Essentie (gemaakt door AI)
Tussenvonnis in vermogensrechtelijke afwikkeling geregistreerd partnerschap. Afgifte/waardevergoeding sieraden wordt bij eindvonnis afgewezen. Bewijsopdrachten: vrouw bewijst mondelinge afspraak €40.000 korting; man bewijst terugbetaling €68.592 verbouwingskosten. Huishoudkosten t/m 6-1-2025 deels toewezen (€51.461,67); vervaltermijn eerder jaren. Beleggingsrente afgewezen, wettelijke rente vanaf dagvaarding toewezen. Alimentatievorderingen spoorwissel art. 69 Rv met voornemen verwijzing Team Familie & Jeugd. Verdeling beide appartementen volgens bindende taxeNieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 29-09-2026 |
| Zaaknummer | C/03/341295 / HA ZA 25-184 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Huishoudkosten art. 1:84 |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Tussenvonnis. Vermogensrechtelijke afwikkeling geregistreerd partnerschap; bewijsopdrachten en spoorwissel artikel 69 Rv met voornemen de zaak gedeeltelijk te verwijzen naar het team Familie- en Jeugdrecht.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341295 / HA ZA 25-184
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. J.A. Neslo,
tegen
[de man] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. M.H.W. Clijsen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 12,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie met de producties 1 tot en met 3,
- de akte houdende wijziging eis van [de vrouw] ,
- de antwoordakte op wijziging eis in conventie van [de man] ,
- de brief van 27 augustus 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de brief van 23 december 2025 met de producties 13 tot en met 17 van [de vrouw] ,
- de akte overlegging producties van 9 januari 2026 met de producties 18 tot en met 23 van [de vrouw] ,
- het B3-formulier van 9 januari 2026 met productie 24 van [de vrouw] ,
- de akte overlegging producties, ter griffie ontvangen op 12 januari 2026, met de producties 4 tot en met 8 van [de man] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 januari 2026,
- de spreekaantekeningen van mr. Neslo,
- de notities ten behoeve van de mondelinge behandeling van mr. Clijsen,
- de reactie op het proces-verbaal van 6 februari 2026 van mr. Neslo,
- de akte overlegging producties van 18 februari 2016 met productie 9 tot en met 13.2 van [de vrouw] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen hebben sinds 2009 een affectieve relatie.
Bij notariële akte van 15 april 2020 hebben partijen, ten behoeve van hun voorgenomen geregistreerd partnerschap, geregistreerd partnerschapsvoorwaarden (hierna: ‘GP-voorwaarden’) opgesteld.
1 Op grond van deze GP-voorwaarden is tussen partijen met ingang van het sluiten van het geregistreerde partnerschap een beperkte (partnerschapsgoederen)gemeenschap ontstaan, die op dat moment slechts één (onroerende) zaak bevatte, te weten het appartementsrecht voor de flatwoning te [adres 1] (hierna: ‘het appartement in [plaats 1] ’). Partijen zijn hierdoor ieder voor een gelijk aandeel rechthebbende op het appartementsrecht.
Artikel 7 van deze GP-voorwaarden luidt, voor zover thans van belang:
“ Kosten huishouding
Artikel 7
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding in de ruimste zin des woords worden door de man gedragen. (…)
Partijen bepalen daarnaast uitdrukkelijk dat alle kosten behorende tot de door partijen gezamenlijk bewoonde woning zullen worden voldaan door de man en derhalve nimmer zullen behoren tot de kosten van de huishouding.
2. (…)
3. Indien een der geregistreerd partners in een kalenderjaar meer in de kosten der huishouding heeft bijgedragen dan ingevolge het vorenstaande te zijnen/haren laste komt, is de betreffende geregistreerd partner bevoegd daarvan verrekening te vorderen.
Vervaltermijn
Indien tussen de geregistreerd partners een verrekening moet plaatsvinden, zal deze verrekening dienen te geschieden binnen twaalf (12) maanden na het einde van het desbetreffende kalenderjaar, na afloop van welke termijn het recht om verrekening te vorderen vervalt.
Partijen hebben verklaard door de notaris uitdrukkelijk te zijn gewezen op en zich bewust te zijn van de gevolgen en consequenties van deze vervaltermijn.
4. (…)”
Op 17 april 2020 is het geregistreerd partnerschap gesloten.
Bij notariële akte ‘aanvulling geregistreerde partnerschapsvoorwaarden’ (hierna: ‘de aanvullende GP-voorwaarden’) van 3 januari 2023 hebben partijen de beperkte partnerschapsgoederengemeenschap aangevuld met een tweede appartementsrecht te [adres 2] in Spanje (hierna: ‘het appartement in Spanje’). Met het sluiten van deze aanvullende GP-voorwaarden zijn partijen ieder voor een gelijk aandeel rechthebbende geworden op het appartementsrecht ten aanzien van het appartement in Spanje.
Op 22 december 2023 heeft [de man] een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Op 30 augustus 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken.
2 Deze beschikking is op 7 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3
Partijen zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg tot afspraken te komen inzake de afwikkeling van het geregistreerd partnerschap.
3Het geschil
In conventie
[de vrouw] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de man] veroordeelt tot afgifte aan [de vrouw] van de sieraden en (lijf)goederen zoals omschreven onder punt 23 in de dagvaarding, binnen een door de rechtbank te bepalen verkorte termijn wegens de gezondheidssituatie van [de vrouw] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [de man] nalaat hieraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;
II. indien afgifte van de sieraden niet mogelijk is, [de man] veroordeelt tot betaling aan [de vrouw] van de vervangende waarde van de sieraden, zijnde een bedrag van € 30.000,-;
III. [de man] veroordeelt tot betaling van het door [de vrouw] gevorderde bedrag van € 449.260,13, zijnde het totaal van de overige vorderingen uit hoofde van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden en de door partijen in onderling overleg gemaakte afspraken, zoals gespecificeerd in de dagvaarding onder punt 25;
IV. [de man] veroordeelt (naar de rechtbank begrijpt) de over dit totaal te vorderen bedrag van € 495.260,13 te berekenen beleggingsrente en belastingen te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
V. [de man] veroordeelt om aan [de vrouw] te voldoen de achterstallige bijdrage in haar levensonderhoud, tot op heden begroot op € 46.000,-
VI. [de man] veroordeelt om bij vooruitbetaling aan [de vrouw] te voldoen een bedrag van € 2.500,- per maand al bijdrage in haar levensonderhoud;
VII. [de man] veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen salaris van de advocaat en de nakosten.
[de man] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met bepaling dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat ieder de eigen kosten draagt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
[de man] vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(1) met betrekking tot het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de flatwoning op de begane grond met garage en kelder in het souterrain, gelegen te [kadastrale aanduiding] :
1) een deskundigenonderzoek beveelt tot vaststelling van de waardering van het appartement(srecht) met een tussen partijen bindende taxatie door een door de rechtbank aan te stellen makelaar-taxateur, waarbij alle omstandigheden die daarbij volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van het appartement(srecht) worden meegenomen;
2) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de taxatie, ieder voor de helft;
3) het appartement(srecht) toedeelt aan [de vrouw] voor de door de rechtbank aangewezen makelaar getaxeerde waarde, onder de verplichting de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] te betalen;
4) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de toedeling van het appartementsrecht aan [de vrouw] , ieder voor de helft;
5) indien [de vrouw] er niet in slaagt om binnen drie maanden na de bindende taxatie aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van het appartement tegen de getaxeerde waarde te financieren, onder de verplichting om een overbedelingsvergoeding aan [de man] te betalen ter grootte van de helft van die getaxeerde waarde, respectievelijk wanneer [de vrouw] ervan afziet het aandeel van [de man] over te nemen, partijen veroordeelt tot medewerking aan de verkoop van het appartement(srecht) via de door de rechtbank voor de taxatie aangewezen makelaar, waarbij de aanwijzingen van deze makelaar leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning;
6) partijen veroordeelt tot betaling van alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, als eerste te voldoen van de opbrengst;
7) de netto-opbrengst verdeelt tussen partijen, aldus dat ieder gerechtigd is voor de helft van de resterende waarde;
(2) met betrekking tot het appartementsrecht, staande en gelegen te [adres 2] , Spanje, in Spanje kadastraal bekend onder nummer [nummer] :
1) een deskundigenonderzoek beveelt tot vaststelling van de waardering van het appartement(srecht) met een tussen partijen bindende taxatie door een door de rechtbank aan te stellen makelaar-taxateur, waarbij alle omstandigheden die daarbij volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van het appartement(srecht) worden meegenomen;
2) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de taxatie, ieder voor de helft;
3) het appartement(srecht) toedeelt aan [de vrouw] voor de door de rechtbank aangewezen makelaar getaxeerde waarde, onder de verplichting de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] te betalen;
4) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de toedeling van het appartementsrecht aan [de vrouw] , ieder voor de helft;
5) indien [de vrouw] er niet in slaagt om binnen drie maanden na de bindende taxatie aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van het appartement tegen de getaxeerde waarde te financieren, onder de verplichting om een overbedelingsvergoeding aan [de man] te betalen ter grootte van de helft van die getaxeerde waarde, respectievelijk wanneer [de vrouw] ervan afziet het aandeel van [de man] over te nemen, partijen veroordeelt tot medewerking aan de verkoop van het appartement(srecht) via de door de rechtbank voor de taxatie aangewezen makelaar, waarbij de aanwijzingen van deze makelaar leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning;
6) partijen veroordeelt tot betaling van alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, als eerste te voldoen van de opbrengst;
7) de netto-opbrengst verdeelt tussen partijen, aldus dat ieder gerechtigd is voor de helft van de resterende waarde;
(3) [de vrouw] beveelt aan [de man] te verstrekken alle bewijsstukken met betrekking tot de eigenaarslasten van de onroerende goederen onder (1) en (2) ter vaststelling van zijn vordering op [de vrouw] uit hoofde van artikel 3:172 BW vanaf 22 december 2023, althans 7 januari 2025 tot aan de goederenrechtelijke verdeling ervan;
(4) [de vrouw] veroordeelt tot betaling van alle gebruikerslasten van de onroerende goederen onder (1) en (2) primair vanaf 22 december 2023, althans subsidiair vanaf 7 januari 2025 tot aan de goederenrechtelijke toedeling ervan aan [de vrouw] , althans indien en zolang [de vrouw] daarvan als enige deelgenoot het alleengebruik heeft;
(5) [de vrouw] veroordeelt tot betaling aan [de man] van een gebruiksvergoeding ex artikel 3:169 BW voor het alleengebruik dat [de vrouw] [naar de rechtbank begrijpt: heeft] van de onroerende goederen onder (1) en (2) ter grootte van een rendementspercentage van 2% op jaarbasis van de helft van de door de rechtbank op basis van het gevorderde deskundigenonderzoek vast te stellen marktwaarde primair vanaf 22 december 2023, althans subsidiair vanaf 7 januari 2025 tot aan de goederenrechtelijke toedeling ervan aan [de vrouw] , althans indien en zolang [de vrouw] daarvan als enige deelgenoot het alleengebruik heeft;
(6) de proceskosten tussen partijen compenseert, aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt.
[de vrouw] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de man] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
In conventie
Vordering I + II: afgifte sieraden en (lijf)goederen dan wel betaling vervangende waarde (€ 30.000,-)
[de vrouw] vordert afgifte van de volgende roerende zaken, die volgens haar haar eigendom zijn: (i) een gouden Chopard-armband; (ii) gouden zware bicolor creolen, bezet met een streng briljanten (behorend bij de armband); (iii) 4 gouden ‘Wilhelmina met loshangend haar’; (iv) een zware gouden ‘closed for ever’-armband met vierkante schakels; (v) een enveloppe met € 3.000,-; (vi) twee zijden Hermès sjaals; (vii) drie golftruien; (viii) een set van een paarse trui en een paars/wit golfjack; (ix) een Lenova [de rechtbank begrijpt: ‘Lenovo’] laptop met draadloze muis en (x) een TomTom Go, Zuid Afrika. Ter onderbouwing van haar vordering voert zij aan dat partijen op 16 september 2023 samen naar het appartement in Spanje zouden gaan. Na een conflict is [de vrouw] op die dag alleen vertrokken. Toen zij in Spanje was zag ze op videobeelden van de camera bij de woning in [plaats 1] dat op 17 september 2023 de broer van [de man] met zijn vrouw en kinderen met verhuisdozen naar het appartement zijn gekomen. Deze familieleden hebben toen volgens [de vrouw] alles uit huis gehaald en [de man] meegenomen naar hun woning. [de vrouw] heeft verder een afbeelding overgelegd waarop is te zien dat zij enkele van de sieraden draagt.
[de man] betwist de stellingen van [de vrouw] . Nadat [de vrouw] in september 2023 alleen naar Spanje was vertrokken heeft [de man] besloten de samenwoning te beëindigen. Hij heeft daarom op 17 september 2023 zijn spullen uit het appartement in [plaats 1] naar elders verhuisd. Zijn familie heeft hem daarbij geholpen. [de man] betwist dat hij of zijn familie de door [de vrouw] genoemde zaken heeft meegenomen. De spullen die bij de verhuizing uit het appartement in [plaats 1] zijn meegenomen waren en zijn bezit van [de man] ; daartussen zaten geen sieraden, kleding en/of munten of contanten die van [de vrouw] kunnen zijn. [de man] heeft meermaals alle spullen doorzocht die hij destijds heeft meegenomen, maar heeft geen van de door [de vrouw] genoemde zaken teruggevonden. Hij heeft dit tegenover [de vrouw] herhaald toen zij in de Kerstperiode in 2024 bij hem in [plaats 2] op bezoek was en haar aangeboden zijn kasten te doorzoeken. Kortom, hij kan niet aan de vordering tot afgifte voldoen, omdat hij de genoemde goederen eenvoudigweg niet onder zich heeft, aldus [de man] .
De rechtbank stelt voorop dat [de man] niet betwist dat de goederen waarvan afgifte wordt gevorderd aan [de vrouw] in eigendom toebehoren, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Het is echter aan [de vrouw] , die zich beroept op het rechtsgevolg van haar stellingen, om voldoende gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat [de man] deze goederen onder zich heeft. De enkele stelling dat zij familie van [de man] met verhuisdozen naar het appartement heeft zien lopen is daarvoor, zeker gelet op de gemotiveerde betwisting van [de man] , niet voldoende. [de vrouw] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in die verhuisdozen de nu gevorderde zaken hebben gezeten. De (blote) stellingen van [de vrouw] , die voornamelijk een speculatief karakter hebben, zijn onvoldoende om de vordering van [de vrouw] tot afgifte van de roerende zaken toe te wijzen of haar in de gelegenheid te stellen nader bewijs van haar stellingen te leveren. Deze vordering zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.
Op grond van het voorgaande moet (bij eindvonnis) ook de vordering tot betaling van de vervangende waarde van voornoemde zaken worden afgewezen. Nu niet is komen vast te staan dat [de man] de goederen onder zich heeft, valt immers niet in te zien waarom hij zou zijn gehouden tot vergoeding van de waarde daarvan. Overigens heeft [de vrouw] over de grondslag voor deze verplichting tot waardevergoeding niets gesteld, terwijl zij evenmin duidelijk heeft gemaakt hoe zij tot begroting van het bedrag van € 30.000,- is gekomen.
Vordering III: betaling € 449.260,13 inzake de afwikkeling van de GP-voorwaarden en door partijen gemaakte afspraken
[de vrouw] stelt dat zij in het kader van de afwikkeling van de GP-voorwaarden een vordering op [de man] heeft ter grootte van € 449.260,13. Dit bedrag is opgebouwd uit diverse posten, die de rechtbank hierna zal beoordelen. [de vrouw] legt aan deze vordering ten grondslag dat zij financieel is benadeeld door [de man] . Het gevorderde bedrag omvat haar rechtmatige aandeel in het gezamenlijke vermogen, misgelopen financiële toezeggingen en schade door onrechtmatige handelingen rondom het vermogen van [de man] , aldus [de vrouw] .
[de man] heeft verweer gevoerd met betrekking tot de diverse posten.
De rechtbank stelt voorop dat bij de gevorderde posten (opnieuw) worden genoemd het bedrag van € 30.000,- inzake ‘de ontvreemde sieraden en lijfgoederen’ en een bedrag van € 3.000,- inzake een ontvreemd bedrag dat in een witte luchtkussentjes-enveloppe zat. Het bedrag van € 30.000,- is niet meegeteld bij de berekening van het totaalbedrag van € 449.260,13, maar het bedrag van € 3.000,- wel. Met laatstgenoemd bedrag wordt, naar de rechtbank begrijpt, bedoeld de enveloppe met € 3.000,- waarvan afgifte dan wel waardevergoeding werd gevorderd onder vordering I en II. Zoals hiervoor reeds overwogen zullen die vorderingen bij eindvonnis worden afgewezen, zodat deze bedragen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat van de vordering onder III in ieder geval niet meer dan (€ 449.260,13 - € 3.000,- =) € 446.260,13 kan worden toegewezen.
Vergoeding voor bemiddeling bij aankoop van het appartement in [plaats 1] (€ 40.000,-)
[de vrouw] stelt dat partijen bij de aankoop van het appartement in [plaats 1] zijn overeengekomen dat zij het verschil van € 40.000,- tussen de vraagprijs en de daadwerkelijke koopprijs zou krijgen, mits dit verschil enkel door haar bemiddeling en volledige inzet zou worden bereikt. Dit is het geval, aldus [de vrouw] , zodat zij recht heeft op nakoming van deze afspraak tussen partijen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] toegelicht dat [de man] de aankoop van het appartement snel wilde afhandelen, maar dat zij bij de aankoop van het appartement € 40.000,- minder heeft geboden. [de man] was daar boos over, omdat hij het appartement graag wilde hebben, maar hij heeft volgens [de vrouw] gezegd “alles wat je minder krijgt dan de vraagprijs is voor jou”. Deze afspraken tussen partijen zijn mondeling gemaakt, aldus [de vrouw] .
[de man] betwist het bestaan van de door [de vrouw] gestelde afspraak en wijst erop dat daarvan geen bewijs is overgelegd.
De rechtbank overweegt als volgt. [de man] heeft niet betwist dat het verschil van € 40.000,- door het handelen van [de vrouw] is bereikt, zodat de rechtbank dat als vaststaand aanneemt. In geschil is echter wel of tussen partijen de door [de vrouw] gestelde afspraak is gemaakt. [de vrouw] heeft dit voldoende gemotiveerd gesteld, maar [de man] heeft dit betwist. [de vrouw] heeft van haar stellingen bewijs aangeboden, zodat de rechtbank [de vrouw] zal toelaten tot het bewijs van haar stelling dat partijen hebben afgesproken dat [de vrouw] het verschil van € 40.000,- tussen de vraagprijs en de daadwerkelijke koopprijs zou verkrijgen, mits dit verschil enkel door haar bemiddeling en volledige inzet zou worden bereikt.
Kosten van de huishouding
[de vrouw] stelt dat zij een vergoedingsvordering heeft op [de man] van € 135.128,13 inzake door haar betaalde kosten van de huishouding, na aftrek van betalingen die zij van [de man] heeft ontvangen, over de periode van 31 december 2019 tot en met 4 maart 2025. Ter onderbouwing heeft zij een overzicht van de betalingen ten behoeve van de kosten van de huishouding overgelegd.
4
[de man] betwist enig bedrag aan [de vrouw] verschuldigd te zijn met betrekking tot de kosten van de huishouding. Hij wijst er in dat verband op dat in artikel 7 van de GP-voorwaarden, welk artikel ziet op de kosten van de huishouding, een vervaltermijn is opgenomen, die inhoudt dat verrekening van de kosten van de huishouding dient te geschieden binnen twaalf maanden na het einde van het desbetreffende kalenderjaar. Nu [de vrouw] voor het eerst bij brief van 22 november 2024
5 aanspraak heeft gemaakt op verrekening inzake de kosten van de huishouding is haar recht op verrekening van vorderingen die dateren van voor 1 januari 2023 komen te vervallen, aldus [de man] . Voor zover de vordering ziet op de periode voorafgaand aan het sluiten van het geregistreerd partnerschap op 17 april 2020 ontbreekt verder een rechtsgrond. Hetzelfde geldt voor de vordering over de periode na het verbreken van de samenwoning op 17 september 2023, althans de periode na indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap op 22 december 2023. Voor de resterende periode betwist [de man] dat hij [de vrouw] nog een bedrag inzake de kosten van de huishouding verschuldigd is.
De rechtbank stelt het volgende voorop. De wettelijke regeling inzake de kosten van de huishouding tussen echtgenoten is neergelegd in artikel 1:84 BW. Op grond van artikel 1:80b BW is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het geregistreerd partnerschap. Op personen die ongehuwd samenleven is artikel 1:84 BW niet van toepassing. Gehuwden of geregistreerd partners kunnen bij schriftelijke overeenkomst van de wettelijke regeling van artikel 1:84 BW afwijken (artikel 1:84 lid 3 BW) .
In dit geval zijn partijen met ingang van 17 april 2020 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zowel voor de periode vóór als na het geregistreerd partnerschap is artikel 1:84 BW niet van toepassing op de onderlinge verhouding tussen partijen, zodat [de vrouw] – voor zover zij dit heeft bedoeld – haar vordering daarop niet kan baseren. Vanaf 17 april 2020 werd de onderlinge verhouding tussen partijen beheerst door de GP-voorwaarden, waarin een afwijkende regeling is opgenomen, zodat ook op dat moment artikel 1:84 BW niet van toepassing is. Dit betekent dat de vordering van [de vrouw] dient te worden beoordeeld op grond van artikel 7 van de GP-voorwaarden. Een andere grondslag is door [de vrouw] niet aangevoerd. Nu deze GP-voorwaarden van kracht zijn met ingang van 17 april 2020 slaagt het verweer van [de man] dat de vordering van [de vrouw] geen betrekking kan hebben op de periode voor die datum.
Ingevolge artikel 1:80e BW komt de ontbinding van een geregistreerd partnerschap tot stand door inschrijving van de desbetreffende gerechtelijke uitspraak in de registers van de burgerlijke stand. In dit geval is de beschikking ingeschreven op 7 januari 2025 (zie rov. 2.6), zodat het geregistreerd partnerschap met ingang van die datum is ontbonden. Voor zover de vordering van [de vrouw] betrekking heeft op de periode na deze datum ontbreekt daarvoor eveneens de grondslag.
Het beroep van [de man] op de in artikel 7 van de GP-voorwaarden opgenomen vervaltermijn slaagt eveneens. In artikel 7, lid 3 van de GP-voorwaarden is in duidelijke bewoordingen vermeld dat verrekening van de kosten van de huishouding moet plaatsvinden binnen twaalf maanden na het desbetreffende kalenderjaar. [de man] stelt dat [de vrouw] voor het eerst bij brief van 22 november 2024
6 aanspraak heeft gemaakt op verrekening inzake de kosten van de huishouding. [de vrouw] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij jaarlijks wilde afrekenen, maar dat [de man] daar niet voor open stond. Naar het oordeel van de rechtbank is deze (blote) betwisting echter niet voldoende om de stelling van [de man] te weerleggen. De rechtbank weegt in dat verband mee dat in de desbetreffende brief van 22 november 2024 (van de advocaat van [de vrouw] ) in het geheel niet wordt gerefereerd aan eerdere (geweigerde) verzoeken om verrekening. Dit betekent dat is het recht van [de vrouw] op verrekening van vorderingen die dateren van voor 1 januari 2023 is komen te vervallen.
De rechtbank volgt [de man] niet in zijn stelling dat zijn verplichting tot het dragen van de kosten van de huishouding is geëindigd op 17 september 2023, toen de samenwoning is beëindigd. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de GP-voorwaarden van kracht zijn zolang het geregistreerd partnerschap niet is ontbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is [de man] dus tot de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap gehouden de kosten van de huishouding voor zijn rekening te nemen.
Op grond van het voorgaande komen de door [de vrouw] opgevoerde posten over de periode van 1 januari 2023 tot en met 6 januari 2025 voor verdere beoordeling in aanmerking. [de vrouw] heeft ter onderbouwing van haar vorderingen onder meer een overzicht van banktransacties overgelegd.
7 Daaruit volgt dat zij per saldo de volgende bedragen heeft betaald aan kosten voor de huishouding (het saldo in 2025 is negatief, omdat [de vrouw] in die periode meer heeft ontvangen dan dat zij heeft uitgegeven):
2 januari 2023 tot en met 5 januari 2024 : € 16.115,80
8
-
6 januari 2024 tot en met 31 juli 2024: € 9.671,69
-
1 augustus 2024 tot en met 14 september 2024: € 7.298,95
-
15 september 2024 tot en met 31 december 2024 € 20.054,25
-
1 januari 2025 tot en met 6 januari 2025: - € 1.679,02
In totaal komt dit neer op een bedrag van € 51.461,67.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de vrouw] met voornoemd overzicht voldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft gemaakt. De algemene betwisting daarvan van [de man] is onvoldoende. Deze kosten komen dus voor toewijzing in aanmerking.
Anders is dat voor de door [de vrouw] gestelde contante uitgaven van in totaal € 13.040,- over de periode van 16 september 2023 tot en met juni 2024. [de vrouw] heeft ter onderbouwing van dit deel van haar vordering volstaan met overlegging van een zelf opgestelde lijst van betalingen.
9 [de man] heeft bij conclusie van antwoord betwist dat zij deze betalingen heeft verricht. Gelet daarop had het op de weg van [de man] gelegen haar stelling inzake de contante uitgaven nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met kwitanties of schriftelijke verklaringen van de personen aan wie zij zou hebben betaald. Nu zij dit heeft nagelaten zal dit deel van de vordering bij eindvonnis als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank volgt [de man] niet in zijn stelling dat het op de weg van [de vrouw] zou liggen om aan te tonen dat [de man] niet reeds met [de vrouw] heeft verrekend. Het is, indien hij daartoe aanleiding ziet, aan [de man] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de door [de vrouw] gestelde uitgaven aan kosten voor de huishouding reeds aan haar heeft vergoed dan wel verrekend. De rechtbank leest in de stellingen van [de man] echter niet dat hij zich hierop beroept.
De slotsom luidt dat de vordering van [de vrouw] inzake de kosten van de huishouding (bij eindvonnis) toewijsbaar is voor een bedrag van € 51.461,67.
Meerwaarde woning [plaats 3]
[de vrouw] vordert een bedrag van € 189.500,- inzake de meerwaarde uit de verkoop van de woning te [plaats 3] aan het adres Herfst 15 in het jaar 2019/2020. Dit zou, aldus [de vrouw] blijken uit een onderhandse akte.
[de man] heeft de vordering betwist.
Deze vordering van [de vrouw] zal bij eindvonnis worden afgewezen, nu zij haar stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Het aanbod ter zitting om de onderhandse akte alsnog over te leggen is te laat; er is geen enkele reden waarom [de vrouw] dit niet direct bij dagvaarding, of in ieder geval voorafgaand aan de mondelinge behandeling had kunnen doen. [de vrouw] zal daartoe dus niet meer in de gelegenheid worden gesteld.
Kosten verbouwing appartement in [plaats 1]
[de vrouw] stelt dat zij ten behoeve van de verbouwing van het appartement in [plaats 1] in totaal € 68.592,- heeft betaald. [de man] verbleef op dat moment na een val van de trap in het ziekenhuis en een revalidatiecentrum. De grondslag voor deze vordering is terug te vinden in de GP-voorwaarden, aldus [de vrouw] . Ter onderbouwing van haar vordering heeft zij een zelf opgesteld overzicht van de gestelde (naar de rechtbank begrijpt: contante) uitgaven overgelegd en twee e-mails van [de vrouw] en de aannemer van 11 september 2019 en 20 september 2019.
10 Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] toegelicht dat de aannemer wilde dat twee derde van de aanneemsom contant zou worden betaald. Afspraak was dat aan de aannemer iedere werkweek op vrijdag € 5.000,- zou worden betaald. Toen [de man] tijdens het werk in het ziekenhuis moest worden opgenomen heeft [de vrouw] de betalingen voortgezet.
[de man] betwist dat hij enige vergoeding aan [de vrouw] is verschuldigd inzake de verbouwingskosten van het appartement in [plaats 1] . Alle kosten die verband houden met de verbouwing van dat appartement zijn door hem voldaan; dit is per bank betaald. De vordering van [de vrouw] ziet overigens op de periode van 23 november 2019 tot 31 december 2019. Deze kosten zijn dus gemaakt voordat partijen een geregistreerd partnerschap aangingen. De vordering is bovendien verjaard, aldus [de man] .
Het beroep op verjaring van [de man] slaagt niet: zijdens [de vrouw] is er terecht op gewezen dat bij brief van 22 november 2024 namens [de vrouw] aanspraak is gemaakt op vergoeding van deze kosten. Deze brief kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Op dat moment was de termijn van vijf jaren nog niet verstreken, zodat de verjaring tijdig is gestuit.
De rechtbank overweegt verder als volgt. [de vrouw] stelt dat zij contante betalingen heeft verricht voor de verbouwing van het appartement in [plaats 1] . [de man] betwist dat hij vanwege de verbouwingskosten van het appartement nog enige vergoeding verschuldigd is. Alles voor de verbouwing van het appartement is per bank betaald, aldus [de man] . De rechtbank begrijpt deze stelling van [de man] aldus dat hij niet betwist dat [de vrouw] de contante uitgaven heeft gedaan, maar stelt dat hij deze al (per bank) aan haar heeft terugbetaald. [de man] beroept zich daarmee op een eigen rechtsgevolg, namelijk dat de vorderingen van [de vrouw] door betaling teniet zijn gegaan, en draagt daarvoor de bewijslast. De rechtbank zal daarom [de man] in de gelegenheid stellen aan te tonen dat hij de door [de vrouw] gestelde uitgaven (weergegeven in productie 11 van [de vrouw] ) aan haar heeft betaald.
Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband nog het volgende. Niet in geschil is dat de door [de vrouw] gestelde kosten zijn gemaakt voordat sprake was van een geregistreerd partnerschap tussen partijen. Gelet daarop kan de vordering niet worden gegrond op bepalingen uit de GP-voorwaarden. Op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Naar het voorlopige oordeel van de rechtbank lenen de stellingen van [de vrouw] zich voor beoordeling op de voet van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) . De rechtbank is daarom voornemens om – indien en voor zover zal komen vast te staan dat [de vrouw] een vordering heeft op [de man] inzake de verbouwingskosten voor het appartement in [plaats 1] – de vordering op deze grondslag te beoordelen. Omdat dit nog geen onderwerp is geweest in het partijdebat zal de rechtbank partijen, indien daartoe na de fase van bewijslevering aanleiding bestaat, in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.
Vordering IV: beleggingsrente en belastingen over € 449.260,13
[de vrouw] stelt dat over het op grond van de vordering onder III. toe te wijzen bedrag tevens beleggingsrente moet worden vergoed. [de man] heeft de bedragen die hij aan [de vrouw] verschuldigd is namelijk belegd bij Wierda Vermogensbeheer, Today’s Group en Fintessa Vermogensbeheer B.V. [de vrouw] maakt aanspraak op de rente uit deze beleggingen.
[de man] betwist dat hij beleggingsrente verschuldigd zou zijn. Deze vordering is niet onderbouwd en bovendien heeft [de vrouw] niet gesteld wat het verschuldigde beleggingsrentepercentage zou moeten bedragen. De eventuele verschuldigdheid van de wettelijke rente wordt niet betwist, maar deze kan niet eerder verschuldigd zijn dan vanaf de datum van het door de rechtbank te wijzen vonnis, aldus [de man] .
De rechtbank overweegt als volgt. De schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom is – ter wille van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht op dit punt – door de wetgever gefixeerd op de wettelijke rente (art. 6:119 BW) . Deze vergoeding is enerzijds verschuldigd zonder dat de schuldeiser enige schade behoeft te bewijzen; anderzijds kan de schuldeiser geen hogere schadevergoeding dan de wettelijke rente vorderen. De hoogte van de wettelijke rente wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Het staat partijen in beginsel vrij een ander rentepercentage af te spreken, maar daarvan is in dit geval geen sprake.
Gelet hierop zal de vordering tot vergoeding van de beleggingsrente en belastingen bij eindvonnis worden afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag der dagvaarding is naar het oordeel van de rechtbank (bij eindvonnis) toewijsbaar.
Vordering V + VI: bijdrage levensonderhoud
[de vrouw] stelt dat [de man] heeft toegezegd dat hij haar vanaf 2022 maandelijks een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.000,- zou verstrekken. Deze toezegging zou zijn gedaan in het bijzijn van een arts in het AMC Ziekenhuis. Op 16 mei 2024 zouden partijen zijn overeengekomen dat [de man] ‘vanaf de echtscheiding tussen partijen’ inzake de kosten van levensonderhoud een bedrag van € 2.500,- (de rechtbank begrijpt: per maand) aan [de vrouw] zal voldoen. Op grond daarvan vordert [de vrouw] betaling van de achterstallige bijdrage in haar levensonderhoud (€ 46.000,-) en veroordeling van [de man] tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 2.500,- per maand.
De rechtbank is, met [de man] , van oordeel dat dit – gelet op zowel de stellingen van [de vrouw] als de formulering in het petitum – een vordering betreft die betrekking heeft op de (gestelde) verschuldigdheid tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud in de zin van Boek 1 BW. In dergelijke zaken is het volgen van de verzoekschriftprocedure dwingend voorgeschreven, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten.
11 De rechtbank zal daarom bevelen dat de zaak, voor zover het de vorderingen V. en VI. betreft, dient te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Daarbij is de rechtbank voornemens de zaak ten aanzien van deze twee vorderingen in de stand waarin deze zich bevindt te verwijzen naar het Team Familie- en Jeugdrecht van deze rechtbank, zittingslocatie Maastricht. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich over dit voornemen tot verwijzing naar het Team Familie- en Jeugdrecht uit te laten.
Proceskosten
De rechtbank zal de beslissing inzake de proceskosten aanhouden.
In reconventie
[de man] vordert op grond van artikel 3:178 lid 1 BW verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden beperkte gemeenschap, bestaand uit de appartementen in [plaats 1] en Spanje.
Vordering 1 en 2: verdeling van de ontbonden beperkte gemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht ten aanzien van het appartement in Spanje
De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of zij ten aanzien van het appartement in Spanje rechtsmacht heeft en zo ja, wat het toepasselijke recht is. Deze beide vragen dienen te worden beantwoord aan de hand van de EU-Verordening Partnerschapsvermogensstelsels (2016/114)
12 (hierna: ‘ParVermVo’) Deze verordening is van toepassing, nu het geregistreerd partnerschap tussen partijen is gesloten op 17 april 2020.
Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter op basis van artikel 6 ParVermVo bevoegd van dit (deel van het) geschil kennis te nemen. Partijen hebben in hun PG-voorwaarden een rechtskeuze opgenomen waarin is bepaald dat op hun geregistreerd partnerschapsvermogensstelsel het Nederlandse recht van toepassing is. Deze rechtskeuze voldoet aan de vereisten van artikel 23 ParVermVo. Gelet hierop is op grond van artikel 22 ParVermVo Nederlands recht van toepassing.
Ten aanzien van beide appartementen
[de man] vordert dat de appartementen worden toebedeeld aan [de vrouw] , onder verplichting om vanwege overbedeling de helft van de waarde van die appartementen aan hem te betalen. Op de appartementen rust geen (hypothecaire) schuld, aldus [de man] . Ter bepaling van de waarde vordert [de man] dat de appartementen voor partijen bindend worden getaxeerd door een door de rechtbank te benoemen makelaar-taxateur. De kosten van taxatie en toedeling dienen door partijen bij helfte te worden gedragen. Indien [de vrouw] er niet in slaagt binnen drie maanden na de bindende taxatie aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van (elk van) de appartementen, onder overbedelingsvergoeding aan [de man] , te financieren, of als zij hiervan afziet, dan dienen – kort gezegd – de appartementen aan een derde te worden verkocht.
[de vrouw] stelt primair dat de beide appartementen om niet aan haar moeten worden toebedeeld. Volgens [de vrouw] heeft [de man] meermaals ondubbelzinnig toegezegd dat de beide appartementen zonder enige verrekening aan haar moeten worden toebedeeld. Zij waren van plan deze afspraken te formaliseren, maar dat is niet gebeurd. Deze afspraak kan echter wel worden opgemaakt uit de strekking van de aanvullende GP-voorwaarden. Bovendien beschikt [de vrouw] over gespreksopnames tussen partijen waarin [de man] voornoemde toezegging voor beide appartementen ondubbelzinnig doet. Ook blijkt deze bedoeling van [de man] uit zijn concepttestament van september 2023
13.
Subsidiair voert [de vrouw] aan dat het aandeel van [de man] in de waarde van de appartementen moet worden verrekend met de totale kosten die [de vrouw] aan beide appartementen heeft gehad, waaronder de kosten van woningonderhoud en woningverbetering. Volgens [de vrouw] overstijgen deze investeringen het aandeel van [de man] in de waarde van de appartementen.
Tot slot beroept [de vrouw] zich op de – naar de rechtbank begrijpt – derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) . Volgens [de vrouw] verzetten de redelijkheid en billijkheid zich tegen een verdeling waarbij [de man] profiteert van waardestijgingen die uitsluitend door investeringen van [de vrouw] zijn gerealiseerd.
[de vrouw] heeft ten aanzien van het appartement in Spanje nog aangevoerd dat partijen voornemens waren de afspraak dat het appartement om niet zou worden toebedeeld aan [de vrouw] vast te leggen bij de notaris in Spanje. Door toedoen van [de man] is dat echter niet geformaliseerd. De notaris heeft wel een akte opgemaakt, maar deze is niet verleden. Wel heeft [de man] aan [de vrouw] een volmacht verleend om alle zaken, in de breedste zin des woords, met betrekking tot het appartement in Spanje te regelen, ook als dat inhoudt toedeling van dat appartement aan haar. Die volmacht moet worden beschouwd als een schenkingscontract, aldus [de vrouw] . Volgens [de vrouw] moeten de toezeggingen van [de man] worden gekwalificeerd als bindende afspraken.
Daarnaast heeft [de man] toegezegd dat hij zijn aandeel in het appartement in Spanje aan [de vrouw] zou leveren onder voorwaarde dat zij haar aangifte jegens hem bij de Spaanse politie zou intrekken. [de vrouw] heeft hieraan voldaan, zodat ook [de man] zijn toezegging moet nakomen, aldus [de vrouw] .
De rechtbank volgt [de vrouw] niet in haar primaire verweer dat de appartementen om niet aan haar moeten worden toebedeeld, omdat [de man] dit ondubbelzinnig zou hebben toegezegd. [de man] betwist dat hij deze toezeggingen heeft gedaan. [de vrouw] heeft – daargelaten de vraag in hoeverre het hier bindende toezeggingen betreft – tegenover die betwisting geen concrete onderbouwing van de gestelde toezeggingen overgelegd, terwijl, gelet op de aard en impact van dergelijke toezeggingen, verwacht mag worden dat partijen die formeel schriftelijk (bijvoorbeeld door wijziging van de partnerschapsvoorwaarden) vastleggen. Dit wordt niet anders doordat uit stukken die dateren van vóór de relatiebreuk blijkt dat [de man] [de vrouw] verzorgd wilde achterlaten. Een ondubbelzinnige toezegging dat de beide appartementen na ontbinding van het geregistreerd partnerschap om niet aan haar zouden moeten worden toebedeeld valt daaruit bovendien niet af te leiden. [de vrouw] heeft tot slot aangevoerd dat zij over gespreksopnames beschikt waaruit die toezeggingen zouden blijken, maar zij heeft deze niet overgelegd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.
[de vrouw] stelt verder dat sprake is van een volmacht, maar iedere onderbouwing van die volmacht ontbreekt. Niet alleen legt [de vrouw] geen volmacht over, maar zij licht ook niet toe welke volmacht (van welke datum) dit zou betreffen en waar deze volmacht uit blijkt. Deze stelling van [de vrouw] wordt reeds daarom gepasseerd. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat een volmacht niet zonder meer gelijk is te stellen met een schenkingscontract. Of in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor dat mogelijk wel het geval zou kunnen zijn, kan de rechtbank niet beoordelen, nu de volmacht door [de vrouw] niet is overgelegd.
Het (subsidiaire) beroep van [de vrouw] op verrekening van de door haar te betalen vergoeding uit overbedeling met haar vorderingen uit hoofde van de door haar betaalde kosten aan verbouwing en onderhoud voor de beide appartementen is slechts toewijsbaar voor zover komt vast te staan dat zij op dat punt een opeisbare vordering heeft. Nu [de vrouw] geen andere concrete kosten heeft gesteld dan de kosten voor de verbouwing van het appartement in [plaats 1] (van € 68.592,-), waarvoor zij in conventie vergoeding vordert, heeft het verweer enkel kans van slagen voor zover deze vordering in conventie komt vast te staan. Naar de inschatting van de rechtbank zal het aandeel van [de man] in de beide appartementen – mede gelet op de door [de vrouw] overgelegde producties 13 en 14 – het bedrag van € 68.592,- overstijgen. De stelling van [de vrouw] dat taxatie van de appartementen niet nodig is, slaagt daarmee ook niet.
Het (meer subsidiaire) beroep van [de vrouw] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verwerpt de rechtbank. De stelling dat [de man] profiteert van waardestijgingen die uitsluitend door investeringen van [de vrouw] zijn gerealiseerd is op geen enkele manier gemotiveerd, laat staan onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, voor zover [de vrouw] hiermee doelt op de door haar gestelde investeringen inzake de verbouw van het appartement in [plaats 1] , zij daarvoor in conventie een vergoeding vordert, zodat zij – indien daartoe voldoende grond bestaat – daarvoor zal worden gecompenseerd.
De rechtbank overweegt tot slot nog het volgende. [de vrouw] heeft als productie 17 een afschrift overgelegd van een Spaanse notariële schenkingsakte. Zij heeft daaraan echter geen concrete stellingen of rechtsgevolg verbonden. Reeds op grond hiervan zal de rechtbank verder aan die akte voorbijgaan. Omdat [de man] ter mondelinge behandeling wel verweer heeft gevoerd tegen deze akte en daarover tijdens de mondelinge behandeling is gesproken, overweegt de rechtbank (ten overvloede) als volgt. Blijkens de akte heeft [de vrouw] , op basis van een algemene volmacht van 6 september 2021 namens [de man] het appartement in Spanje aan zichzelf geschonken. De rechtbank is met [de man] van oordeel dat [de vrouw] op dat moment niet (langer) bevoegd was als zijn gevolmachtigde op te treden. Zoals blijkt uit de door [de man] overgelegde stukken heeft hij op 26 september 2023 (onder meer) de door [de vrouw] bedoelde volmacht herroepen en bij de nieuwe volmacht (aan onder meer [de vrouw] ) het doen van giften of schenkingen uitdrukkelijk uitgezonderd.
14 Vervolgens heeft [de man] bij notariële akte van 23 oktober 2023 de (gewijzigde) volmachten opnieuw herroepen en geen nieuwe volmacht aan [de vrouw] verleend.
15
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat [de vrouw] op het moment dat zij de akte van schenking bij de Spaanse notaris liet verlijden ervan op de hoogte was dat de aan haar in 2021 verleende volmacht was ingetrokken. Voor zover de aangetekende brief en het betekeningsexploit van de deurwaarder haar niet zouden hebben bereikt
16, was zij daarvan in ieder geval op de hoogte door het e-mailbericht van de notaris van 22 november 2023.
17 Dat [de vrouw] dat e-mailbericht heeft ontvangen blijkt uit het feit dat zij hierop heeft gereageerd. Bovendien heeft zij dit e-mailbericht (ook) zelf ingebracht in de procedure (productie 7 van [de vrouw] ). Als gevolg hiervan was [de vrouw] ten tijde van het passeren van de schenkingsakte bij de Spaanse notaris beschikkingsonbevoegd. Levering van een goed door iemand die over dit goed niet kan beschikken, doet – behoudens derdenbescherming, die in dit geval niet van toepassing is – geen recht overgaan op diens wederpartij. Dit betekent dat het appartementsrecht met betrekking tot het appartement in Spanje niet in het vermogen van [de vrouw] is gevallen.
Op grond van het voorgaande luidt de tussentijdse conclusie dat de verweren van [de vrouw] falen en dat partijen elk voor een gelijk deel zijn gerechtigd tot de appartementen, die beide tot de ontbonden gemeenschap behoren. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vorderingen tot verdeling van [de man] .
Op grond van artikel 3:178 BW kan ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van de gemeenschap vorderen. In dit geval vordert [de man] , naar de rechtbank begrijpt, dat de rechtbank op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW de wijze van verdeling vaststelt. Tegen de door [de man] voorgestelde wijze van verdeling heeft [de vrouw] – met uitzondering van de kosten van de deskundige – als zodanig geen verweer gevoerd. De door [de man] gevorderde wijze van verdeling zal daarom bij eindvonnis voor beide appartementen worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. De rechtbank ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen. Een dergelijke deskundigenbenoeming dient immers tot voorlichting van de rechtbank, maar dat is in dit geval niet aan de orde: niet gevorderd wordt (en niet nodig is) immers dat de rechtbank zelf de waarde van de appartementen vaststelt. Wel zal de rechtbank een of twee makelaar-taxateurs aanwijzen die elk der appartementen – voor partijen bindend en zonder nadere tussenkomst van de rechtbank – zal (zullen) waarderen en, indien nodig, de verkoop aan een derde zal (zullen) begeleiden. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de peildatum voor de waardering van beide appartementen is de datum van het in deze zaak te wijzen vonnis waarbij de wijze van verdeling zal worden gelast (naar verwachting zal dat het eindvonnis zijn). De rechtbank volgt [de vrouw] niet in haar stelling dat de kosten van de makelaar-taxateur(s) voor rekening van [de man] moeten komen en zal bij eindvonnis bepalen, zoals gevorderd, dat deze kosten door partijen gezamenlijk, ieder voor de helft, moeten worden gedragen.
Omdat het appartementen in [plaats 1] en Spanje betreft en partijen ter plaatse beter bekend zijn dan de rechtbank zal de rechtbank partijen opdragen op de in de beslissing te bepalen roldatum elk drie Nederlandse en drie Spaanse makelaar-taxateurs (althans makelaar-taxateurs die bevoegd en in staat zijn het appartement in Spanje te taxeren en de eventuele verkoop daarvan te begeleiden) voor te dragen, voorzien van een motivering waarom zij deze makelaars geschikt achten. Daarbij is het uiteraard, indien mogelijk, ook toegelaten makelaar-taxateurs voor te dragen die zowel de woning in [plaats 1] als de woning in Spanje zouden kunnen taxeren (en de eventuele verkoop begeleiden). Indien de voordrachten overlap vertonen zal de rechtbank (een van) die makelaar-taxateur(s) aanwijzen. Indien de voordrachten geen overlap vertonen zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen op elkaars voordracht te reageren en daarbij gemotiveerd hun bezwaren tegen de door de wederpartij genoemde makelaar-taxateurs naar voren te brengen.
[de vrouw] heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij de overname van de appartementen niet kan betalen. Indien dit op voorhand duidelijk is kan het onder 1.2-1.3 en 2.2-2.3 door [de man] gevorderde in het eindvonnis achterwege worden gelaten en kan de rechtbank bij eindvonnis direct de verkoop van de appartementen aan een derde bevelen, zoals door [de man] gevorderd onder 1.5 tot en met 1.7 en 2.5 tot en met 2.7. De rechtbank zal [de vrouw] in de gelegenheid stellen zich hierover nader uit te laten. In afwachting van de bewijslevering in conventie – die zal moeten worden afgerond voordat eindvonnis kan worden gewezen – zal de rechtbank verdere beslissingen met betrekking tot de verdeling aanhouden.
Vordering 3: verstrekken stukken met betrekking tot eigenaarslasten
[de man] stelt zich op het standpunt dat partijen vanaf de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn gehouden ieder voor de helft bij te dragen in de eigenaarslasten die zijn verbonden aan de beide appartementen. De bepaling in de (aanvullende) GP-voorwaarden dat [de man] deze lasten geheel op zich zou nemen is met de ontbinding van het geregistreerd partnerschap immers komen te vervallen, aldus [de man] . Volgens [de man] is het geregistreerd partnerschap ontbonden met de indiening van het verzoekschrift tot ontbinding op 22 december 2023, maar in ieder geval op 7 januari 2025. Omdat [de man] niet meer in de appartementen woont heeft hij geen inzage meer in de omvang van de eigenaarslasten. Hij vordert daarom dat [de vrouw] hem inzage en afschrift daarvan verstrekt.
[de vrouw] voert aan dat zij steeds voornamelijk de eigenaarslasten heeft voldaan en deze tot op heden zelfstandig voldoet. Het is juist [de man] die zijn aandeel niet betaalt, aldus [de vrouw] .
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij met ingang van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap gehouden zijn de eigenaarslasten van de beide appartementen ieder voor de helft te dragen (artikel 3:172 BW) . Zoals reeds overwogen (rov. 4.14) is het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden met de inschrijving van de ontbindingsbeschikking op 7 januari 2025. Vanaf die datum dienen partijen dus de eigenaarslasten van de appartementen elk bij helfte te dragen.
[de man] vordert, om zijn vordering ter zake te kunnen bepalen, inzage in en afschrift van de eigenaarslasten, waaronder, maar niet uitsluitend, correspondentie over (de hoogte van) de VvE-bijdragen van beide appartementen, WOZ-beschikkingen van de gemeente [plaats 1] en gemeentelijke belastingaanslagen in verband met het appartement in Spanje.
[de vrouw] heeft in deze procedure als productie 16 een aantal stukken overgelegd. Dit betreft, blijkens haar toelichting op de mondelinge behandeling:
-
facturen van Iberdrola: dit betreft de kosten voor elektra, aldus [de vrouw] ;
-
‘Información de la Presentación de la Declaración, model 210’: dit is volgens [de vrouw] de Spaanse belastingaangifte 2023 (Rijksbelasting);
-
‘Insurance Proposal voor Home (AXA)’: dit betreft een factuur/polis inzake de inboedelverzekering over de periode van 29/08/2024 tot 29/08/2025;
-
factuur Dragonet 02/10/2025: inzake het wifiabonnement;
-
‘Información de la cuoto a pagar en la CP 32 Finalbir Playa’ (dit betreft volgens [de vrouw] de servicekosten (voor de VvE) per kwartaal). Overgelegd is:
o een onderbouwing van de kwartaalbedragen op basis van de begroting voor het boekjaar 2024
alsmede de kwartaalfacturen over de periode:
o april tot en met juni 2025;
o juli tot en met september 2025;
o oktober tot en met december 2025;
-
e-mail van 11 maart 2024: betreffende de fee die [de vrouw] aan haar boekhouder betaalt;
-
e-mail van 12 augustus 2025: dit betreft volgens [de vrouw] een bericht inzake de belasting. [de vrouw] weet niet zeker of het de Rijksbelasting of de Gemeentebelasting is;
-
Multi Help Spain model 210: dit is de belastingaangifte over het nieuwe jaar, aldus [de vrouw] .
[de vrouw] stelt dat zij geen informatie over de woning in [plaats 1] kan aanleveren. Zij krijgt, ondanks verzoeken daartoe, geen informatie van de VvE en evenmin WOZ-beschikkingen. Omdat het appartement in [plaats 1] in het Kadaster op naam van [de man] staat gaan de WOZ-beschikkingen allemaal naar de broer van [de man] , aldus [de vrouw] .
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 194 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft.
Op grond van voornoemde wetsbepaling heeft [de man] in beginsel recht op inzage of afschrift van de gegevens inzake de eigenaarslasten van de appartementen. [de vrouw] heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet de beschikking heeft over de gegevens betreffende de VvE en de WOZ-beschikkingen van het appartement in [plaats 1] . Bovendien is uit de naderhand (naar aanleiding van de mondelinge behandeling) door [de man] overgelegde stukken
18 gebleken dat [de man] zelf over deze stukken beschikt. De vordering zal dus in zoverre bij eindvonnis worden afgewezen. Voor zover [de man] met betrekking tot het appartement in [plaats 1] inzage of afschrift van andere stukken wenst is die vordering onvoldoende bepaald. De omschrijving ‘alle bewijsstukken met betrekking tot de eigenaarslasten’ is te vaag om te kunnen bepalen welke stukken [de vrouw] dient over te leggen en wanneer zij daaraan al dan niet heeft voldaan. De vordering zal daarom bij eindvonnis voor dit deel worden afgewezen. De rechtbank merkt in dat verband op dat, voor zover [de vrouw] inderdaad meent dat zij kosten die hieronder vallen ten onrechte zelf heeft gedragen, het haar uiteraard vrij staat de onderliggende stukken met [de man] te delen, zodat hij zijn deel kan bijdragen.
Met betrekking tot het appartement in Spanje heeft [de vrouw] enkele documenten inzake de VvE-bijdragen en (mogelijk) gemeentebelastingen overgelegd, maar deze stukken, waarbij een behoorlijke toelichting ontbreekt, zijn onvoldoende om te voldoen aan de vordering van [de man] . Een groot deel van de stukken ziet niet op eigenaarslasten maar op gebruikerslasten. Voor het overige zijn de stukken incompleet en onvoldoende gestructureerd en toegelicht. [de vrouw] zal in ieder geval aan [de man] stukken moeten overleggen waaruit blijkt wat de hoogte is van de VvE-bijdragen over de periode vanaf 7 januari 2025 (voor zover niet al overgelegd), voorzien van een deugdelijke specificatie per jaar (zoals nu is overgelegd voor het jaar 2024). Daarnaast zal [de vrouw] aan [de man] stukken moeten verstrekken waaruit blijkt welke bedragen aan gemeentelijke belasting zijn opgelegd en betaald over de periode vanaf 7 januari 2025. Voor het overige is de vordering, zoals reeds overwogen voor het appartement in [plaats 1] , onvoldoende bepaald, zodat deze bij eindvonnis zal worden afgewezen. Het staat [de vrouw] echter uiteraard ook met betrekking tot dit appartement vrij om stukken met [de man] te delen, zodat hij zijn deel kan bijdragen.
Vordering 4: betaling gebruikerslasten
[de man] vordert dat [de vrouw] wordt veroordeeld om de gebruikerslasten van de beide appartementen geheel voor haar rekening te nemen, nu zij de beide appartementen als enige in gebruik heeft.
[de vrouw] beroept zich erop dat [de man] altijd heeft toegezegd de gebruikerslasten voor zijn rekening te nemen, conform de werking die voortvloeide uit de GP-voorwaarden. Deze uitdrukkelijke toezegging vormt volgens [de vrouw] ‘een bevrijdende exceptie’ tegen de vordering tot (naar de rechtbank begrijpt:) betaling van de gebruikerslasten.
De rechtbank begrijpt de vordering van [de man] aldus, dat hij vordert dat de rechtbank bepaalt dat [de vrouw] is gehouden alle gebruikerslasten voor de beide appartementen te dragen. De gevorderde veroordeling tot betaling van gebruikerslasten betreft immers geen betaling aan [de man] zelf, zodat hij een dergelijke betaling niet kan vorderen. Nu het partijdebat inhoudelijk reeds is gericht op de vraag of deze verplichting al dan niet op de [de vrouw] rust, zal de rechtbank de vordering op basis van deze uitleg beoordelen. Daarbij stelt de rechtbank voorop, zoals reeds overwogen, dat het geregistreerd partnerschap is ontbonden op 7 januari 2025. Over de periode voorafgaand aan die datum is [de vrouw] – gelet op de inhoud van de GP-voorwaarden – in ieder geval geen gebruikerslasten verschuldigd. Voor de periode na 7 januari 2025 geldt als uitgangspunt dat de gebruikerslasten voor rekening van [de vrouw] komen, die de beide appartementen exclusief gebruikt. Dit betreft immers kosten die direct samenhangen met het feitelijk gebruik van de woning (nutsvoorzieningen, gemeentelijke gebruikersbelastingen en overige verbruikskosten, zoals internet, televisie en telefonie). Een juridische grondslag op basis waarvan [de man] gehouden zou zijn mee te betalen aan dergelijke kosten ten behoeve van [de vrouw] ontbreekt. De door [de vrouw] gestelde toezegging van [de man] betreft een blote stelling, zonder enige nadere motivering of onderbouwing, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Ook de stelling dat er nog inboedel van [de man] in de appartementen staat leidt niet tot een ander oordeel. Dit heeft immers in beginsel geen invloed op de hoogte van de gebruikerslasten en [de vrouw] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dat in dit geval anders zou zijn. De rechtbank zal daarom bij eindvonnis bepalen dat [de vrouw] , zo lang zij als deelgenoot het uitsluitend gebruik van de beide appartementen heeft, de gebruikerslasten daarvan dient te dragen.
Vordering 5: gebruiksvergoeding
Tot slot vordert [de man] dat [de vrouw] wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding op grond van artikel 3:169 BW voor het alleengebruik van de appartementen ter grootte van een rendementspercentage van 2% op jaarbasis van de helft van de (volgens [de man] ) door de rechtbank vast te stellen marktwaarde van de appartementen. [de man] vordert deze vergoeding (primair) vanaf 22 december 2023, dan wel (subsidiair) vanaf 7 januari 2025, tot aan de goederenrechtelijke toedeling aan [de vrouw] , althans zolang zij daarvan als enige deelgenoot het alleengebruik heeft.
[de vrouw] betwist dat [de man] enige schade lijdt door het alleengebruik van de woningen door [de man] . Hij heeft geen alternatieve huisvesting moeten zoeken of kosten gemaakt voor andere accommodatie en heeft vrijwillig zijn verblijf in beide woningen opgegeven. Zonder aantoonbare schade ontbreekt de rechtvaardiging voor een gebruiksvergoeding. Bovendien heeft [de man] nog eigendommen in de woning die twee derde van de woning in beslag nemen. [de man] gebruikt ‘de woning’ dus nog, aldus [de vrouw] . Daarnaast verzetten volgens [de vrouw] de redelijkheid en billijkheid zich tegen toewijzing van een gebruiksvergoeding, omdat (i) [de man] geen eigen bijdrage heeft geleverd aan onderhoud en verbetering van de woningen; (ii) [de man] uitdrukkelijk heeft toegezegd kosten voor zijn rekening te nemen; (iii) de woningen hun waarde danken aan investeringen van uitsluitend [de vrouw] en (iv) [de man] geen werkelijke schade lijdt. De ongelijke verdeling van investeringen maakt een gebruiksvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat [de vrouw] enige gebruiksvergoeding is verschuldigd, betwist zij de door [de man] voorgestelde berekeningswijze van 2% rendement als te hoog in de huidige marktomstandigheden.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de beide appartementen gemeenschappelijk eigendom zijn van partijen, dat daarop geen (hypothecaire) schulden rusten en dat enkel [de vrouw] de appartementen gebruikt. [de vrouw] is daarom een gebruiksvergoeding aan [de man] verschuldigd. Deze gebruiksvergoeding betreft compensatie voor feit dat [de man] de appartementen niet kan gebruiken en niet kan beschikken over zijn aandeel daarin. Het gaat dus – anders dan [de vrouw] stelt – niet om de vraag of [de man] concrete schade, zoals kosten voor alternatieve huisvesting, heeft geleden. Ook de door [de vrouw] genoemde (maar niet onderbouwde) omstandigheden in het kader van haar beroep op de redelijkheid en billijkheid staan, gelet op die strekking, niet in de weg aan toewijzing van een gebruiksvergoeding.
Op grond van artikel 3:189 lid 1 BW geldt artikel 3:169 BW (de bepaling waarop de gebruiksvergoeding is gebaseerd) vanaf het moment dat de (partnerschaps)gemeenschap is ontbonden. In beginsel zou [de man] dus aanspraak kunnen maken op een gebruiksvergoeding vanaf 22 december 2023 (datum indiening verzoekschrift). De rechtbank ziet echter, mede gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid (die ook de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen, artikel 3:166 lid 3 BW) aanleiding de verplichting tot betaling van een gebruiksvergoeding te laten ingaan vanaf 7 januari 2025, de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Tot dat moment waren de GP-voorwaarden – op grond waarvan [de man] alle kosten voor zijn rekening nam – nog van toepassing en hoefde [de vrouw] er niet op bedacht te zijn dat [de man] een gebruiksvergoeding zou vorderen.
De rechtbank acht een gebruiksvergoeding van 2% op jaarbasis van het aan [de man] toekomende deel van de waarde van de appartementen reëel. De exacte waarde van de appartementen is op dit moment niet bij de rechtbank bekend. De rechtbank zal daarom de door [de vrouw] aan [de man] te betalen gebruiksvergoeding bij eindvonnis vaststellen op 2% per jaar van het aan [de man] toekomende deel van de waarde, om te rekenen naar een maandelijks bedrag, en daarbij uitgaan van de nog uit te voeren taxatie van de appartementen.
Proceskosten
De rechtbank zal de beslissing inzake de proceskosten aanhouden.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
ten aanzien van vordering III:
laat [de vrouw] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [de vrouw] het verschil van € 40.000,- tussen de vraagprijs en de daadwerkelijke koopprijs zou verkrijgen, mits dit verschil enkel door haar bemiddeling en volledige inzet zou worden bereikt (zie rov. 4.10);
laat [de man] toe om te bewijzen dat hij de door [de vrouw] gestelde kosten voor de verbouwing van het appartement in [plaats 1] van in totaal € 68.592,- (zoals vermeld in productie 11 van [de vrouw] ) aan haar heeft (terug)betaald (zie rov. 4.28);
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 oktober 2026 voor uitlating door partijen of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat partijen, indien zij bewijs willen leveren door middel van schriftelijke stukken, zij deze stukken op de hiervoor vermelde rolzitting dienen over te leggen,
bepaalt dat partijen, indien zij bewijs door getuigen willen leveren, de naam en woonplaats van de getuigen moeten opgeven met de verhinderdata over de maanden januari, februari, maart en april 2027 van henzelf, hun advocaat en de getuigen en zo mogelijk van de wederpartij en diens advocaat, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld,
bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. drs. Hurkens in het gerechtsgebouw te Maastricht aan Sint Annadal 1 en dat beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is,
bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken vóór het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
ten aanzien van vordering V en VI:
stelt partijen in de gelegenheid zich op de rol van 28 oktober 2026 bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de zaak ten aanzien van de vorderingen V en VI te verwijzen naar het team Familie- en Jeugdrecht van deze rechtbank, locatie Maastricht (zie rov. 4.34),
in reconventie
draagt partijen op bij akte van 28 oktober 2026 elk drie makelaar-taxateurs voor te dragen voor het appartement in [plaats 1] en drie (bevoegde) makelaar-taxateurs voor het appartement in Spanje, voorzien van een motivering waarom zij deze makelaars geschikt achten (zie rov. 4.49);
stelt [de vrouw] in de gelegenheid zich nader uit te laten over de vraag of zij de appartementen in [plaats 1] en/of Spanje (financieel) kan en wil overnemen (zie rov. 4.50),
in conventie en in reconventie
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. Coll.: |
||
Productie 2 van [de vrouw] .
Productie 1 van [de vrouw] .
Productie 1 van [de man] .
Productie 10 van [de vrouw] .
Productie 3 van [de vrouw] .
Productie 3 van [de vrouw] .
Productie 10 van [de vrouw] .
€ 23.255,93 - € 7.140,14.
Productie 12 van [de vrouw] .
Productie 11 van [de vrouw] .
Hoge Raad 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8125; Hoge Raad 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1718.
Verordening (EU) 2016/1104 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen.
Productie 8 van [de vrouw] .
Productie 4.1 van [de man] .
Productie 4.2 van [de man] .
Productie 4.3 en 4.4 van [de man] .
Productie 4.5 van [de man] .
Producties 9 tot en met 12 van [de man] .
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
