Essentie (gemaakt door AI)
Verzetprocedure waarin is geoordeeld dat de woning van de vrouw niet in de wettelijke beperkte gemeenschap valt. De man is ongerechtvaardigd verrijkt doordat hij door een constructie mede‑gerechtigd werd tot de vordering uit de verkoop aan zijn beheervennootschap. Het verzoek van de man tot vernietiging slaagt slechts deels: de veroordelingen tot betaling van € 216.045,48 en € 59.106,40 blijven in stand. Wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 7 januari 2026. Beslagkosten worden toegewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 01-10-2026 |
| Zaaknummer | C/10/718107 / HA ZA 26-338 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Eigen woning; Wettelijke beperkte gemeenschap |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verzetprocedure. Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De woning van de vrouw viel daar niet in. Vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking.Volledige uitspraak
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718107 / HA ZA 26-338
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.P. Groenendijk,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Sangar.
1De kern van het geschil
Partijen zijn op [datum] in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen gehuwd. De vrouw had een eigen woning en die viel niet in deze beperkte gemeenschap van goederen. Maar door onder andere een door de man bedachte constructie met zijn beheervennootschap heeft uiteindelijk de man wel en de vrouw niet geprofiteerd van de verkoop van de woning aan derden in 2025. De vrouw heeft een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt alsmede deze procedure, waarin de man bij verstek is veroordeeld om de helft van de opbrengst van de woning in 2025 aan de vrouw te betalen, en voorts een bedrag van bijna € 60.000. In deze verzetprocedure vordert de man vernietiging van dat vonnis. Hij erkent echter wel dat hij de helft van de verkoopopbrengst van de woning aan de vrouw moest betalen. Dat heeft hij intussen ook gedaan. De rechtbank oordeelt dat de man ook het andere bedrag aan de vrouw moet betalen. De wettelijke rente is toegewezen, maar pas vanaf latere data dan de vrouw vorderde. Hieronder ligt de rechtbank de beslissingen toe.
2De procedure
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van de vrouw van 23 december 2025 in de zaak met zaaknummer C/10/713036 / HA ZA 26-33, met producties 1 tot en met 10;
- de stukken van de op 9 december 2025 en 10 december 2025 op verzoek van eiseres en ten laste van gedaagde gelegde conservatoire beslagen, alsmede het daartoe op 5 december 2025 verkregen verlof;
- het verstekvonnis van deze rechtbank van 18 februari 2026 in de zaak met zaaknummer C/10/713036 / HA ZA 26-33;
- de verzetdagvaarding van de man van 25 maart 2026 in onderhavige verzetzaak, met producties 1 tot en met 3;
- de brieven van de rechtbank van 8 mei 2026, waarin mondelinge behandeling is bepaald op 7 augustus 2026;
- de brieven van de rechtbank van 2 juli 2026, waarin mondelinge behandeling is gewijzigd en is bepaald op 4 augustus 2026;
- het bericht van de man van 3 augustus 2026, met daarbij de koopovereenkomst van 21 augustus 2020;
- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
Partijen hebben sinds 2011 een affectieve relatie. Op [datum] zijn partijen met elkaar in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen gehuwd, dus zonder het opmaken van huwelijksvoorwaarden.
De man was voorafgaand aan het huwelijk, en is nog steeds, enig eigenaar van de woning aan [adres 1] te ( [postcode 1] ) [woonplaats] (hierna: de woning van de man).
De vrouw was voorafgaand aan het huwelijk enig eigenaar van de woning aan [adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaats 1] (hierna: de woning of de woning van de vrouw).
Enige tijd na het huwelijk, op 21 augustus 2020, hebben de man en de vrouw gezamenlijk een koopovereenkomst gesloten met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) voor de verkoop van de woning van de vrouw aan [bedrijf] voor een koopprijs van € 199.000,00. De man en de vrouw staan allebei in de koopovereenkomst vermeld als verkopers.
Op 26 augustus 2020 is de woning geleverd aan [bedrijf] . Op de notariële leveringsakte, opgemaakt door [notaris] , staan de man en de vrouw gezamenlijk vermeld als ‘Verkoper’. Daarbij staat vermeld “met elkaar gehuwd zonder het maken van huwelijkse voorwaarden”.
Van de koopprijs is € 118.212,79 omgezet in een geldlening van ‘de Verkoper’ aan [bedrijf] :
“KWIJTING
Verkoper en koper zijn overeengekomen de koopprijs als volgt te voldoen:
- (…);
- het resterende deel van de koopprijs groot honderd achttienduizend tweehonderd twaalf euro en negenenzeventig cent (€ 118.212,79) zal worden omgezet in een geldlening;
(…)
Ter uitvoering van voormelde overeenkomst verklaart koper hierbij ten titel van geldlening schuldig te erkennen aan verkoper een bedrag van honderd achttienduizend tweehonderd twaalf euro en negenenzeventig cent (€ 118.212,79) onder de voorwaarden, zoals tussen verkoper en koper zijn overeengekomen en welke aan verkoper en koper genoegzaam bekend zijn en waarvan partijen geen verdere omschrijving wensen. Verkoper aanvaardt voormelde schuldigerkenning.”
Het restant van de koopprijs, te weten € 80.787,21, is door [bedrijf] voldaan.
In de notariële leveringsakte staat ook vermeld:
“VOORGAANDE VERKRIJGING
Het Verkochte is door Verkoper sub 1.b. in eigendom verkregen (…) op drie november tweeduizend acht (…).
[De vrouw], voornoemd, is op [datum] te [plaats 2] gehuwd in gemeenschap van goederen met [de man], voornoemd. Het Verkochte is door genoemd huwelijk in de gemeenschap van goederen gevallen.”
Daarbij wordt met Verkoper sub 1.b. de vrouw bedoeld.
Het door [bedrijf] betaalde deel van de koopsom (€ 80.787,21) is gebruikt om het restant van de hypothecaire schuld van de vrouw (van € 80.587,56) af te lossen en om de kosten van de notaris te voldoen.
Ten tijde van de levering van de woning aan [bedrijf] was de man bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf] . Op een later moment is de vrouw eveneens bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] geworden.
Vier maanden na de notariële levering van de woning aan [bedrijf] , op 24 december 2020, is de economische eigendom van de woning met een onderhandse akte door [bedrijf] verkocht aan de man en de vrouw voor een prijs van € 205.980,00. Daarvan hebben de man en de vrouw € 118.212,79 betaald door verrekening van dat deel van de koopprijs met hun even grote vordering (zie 3.5) op [bedrijf] . Het restant van de koopprijs (€ 87.767,21) is door [bedrijf] gefinancierd, waarvoor [bedrijf] met de man en de vrouw een aparte financieringsovereenkomst is overeengekomen.
Op 25 april 2025 hebben [bedrijf] , de man en de vrouw, de woning verkocht aan derden voor € 431.908,00. De levering vond op 13 juni 2025 plaats. De verkoopopbrengst van € 432.090,95 is op 16 juni 2025 op verzoek van de man door de notaris overgemaakt op de Spaanse bankrekening van de man en later door de man overgeboekt naar een Duitse bankrekening op naam van de man.
In september 2025 heeft de vrouw zich tot advocaat [naam advocaat] gewend met het verzoek voor haar een echtscheidingsprocedure te starten.
Op 21 oktober 2025 heeft de [notaris] op verzoek van de vrouw toegelicht hoe één en ander bij de levering van de woning aan [bedrijf] (op 26 augustus 2020) is gegaan. [notaris] schrijft dat in alle concepten van de leveringsakte en de conceptnota’s van afrekening alleen de vrouw als verkoopster van de woning van de vrouw staat vermeld. Op de dag waarop de akte is gepasseerd
-
i) is de man ook als verkoper in de akte opgenomen,
-
ii) is daarin opgenomen de tekst: “[De vrouw], voornoemd, is op [datum] te [plaats 2] gehuwd in gemeenschap van goederen met [de man], voornoemd. Het Verkochte is door genoemd huwelijk in de gemeenschap van goederen gevallen.”, en
-
iii) is de naam van de man toegevoegd aan de kop van de nota van afrekening.
Waarom dat is gebeurd, kan de [notaris] niet achterhalen. De [notaris] biedt aan de akte te rectificeren in die zin dat de man niet als verkoper had moeten aangemerkt omdat tussen partijen sprake is van een beperkte huwelijksgemeenschap van goederen.
Op 5 december 2025 verkreeg de vrouw van de Voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam verlof tot het leggen van conservatoir beslag op de woning van de man voor een vordering van € 548.509,00, met bepaling dat de eis in de hoofdzaak binnen veertien dagen na het eerstgelegde beslag dient te worden ingesteld.
Op 9 december 2025 heeft de vrouw beslag gelegd op de woning van de man. Het beslag is op 9 december 2025 om 11.35 uur ingeschreven in het kadaster. Op 10 december 2025 heeft de vrouw het beslag aan de man betekend.
Op 24 maart 2026 heeft de man € 216.045,48 aan de vrouw voldaan, voor de helft van de verkoopopbrengst (€ 431.908,00) van de woning, toen deze op 13 juni 2025 aan derden werd geleverd.
4Het geschil
De vrouw vorderde bij inleidende dagvaarding (zaak met zaaknummer C/10/713036 / HA ZA 26-33) om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen:
I. € 59.106,40 aan haar te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 26 augustus 2020, dan wel 24 december 2020, dan wel 23 december 2025;
II. € 216.045,48 aan haar te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 16 juni 2025, dan wel 23 december 2025; en
III. in de proces- en beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen I en II van de vrouw toegewezen, is de man veroordeeld in de proceskosten van de vrouw, begroot op in totaal € 3.781,00, bestaande uit € 93,00 aan griffierecht, € 3.499,00 aan salaris advocaat en € 189,00 aan nakosten. Daarnaast is de man veroordeeld om € 92,00 plus de kosten van betekening aan gedaagde extra te betalen, als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
De man vordert in het verzet om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verstekvonnis te vernietigen en de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen en de proceskostenveroordeling te herzien in die zin dat de proceskosten tussen partijen wordt gecompenseerd, voor zover daarbij meer of anders is toegewezen dan de door de man erkende vordering van € 216.045,48 (dus zonder de vermeerdering met wettelijke rente daarover); alsmede
II. de proceskosten in deze verzetzaak eveneens te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beoordeling
Verzet van de man
Het verzet wordt geacht tijdig en op de juiste wijze te zijn ingesteld, nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, zodat de man in zijn verzet kan worden ontvangen.
De man moet € 59.106,40 aan de vrouw betalen (vordering I van de vrouw)
De vrouw stelt dat de man met het bedrag van € 59.106,40 ongerechtvaardigd is verrijkt. De verrijking heeft als volgt plaatsgevonden. Bij de levering van de woning van de vrouw aan [bedrijf] (op 26 augustus 2020) betaalde [bedrijf] niet de hele koopprijs, maar is [bedrijf] met de ‘Verkoper’ een geldlening aangegaan voor precies de overwaarde van de woning van de vrouw bij die verkoop, te weten € 118.212,79. De bij de verkoop aan [bedrijf] behaalde opbrengst (die overwaarde dus) kwam feitelijk alleen de vrouw toe, maar in de leveringsakte van 26 augustus 2020 was ten onrechte de man als medeverkoper aangemerkt, zodat op papier de man samen met de vrouw de vordering op [bedrijf] verkreeg ter grootte van het door [bedrijf] geleende bedrag. Vervolgens, bij de verkoop door [bedrijf] van de economische eigendom van de woning aan de man en de vrouw gezamenlijk, hebben partijen samen de aan [bedrijf] verschuldigde koopprijs ten dele voldaan door de koopprijs voor dat deel te verrekenen met de schuld van [bedrijf] . Door die verrekening op dat moment werd de man zonder deugdelijke rechtsgrond mede-economisch eigenaar van de woning. Al met al werd de man hiermee ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de vrouw met de helft van de vordering op [bedrijf] , dus voor € 59.106,40, en is hij aan de vrouw een schadevergoeding verschuldigd ter grootte van dat bedrag, aldus de vrouw. Van verrijking van de man was reeds sprake vanaf het moment dat de man samen met de vrouw de vordering verkreeg op [bedrijf] van in totaal € 118.212,79.
De man betwist de vordering van de vrouw. Volgens de man heeft - kort gezegd - geen daadwerkelijke concrete vermogensverschuiving plaatsgevonden, en is daardoor geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW. Het bedrag van € 118.212,79 is bij de levering van de woning aan [bedrijf] niet voldaan door [bedrijf] , maar omgezet in een geldlening, en vervolgens bij de latere levering van de economische eigendom verrekend met de koopprijs. Daardoor is de helft van het bedrag van € 118.212,79 nimmer aan de man uitgekeerd en ook niet anderszins in zijn vermogen gevloeid, aldus de man.
Verder voert de man aan dat partijen bij het aangaan van hun relatie hebben afgesproken alles samen te doen. De man is op de akte van levering aan [bedrijf] aangemerkt als verkoper. De man heeft daarna via [bedrijf] , waarvan hij destijds enig aandeelhouder was, ook afgelost op de hypotheek. Daarnaast heeft de man investeringen gedaan in de woning.
De rechtbank oordeelt dat de man aan de vrouw € 59.106,40 moet betalen wegens ongerechtvaardigde verrijking. De verkoopopbrengst van de woning vanwege de verkoop aan [bedrijf] op 26 augustus 2020 van € 118.212,79 kwam volledig aan de vrouw toe. Zij was namelijk enig eigenaar van die woning. Gelet op de beperkte gemeenschap van goederen die tussen partijen is ontstaan met hun huwelijk (na 1 januari 2018), viel de woning van de vrouw immers niet in de huwelijksgemeenschap van partijen. Maar de man en de vrouw verkregen gezamenlijk de vordering op [bedrijf] ter grootte van voormeld bedrag omdat de man - ten onrechte - was aangemerkt als mede-verkoper van de woning.
Anders dan de man meent, heeft daarmee reeds op 26 augustus 2020 een vermogensverschuiving plaatsgevonden, waarbij de man is bevoordeeld ten nadele van de vrouw. Een vordering is immers een vermogensrecht. De vermogensverschuiving werd vervolgens verzilverd toen de man samen met de vrouw de economisch eigendom verkreeg van de woning. Daarbij werd immers de vordering die alleen de vrouw toekwam met de gezamenlijke schuld aan [bedrijf] verrekend. Dat de man niet de intentie had de vrouw te benadelen, doet er hierbij niet toe. Van een rechtsgrond voor de bevoordeling van de man ten koste van de vrouw is niet gebleken. De door de man gestelde afspraak tussen hem en de vrouw dat zij alles in het leven samen zouden doen maakt dit niet anders. Het verandert niets aan het gegeven dat de vrouw als enige gerechtigd was tot de verkoopopbrengst toen de woning aan [bedrijf] werd verkocht. Verder stelt de man dat hij hypothecaire aflossingen via [bedrijf] heeft voldaan en investeringen in de woning van de vrouw. Maar ook dat verandert het oordeel niet. De man heeft het namelijk gelaten bij deze enkele stelling en de aflossingen en investeringen niet geconcretiseerd en onderbouwd. Evenmin heeft hij zich op verrekening beroepen. De vordering van de vrouw op de man van € 59.106,40 uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) is daarom toewijsbaar.
De man moet de wettelijke rente over € 59.106,40 betalen vanaf 7 januari 2026 (vordering I van de vrouw)
De vrouw vordert ook de wettelijke rente over € 59.106,40, primair vanaf 26 augustus 2020 (de dag van de levering van de woning aan [bedrijf] ), subsidiair vanaf 24 december 2020 (de dag van de onderhandse akte tot verkoop en levering van de economische eigendom en de verrekening van de koopprijs met het bedrag van de bij de eerdere verkoop aan [bedrijf] overeengekomen geldlening), en meer subsidiair vanaf 23 december 2025 (de datum van de dagvaarding).
De man betwist de door de vrouw gevorderde wettelijke rente over € 59.106,40 vanaf 26 augustus 2020, dan wel 24 december 2020 of 23 december 2025. Hij voert aan dat voor een dergelijke ingangsdatum een deugdelijke onderbouwing ontbreekt. De wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW is pas verschuldigd nadat de schuldenaar in verzuim verkeert. De vrouw heeft echter niet gesteld en onderbouwd vanaf welk moment en op welke grond de man in verzuim is geraakt. Van een schriftelijke ingebrekestelling met daarin een concrete en redelijke termijn voor nakoming is niet gebleken. De gevorderde wettelijke rente moet daarom worden afgewezen, althans worden beperkt tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum die in ieder geval niet eerder ligt dan de datum van de dagvaarding.
De man voert verder nog aan dat tussen partijen geen sprake was van enige vermogensrechtelijke afrekening omdat partijen nog gehuwd waren ten tijde van de verkoop van de woning van de vrouw aan [bedrijf] in augustus 2020. Vermogensverschuivingen binnen een huwelijk moeten in beginsel worden betrokken bij de uiteindelijke afwikkeling van de vermogensrechtelijke verhouding tussen partijen na de echtscheiding.
Tijdens de mondelinge behandeling erkende de vrouw dat een ingebrekestelling nodig was geweest voor deze rentevordering en dat de wettelijke rente over € 59.106,40 daarom niet eerder dan vanaf de datum dagvaarding toewijsbaar is.
De rechtbank oordeelt als volgt. Hiervoor is reeds vastgesteld dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Daarbij geldt dat niet zonder meer sprake van verzuim van rechtswege. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw de man in gebreke heeft gesteld in de zin van artikel 6:82 BW, anders dan dat de dagvaarding als zodanig kan worden begrepen. Het verzuim treedt vervolgens pas in na een redelijke termijn daarna (artikel 6:82 BW) . De wettelijke rente is daarom toewijsbaar vanaf de vijftiende dag na de dagvaarding, te weten 7 januari 2026.
Bij toewijzing vanaf die datum behoeft het door de man gevoerde verweer dat binnen het huwelijk niet werd afgerekend geen verdere behandeling.
De wettelijke rente over € 59.106,40 wordt daarom toegewezen vanaf 7 januari 2026.
De man moet de wettelijke rente over € 216.045,48 betalen vanaf 7 januari 2026 (vordering II van de vrouw)
De man heeft de vordering van de vrouw van de hoofdsom (€ 216.045,48) erkend, ook in verzet, en heeft dit bedrag inmiddels betaald. Over de vraag of en zo ja per wanneer de man wettelijke rente over dit bedrag is verschuldigd wordt het navolgende overwogen.
Volgens de vrouw is de man over € 216.045,48 wettelijke rente verschuldigd vanaf 16 juni 2025, de dag waarop de notaris de volledige verkoopopbrengst aan de man heeft uitbetaald. Volgens de vrouw handelde de man onrechtmatig tegenover haar, met zijn verzoek aan de notaris - buiten haar om - om de gehele opbrengst naar zijn Spaanse bankrekening de over te maken en niet de helft van de verkoopopbrengst aan haar door te betalen.
De man verzet zich tegen het oordeel in het verstekvonnis, dat hij over de helft van de verkoopopbrengst die de vrouw toekwam wettelijke rente moet betalen vanaf 16 juni 2025. Hij betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad. En ook in dit geval is, aldus de man, geen sprake van verzuim wegens het ontbreken van een ingebrekestelling (zie het eerdere betoog van de man weergegeven in overweging 5.7).
Tijdens de mondelinge behandeling zei de vrouw dat de man bewust alles zo heeft geregeld en bedacht dat het voor hem financieel gunstig was ten koste van haar financiële belangen. Ten tijde van het huwelijk zei hij altijd al dat de woning (van de vrouw) zijn pensioen was. Ook maakte de man volgens haar bewust en opzettelijk misbruik van haar mentale toestand. Doordat zij aan PTSS leed, kon hij haar mentaal op achterstand zetten als hij de druk opvoerde of onrust veroorzaakte.
De man verklaarde ter zitting over de redenen waarom hij de constructie met [bedrijf] optuigde: om bij het verkrijgen van een gunstigere hypotheek ( [bedrijf] ging immers financieren en de lopende hypotheek met forse renteverplichtingen werd afgelost), boeterente te voorkomen wegens voortijdige aflossing van de hypothecaire schuld, als ook om in het belang van beiden belastingtechnisch voordeliger uit te zijn. Hij was er ten onrechte van uitgegaan dat de woning in de gemeenschap van goederen viel.
De man heeft voorts verklaard over de wens van de vrouw om gezamenlijk naar Spanje te emigreren en aldaar samen een nieuwe woning te kopen. Dat laatste was de aanleiding om in 2025 de woning van de vrouw te verkopen aan een derde en de verkoopopbrengst naar de beschikbare Spaanse rekening over te maken. Het emigreren ging minder voortvarend dan gehoopt en verwacht. Het geld is vervolgens door hem naar zijn Duitse rekening overgeboekt om over dat bedrag tussentijds een goede spaarrente te ontvangen. Dat de vrouw echtscheidingsplannen had wist hij toen nog niet. De man heeft daarnaast nog verklaard dat hij altijd al de gewoonte heeft gehad en nog steeds heeft, om over zichzelf te praten, ook als hij daarmee de vrouw en hemzelf samen bedoelt.
De vrouw heeft het standpunt van de man dat hij bij het optuigen en uitvoeren van voormelde constructie met [bedrijf] de intentie had in het belang van beiden te handelen en dat zij daarvan tijdens het huwelijk ook profiteerde, niet betwist. De vrouw betwistte evenmin dat sprake was geweest van gezamenlijke emigratieplannen (ook met haar dochter en schoonzoon) naar Spanje en dat zij niet, en de man al wel, beschikte over een Spaanse bankrekening. Haar dochter en schoonzoon waren inmiddels daadwerkelijk geëmigreerd naar Spanje.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar stelling, dat de man onrechtmatig tegenover haar handelde door de gehele verkoopopbrengst over te doen boeken naar Spanje en later naar Duitsland, onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man. De rechtbank neemt de reden in aanmerking die de man opgeeft voor zijn handelwijze alsmede het feit dat op dat moment de vrouw nog niet te kennen had geven aan de man dat zij wilde scheiden. Onrechtmatig handelen van de man is dus niet komen vast te staan. Dat de man de vrouw niet heeft gekend in zijn verzoek aan de notaris om de opbrengst over te boeken naar Spanje maakt dit niet anders omdat de vrouw alle financiële zaken overliet aan de man.
Gelet op het voorgaande is ook over het bedrag van € 216.045,48 pas wettelijke rente verschuldigd vanaf 7 januari 2026 (zie ook 5.10).
De man heeft onbetwist gesteld dat hij het bedrag van € 216.045,48 op 24 maart 2026 aan de vrouw heeft betaald. De man was op 24 maart 2026 over de verschuldigde hoofdsom reeds een zekere som aan wettelijke rente verschuldigd aan de vrouw. Op grond van het bepaalde in artikel 6:44 BW, dat de betaling eerst in mindering moet worden gebracht op de verschenen rente en daarna over de hoofdsom, resteert na die betaling nog diezelfde som als restant van de hoofdsom. Over die resterende som is de man nog steeds wettelijke rente verschuldigd vanaf 25 maart. 2026. Het bepaalde in artikel 6:119 lid 2 BW (“Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.”) is daarbij van toepassing en dat jaar ving op 7 januari 2026 aan.
Beslagkosten
5.23. De vrouw vordert de door haar gemaakte kosten voor het beslag op de woning van de man.
In het verstekvonnis heeft de rechtbank deze kosten zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen (“(…) en wijst af het meer of anders gevorderde”). Deze vordering ligt nu opnieuw ter beoordeling voor, omdat de wet bepaalt dat met verzet de instantie wordt heropend. Het verzet wordt gezien als een voortzetting van de (verstek)procedure (art. 147 Rv) . De man heeft geen verweer gevoerd tegen de door de vrouw gevorderde beslagkosten.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft het beslag gelegd en de beslagkosten inzichtelijk gemaakt. Voor het beslag was voorts een goede grond, namelijk de door de vrouw gevorderde betalingen. Het beslag was niet onterecht en onnodig. De man moet de beslagkosten daarom vergoeden. De beslagkosten worden begroot op:
- beslagexploot € 444,01 (339,36 + 104,65)
- griffierecht beslag € 90,00
- salaris advocaat beslag € 653,00 (1 punt × tarief II € 653,00)
Totaal € 1.187,01
De wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na dit vonnis, zoals gevorderd.
Proceskosten
De vrouw vordert (naast de beslagkosten ook) de kosten van de procedure.
De man heeft in het verzet vernietiging gevorderd van de proceskostenveroordeling. Hij voert daarbij aan dat het gebruikelijk is in procedures tussen (voormalige) echtgenoten dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Onderhavige procedure hangt daarbij direct samen met de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen en de daaruit tussen partijen bestaande rechtsverhouding.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw nader gesteld dat een proceskostenveroordeling wel gerechtvaardigd is omdat het in deze zaak gaat om onrechtmatig handelen van de man en niet over de huwelijksvermogensafwikkeling tussen partijen.
De rechtbank heeft al geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de man (zie 5.20). Daarom compenseert de rechtbank vanwege de relatie tussen partijen (ex-echtgenoten) de proceskosten tussen hen, in die zin dat iedere partij, zowel in de verstekprocedure als in de verzetprocedure, de eigen kosten draagt.
Conclusie
5.31. Het verstekvonnis wordt vernietigd, behoudens waar het gaat om de veroordeling van de man om € 216.045,48 aan de vrouw te betalen en om de veroordeling van de man om € 59.106,40 aan de vrouw te betalen. Het verstekvonnis wordt bekrachtigd waar het die veroordelingen betreft.
Opnieuw beslissend wordt de man veroordeeld aan de vrouw te betalen:
-
de wettelijke rente over € 59.106,40 vanaf 7 januari 2026;
-
de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 tot 25 maart 2026 over € 216.045,48, en de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 over die som aan reeds verschenen wettelijke rente, die restant hoofdsom is;
-
de beslagkosten van € 1.187,01, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.
Daarnaast compenseert de rechtbank de proceskosten in zowel de verstek- als de verzetprocedure.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.32. De rechtbank zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren (artikel 233 Rv) .
6De beslissing
De rechtbank
vernietigt het verstekvonnis van 18 februari 2026 in de zaak met zaaknummer C/10/713036 / HA ZA 26-33 behoudens waar het gaat om de veroordeling van de man om € 216.045,48 aan de vrouw te betalen en de veroordeling van de man om € 59.105,40 aan de vrouw te betalen, en bekrachtigt deze veroordelingen in het verstekvonnis;
en opnieuw beslissend, veroordeelt de man aan de vrouw te betalen:
de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 59.105,40 vanaf 7 januari 2026;
de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 7 januari 2025 tot 25 maart 2026 over € 216.045,48, en de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 over die som aan reeds verschenen wettelijke rente, zijnde die som het restant van de hoofdsom;
aan beslagkosten;
de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de beslagkosten vanaf de vijftiende dag na dit vonnis;
en voorts
compenseert de kosten van de verstekprocedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
compenseert de kosten van de verzetprocedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
3718/638
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
