Essentie (gemaakt door AI)
Zaak over gezag, omgang en kinderalimentatie. De Raad adviseert de man niet met gezag te belasten en omgang te ontzeggen mede wegens risico’s op eergerelateerd geweld en kinderontvoering. De Raad verschijnt niet ter zitting wegens gestelde veiligheidsrisico’s. Op grond van art. 810 Rv houdt de rechtbank de beslissingen over gezag en omgang aan tot een nadere zitting en roept de Raad opnieuw op. Kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 539 per kind per maand met ingang van 31 oktober 2025.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 30-09-2026 |
| Zaaknummer | C/19/153564 / FA RK 25-2195 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Assen |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De Raad heeft na onderzoek geadviseerd de man niet mede met het gezag over de kinderen te belasten en hem de omgang met de kinderen te ontzeggen (mede) op grond van risico op eer gerelateerd geweld en kinderontvoering. De Raad heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan de rechtbank laten weten niet op de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn, niet in persoon en niet via een digitale verbinding. De Raad heeft daarvoor als reden opgegeven dat er sprake zou zijn van risico's voor de veiligheid van de zittingsvertegenwoordiger. De rechtbank heeft de beslissing op de verzoeken die zien op het gezag en de omgangsregeling aanhouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling, waarvoor de Raad nogmaals zal worden opgeroepen te verschijnen. Indien en voor zover de Raad aan die oproeping geen gehoor zou willen te geven wordt de Raad verzocht dit tijdig schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank kenbaar te maken.Volledige uitspraak
Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rekestnummer: C/19/153564 / FA RK 25-2195
beschikking d.d. 16 april 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. C.W. van Weert, te Assen,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] , verblijvende op een geheim adres,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. K.J. Kanning, te Assen.
1Procesverloop
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
-
het op 25 september 2025 ontvangen verzoekschrift met producties;
-
het op 3 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek met producties;
-
het op 26 februari 2026 ontvangen rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) met bijlagen;
-
het op 3 maart 2026 ontvangen verweerschrift alimentatie met producties;
-
het op 9 maart 2026 ontvangen F9-formulier met producties van de zijde van de vrouw.
De minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een gesprek met de kinderrechter hun mening over de verzoeken gegeven. Dit gesprek vond plaats door middel van een videoverbinding, omdat de kinderen (en de vrouw) op een geheime locatie verblijven.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 13 maart 2026 in aanwezigheid van partijen bijgestaan door hun advocaten.
2Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014, door de man erkend op [datum] 2014;
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, door de man erkend op [datum] 2015,
-
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022, door de man erkend op [datum] 2022.
De vrouw is alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast. De kinderen verblijven bij de vrouw op een geheime locatie.
Bij beschikking van 11 november 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de man om voor de duur van de bodemprocedure een omgangsregeling te bepalen afgewezen. De rechtbank heeft verder de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of, en zo ja op welke wijze, er contact tussen de man en de kinderen kan plaatsvinden en bij het onderzoek ook het gezag te betrekken.
3De verzoeken
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man voortaan samen met de vrouw is belast met het ouderlijk gezag over hun drie kinderen;
II. een zorg- dan wel omgangsregeling vast te stellen waarbij:
-
de kinderen in de even weken van zondag 18.00 uur bij de man verblijven en de in de oneven weken vanaf zondag 18.00 uur bij de vrouw, waarbij de ouder waar de kinderen verblijven de kinderen naar de andere ouder brengt;
-
de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verzoeken van de man af te wijzen;
II. te bepalen dat de man vanaf 20 juli 2025, dan wel vanaf een datum die de rechtbank juist acht, € 605 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie), telkens bij vooruitbetaling te voldoen met uitzondering van de termijnen die al zijn verstreken.
4Met betrekking tot het gezag en de omgangsregeling
Rapport en advies van de Raad
Op 26 februari 2026 is het rapport van de Raad door de rechtbank ontvangen. De Raad heeft in zijn advies - samengevat weergegeven - geadviseerd de man niet mede met het gezag over de kinderen te belasten en hem de omgang met de kinderen te ontzeggen.
Overweging van de rechtbank
Na ontvangst van voornoemd Raadsrapport heeft de rechtbank de mondelinge behandeling gepland. De Raad heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan de rechtbank laten weten niet op de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn, niet in persoon en niet via een digitale verbinding. De Raad heeft daarvoor als reden opgegeven dat er sprake zou zijn van risico's voor de veiligheid van de zittingsvertegenwoordiger.
De rechtbank overweegt dat zij de Raad niet alleen opdracht heeft gegeven tot het doen van onderzoek en het opstellen van een onderzoeks- en adviesrapport, maar tevens op grond van artikel 810 van het Wetboek van Rechtsvordering heeft opgeroepen om ter zitting te verschijnen. Het doel van deze oproeping en de aanwezigheid van een zittingsvertegenwoordiger van de Raad is erin gelegen dat ter zitting aan partijen, maar ook de rechtbank, in elkaars aanwezigheid gelegenheid wordt geboden om vragen te stellen naar aanleiding van het door de Raad geformuleerde advies. Het belang bij de aanwezigheid van de Raad ter zitting is in dit geval des te groter, nu de Raad verstrekkende adviezen heeft gegeven ten aanzien van de voorliggende verzoeken. Namens de man en de vrouw is ter zitting aangegeven dat zij vragen hebben naar aanleiding van het Raadsrapport.
De rechtbank zal daarom de beslissing op de verzoeken die zien op het gezag en de omgangsregeling aanhouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling, waarvoor de Raad nogmaals zal worden opgeroepen te verschijnen. Indien en voor zover de Raad aan die oproeping geen gehoor zou willen te geven wordt de Raad verzocht dit tijdig schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank kenbaar te maken.
5Met betrekking tot de kinderalimentatie
De vrouw
De vrouw verzoekt de rechtbank een door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen van € 605 per kind per maand. Ten tijde van de relatie werkte de vrouw in het [bedrijf 1] . Zij verdiende hier een inkomen van circa € 1.552,89 bruto per maand, exclusief emolumenten. De vrouw beschikt niet over recente financiële gegevens van de man, omdat de man weigert deze te verschaffen. Volgens de vrouw heeft de man een eigen [bedrijf 2] en diverse huuropbrengsten uit onroerend goed. De vrouw weet niet wat de man jaarlijks aan inkomen geniet. Via de belastingdienst heeft zij haar IB-aanslag 2023 opgevraagd. Hieruit blijkt dat aan de vrouw een totale waarde aan bezittingen wordt toegekend van € 633.376. Naast het eigendom van de gezamenlijke woning aan de [adres] , worden er 6 panden aan de [adres] in eigendom vermeld. Uit de aangifte blijkt bovendien dat de man in 2023 een winst uit onderneming heeft genoten van € 141.726, dit nog naast de ontvangen huuropbrengsten ten bedrage van € 5.500 per maand. De vrouw heeft vragen bij de stelling van de man dat er in 2024 en 2025 sprake is geweest van een sterke daling van de inkomsten. Een geloofwaardige verklaring hiervoor wordt door de man niet gegeven. Er is door de vrouw bij herhaling om financiële stukken van 2024 gevraagd, maar deze zijn nooit verstrekt. De man zou zijn broer hebben uitgekocht, maar hoe dat financieel is afgewikkeld blijkt ook nergens uit.
De vrouw acht het primair gerechtvaardigd om als ingangsdatum van de alimentatie aansluiting te zoeken bij het moment waarop zij de woning noodgedwongen heeft verlaten, namelijk 20 juli 2025. De man heeft sindsdien niets voor de kinderen betaald en de vrouw is genoodzaakt schulden te maken om enigszins in de behoefte van de kinderen te voorzien.
Subsidiair acht de vrouw de datum van 31 oktober 2025 passend, omdat de vrouw op dat
moment in voorlopige voorziening kenbaar heeft gemaakt aanspraak te willen maken op
kinderalimentatie.
De man
De man stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen. Op basis van zijn inkomen kan hij maximaal € 17 per kind per maand bijdragen. Ter onderbouwing van zijn stelling voert de man aan dat hij tot voor kort samen met zijn broer een onderneming in de vorm van een V.O.F. heeft gedreven. Hij heeft zijn broer in 2025 uitgekocht en sindsdien is het bedrijf voortgezet als eenmanszaak. Het resultaat van de V.O.F. in 2024 bedroeg € 155.815 (voor belasting). In 2025 is er een duidelijke financiële kentering zichtbaar. De man kan de zaak niet in zijn eentje draaien en heeft dus personeel nodig. De personeelskosten zijn enorm gestegen. Daarnaast is er ook een stijging van de grondstofprijzen geweest. De accountant van de man heeft een kolommenbalans opgesteld. Daaruit blijkt dat het resultaat in 2025 substantieel lager is dan het resultaat in 2024. De totale omzet van de onderneming bedroeg in 2025 € 855.845,37. Na aftrek van alle bedrijfslasten (in totaal € 829.561), resteert een nettoresultaat voort de gehele vennootschap van slechts € 26.284,37. De man verzoek bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen rekening te houden met het verminderde resultaat. Met betrekking tot de door de vrouw gestelde huurinkomsten voert de man aan dat dit onroerend goed van de familie van de man is. Dit staat op zíjn naam omdat hij de oudste is. De huurbetalingen komen op zijn rekening en daar betaalt de man bestaande belastingschulden van. De rest van de huurinkomsten komen niet aan hem, maar aan de familie toe. Dit bedrag gaat rechtstreeks naar de zijn ouders en zijn broer in Irak. Volgens de man is dit ook bij de vrouw bekend.
Met betrekking tot de ingangsdatum is de man van mening dat er geen enkele reden is om deze eerder te bepalen dat de datum van indiening van het verzoek.
Beoordeling rechtbank
Conclusie
De rechtbank beslist dat de man aan kinderalimentatie een bedrag van € 539 per kind per maand aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. Voor zover de rechtbank berekeningen heeft gemaakt, zijn deze als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum van de alimentatieverplichting te stellen op 31 oktober 2025, de datum waarop de vrouw in de voorlopige voorzieningenprocedure een zelfstandig verzoek voor kinderalimentatie heeft gedaan. Vaststaat dat de man, nadat de vrouw met de kinderen de woning had verlaten, geen enkele bijdrage voor de kinderen heeft betaald. De man had in ieder geval met ingang van 31 oktober 2025 rekening kunnen houden met het feit dat hij een bijdrage zou moeten gaan betalen.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het inkomen van partijen tijdens het samenleven. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Uit de processtukken blijkt dat de vrouw halverwege 2025 met de kinderen is vertrokken. De rechtbank acht het dan ook redelijk aan te sluiten van het inkomen dat partijen genoten in 2024, toen partijen nog het gehele jaar samenleefden van hun gezamenlijke inkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat op basis van het gezinsinkomen in 2024 de behoefte van de kinderen kan worden bepaald op een bedrag van € 615 per kind per maand. De rechtbank zal bij haar berekening uitgaan van dit bedrag.
Draagkracht ouders
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een budget voor - primair - wonen van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie.
Draagkracht man
De man heeft een onderneming in brood en banket . Voor de berekening van het NBI van een zelfstandig ondernemer is het gebruikelijk om te kijken naar de bedrijfsresultaten van de laatste drie jaren zoals blijkt uit over te leggen jaarstukken en belastingaangiftes. In beginsel wordt dan een gemiddelde genomen. De man heeft echter (slechts) een fiscaal rapport aangifte inkomstenbelasting 2023, een uitdraai van een kolommenbalans, een periode-vergelijking van de eerste 9 maanden van 2024 en 2025 en een verklaring van zijn accountant voor het verschil in resultaat van 2024 ten opzicht van 2025 in de procedure gebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank mag van de man verwacht worden dat hij voldoende inzicht geeft in zijn financiële omstandigheden om een gefundeerde draagkrachtberekening te kunnen maken. Dit inzicht heeft de man - in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw - niet gegeven. De man heeft geen onderliggende stukken bij en een toelichting op de overgelegde financiële stukken gegeven. De in de stukken gepresenteerde cijfers zijn niet eenduidig. Waar de man in zijn verweerschrift spreekt van een resultaat in 2024 van € 155.815, maakt de accountant in zijn verklaring melding van een winst van € 152.631 en de periodevergelijking laat (geabstraheerd naar het hele jaar 2024) een resultaat zien van € 117.624. Hoe deze verschillende bedragen zich tot elkaar verhouden, wordt door de man niet duidelijk gemaakt. Hoewel (namens de man) op de mondelinge behandeling is meegedeeld dat de aangifte IB en de jaarrekening over 2024 in concept klaar zijn, heeft de man ook deze concepten niet in de procedure gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank dient de onduidelijkheid over zijn financiële situatie voor rekening en risico van de man te komen.
De rechtbank zal voor het berekenen van het gemiddelde bedrijfsresultaat uitgaan van het bedrag zoals vermeld op de aangifte IB 2023 van € 141.726 en het door de man in zijn verweerschrift gestelde resultaat over 2024 van € 155.815. Met betrekking tot 2025 zijn er geen voldoende verifieerbare gegevens overgelegd. De rechtbank acht het op grond van de overgelegde gegevens, waaronder de accountantsverklaring, echter wel aannemelijk dat het resultaat over 2025 lager is geweest dan de jaren daarvoor. De accountant schrijft dit met name toe aan de gestegen personeelskosten. Uit de verklaring blijkt dat deze kosten in 2025 ten opzichte van 2024 met 21% zijn gestegen. Bij gebreke van voldoende financiële gegevens acht de rechtbank het daarom redelijk het resultaat van 2024 te verminderen met dit percentage en dit als fictief resultaat voor 2025 te nemen. Dit brengt met zich dat de rechtbank zal rekenen met een resultaat over 2025 ten bedrage van € 123.093. Op basis van deze bedragen stelt de rechtbank het gemiddelde resultaat over de jaren 2023, 2024 en 2025 vast op een bedrag van € 140.211.
Naast het gemiddelde bedrijfsresultaat zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man ook rekening houden met door hem ontvangen huurinkomsten. Door de man is onweersproken gesteld dat deze inkomsten € 5.500 per maand bedragen. Dat deze inkomsten niet aan de man, maar aan zijn familie zouden toebehoren, is door hem niet met stukken onderbouwd. De man heeft ook nog gesteld dat hij deze inkomsten gebruikt om Belastingschulden af te lossen, maar ook dit heeft hij niet aangetoond, of aangevoerd in het kader van de aflossing van een schuld waarmee na de vaststelling van zijn inkomen rekening mee gehouden zou moeten worden.
Uitgaande van het bovenstaande komt de rechtbank tot de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening. Uit deze berekening volgt een NBI van € 12.514. Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van in totaal € 5.215 per maand.
Draagkracht vrouw
Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overlegde loonstrook van september 2025 met een salaris van € 1.552 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering ten bedrage van € 1.552. Op basis van dit inkomen heeft de vrouw aanspraak op een kindgebonden budget en alleenstaande ouderkoop van € 10.922. Het NBI is dan € 2.716. Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 414 per maand.
Verdeling kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd. De totale draagkracht van partijen voor de kosten van de kinderen bedraagt € 5.629 per maand, terwijl de totale behoefte van de kinderen € 1.845 bedraagt. Uit de draagkrachtvergelijking volgt dat de man van de totale behoefte € 1.709 voor zijn rekening moet nemen en de vrouw € 136 voor haar rekening moet nemen.
Te betalen kinderalimentatie
Op grond van het voorgaande berekent de rechtbank de door de man te betalen kinderalimentatie op een bedrag van in totaal € 1.616. Dat is € 539 per kind per maand. Daarbij heeft de rechtbank, overeenkomstig het Tremarapport, gerekend met zorgkorting van 5% nu er geen sprake is van contact tussen de man en de kinderen, terwijl de man dat wel zou willen.
6Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man met ingang van 31 oktober 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 539 per kind per maand, voor zover de termijnen nog niet zijn verschenen, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling en verzoekt de advocaten van partijen daartoe de rechtbank hun verhinderdata door te geven voor de maanden juni tot en met september 2026.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Woudenberg, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. |
||
|
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: - door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. |
fn: mmv/615
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
