli 2025 tot aan het moment van notarieel transport van de woning gehouden is bij te dragen, bij helfte, in de eigenaarslasten van de woning, ten bedrage van € 315,- per maand;
- bepaling dat de vrouw met ingang van 1 juli 2025 gehouden is voor de helft bij te dragen in de lasten van de boot van partijen tot aan het moment dat de vrouw de boot heeft verlaten.
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat het ouderschapsplan onderdeel zal uitmaken van de beschikking;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als volgt:
- ( woning) primair: bepaling dat aan de vrouw op grond van artikel 1:165 BW het voortgezet gebruik van de woning wordt toegekend en in samenhang met dit verzoek de echtelijke woning onverdeeld zal blijven voor een periode van drie jaar op grond van artikel 3:178 lid 3 BW, waarbij de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning;
- subsidiair: bepaling dat de woning aan de vrouw zal worden toebedeeld tegen een waarde van € 640.000,- onder de gehoudenheid dat de man zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek en de vrouw aan de man zal voldoen de helft van de overwaarde, waarbij rekening wordt gehouden met het aan de vrouw uit hoofde van de verbeurdverklaring toekomende bedrag van € 181.594,79 PM, waarbij aan de vrouw een periode van zes maande wordt geboden teneinde de financiering voor de woning te verkrijgen;
- toedeling aan de vrouw van de bankrekeningen a. [rekeningnummer 1] en b. [rekeningnummer 2] , waarbij het op de peildatum aanwezige saldo ten bedrage van € 22,59 bij helfte wordt gedeeld;
- toedeling aan de man van de bankrekeningen c. [rekeningnummer 3] , d. [rekeningnummer 4] , e. [rekeningnummer 5] , f. [rekeningnummer 6] en g. [rekeningnummer 7] , waarbij het op de peildatum aanwezige saldo ten bedrage van € 15.770,10 bij helfte wordt gedeeld;
- bepaling dat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 78.715,- op grond van artikel 3:194 BW dan wel subsidiair dat de man een bedrag van € 78.715,- dient te vergoeden aan de gemeenschap waarna een verdeling bij helfte volgt;
- toedeling aan de man van de beleggingsrekening SAXO INVEST [rekeningnummer 8] , waarbij aan de vrouw toekomt uit hoofde van de verbeurdverklaring van het bedrag van € 60.000,- waarna het op de peildatum aanwezige restant saldo van € 19.413,92 bij helfte wordt gedeeld danwel subsidiair indien het verzoek van de verbeurdverklaring wordt afgewezen dat het gehele saldo per peildatum van € 79.413,92 bij helfte wordt gedeeld;
- toebedeling aan de man van de vordering op de stichting [stichting] onder vergoeding van de helft van de waarde van € 50.000,- aan de vrouw;
- toebedeling van de eenmanszaak [bedrijfsnaam] aan de man onder vergoeding van de helft van de waarde daarvan aan de vrouw;
- toedeling aan de man van de boot, waarbij aan de vrouw uit hoofde van de verbeurdverklaring een bedrag van € 32.400,- te vermeerderen met de helft van het door de man gestelde bedrag van € 3.600,- dat is voldaan uit het gemeenschappelijk vermogen danwel subsidiair indien het verzoek ter zake van de verbeurdverklaring afgewezen wordt onder vergoeding van de helft van de waarde van € 36.000,- aan de vrouw;
- verdeling van de inboedel bij helfte met gesloten beurzen conform de door de vrouw in het geding gebrachte inboedellijst;
- ( vergoedingsrechten) primair: afwijzing van het verzoek van de man ter zake de vergoedingsrechten en bepaling dat de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in de gemeenschap verbeurd en aan de vrouw uit dien hoofde zal toekomen een bedrag van € 181.594,79 PM + € 60.000,- + € 32.400,- vermeerderd met de wettelijke rente, dan wel een ander door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- subsidiair: bepaling dat de man aan de vrouw op grond van artikel 6:162 BW een schade dient te vergoeden ten bedrage van € 273.994,79 PM (€ 181.594,79 PM + € 60.000,- + € 32.400,-) vermeerderd met de wettelijke rente dan wel meer subsidiair de hoogte van de schadevergoeding in goede justitie vast te stellen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding zijn daarom op de wet gegrond en worden toegewezen.
Opname ouderschapsplan
Partijen verzoeken beiden het door hen ondertekende ouderschapsplan op te nemen in de beschikking.
De afspraken in het ouderschapsplan acht de rechtbank in het belang van [minderjarige] en zal zij daarom overeenkomstig het verzoek van partijen deel laten uitmaken van deze beschikking. De rechtbank zal een kopie van het ouderschapsplan aan de beschikking hechten.
Verdeling
Gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW) .
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, namelijk 10 januari 2025. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Omvang
Door partijen is gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen (mogelijk) tot de wettelijke gemeenschap behoren:
-
de echtelijke woning;
-
diverse bankrekeningen, spaarrekeningen en beleggingsrekeningen;
-
de eenmanszaak [bedrijfsnaam] ;
-
e Stichting [stichting] ;
-
de inboedel;
-
een auto en de boot.
a. echtelijke woning
De vrouw verzoekt de echtelijke woning voor de duur van drie jaar onverdeeld te laten, zodat zij kan proberen de financiën rond te krijgen om de man uit te kopen. Subsidiair verzoekt zij toedeling van de echtelijke woning aan haar voor € 640.000,-. Daarnaast verzoekt de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, voor de duur van zes maanden. Ter zitting heeft zij aangegeven dat bij toedeling aan de man gelet op het tijdsverloop dit op basis van een nieuwe taxatie dient plaats te vinden.
De man verzet zich tegen het door de vrouw verzochte en wil de echtelijke woning ook toebedeeld krijgen. Onverdeeldheid is volgens de man geen optie, en hij vindt dat de vrouw alternatieve mogelijkheden heeft. Het verzoek met betrekking tot het voortgezet gebruik moet volgens de man afgewezen worden, omdat de vrouw niet degene is die nu de woning bewoont, terwijl dat een expliciet vereiste is.
De rechtbank zal de echtelijke woning toebedelen aan de man, waarbij geldt dat de woning getaxeerd zal moeten worden. De rechtbank zal hiervoor een spoorboekje opnemen in de beslissing. De rechtbank bepaalt verder dat partijen samen de kosten van de taxateur betalen.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om de woning onverdeeld te laten zal afwijzen. De rechtbank acht het in dit stadium onvoldoende aannemelijk dat de vrouw financieel in staat zal zijn de woning over te nemen en acht in dat licht de gevraagde onverdeeldheid ongerechtvaardigd. De rechtbank zal wel in het spoorboekje opnemen dat de woning wordt verkocht aan een derde indien de man niet in staat blijkt de echtelijke woning over te nemen. Het verzoek van de vrouw tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning wijst de rechtbank af nu onbestreden is dat de vrouw thans niet in de woning woont.
b. bankrekeningen
De vrouw heeft twee rekeningen op haar naam, een bankrekening en een spaarrekening bij de ABN AMRO, eindigend op [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] . Deze rekeningen worden toebedeeld aan de vrouw, onder verdeling van de saldi bij helfte per peildatum.
De man heeft een ING bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] , een Rabobankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] en een Rabobankspaarrekening eindigend op [rekeningnummer 5] alsmede een creditcardrekening. Deze rekeningen worden toebedeeld aan de man, onder verdeling van de saldi bij helfte.
De vrouw stelt dat de man naast de rekening bij de Binckbank een rekening bij Saxo invest heeft. Deze beide rekeningen moeten worden verdeeld. De man heeft onderbouwd betwist dat het om twee aparte bankrekeningen gaat. Hij heeft de rekening bij de Binckbank, gevoed met gelden afkomstig uit schenkingen. Het saldo komt om die reden alleen aan de man toe.
De rechtbank zal deze rekening in het navolgende bespreken onder ‘vergoedingsrechten uit op grond van schenkingen’.
c. eenmanszaak [bedrijfsnaam]
De vrouw wil dat de eenmanszaak [bedrijfsnaam] toebedeeld wordt aan de man, onder vergoeding van de helft van de waarde aan haar. De man stemt in met de toebedeling van de eenmanszaak aan hem, maar acht verrekening niet aan de orde, omdat de eenmanszaak volgens hem geen waarde heeft.
Het is de rechtbank gebleken dat partijen het er over eens zijn dat, behalve de rekening, de eenmanszaak geen waarde vertegenwoordigt. De rechtbank bepaalt daarom dat de bankrekening van de eenmanszaak bij helfte moet worden verdeeld per de peildatum.
d. Stichting [stichting]
Door de vrouw is naar voren gebracht dat de man een vordering heeft op de Stichting [stichting] die moet worden verdeeld. De man verweert zich hiertegen onder overlegging van afschriften waaruit blijkt dat de eerdere vordering inmiddels is afgelost. Er is daarom niets meer te verdelen volgens hem.
De rechtbank ziet verder niet dat de Stichting [stichting] eigendom is van de man, laat staan dat de stichting in de gemeenschap valt. Nu ook geen sprake meer is van een openstaande vordering beslist de rechtbank dat deze stichting buiten de beoordeling blijft.
e. inboedel
Partijen hebben beiden een inboedellijst overgelegd en verzoeken de verdeling conform die lijsten. Ter zitting is gebleken dat de inboedellijst van de vrouw gevolgd kan worden, met dien verstande dat de kleding van de man bij de man blijft. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.
f. Auto en boot
Door de vrouw is in het verweerschrift van 18 maart 2025 naar voren gebracht dat er een auto tot de gemeenschap behoort. De rechtbank gaat er bij gebreke aan een nader geconcretiseerd verzoek, en gelet op het feit dat er in alle overige processtukken en op de zitting geen verzoek over rondom de auto is genoemd, vanuit dat partijen hieromtrent geen nadere beslissing behoeven.
Ter zitting is de boot besproken. De man heeft gesteld dat de boot door hem is aangekocht met gelden uit uitgesloten schenkingen. De rechtbank zal de boot daarom in het navolgende bespreken.
Vergoedingsrechten op grond van schenkingen
Juridisch kader
Artikel 1:94 Burgerlijk Wetboek (OBW) geldend ten tijde van het huwelijk van partijen
1. Van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen.
2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van:
a. goederen ten aanzien waarvan bij [..] de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.
1. Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding.
2. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte:
a. is in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed;
b. komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.
3. Ten aanzien van de vergoeding gelden voorts de volgende regels:
a.[..];
b. ter zake van goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, beloopt de vergoeding steeds het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen; [..]
5. Kan de vergoeding overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
1. Een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen. Voor zover de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot een vergoeding aan de gemeenschap. Het beloop van de vergoeding wordt bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid.
2. Indien een goed tot de gemeenschap gaat behoren en een echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, komt deze echtgenoot een vergoedingsvordering toe, waarvan het beloop overeenkomstig artikel 87 tweede en derde lid, wordt bepaald.
De echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld van de gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een tot de gemeenschap behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid.
Schenkingen
De man stelt dat hij tijdens het huwelijk een drietal schenkingen van zijn ouders heeft ontvangen onder uitsluiting. Ter onderbouwing van de schenking uit 2014 heeft de man een verklaring van zijn ouders overgelegd. Gegevens van de storting zijn thans niet meer beschikbaar, aldus de man. Ter onderbouwing van de schenkingen uit 2018 en 2019 heeft de man schenkingsaktes overgelegd, met daarin de uitsluitingsclausules.
De vrouw heeft in eerste instantie de uitsluiting ter zake van de schenking van 2014 erkend en nadien niet de schenkingsakte met uitsluiting, maar wel de feitelijke schenking ter discussie gesteld. Zij stelt zich verder op het standpunt dat de schenkingsaktes van 2018 en 2019 geantedateerd zijn. De aktes zijn niet voorafgaand of tegelijkertijd met de betreffende schenking opgemaakt. De vrouw kwalificeert deze handelwijze tevens als een poging om geld aan de gemeenschap te onttrekken. Subsidiair is volgens de vrouw sprake van een onrechtmatige daad.
De rechtbank acht het mede gelet op de verklaring van de ouders en het gegeven dat de vrouw de schenking en uitsluiting in eerste instantie heeft erkend, en de aankoop van de woning, voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen schenking in 2014 ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, ondanks het ontbreken van de betreffende bankafschriften. Voorts ziet de rechtbank in de uitvoerige onderbouwing van de vrouw van haar stelling dat de door de man overgelegde aktes ter zake van de gestelde schenkingen van 2018 en 2019 vals en/of geantedateerd zijn, onvoldoende aanleiding om er vanuit te gaan dat deze aktes niet echt zijn. De aktes zijn kort voor de door de man gestelde schenkingsdata ondertekend. De spelfouten doen daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank acht daarbij niet onaannemelijk dat voor de schenkingen door de ouders, ook gebruik is gemaakt van concepten, waarin al dan niet geslaagde wijzigingen zijn aangebracht. Voor zover de vrouw in dit verband een beroep heeft gedaan op verbeurdverklaring en onrechtmatige daad wijst de rechtbank dit verzoek af.
De rechtbank stelt daarom vast, nu zij voorbij gaat aan het standpunt van de vrouw dat de schenkingsaktes vals zijn, dat aan de man, conform de aktes en de verklaring, een bedrag van in totaal € 185.000,- onder uitsluiting is geschonken.
Vergoeding
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van het bedrag van de drie schenkingen die hij onder uitsluiting heeft ontvangen. Met dit privévermogen heeft hij onder meer zijn beleggingsrekening gevoed, maar ook geïnvesteerd in de echtelijke woning. Daarnaast heeft de man nog een aantal schenkingen ontvangen van zijn ouders die niet uitgesloten zijn. Deze laatste schenkingen horen in de gemeenschap en zijn aangewend voor gemeenschapsschulden.
Op de zitting is door de vrouw, afgezien van de schenking in 2014, erkend dat de ouders van de man schenkingen aan hem gedaan hebben, welke zijn gestort op de rekening bij de Rabobank die eindigt op . [rekeningnummer 4] . De vrouw stelt zich echter op het standpunt dat sprake is van vermenging. De bedragen die onder uitsluiting zijn geschonken en de bedragen die niet onder uitsluiting zijn geschonken zijn met elkaar vermengd geraakt en het is niet duidelijk welke bestedingen zijn gedaan met de uitgesloten danwel niet-uitgesloten gelden. De door de man gestelde bedragen, de financiering van een deel van de echtelijke woning, de aflossing op de hypotheek, reparatie van de echtelijke woning en beleggingen, kunnen zowel met privévermogen als met gemeenschapsgeld zijn voldaan.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat vermenging in beginsel niet in de weg staat aan een vergoedingsrecht aan de man vanuit de gemeenschap.
De rechtbank ziet in de onderhavige zaak daar ten aanzien van de schenkingen van de ouders van de man gestort op de [rekeningnummer 4] -rekening ook geen aanleiding toe, nu, zo al sprake zou zijn van vermenging, het gaat om vermenging van schenkingen onder uitsluiting door de ouders van de man met schenkingen van de ouders van de man die niet waren uitgesloten van de gemeenschap. Ter zitting is in dit verband door de vrouw verklaard dat zij zelf nimmer gelden op de [rekeningnummer 4] -rekening heeft gestort.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de stortingen vanaf de [rekeningnummer 4] -rekening op de Binckrekening al volgt. Door de man is, onbetwist, naar voren gebracht dat tussen 2019 en 2020, dat wil zeggen de periode waarin vanaf de [rekeningnummer 4] -rekening gelden werden overgemaakt naar de Binckrekening, geen niet-uitgesloten schenkingen naar de [rekeningnummer 4] -rekening werden overgemaakt, zodat van vermenging op de Binckrekening zoals door de vrouw betoogd geen sprake kan zijn. Het saldo op de Binckrekening, gevoed met de uitgesloten schenkingen ter hoogte van € 60.000,-, kom de man dus toe en valt buiten de gemeenschap.
De rechtbank overweegt vervolgens dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat de boot niet tot de gemeenschap behoort, maar door de man is aangekocht met € 32.400,-, vanuit de [rekeningnummer 4] -rekening en een aanbetaling van € 3.600,- uit gemeenschappelijk vermogen. Dit betekent dat de man ingevolge artikel 1:95, eerste lid BW eigenaar is van de boot en de schenking ten belope van € 32.400,- is uitgegeven en niet tot een verder vergoedingsrecht leidt. Tevens geldt gelet op voornoemd artikel dat een vordering van de gemeenschap op de man bestaat, à € 3.600,- welke vordering ertoe leidt dat de man de vrouw € 1.800,- dient te vergoeden, welk bedrag de rechtbank gelet op het vierde lid van laatstgenoemd artikel schat.
Ten aanzien van de gelden die de man vanaf de [rekeningnummer 4] -rekening heeft aangewend voor de aankoop van de woning, met initieel € 25.000,- en ter aflossing van de hypotheek € 36.000,- voor het opknappen van de woning € 24.273,- en € 6.880,- komt de rechtbank tot het oordeel dat een vergoedingsrecht bestaat, nu deze betalingen uit uitgesloten schenkingen afkomstig zijn. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat de vrouw stelt dat geen vergoeding van de schenkingen aan de orde is, gelet op de jurisprudentie die erop ziet dat echtgenoten gezamenlijk aan de kosten van de huishouding moeten bijdragen op grond van artikel 1:84 BW. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de onderbouwde stellingen van de man onvoldoende is betwist dat de man zijn aandeel in de kosten van de huishouding heeft voldaan met de schenkingen die niet onder uitsluiting zijn ontvangen.
Daarbij is niet gebleken dat er een tekort aan inkomen danwel vermogen was dat maakte dat de man met zijn privévermogen moest bijdragen aan de kosten van de huishouding of andere gemeenschapsschulden. Gezamenlijke huishoudkosten staan derhalve niet aan een vergoedingsrecht in de weg.
Beleggingsleer
De man verzoekt op zijn vergoedingsrecht de beleggingsleer toe te passen. Bij de aankoop van de echtelijke woning heeft hij een bedrag van € 25.000,- voldaan vanuit de schenking onder uitsluiting. Verder heeft hij met geld dat is uitgesloten van de gemeenschap afgelost op de hypotheek (€ 36.000,-), geïnvesteerd in het dakterras (€ 24.273,-) van de echtelijke woning en de kozijnen vervangen (€ 6.880,-). Op al deze bedragen is de beleggingsleer van toepassing, nu de echtelijke woning in waarde is gestegen, aldus de man.
De vrouw verzet zich (subsidiair) tegen de toepassing van de beleggingsleer. Met name voor wat betreft het dakterras en de vervanging van de kozijnen. Kozijnen vallen volgens de vrouw onder regulier onderhoud of de kosten van de huishouding. Hetzelfde geldt voor het dakterras. Mocht de rechtbank een en ander wel aanmerken als investeringen in de woning, dan beroept de vrouw zich op het feit dat de aanpassingen van zo’n recente datum zijn dat er geen waardevermeerdering aan kan worden gekoppeld.
De rechtbank acht gelet op het geldende kader, mede gelet op de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, artikel V, van 1 januari 2012, de beleggingsleer van toepassing op de betalingen ter zake van de verkrijging van de woning op grond van artikel 1:95 BW.
De rechtbank acht op grond van artikel 1:96, vierde lid BW, ook ten aanzien van de betalingen voor het dakterras en de kozijnen de beleggingsleer van toepassing, nu, naar het oordeel van de rechtbank, deze investeringen geen betrekking hebben op goederen die naar hun aard zijn bestemd om te worden verbruikt, als bedoeld in het derde lid onder b van artikel 1:87 BW, waarop de vrouw kennelijk haar verweer stoelt.
De rechtbank overweegt voorts dat het voor de toepassing van de beleggingsleer verschil uitmaakt of sprake is van een betaling ten behoeve van verkrijging (1:95 BW), danwel een betaling van een schuld ten behoeve van een gemeenschappelijk goed, zoals de factuur van de aannemer (1:96 BW); artikel 1:87, tweede lid BW onder a, respectievelijk onder b.
In het eerste geval geldt de berekeningswijze: (inleg uit privé / waarde bij aankoop) x waarde bij verkoop. In het tweede geval geldt (verbouwingskosten / waarde ten tijde van verbouwing + verbouwingskosten) x waarde bij verkoop. Voor de bepaling van de waarde van de woning ten tijde van de verbouwing acht de rechtbank de WOZ-waarde, zoals door de man ook voorgesteld, redelijk.
De rechtbank zal, nu de woning nog moet worden getaxeerd, in het dictum de berekeningswijze van de verschillende vergoedingsrechten aanduiden.
Verrekening
De rechtbank zal in redelijkheid bepalen dat de vergoedingsrechten van de man verrekend worden met de overwaarde van de echtelijke woning. Uit de overwaarde van de echtelijke woning dient dus eerst de vordering van de man te worden voldaan, voordat de resterende overwaarde zal worden verdeeld, hetgeen bij uitkoop door de man per saldo tot uitdrukking zal komen in de uitkoopsom die de man aan de vrouw dient te voldoen.
Bijdrage woonlasten en bijdrage boot
De man heeft op de zitting zijn verzoek met betrekking tot een bijdrage in de kosten die hij maakt voor de boot ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op behoeft te beslissen.
De man verzoekt nog wel een bijdrage in de woonlasten. Hij woont sinds 17 juli 2025 met uitsluiting van de vrouw in de echtelijke woning en heeft sindsdien alle woonlasten betaald. De man verzoekt € 3.816,35 voor de woonlasten, en € 315,- aan eigenaarslasten.
Door de vrouw is aangevoerd dat er geen grondslag is voor het verzoek van de man. Op grond van artikel 1:81 BW zijn echtgenoten elkaar immers getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. De man heeft de vrouw onrechtmatig uit de woning gezet en de vrouw alle toegang tot de (gezamenlijke) rekeningen ontzegd. Zij kon niet voldoen aan enige financiële verplichting, terwijl de man zijn verplichting op grond van artikel 1:81 BW niet na kwam. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
De rechtbank overweegt dat partijen inderdaad op grond van artikel 1:81 BW gehouden zijn elkaar het nodige te verschaffen gedurende het huwelijk. Partijen zijn ook nog gehuwd.
De rechtbank overweegt voorts dat niet is gebleken dat de man meer dan zijn aandeel in de kosten van de huishouding (op grond van artikel 1:84 BW) heeft voldaan. De rechtbank wijst het verzoek tot een bijdrage in de woonlasten daarom af.
Taxatie echtelijke woning
Partijen hebben gezamenlijk een opdracht tot taxatie van de echtelijke woning gegeven, die begin januari 2026 is uitgevoerd. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van de kosten hiervan betaalt. Het gaat dan om een bedrag van € 247,-. De vrouw is het niet eens met het verzoek.
Omdat partijen gezamenlijk de opdracht tot taxatie hebben gegeven, acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw de helft van de kosten draagt. De vrouw moet aan de man daarom een bedrag van € 247,- betalen.
Verbeurdverklaring
Door de vrouw is naar voren gebracht dat de uit de aangifte IB 2023 van de man volgt dat het saldo van de bankrekeningen in dat jaar € 94.486,- bedraagt, terwijl hij zich op het standpunt stelt dat het saldo op de peildatum € 15.770,10 is. De man heeft geen inzicht gegeven in wat met dit saldo gebeurd is en waarom er ongeveer € 80.000,- minder op de rekeningen staat. De vrouw stelt daarom dat de man opzettelijk tot de gemeenschap behorend vermogen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, waardoor hij zijn aandeel op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd. De vrouw wijst er verder op dat de man zijn boot verhuurde aan meneer [naam] , en daar geld voor ontving. Dit geld is niet op een rekening gestort die in de gemeenschap van partijen valt.
De man vindt dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De man geeft volledige openheid van zaken en heeft al zijn banktransacties overgelegd. Er is geen sprake van opzettelijk verzwijgen van vermogen, noch van zoekmaken of verborgen houden.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de man geld heeft verzwegen, verborgen of zoekgemaakt, temeer nu de man de nodige bankafschriften en transacties overgelegd heeft.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de inkomsten van de zijde van de heer [naam] als volgt. De man heeft hierover verklaard dat hij geen inkomsten uit huur ontving, maar de bankpas van meneer [naam] mocht gebruiken, hetgeen de vrouw niet heeft betwist. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen geld is weggemaakt. Dat de man geen girale huurinkomsten heeft gehad, maar de overeenkomst heeft afgehandeld middels het gebruik van de bankpas van de huurder, betekent niet dat gelden aan de gemeenschap zijn onttrokken zoals bedoeld door de vrouw.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaats] ;
*
neemt op de door partijen getroffen onderlinge regelingen, zoals neergelegd in het (in kopie) aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan;
*
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap – onder de voorwaarde van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand – het volgende:
1. met betrekking tot de woning, gelegen aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening en polissen:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en zo nodig te verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b. de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c. de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. Deze overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur. Hierbij geldt dat de vordering van de man op de gemeenschap uit hoofde van zijn vergoedingsrechten, eerst dient te worden voldaan uit de overwaarde, alvorens deze bij helfte wordt verdeeld;
d. de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden, dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. Deze overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur. Hierbij geldt dat de vordering van de man op de gemeenschap uit hoofde van zijn vergoedingsrechten, eerst dient te worden voldaan uit de overwaarde, alvorens deze bij helfte wordt verdeeld;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. de bank-, spaar- en creditcardrekeningen op naam van de man, worden aan de man toegedeeld, en de bank- en spaarrekeningen op naam van de vrouw worden aan de vrouw toegedeeld, waarbij de saldi van de rekeningen per peildatum bij helfte worden verdeeld;
3. het saldo van de rekening van de eenmanszaak van de man moet op de peildatum bij helfte tussen partijen worden verdeeld, waarbij de man deze rekening zal voortzetten;
4. de inboedel wordt verdeeld conform de door de vrouw overgelegde inboedellijst, zonder nadere verrekening, waarbij geldt dat de kleding van de man bij de man blijft;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man moet voldoen een bedrag van € 247,- voor de taxatie van de echtelijke woning;
*
bepaalt dat de man de vrouw ter zake van de boot een bedrag van € 1.800 dient te voldoen;
*
bepaalt het vergoedingsrecht van de man ter zake van zijn inbreng in de verkrijging van en de aflossingen op de woning op een som gelijk aan: ((25.000 + 36.000)/215.000) x de getaxeerde waarde van de woning;
*
bepaalt het vergoedingsrecht van de man ter zake van het dakterras op een som gelijk aan: 24.273 / (24.273 + 415.000) x de getaxeerde waarde van de woning;
*
bepaalt het vergoedingsrecht van de man ter zake van de kozijnen op een som gelijk aan:
6.880 / (6.880 + 655.000) x de getaxeerde waarde van de woning;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 augustus 2026. |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
