Essentie (gemaakt door AI)
Erfrecht. Vaststellingsovereenkomst over verdeling kwalificeert als verdeling; algemene dwalingsregels niet van toepassing art. 3:199 BW. Vernietiging op grond van benadeling van >1/4 en vermoede dwaling art. 3:196 lid 1-2 BW; geen aanvaarding te harer bate of schade art. 3:196 lid 4 BW. Verzwijging SNS-rekeningen levert verbeurdverklaring van aandeel gedaagden in die goederen op art. 3:194 lid 2 BW. Verdeling opnieuw vastgesteld; SNS-tegoeden geheel aan eiseres; restant 1/3 ieder; wettelijke rente na 14 dagen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 01-10-2026 |
| Zaaknummer | C/05/463689 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Zutphen |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Opzettelijk verzwijgen ex art. 3:194 lid 2 BW; Familievermogensrecht; Vernietiging 3:196 BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erfrecht. Vernietiging vaststellingsovereenkomst over verdeling op grond van dwaling (artikel 3:196 BW) . Verzwijging van bestanddeel van de nalatenschap, verbeuring aan overige deelgenoot (artikel 3:194 BW) .Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/463689 / HZ ZA 26-64
vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: eiseres,
advocaat: mr. A.O.C.A. van Schravendijk,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
in [woonplaats] ,
2. [gedaagde 2],
in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: gedaagden,
advocaat: mr. G.H.J. Spee.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 mei 2026
- de akte uitlating van eiseres, door de rechtbank ontvangen op 24 juli 2026
- de akte uitlating van gedaagden, door de rechtbank ontvangen op 24 juli 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 augustus 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen zijn de kinderen en erfgenamen van [erflater] , geboren op [geboortedag] 1939 in [geboortedag] en overleden op [datum] in Arnhem (hierna: erflater).
Erflater heeft geen testament laten opmaken.
Gedaagden hebben de nalatenschap van erflater op 9 maart 2020 zuiver aanvaard, waarna zij de nalatenschap tussen hen beiden hebben verdeeld. Zij waren er op dat moment niet van op de hoogte dat eiseres ook een kind en erfgenaam van erflater is.
Bij beschikking van 21 januari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, op verzoek van eiseres vastgesteld dat erflater haar verwekker is. Die beschikking is vervolgens ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De advocaat van eiseres heeft gedaagden bij brief van 22 mei 2025 bericht dat eiseres aanspraak maakt op haar erfdeel in de nalatenschap en verzocht om een boedelbeschrijving van de nalatenschap met onderbouwende stukken en aangiften en aanslagen van erf- en inkomstenbelasting. Nadat een inhoudelijke reactie van gedaagden uitbleef, heeft de advocaat van eiseres gedaagden in juni en juli 2025 nog een aantal keren aangeschreven.
Gedaagden hebben naar aanleiding van de brieven van de advocaat van eiseres aangegeven dat zij niet meer over stukken beschikken omdat die destijds zijn vernietigd.
Op 7 juli 2025 is de advocaat van eiseres medegedeeld dat gedaagden via de Belastingdienst proberen informatie te achterhalen maar dat er rekening mee dient te worden gehouden dat dat twaalf weken kan duren.
Op 15 juli 2025 heeft eiseres de nalatenschap beneficiair aanvaard.
Op 22 september 2025 heeft notaris [persoon] op verzoek van eiseres een verklaring van erfrecht opgesteld waarin, onder verwijzing naar een eerder opgestelde verklaring voor erfrecht van 9 maart 2020 waarin alleen gedaagden als erfgenamen staan vermeld, is vastgesteld dat - naast gedaagden - ook eiseres erfgenaam van erflater is.
Op 10 oktober 2025 heeft de advocaat van eiseres de Belastingdienst verzocht om de aangifte en aanslag erfbelasting van de nalatenschap en de aangiften inkomstenbelasting van erflater over 2018 en de vijf daaraan voorafgaande jaren.
Op 19 oktober 2025 heeft gedaagde onder 2 de advocaat van eiseres een brief van de Belastingdienst van 30 mei 2018 toegestuurd waarin staat dat volgens de gegevens van de Belastingdienst de nalatenschap lager is dan de vrijstelling, zodat geen aangifte erfbelasting hoefde te worden gedaan. Daarbij heeft gedaagde onder 2 onder meer het volgende meegedeeld:
“(…)
Zoals u kunt zien was de nalatenschap lager dan de vrijstelling, waardoor er geen aangifte is gedaan. (…)
Inboedel: bij overlijden was er een gedateerde inboedel aanwezig, die in volle omvang is afgevoerd (…) en in sommige gevallen door buurtbewoners gratis is meegenomen (…) Kortom: de inboedel vertegenwoordigde geen waarde meer.
Rest ons nog in onze herinnering het bedrag “boven water” te krijgen dat wij, na overlijden, wel toebedeeld hebben gekregen.
(…)
In onze herinnering hebben wij destijds ergens een bedrag van € 5000 a € 7500 per persoon gekregen.
Omdat het toch al een zaak met het nodige “ongemak” is voor iedereen, willen wij geheel onverplicht uitgaan van het hoogste bedrag (totaal € 15.000 dus), waardoor, als wij het goed begrijpen, [eiseres] € 5000 toekomt.
(…)”
Bij e-mailbericht van 20 oktober 2025 heeft de advocaat van eiseres nogmaals gevraagd bij welke bank erflater bankierde en of hij onroerende zaken en/of aandelen had.
Bij e-mailbericht van 9 november 2025 is de advocaat van eiseres door gedaagden meegedeeld dat er door het tijdverloop sinds het overlijden geen informatie meer is, dat erflater bij ING bankierde, hij geen aandelen of onroerende zaken had en dat dit “het
Bij brief van 24 november 2025 heeft de advocaat van eiseres ING verzocht om hem te informeren over de hoogte van de tegoeden van erflater op zijn sterfdatum.
Bij brief van 9 december 2025 heeft de Belastingdienst de advocaat van eiseres meegedeeld dat geen kopie kan worden toegezonden van de aangifte erfbelasting van de erfenis van erflater omdat geen aangifte erfbelasting is gedaan. Op diezelfde dag heeft de advocaat van eiseres gedaagden het volgende bericht:
“Van de fiscus ontving ik bericht dat destijds over de nalatenschap van vader geen aangifte erfbelasting is gedaan. Dat betekent ofwel dat de verkrijging uit de nalatenschap niet groter was dan tweemaal (destijds twee erfgenamen) de toenmalige drempel, dus hoogstens € 40.742,--, ofwel dat de nalatenschap groter was en dat door u beiden ten onrechte geen aangifte is gedaan. Voor dit moment - in het kader van een schikkingspoging - is cliënte bereid uit te gaan van de juistheid van de eerste mogelijkheid. Als die poging niet slaagt, behoudt cliënte het recht alsnog aan te tonen dat de nalatenschap groter is geweest.
Nu door u geen bewijsstukken zijn aangeleverd over de omvang van de nalatenschap, is het enige aanknopingspunt dat de nalatenschap vermoedelijk niet groter is geweest dan € 40.472,--. Zonder verdere aanwijzingen is cliënte niet bereid van een lager bedrag uit te gaan, maar wel om aan te nemen dat de boedel ook niet groter is geweest dan dat bedrag, zodat ze bereid is genoegen te nemen met één derde van dat bedrag, ofwel € 13.490,67.
(…)
Met andere woorden, als u er beiden binnen twee weken na vandaag schriftelijk mee instemt dat cliënte € 13.490,67 uit de nalatenschap ontvangt, én dat bedrag uiterlijk 31 december 2025 is betaald, (…) kan deze kwestie tegen finale kwijting worden beëindigd.”
Op 10 december 2025 heeft de advocaat van eiseres een brief van ING gedateerd 4 december 2025 ontvangen, waarin is meegedeeld dat het saldo van erflater op zijn sterfdatum op zijn betaalrekening € 1.510,40 beliep en € 53.610,95 op zijn Oranje Spaarrekening.
Naar aanleiding van het bericht van ING heeft de advocaat van eiseres gedaagden op 10 december 2025 gemaild dat hij het voorstel van 9 december 2025 intrekt en er vooralsnog van uitgaat dat iedere erfgenaam recht heeft op € 18.373,78, verminderd met de door gedaagden aan te tonen kosten van de nalatenschap. Daarbij heeft de advocaat van eiseres ook aangekondigd eerst bij andere instanties navraag te doen.
Op 14 december 2025 hebben gedaagden aan de advocaat van eiseres gemaild dat zij zich op het standpunt stellen dat een voorstel niet zomaar kan worden ingetrokken en dat zij zich kunnen verenigen met € 18.373,78, verminderd met de kosten van de nalatenschap. Gedaagden hebben die kosten (gespecificeerd) berekend op in totaal € 13.953,36 (rekening houdend met een kleine uitkering op een polis) en op basis daarvan voorgesteld € 13.722,66 aan eiseres over te maken tegen finale kwijting.
Op 15 december 2025 heeft de advocaat van eiseres gedaagden bericht dat eiseres ervoor kiest geen schikking te treffen maar dat het bedrag van € 13.722,66 wel alvast kan worden overgemaakt om geen wettelijke rente verschuldigd te worden.
Nadat de advocaat van eiseres op 19 december 2025 bericht kreeg van de ASN Nabestaandendesk dat erflater op zijn sterfdatum drie rekeningen bij SNS had, heeft hij diezelfde dag nog gedaagden verzocht om afschriften te presenteren van die rekeningen.
Op 28 december 2025 hebben gedaagden de advocaat van eiseres gemaild dat zij € 13.490,67 op zijn derdengeldenrekening hebben overgemaakt tegen finale kwijting en dat zij ervan uitgaan dat de kwestie daarmee is geregeld.
In een e-mailbericht van 29 december 2025 heeft de advocaat van eiseres gedaagden onder meer laten weten dat eiseres de gedane betaling ziet als deelbetaling op wat haar toekomt in de nalatenschap en dat zij nog in afwachting is van informatie van onder meer ASN en het Kadaster. Daarbij is meegedeeld dat eiseres er bij het doen van haar aanbod op 9 december 2025 van uitging dat de nalatenschap niet groter was dan € 40.472 omdat gedaagden geen aangifte erfbelasting hadden gedaan.
Op 31 december 2025 heeft de advocaat van eiseres informatie van ASN ontvangen waaruit blijkt dat erflater op zijn sterfdatum een rekening had (bij voorheen SNS bank) met een saldo van € 50.036,53 en een rekening met een saldo van € 1.000. Op 21 januari 2026 heeft de advocaat van eiseres aanvullend bericht van ASN gekregen dat erflater op zijn sterfdatum een beleggingsportefeuille had met een waarde van € 10.246,92 en dat het saldo op de beleggingsrekening € 1,08 was.
Bij brief van 21 januari 2026 heeft de advocaat van eiseres gedaagden op de hoogte gesteld van de saldi van de bankrekeningen van erflater op zijn sterfdatum en een berekening gemaakt van het bedrag waarop eiseres recht heeft.
Gedaagden zijn bij hun standpunt gebleven dat een schikkingsovereenkomst tot stand is gekomen tegen finale kwijting doordat zij het aanbod hebben aanvaard en tijdig hebben betaald.
3Het geschil
Eiseres vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):
A. voor recht te verklaren dat eiseres de overeenkomst met gedaagden, tot stand gekomen door de aanvaarding van haar aanbod van 9 december 2025, met succes heeft vernietigd wegens dwaling op grond van het schenden van de spreekplicht aan de zijde van gedaagden;
B. voor recht te verklaren dat gedaagden geen beroep toekomt op de niet-intrekbaarheid van het voorstel van 9 december 2025;
C. de nalatenschap van erflater als volgt te verdelen:
primair vanwege de werking van art. 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt van de nalatenschap aan gedaagden 1 en 2 toe € 10.000, vermeerderd met € 13.953,36 ter zake van door hen betaalde kosten van de nalatenschap, dus € 23.953,36 in totaal en het meerdere valt toe aan eiseres;
subsidiair valt van de nalatenschap na aftrek van de gemaakte kosten voor één derde deel toe aan ieder van partijen, in geval van gedaagden vermeerderd met € 13.953,36 ter zake van door hen betaalde kosten van de nalatenschap en ingeval van eiseres vermeerderd met € 1.040,00 ter zake van door haar betaalde kosten van de nalatenschap;
en uit dien hoofde gedaagden beiden te veroordelen tot betaling aan eiseres binnen twee dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting van:
primair ieder € 39.467,43, te vermeerderen met wettelijke rente;
subsidiair € 10.672,25, te vermeerderen met wettelijke rente;
een en ander met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten van eiseres, alsmede in de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding.
Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat gedaagden haar op 19 oktober 2025 hebben gezegd dat zij ieder uit de nalatenschap € 5.000 à 7.500 hebben ontvangen en dat de nalatenschap niet groter was dan € 15.000. Primair stelt eiseres dat gedaagden de werkelijke omvang van de nalatenschap voor haar verborgen hebben gehouden en dat daaruit op grond van artikel 3:194 lid 2 BW volgt dat het meerdere boven € 15.000 aan haar toevalt als enige andere erfgenaam. Subsidiair, als de rechtbank zou oordelen dat artikel 3:194 lid 2 BW niet van toepassing is, dient de nalatenschap gelijkelijk te worden verdeeld zodat ieder een derde deel krijgt. Eiseres erkent dat haar aanbod van 9 december 2025 binnen de gestelde termijn door gedaagden is aanvaard. Dat staat er echter niet aan in de weg dat zij het aanbod kan vernietigen op grond van dwaling omdat gedaagden de spreekplicht hebben geschonden. Bovendien is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat gedaagden haar houden aan haar aanbod omdat zij wisten, althans hadden moeten weten, dat de nalatenschap geen € 40.472 maar € 101.385,52 waard was. Eiseres stelt dat, voor zover een overeenkomst tot stand is gekomen door aanvaarding van haar aanbod van 9 december 2025, zij die overeenkomst met succes heeft vernietigd.
Gedaagden voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van eiseres, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eiseres, met veroordeling van eiseres in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Deze procedure gaat over de verdeling van de nalatenschap van erflater. Eiseres heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Dat betekent dat deze in beginsel dient te worden vereffend. Met partijen gaan de rechtbank er echter van uit dat die vereffening al heeft plaatsgevonden, in die zin dat alle schuldeisers van de nalatenschap zijn voldaan. De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling. Zij zal allereerst beoordelen of tussen partijen een overeenkomst over de verdeling tot stand is gekomen en zo ja, of eiseres die overeenkomst heeft kunnen vernietigen.
Totstandkoming van een overeenkomst
Partijen zijn er in hun stellingen van uitgegaan dat een overeenkomst tot stand is gekomen op basis van het aanbod namens eiseres van 9 december 2025. Gedaagden hebben er terecht op gewezen dat een aanbod niet kan worden herroepen als het een termijn voor de aanvaarding inhoudt en zolang het aanbod niet is aanvaard
1. In het e-mailbericht van 9 december 2025 is meegedeeld dat gedaagden een termijn van twee weken na 9 december 2025 hadden om schriftelijk in te stemmen met het voorstel en het genoemde bedrag uiterlijk 31 december 2025 moesten betalen. Gedaagden hebben met het e-mailbericht van 14 december 2025 binnen de in het aanbod genoemde termijn gereageerd. De rechtbank zal partijen volgen in hun lezing dat gedaagden akkoord zijn gegaan met het aanbod tegen finale kwijting, ondanks het feit dat zij daarin een verhoogd bedrag noemen (€ 13.722,66 in plaats van € 13.490,67). Eiseres heeft deze reactie - blijkens met name de dagvaarding - immers zo opgevat en kon dat onder de gegeven omstandigheden ook zo opvatten, omdat gedaagden in hetzelfde e-mailbericht hebben verwezen naar het oorspronkelijke, volgens hen niet te herroepen, aanbod van eiseres van 9 december 2025. Omdat gedaagden vervolgens het bedrag van € 13.490,67 vóór afloop de in het aanbod genoemde termijn hebben overgemaakt aan eiseres, is de rechtbank van oordeel dat het aanbod door gedaagden is aanvaard. De overeenkomst is aldus tot stand gekomen. Herroeping was niet mogelijk.
Eiseres heeft zich in de dagvaarding op het standpunt gesteld dat gedaagden haar ten onrechte hebben gehouden aan haar aanbod van 9 december 2025, omdat zij op 10 december 2025 van ING vernam dat het banksaldo van erflater op zijn sterfdatum hoger was dan het bedrag waar zij in haar aanbod van was uitgegaan. De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet. Hoewel duidelijk is dat in haar aanbod geen rekening is gehouden met het precieze saldo op de sterfdag van erflater bij de ING, kan het door eiseres gestelde er niet toe leiden dat het aanbod daarmee niet langer gold of ingetrokken kon worden. Van belang is dat eiseres op 9 december 2025 wist dat erflater tegoeden had bij ING. Gedaagden hadden dit immers op 9 november 2025 meegedeeld en haar advocaat had daarover op 24 november 2025 bij ING geïnformeerd. Zij heeft de reactie van ING niet afgewacht en de onzekerheid over die tegoeden kennelijk geaccepteerd toen zij het aanbod deed.
Uit het e-mailbericht van 9 december 2025 blijkt dat eiseres geen duidelijkheid had over de exacte omvang van de nalatenschap, maar het aanbod heeft gedaan ervan uitgaande dat het achterwege blijven van de aangifte erfbelasting juist was en de nalatenschap niet groter was dan € 40.472 (twee maal het vrijstellingsbedrag). Uit het e-mailbericht van 9 december 2025 blijkt juist dat het de bedoeling van eiseres was om, ter beëindiging van die onzekerheid en het geschil dat daarover tussen partijen bestond, afspraken te maken tegen finale kwijting. De overeenkomst kwalificeert daarmee als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. De onzekerheid over de tegoeden bij ING is verdisconteerd in het aanbod en ook daarom kan eiseres zich niet op het standpunt stellen dat het aanbod niet langer gold of ingetrokken was omdat het saldo bij ING hoger was dan zij dacht. Dat eiseres er in haar aanbod van is uitgegaan dat het juist is dat geen aangifte erfbelasting is gedaan, maakt dat niet anders. Hoewel het tegoed bij ING van € 53.610,95 hoger is dan het vrijstellingsbedrag betekent dat op zich nog niet dat er wél aangifte had moeten worden gedaan, omdat er ook kosten van de nalatenschap zijn die daarop in mindering komen bij de berekening van de verkrijging.
Vernietiging van de vaststellingsovereenkomst
Vervolgens dient te worden beoordeeld of eiseres de vaststellingsovereenkomst kan vernietigen. Eiseres beroept zich op dwaling in de zin van artikel 6:228 BW en artikel 3:196 BW. Gedaagden voeren aan dat eiseres de vaststellingsovereenkomst heeft gesloten in het volle besef van de bestaande onzekerheid over de omvang van de nalatenschap en dat zij werd begeleid door een advocaat. Door de overeengekomen finale kwijting is discussie over de gehanteerde waarde en een beroep op benadeling volgens gedaagden uitgesloten. Er is sprake van een aanvaarding te harer bate of schade. Gedaagden vinden dat zij erop mochten vertrouwen dat met het sluiten van de overeenkomst de zaak definitief was afgewikkeld. Het openbreken van de regeling is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en hun gerechtvaardigde vertrouwen, aldus gedaagden.
Partijen hebben de vaststellingsovereenkomst gesloten om tot verdeling van de nalatenschap te komen. Op grond van artikel 3:199 BW geldt - anders dan eiseres stelt - dat op een verdeling de algemene bepalingen in de artikelen 6:228 tot en met 6:230 BW over dwaling niet van toepassing zijn. Voor verdelingen geldt (alleen) de bijzondere regeling op grond waarvan een verdeling vernietigbaar is, in het geval een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld
2. Indien daarvan sprake is, wordt de benadeelde vermoed over de waarde van een of meer van de te verdelen goederen of schulden te hebben gedwaald.
3 De verdeling kan echter niet op die grond worden vernietigd indien de benadeelde de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard.
4 De rechtbank zal in het licht van deze bepalingen beoordelen of er een grond is voor vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.
Het meest ver strekkende verweer van gedaagden is dat eiseres de toedeling te harer bate of schade heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Hiervoor is onvoldoende dat finale kwijting is verleend. Voor een aanvaarding te harer bate of schade moet eiseres hebben geweten of ten minste hebben kunnen weten dat zij mogelijk voor meer dan een vierde benadeeld werd en kennis hebben gehad van het (mogelijke) recht dat zij prijsgaf
5. De benadeling is in dit geval ontstaan als gevolg van het feit dat erflater rekeningen had bij SNS, waarvan eiseres op 9 december 2025 het bestaan niet wist en ook niet kon vermoeden, mede gelet op de informatie van gedaagden. Bijstand door een advocaat is in zoverre relevant dat hij eiseres heeft kunnen informeren over haar rechten
6, maar ook deze beschikte niet over informatie van ASN. Daarom maakt die enkele bijstand niet dat eiseres zich had moeten realiseren dat zij (mogelijk) voor meer dan een vierde werd benadeeld. Met name door de informatie van de Belastingdienst die gedaagden hebben toegezonden waaruit volgde dat er geen aangifte voor de erfbelasting hoefde te worden gedaan heeft zij zich dit niet hoeven realiseren. Eiseres heeft de verdeling in elk geval in zoverre niet te harer bate of schade geaccepteerd.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of eiseres bij de vastgestelde verdeling voor meer dan een vierde is benadeeld. Eiseres is er bij haar aanbod van uitgegaan dat het saldo van de nalatenschap niet meer dan € 40.472 bedroeg, terwijl in januari 2026 bleek dat de omvang van de nalatenschap (saldi bankrekeningen verminderd met kosten) € 95.411,44 bedroeg. Dat betekent dat eiseres voor meer dan een vierde is benadeeld en dat zij vermoed wordt omtrent de waarde van de te verdelen goederen te hebben gedwaald. Dit vermoeden kan in principe weerlegd worden, maar in elk geval ten aanzien van de rekeningen bij SNS staat vast dat eiseres hier geen weet van had. Alleen al de saldi van die rekeningen maken dat eiseres voor meer dan een vierde is benadeeld
7. Gedaagden stellen dat zij niet opzettelijk informatie hebben achtergehouden maar uit onwetendheid hebben gehandeld. Nog los van het feit dat zij indertijd de nalatenschap inclusief deze rekeningen hebben verdeeld, is dat niet relevant en bevestigt dat alleen maar dat eiseres niet wist van het bestaan van rekeningen op naam van erflater bij SNS. De benadeling van eiseres in de zin van artikel 3:196 lid 2 BW wordt puur feitelijk vastgesteld. Daarmee wordt de dwaling vermoed. Nu gedaagden geen tegenbewijs hebben geleverd van het vermoeden van dwaling, heeft eiseres de vaststellingovereenkomst terecht vernietigd op grond van dwaling.
Verdeling
Omdat de vaststellingsovereenkomst is vernietigd, dient de verdeling van de nalatenschap volledig opnieuw te worden vastgesteld. Er wordt door de vernietiging namelijk geacht nooit een verdeling te hebben plaatsgevonden. Het uitgangspunt daarbij is dat in beginsel elk van partijen als erfgenaam recht heeft op een derde van de nalatenschap.
Eiseres beroept zich ter zake van de omvang van de gehele nalatenschap boven € 10.000 op verzwijging door gedaagden als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW. In dat artikellid is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten verbeurt.
Vaststaat dat gedaagden beiden eiseres niet hebben geïnformeerd over de omvang en samenstelling van de nalatenschap. Zij hebben mondjesmaat informatie gedeeld, bedragen genoemd die niet overeenkomen met de werkelijke omvang van de nalatenschap en eiseres niet verteld dat erflater rekeningen aanhield bij de SNS. Dat dit opzettelijk is gebeurd, dient eiseres - tegenover de betwisting van gedaagden - te bewijzen.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar benadering dat het hele saldo boven het oorspronkelijk gedane aanbod onder de reikwijdte van deze bepaling valt. Er wordt immers gesproken over verzwijging van tot de gemeenschap behorende goederen. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het niet zozeer gaat om de hoogte van de nalatenschap, maar om het feit dat tot de nalatenschap meer goederen behoorden dan waarover gedaagden hebben gesproken. Zij hebben voorafgaand aan de verdeling aan eiseres meegedeeld dat erflater bankierde bij ING en eiseres is ook in de gelegenheid geweest de saldi hiervan op te vragen. Om die reden kan niet gezegd worden dat saldi op rekeningen bij ING verzwegen zijn, zelfs al hebben gedaagden gesuggereerd dat deze lager waren dan ze in werkelijkheid waren. Anders ligt dat voor wat de rekeningen bij SNS betreft. Hierover hebben gedaagden in het geheel niets vermeld.
Eiseres dient opzet van gedaagden te bewijzen. Opzet impliceert in ieder geval de wetenschap van gedaagden dat de rekeningen bij SNS tot de nalatenschap behoorden. De rechtbank vindt het aannemelijk dat gedaagden dit wisten. Zij hebben immers zelf na het overlijden van erflater de nalatenschap verdeeld, kennelijk inclusief de saldi op de rekeningen bij SNS. Gedaagden hebben in eerste instantie aan eiseres verklaard dat zij elk in het kader van de totale verdeling € 5.000 tot € 7.500 zouden hebben ontvangen, wat in geen verhouding staat tot de werkelijke omvang van de nalatenschap. Gedaagden hebben nog verklaard dat erflater tijdens zijn leven diverse schenkingen heeft gedaan en dat zij niet meer precies scherp hadden wat zij vóór en ná het overlijden hebben ontvangen. Dat zij mogelijk na jaren niet de exacte hoogte van hun verkrijging of de exacte saldi van de rekeningen meer wisten, acht de rechtbank aannemelijk, maar dat is uiteindelijk niet relevant. Zij moeten hebben geweten dat er méér vermogen was verdeeld dan het banksaldo bij ING en dat zij ook rekeningen en een beleggingsportefeuille bij SNS hebben verdeeld. Er is geen enkele reden aangevoerd waarom ze het bestaan van die rekeningen en beleggingsportefeuille als zodanig niet hebben gemeld aan eiseres. Daarmee acht de rechtbank eiseres geslaagd in het bewijs dat gedaagden wisten dat er rekeningen een beleggingsportefeuille bij SNS tot de nalatenschap behoorden. Door deze - ondanks vragen van eiseres over het vermogen van erflater - niet te noemen, hebben gedaagden deze verzwegen en hebben zij beiden hun aandeel daarin verbeurd aan eiseres.
In geschil is tot slot in hoeverre bij de vaststelling van het saldo van de nalatenschap rekening moet worden gehouden met kosten die eiseres heeft gemaakt. Dit betreft € 90 aan kadastrale kosten en € 950 in verband met de nieuwe verklaring van erfrecht. Gedaagden voeren hiertegen verweer.
De rechtbank ziet geen aanleiding deze kosten mee te nemen. Dat heeft ermee te maken dat artikel 4:7 lid 1 BW een limitatieve opsomming geeft van de schulden van de nalatenschap. Deze schulden zijn (kort gezegd):
de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i;
de kosten van lijkbezorging;
de kosten van vereffening van de nalatenschap;
e kosten van executele;
de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3 (uitoefening van bepaalde wettelijke rechten);
de schulden ter zake van legitieme porties;
de schulden uit legaten die op een of meer erfgenamen rusten;
de schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 4:126 worden aangemerkt als legaten.
Onder geen van deze posten vallen de kosten van de verklaring van erfrecht en de kadastrale kosten in dit geval. Hoewel in principe kosten van een verklaring van erfrecht kosten van vereffening kunnen zijn, gaat dat hier niet op, omdat partijen er nu juist van uit zijn gegaan dat de vereffening al is voltooid. De kosten van kadastrale recherche zijn ook niet direct onder een van deze posten te vatten, nog daargelaten dat deze primair het individuele belang van eiseres dienden en niet zijn gemaakt ten behoeve van het algemene belang om te komen tot afwikkeling van de nalatenschap.
8
Over de door gedaagden opgevoerde kosten van in totaal € 13.953,36 hebben partijen overeenstemming.
Het voorgaande leidt tot de volgende vermogensopstelling. Tot de nalatenschap behoren:
|
Activa - SNS Doelbeleggen [rekeningnummer 1] - SNS beleggingsportefeuille - SNS Betaalrekening [rekeningnummer 2] - SNS Spaarrekening [rekeningnummer 3] - ING Betaalrekening [rekeningnummer 4] - ING Spaarrekening [rekeningnummer 5] Totaal Passiva - kosten conform opgave gedaagden Saldo van de nalatenschap |
€ 1,08 € 10.246,92 € 1.000,00 € 50.009,53 € 1.510,40 € 53.610,95 € 116.378,88 € 13.953,36 € 102.425,52 |
Aan eiseres komt allereerst het vermogen toe dat op de vier SNS-rekeningen (inmiddels ASN) stond van in totaal € 61.257,53. Er resteert dan te verdelen € 41.167,99. Aan elk van de erfgenamen komt hiervan 1/3 deel toe oftewel € 13.722,66. In totaal bedraagt het erfdeel van eiseres daarmee € 74.980,19. Omdat gedaagden aan eiseres in december 2025 € 13.490,67 hebben betaald, resteert nog te voldoen € 61.489,52. Elk van gedaagden dient aan eiseres de helft van dit bedrag te betalen, oftewel € 30.744,76.
Wettelijke rente
Eiseres vordert vergoeding van wettelijke rente met ingang van (primair) 23 mei 2025. Gedaagden voeren hiertegen verweer. Wettelijke rente is verschuldigd als er sprake is van verzuim. Omdat de oorspronkelijke verdeling is vernietigd, wordt er geacht nooit een verdeling te hebben plaatsgevonden. Pas in dit vonnis wordt de verdeling vastgesteld en wordt de omvang van de vordering van eiseres duidelijk. Dat betekent dat gedaagden op dit moment niet in verzuim zijn. Dit is overigens ook niet gesteld. De rechtbank zal gedaagden in de gelegenheid stellen binnen twee weken het hiervoor vastgestelde bedrag aan eiseres te betalen en zal bepalen dat als zij hieraan niet voldoen, zij vanaf dat moment wettelijke rente verschuldigd worden.
Proceskosten
In de familierechtelijke relatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat eiseres de overeenkomst met gedaagden, tot stand gekomen door aanvaarding van haar aanbod van 9 december 2025, terecht heeft vernietigd op grond van dwaling,
stelt de verdeling van de nalatenschap van erflater aldus vast dat het vermogen van erflater dat op de vier SNS-rekeningen stond van in totaal € 61.257,53 geheel aan eiseres toekomt en dat het restant van het nalatenschapsvermogen van in totaal € 41.167,99 voor een derde aan ieder der partijen toekomt waardoor na aftrek van het reeds door gedaagden aan eiseres betaalde bedrag van € 13.490,67, gedaagden ieder nog € 30.744,76 aan eiseres dienen te betalen,
veroordeelt gedaagden om ieder binnen veertien dagen na datum van dit vonnis het bedrag van € 30.744,76 aan eiseres te betalen, en voor zover betaling niet binnen genoemde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026. JO/RE |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Vergelijk Hoge Raad 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697, NJ 1996/499 overweging 10, en Hof 's-Hertogenbosch 20 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4170.
Vergelijk Rechtbank Almelo 14 september 2005, ECLI:NL:RBALM:2005:AU9910.
Op basis van de nalatenschap zonder ASN-rekening ontving eiseres € 13.490,67. Ook als daarbij enkel 1/3 van de saldi bij ASN van in totaal € 61.284,53 wordt opgeteld, zou de verkrijging € 33.918,84 bedragen. De benadeling is dan ruim 60%.
Vergelijk Gerechtshof Amsterdam, 8 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ0031.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
