Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-07-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7906

Essentie (gemaakt door AI)

Wijzigingsverzoek van man tot nihilstelling/verlaging partneralimentatie afgewezen wegens ontbreken van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden; de verdiencapaciteit van vrouw is, mede gezien beperkte belastbaarheid en inzetbaarheid, niet hoger dan ten tijde van het convenant. Zelfstandig verzoek van vrouw deels toegewezen: de in maart 2023 gesloten ‘extra overeenkomst’ kwalificeert als overeenkomst over levensonderhoud. Stopzetting van €268 per maand is relevante wijziging; partneralimentatie wordt per 1 januari 2026 vastgesteld op €981 per maand. Ver

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Man verzoekt alimentatieverlaging maar krijgt alimentatieverhoging: hoe kan dat?
Man dient een wijzigingsverzoek tot nihilstelling/verlaging PAL in. Rb: een rechtens relevante wijziging van omstandigheden ontbreekt. Vrouw doet onder verwijzing naar ‘extra overeenkomst’ een tegenverzoek tot verhoging, en wordt gevolgd.

Datum publicatie05-10-2026
ZaaknummerC/02/438755 / FA RK 25-4172
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsMiddelburg
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden die tot herbeoordeling partneralimentatie leidt, beoordeling pf overeenkomst een 'overeenkomst over levensonderhoud' betreft

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/438755 / FA RK 25-4172

Datum uitspraak: 20 juli 2026

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Kalle te Middelburg,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Braat te Den Haag.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 12 augustus 2025 ontvangen verzoekschrift wijziging alimentatie van de man, met bijlagen;

- het op 3 november 2025 ontvangen verweerschrift van de vrouw, met bijlagen;

- het op 21 april 2026 ontvangen aanvullend verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken van de vrouw, met bijlagen;

- het op 5 juni 2026 ontvangen aanvullend verzoekschrift, tevens verweerschrift zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen;

- de brief van mr. Braat van 9 juni 2026, met bijlagen.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 22 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat en de advocaat van de vrouw (via een online verbinding). De vrouw is, met voorafgaande kennisgeving, niet in persoon verschenen.

2De feiten

2.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van [datum 1] 2023 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum 2] 2023 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

2.2

In de beschikking van [datum 1] 2023 is voorts, voor zover hier van belang, de inhoud van het door partijen ondertekende convenant, waarvan een afschrift aan die beschikking is gehecht, opgenomen en zijn partijen over en weer veroordeeld na te komen hetgeen zij daarin zijn overeengekomen.

2.3.

In het aan voornoemde beschikking gehechte convenant, dat door partijen op 3 januari 2023 is ondertekend, zijn partijen, voor zover relevant, het navolgende overeengekomen:

(..)

“2.1 Partneralimentatie

  1. Rekening houdend met het inkomen uit arbeid dat door beide partijen wordt verdiend komen partijen tot de volgende partneralimentatie. De man verstrekt aan de vrouw een partneralimentatie van € 450,- bruto per maand, te voldoen op de eerste van de maand door bijschrijving op een door de vrouw. Partijen zijn ermee bekend dat de hiervoor genoemde partneralimentatie belast is bij de ontvanger en bij de betaler als persoonsgebonden aftrek in aanmerking mag worden genomen.

  2. Partijen zijn zich ervan bewust dat op het moment dat één van partijen een beroep dient te doen op een bijstandsuitkering, de betreffende gemeente een verhaalrecht heeft op de andere partner. De gemeente zal hiertoe een alimentatieberekening uitvoeren. De daaruit voortkomende alimentatieverplichting kan afwijken van hetgeen hier is vastgesteld.

  3. Dit is vastgesteld op basis van de door partijen beschikbaar gestelde gegevens, te weten: Inkomen [de man] uit loondienst van bruto € 51.030,- per jaar. Inkomen [de vrouw] uit loondienst van bruto € 15.964,- per jaar.

2.2

Inkomen van de alimentatiegerechtigde

  1. Bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw is rekening gehouden met haar huidige inkomsten uit arbeid die € 15.964,- bruto per jaar bedragen.

  2. Indien de eigen arbeidsinkomsten van de vrouw in toekomst stijgt naar meer dan € 18.144,- zal de alimentatie verlaagd worden met 60% van het meerdere boven de € 18.144,-.

  3. Het peilmoment is jaarlijks op 1 januari. De vrouw zal haar inkomen voor het nieuwe jaar dan opgeven.

  4. De man zal gedurende het jaar geen vragen stellen mbt het inkomen van de vrouw.

(..)

2.4

Duur partneralimentatie

  1. Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht volgens de wettelijke bepalingen (maximaal) 4 jaar en 216 dagen duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk.

  2. Zulks met dien verstande dat de vrouw tot uiterlijk 3 maanden na verstrijken van de termijn verlenging van deze termijn kan vragen. Verlenging is alleen mogelijk als de beëindiging van de alimentatie voor de vrouw dermate ingrijpende gevolgen heeft dat de beëindiging in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid.

2.5

Partijen zijn in de tussen hen in maart 2023 ondertekende ‘extra overeenkomst’ het navolgende overeengekomen:

“ In aanvulling op het convenant dat tussen ons is afgesproken, hebben we besloten om een extra afspraak te maken over de terugbetaling van de overwaarde die vrijkomt als [de man] de woning verkoopt binnen vijf jaar. Zie artikel 3.5 van het convenant.

Omdat wij beiden liever hebben dat dit bedrag wordt afgelost, hebben wij afgesproken dat [de man] in maandelijkse termijnen van € 268,- gaat overmaken aan [de vrouw] .

De betaling loopt totdat de € 14.750,- is afgelost. Dit is na 55 maanden.

Daarnaast spreken we af dat de betaling stopt mocht [de vrouw] in die periode gaan samenwonen.”

3De verzoeken

3.1

De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen overeengekomen bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw, bekrachtigd bij beschikking van [datum 1] 2023, te wijzigen en de bijdrage met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op nihil te bepalen althans op een lager bedrag vast te stellen dan het thans geldende bedrag.

3.2.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren danwel het verzoek van de man af te wijzen en te bepalen dat de vrouw niet langer gehouden zal zijn om in januari van ieder jaar haar inkomensgegevens te delen. Bij aanvullend verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw -in aanvulling op het in het verweerschrift geformuleerde petitum- te bepalen dat de man onder wijziging van de overeenkomsten d.d. 13 januari 2023 en 24 maart 2023 met ingang van 1 december 2025 aan de vrouw zal voldoen een partneralimentatie van € 1.500,- bruto per maand, doch ten minste van € 1.132,- bruto per maand.

3.3.

De man voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vrouw. Hij handhaaft zijn eerdere verzoek op dezelfde en aanvullende gronden en verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, het aanvullend verzoek van de vrouw geheel af te wijzen en een eventuele hogere alimentatie vast te stellen vanaf de datum van indiening van het aanvullende verzoekschrift van de vrouw.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang, hierna ingegaan.

4De beoordeling

Nihilstelling / verlaging alimentatie (verzoek man)

4.1.

De man stelt zich op het standpunt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden welke gelegen is in de verdiencapaciteit van de vrouw. Ten tijde van het opstellen van het convenant kon de vrouw met haar eigen inkomsten nog niet volledig in de kosten van haar eigen levensonderhoud voorzien. Inmiddels (ten tijde van de indiening van het verzoekschrift: ruim twee jaar na de echtscheiding) moet de vrouw in staat worden geacht wel volledig in de kosten van haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en heeft zij geen behoefte meer aan een bijdrage van de man danwel is zij niet langer behoeftig.

4.2.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat partijen in het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Om die reden kan pas tot wijziging worden overgegaan als sprake is van een wijziging van omstandigheden die met zich brengt dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan hetgeen is overeengekomen kan worden gehouden. Hiervan is volgens de vrouw geen sprake. De stelling van de man dat de vrouw twee jaar na de scheiding in staat zou moeten zijn om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien, kan niet gekwalificeerd worden als een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man niet aan de overeenkomst kan worden gehouden. Bovendien is de vrouw beperkt belastbaar en heeft zij op dit moment geen inkomen uit arbeid omdat zij niet werkt.

Wettelijk kader

4.3.

De rechtbank merkt allereerst op dat zij het verweer van de vrouw dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven onbesproken laat. Zelfs als wordt uitgegaan van de, voor de man, meest gunstige maatstaf van artikel 1:401 lid 1 BW, is, zoals hierna wordt overwogen, niet gebleken van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die herbeoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigt.

4.4.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.

Ontvankelijkheid

4.5.

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, gelegen in de inspanningsverplichting en daarmee de verdiencapaciteit van de vrouw. Vaststaat dat de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen een netto besteedbaar inkomen van € 1.230,= had en dat zij op dit moment geen inkomen uit arbeid heeft, zodat sprake is van gewijzigde omstandigheden en de man ontvankelijk is in zijn verzoek. De vraag is echter of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de door de man te betalen partneralimentatie rechtvaardigt. Die vraag zal de rechtbank hierna beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat, op grond van artikel 1:156 BW, een aanspraak op partneralimentatie slechts bestaat als de alimentatiegerechtigde, in dit geval de vrouw, niet voldoende inkomsten heeft om in de eigen behoefte te voorzien of deze in redelijkheid niet kan verwerven. In dit artikel ligt de zogenaamde inspanningsverplichting besloten die, in dit geval, op de vrouw rust. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de man, als alimentatieplichtige, het recht heeft om periodiek te (laten) toetsen of de vrouw aan de op haar rustende inspanningsverplichting voldoet. Dat partijen in hun echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat de door de man te betalen bijdrage verlaagd wordt als de arbeidsinkomsten van de vrouw stijgen naar meer dan € 18.144,- (per jaar) doet daar niet aan af. Het niet nakomen van een inspanningsverplichting kan onder omstandigheden reden zijn voor wijziging van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw ten tijde van het opstellen van het convenant van 13 januari 2023 inkomsten uit arbeid had en dat die inkomsten onvoldoende waren om in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gebleken is dat de vrouw op dit moment helemaal geen inkomen uit arbeid heeft. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of van de vrouw verwacht kan worden dat zij thans volledig in de kosten van haar eigen levensonderhoud voorziet. De rechtbank beantwoordt die vraag negatief en overweegt daartoe als volgt.

4.8.

Namens de vrouw is onbetwist gesteld dat de vrouw op jonge leeftijd haar middelbare school heeft beëindigd en geen diploma heeft behaald. Voldoende gemotiveerd is onderbouwd dat de vrouw zich zowel voor als tijdens het huwelijk heeft ingespannen om betaalde arbeid te verrichten, maar dat deze inspanningen nooit hebben geleid tot behoud van werk en inkomen. De man heeft ook erkend dat de vrouw gedurende het huwelijk slechts beperkt werkzaam is geweest en dat het haar niet is gelukt om structureel en duurzaam betaalde werkzaamheden te verrichten. Ook de werkzaamheden van de vrouw in de (online/fysieke) kledingwinkel die de vrouw gedurende het huwelijk, met behulp van de man, is opgestart, hebben niet geleid tot een duurzame bron van inkomsten. Bovendien is namens de vrouw voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij deze winkel niet zelfstandig kon runnen en daarbij werd ondersteund door de man. De baan die de vrouw ten tijde van het uiteengaan van partijen bij [winkel 2] had en waarmee zij een bruto jaarinkomen van € 15.964,=, zijnde € 1.230,- netto per maand, verdiende, heeft zij evenmin kunnen behouden. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat uit de overlegde medische stukken volgt dat de vrouw in de ziektewet zit en gediagnostiseerd is met een posttraumatische stressstoornis. Uit de overgelegde rapportage van de studiebegeleider van de vrouw en het ‘advies studietoelage’ van een adviserend arts volgt dat de vrouw beperkt inzetbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de gestelde diagnose en overgelegde rapportages te twijfelen en gaat dan ook uit van een beperkte belastbaarheid en inzetbaarheid van de vrouw. De beperkingen van de vrouw vinden bovendien bevestiging in het feit dat de vrouw, ondanks eerdere inspanningen, niet in staat is gebleken werkzaamheden duurzaam te behouden.

4.9.

Onder voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aan de vrouw geen hogere verdiencapaciteit toegedicht kan worden dan waar partijen in 2023 van zijn uitgegaan. Voor zover de man bedoeld heeft te stellen dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij werkt in plaats van een opleiding volgt en daarmee dan in staat zou zijn in haar eigen levensonderhoud te voorzien, gaat de rechtbank aan dat standpunt voorbij. Gelet op haar beperkte opleiding, beperkte arbeidsverleden en beperkte belastbaarheid is niet aannemelijk dat de vrouw indien zij geen opleiding zou volgen in staat zou zijn een hoger inkomen te verwerven dan waar partijen ten tijde van het opstellen van het convenant van uit zijn gegaan. De rechtbank kent aan de vrouw ook geen lagere verdiencapaciteit toe. De keuze van de vrouw om een opleiding te volgen, waardoor zij, gelet op haar beperkte belastbaarheid en inzetbaarheid niet in staat is om te werken, komt voor haar eigen rekening en risico.

4.10.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat ten opzichte van de situatie waar partijen in 2023 van zijn uitgegaan zich in de verdiencapaciteit van de vrouw geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de alimentatie rechtvaardigt. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.

Verhoging alimentatie (zelfstandig verzoek vrouw)

4.11.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de ‘extra overeenkomst’ die partijen in maart 2023 hebben gesloten, aangemerkt dient te worden als een overeenkomst over levensonderhoud. Nu de man het in die overeenkomst overeengekomen bedrag van € 268,= per maand niet meer aan de vrouw betaalt, is sprake van een wijziging van omstandigheden. De vrouw wenst vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud conform de diverse door partijen gemaakte afspraken.

4.12.

De man betwist dat de ‘extra overeenkomst’ uit maart 2023 aangemerkt dient te worden als een overeenkomst over levensonderhoud. De overeenkomst ziet op terugbetaling van overwaarde van de echtelijke woning die vrijkomt op het moment dat de man de woning binnen 5 jaar verkoopt. Nu deze ‘extra overeenkomst’ geen betrekking heeft op levensonderhoud is wijziging op grond van artikel 1:401 lid 1 BW niet aan de orde.

Overeenkomst over levensonderhoud?

4.13.

Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden moet eerst beoordeeld worden of de ‘extra overeenkomst’ van maart 2023 een overeenkomst over levensonderhoud betreft. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.14.

Tussen partijen staat vast dat de in 2023 overeengekomen, door de man te betalen, bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw begrensd is door de draagkracht van de man. Bij het verweerschrift van de vrouw bevindt zich onder andere een berekening van de draagkracht van de man, waaruit volgt dat de man een draagkracht had van € 925,= bruto per maand (te weten € 504,= netto per maand). Uit de als productie 5 bij het aanvullend verweerschrift van de vrouw overgelegde e-mail van ‘de Scheidingspraktijk’ volgt dat de man bij een partneralimentatie van € 925,= bruto per maand niet in de (voormalig) echtelijke woning kon blijven wonen. Dat zou wel kunnen bij een partneralimentatie van € 450,= bruto per maand, zijnde € 258,= netto per maand. In de eveneens als productie 5 overgelegde e-mail van ‘ [winkel 1] ’ staat dat de alimentatie is vastgesteld op een bedrag van € 450,= per maand. Verder staat in die e-mail:“Daarnaast zal [de man] iedere maand een bedrag aan [de vrouw] schenken zodat de netto bijdrage aan het levensonderhoud van [de vrouw] hetzelfde blijft. Hiervoor wordt na de scheiding een overeenkomst opgemaakt.” Zoals hiervoor vermeld is in de (na de echtscheiding) tussen partijen gesloten ‘extra overeenkomst’ van maart 2023 overeengekomen dat de man een bedrag van € 268,= per maand aan de vrouw betaalt. Een bedrag dat nagenoeg exact correspondeert met het resterende bedrag dat -naast de door de man te betalen partneralimentatie van € 450,= bruto per maand- nodig was om tot aan de grens van de draagkracht van de man te voldoen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Uit hetgeen over en weer door partijen naar voren is gebracht, volgt dat de vrouw de man in staat wilde stellen de voormalig echtelijke woning over te nemen, zodat zij akkoord is gegaan met een ‘formele’ partneralimentatie van € 450,= bruto per maand. Anderzijds wilde de man de vrouw na de scheiding financieel ondersteunen om haar een nieuwe start te geven en omdat zij behoefte had alimentatie. Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ‘extra overeenkomst’ van maart 2023 niet anders gezien kan worden dan dat deze is gesloten met het oog op de financiële verzorging van de vrouw na het einde van de relatie. De man is het overeengekomen bedrag na het uiteengaan van partijen ook daadwerkelijk aan de vrouw gaan betalen, ondanks dat geen sprake was van verkoop van de woning. Ook hieruit blijkt dat het overeengekomen bedrag gericht was op het voorzien in de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Tenslotte volgt ook uit inhoud en strekking van de overeenkomst dat deze ziet op een voorziening in levensonderhoud. Zo is uitdrukkelijk overeengekomen dat betalingsverplichting van de man zou stoppen indien de vrouw zou gaan samenwonen; een beëindigingsgrond die kenmerkend is voor een onderhoudsverplichting.

4.15.

Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de ‘extra overeenkomst’ van maart 2023 naar haar aard en strekking een overeenkomst over levensonderhoud is.

Ontvankelijkheid

4.16.

Zoals onder 4.4. van deze beschikking is overwogen kan een overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man het in de ‘extra overeenkomst’ van maart 2023 overeengekomen bedrag van € 268,= per maand met ingang van 1 januari 2026 niet meer aan de vrouw betaalt. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage rechtvaardigt.

Inhoudelijke beoordeling

4.18.

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Ingangsdatum

4.19.

De rechtbank zal een hierna nader te bepalen partneralimentatie vaststellen met ingang van 1 januari 2026, nu de man met ingang van deze datum een deel van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw niet meer voldoet.

Behoefte vrouw

4.20.

Partijen zijn het erover eens dat de, op de hofnorm gebaseerde, behoefte van de vrouw ten tijde van hun uiteengaan in 2022 € 2.649,= netto per maand bedroeg. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte met ingang van 1 januari 2026 € 3.240,= netto per maand.

Aanvullende behoefte vrouw (behoeftigheid)

4.21.

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven.

4.22.

Ten tijde van het uiteengaan van partijen had de vrouw een netto besteedbaar inkomen, of te wel: een verdiencapaciteit, van € 1.230,= per maand. Gebleken is dat de vrouw op dit moment een opleiding volgt. Zij heeft geen inkomen uit arbeid heeft. De rechtbank begrijpt dat een opleiding kan bijdragen aan verbetering van de toekomstige verdienmogelijkheden van de vrouw. Echter, niet gebleken is dat de vrouw arbeidsongeschikt is en in zijn geheel niet in staat zou zijn om te werken. Zoals ook onder 4.9. van deze beschikking is overwogen, komt de keuze van de vrouw om haar (toch al beperkte) capaciteit in te zetten om een opleiding te volgen in plaats van te werken voor haar eigen rekening en risico. De financiële gevolgen van deze keuze kunnen daarom niet op de man afgewenteld worden.

4.23.

De rechtbank zal bij de vaststelling van de aanvullende behoefte van de vrouw uitgaan van de verdiencapaciteit van de vrouw zoals zij die had ten tijde van het uiteengaan van partijen, te weten € 1.230,= netto per maand. Zoals onder 4.9. van deze beschikking is overwogen kan aan de vrouw geen hogere verdiencapaciteit toegedicht worden. Rekening houden met de wettelijke indexering stelt de rechtbank de huidige verdiencapaciteit van de vrouw vast op € 1.504,66 netto per maand.

4.24.

Het vorengaande betekent dat de vrouw een aanvullende behoefte van (afgerond) € 1.735,= netto per maand heeft.

Draagkracht man

4.25.

De man heeft bij zijn verweerschrift op het aanvullende verzoek van de vrouw een draagkrachtberekening overgelegd, waaruit volgt dat de man een draagkracht van € 981,= bruto per maand heeft. Nu deze berekening door de vrouw niet is betwist, gaat de rechtbank van deze draagkracht van de man uit.

4.26.

De draagkracht van de man is niet voldoende om volledig te kunnen voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw. Dit betekent dat de man met zijn volledige draagkracht moet bijdragen en dus een bedrag van € 981,= per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

Inkomensvergelijking

4.27.

Partijen hebben in 2023 een inkomensvergelijking gemaakt waaruit volgt dat (pas) bij een partneralimentatie van € 1.167,= per maand sprake is van een situatie waarin partijen hetzelfde te besteden hebben. Nu, behoudens wettelijke indexering, er ten aanzien van de (fictieve) verdiencapaciteit en de (aanvullende) behoefte van de vrouw niets is gewijzigd ten opzichte van de situatie in 2023 en het inkomen en de draagkracht van de man ten opzichte van die situatie niet veel hoger zijn geworden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een inkomensvergelijking.

Conclusie

4.28.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige partneralimentatie. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2026 wijzigen in € 981,= per maand. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de reeds door de man betaalde bedragen hierop in mindering strekken.

4.29.

De rechtbank merkt tenslotte nog op dat de echtscheidingsbeschikking op [datum 2] 2023 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Rekening houdend met van toepassing zijnde duur van de door de man te betalen partneralimentatie eindigt de verplichting van de man tot betaling van die partneralimentatie in beginsel in november 2027.

Delen inkomensgegevens

4.30.

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij niet langer gehouden zal zijn om in januari van ieder jaar haar inkomensgegevens te delen, zal de rechtbank afwijzen nu de grondslag van dit verzoek op geen enkele wijze is gesteld dan wel onderbouwd.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt de beschikking van [datum 1] 2023 en het daarvan deel uitmakende convenant van 13 januari 2023 voor wat betreft de daarin opgenomen partneralimentatie alsmede de ‘extra overeenkomst’ van maart 2023 als volgt:

bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 981,= per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen, onder verrekening van de bedragen die de man reeds aan de vrouw heeft voldaan;

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733