Rechtbank Gelderland 02-09-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7183

Essentie (gemaakt door AI)

Geschil over uitleg van convenant inzake pensioenverevening. Haviltex toegepast. Artikel 5.2 houdt een inspanningsverplichting van man in om €120.775 af te storten; geen resultaatsverplichting maar ook niet vrijblijvend. Man voldoet niet aan die inspanningsverplichting. Verjaring (5 jaar) faalt; 20-jaarstermijn geldt voor nakoming art. 3:324 BW. Geen rechtsverwerking of schuldeisersverzuim. Conversie aangenomen; aanvullende schadevergoeding mogelijk maar deels verjaard art. 3:310 BW. Akte voor kwalificerende offerte en schade. Voorwaardelijk: na betaling:

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Na uitleg convenant: man moet pensioen afstorten - niet voldaan aan inspanningsverplichting
Geschil over uitleg convenant inzake pensioenverevening. Haviltex toegepast. Man moe(s)t zich inspannen om € 120.775 af te storten; geen resultaatsverplichting maar dus ook niet vrijblijvend. Vrouw moet 'kwalificerende offerte' overleggen.

Datum publicatie29-09-2026
ZaaknummerC/05/449229
ProcedureTussenuitspraak
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenPensioen;
Familieprocesrecht; Verjaring / rechtsverwerking
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Partijen hebben verschillen van mening over de uitleg van de ten tijde van hun echtscheiding in het convenant gemaakte afspraken gemaakt over de pensioenaanspraken. Haviltex. Heeft de man aan zijn inspanningsverplichting voldaan? Nakoming en tekortkoming in de nakoming. Is sprake van verjaring, rechtsverwerking of schuldeisersverzuim?

Volledige uitspraak


vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/449229 / HA ZA 25-121

tussenvonnis van 2 september 2026

in de zaak van

1 [de vrouw]

wonende in [woonplaats] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna ook te noemen: de vrouw,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DIT BEWINDVOERING B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende in Nijmegen,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de vrouw,

eiseres in conventie,

hierna ook te noemen: de bewindvoerder,

advocaat mr. F. Klabbers in Nijmegen,

tegen

1 [de man]

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna ook te noemen: de man,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende in [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna ook te noemen: de vennootschap,

advocaat mr. W.P.M. Thijssen in Amstelveen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 8 april 2026 en de daarin genoemde processtukken ;

  • de mondelinge behandeling van 30 juli 2026, waarbij de partijen aanwezig waren, bijgestaan door hun advocaten.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op [datum] 1979. Op [datum] 2006 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen hebben afspraken gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding en deze vastgelegd in een echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op [datum] 2006 (hierna: het convenant). De inhoud van het convenant maakt deel uit van de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2006.

2.3.

In het convenant hebben partijen, voor zover nu relevant, het volgende afgesproken:

“Artikel 1. Alimentatie vrouw

1.1

De man zal met ingang van 1 december 2005 maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bruto alimentatie van € 4.000,00 voldoen.

(…)

1.3

Bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw is rekening gehouden met een behoefte van € 4.600,-- netto per maand. Indien de vrouw inkomsten uit arbeid en/of vermogen gaat genieten, zullen deze inkomsten zolang zij een bedrag van € 2.500 bruto per maand niet te boven gaan geen invloed hebben op de hoogte van de alimenatie. Indien genoemde eigen inkomsten niet hoger zijn dan € 5.000,-- bruto per maand zal de alimentatie verminderd worden met 25% van het meerdere boven € 2.500,--. Indien de eigen inkomsten niet hoger zijn dan € 7.500,-- bruto per maand zal de alimentatie verminderd worden met 50% van het meerdere boven € 5.000,--. Bereiken haar inkomsten een bedrag van € 7.500,-- bruto per jaar dan wordt het meerdere voor 100% op de alimentatie gekort. (…)

Artikel 3. Gezag, omgang en alimentatie kinderen

(…)

3.5

Indien de vrouw financieel in staat is om bij te dragen in de kosten van de studie van de kinderen, zal zij een evenredige bijdrage leveren aan die kosten. Partijen zullen daarover in overleg treden zodra een van hen daartoe aanleiding acht.

(…)

Artikel 5. Pensioen en de verevening daarvan

Ouderdomspensioenaanspraken

5.1

Partijen constateren dat ouderdomspensioenaanspraken vallende onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding (Wet VP) zijn opgebouwd door de man bij het Medisch Specialisten Pensioenfonds en bij [de vennootschap] B.V. en door de vrouw bij het ABP en het PGGM.

5.2

De man ziet af van de door de vrouw verworven pensioenaanspraken en zal zich inspannen om binnen 5 jaar na ondertekening van dit convenant het in de bijlage genoemde bedrag van € 120.775,00 te voldoen aan een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar, waarna zij terzake van zowel ouderdoms- als nabestaandenpensioen niets meer van de man te vorderen heeft.”

2.4.

In de bijlage bij het convenant waar in onderdeel 5.2 van het convenant naar wordt verwezen is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Vaststelling verevening totaal opgebouwde aanspraken

Op basis van voormelde gegevens kan de verevening van de opgebouwde aanspraken op 31-12-2015 als volgt worden vastgesteld:

(…)

Uitgaande van bovenvermelde grondslagen geeft dit aanspraak uit eigen beheer op een uitkering bij in leven zijn van de man op

per jaar van

Vermeerderd met een uitkering per jaar van

voor het AOW-overbruggingspensioen (…)

Bij overlijden van de man voor, op of na de pensioendatum, heeft de (ex) partner recht op een dadelijk ingaand bijzonder partnerpensioen per jaar van

01-08-2017

€ 9.414,--

€ 7.785,--

(…)

€ 13.179,--

Conversie

Als gevolg van conversie wordt het aan de vrouw toekomende voorwaardelijke recht op een deel van het ouderdomspensioen en het partnerpensioen omgezet in een eigen recht op ouderdomspensioen.

Op basis van de voormelde gegevens kan de waarde van de aan de (ex) partner toekomende aanspraken als volgt worden vastgesteld:

(…)

Totaal

Dit geeft aanspraak op een eigen recht op ouderdomspensioen ten behoeve van de vereveningsgerechtigde bij in leven zijn op

per jaar van

€ 120.775,--

01-08-2019

€ 14.844,--"

2.5.

Zowel bij brief van 23 september 2010 als bij brief van 8 november 2010 is de man van de zijde van de vrouw verzocht om over te gaan tot betaling van het in het convenant genoemde bedrag. Hij heeft dit niet gedaan.

2.6.

Op 4 maart 2011 heeft (de accountant van) de man een brief aan (de advocaat van) de vrouw gestuurd waarin staat dat afstorting van het pensioen van de vrouw niet tot de mogelijkheden behoort. Daarna is er correspondentie gevolgd tussen (de advocaten van) partijen over de (on)mogelijkheden om af te storten. Op 15 juni 2011 heeft de advocaat van de man een brief naar de advocaat van de vrouw gestuurd die inhoudt dat de man c.q. de vennootschap niet in staat is om het pensioen op dat moment af te storten. In die brief staat dat de afstorting de aandacht van de man behoudt en dat er tot afstorting zal worden overgegaan zodra dat in de toekomst mogelijk zou zijn.

2.7.

Op 7 en 30 november 2023 heeft de vrouw de man nogmaals brieven gestuurd met het verzoek tot afstorting over te gaan. In de brief van 7 november 2023 heeft zij onder meer het volgende geschreven:

“Meerdere (juridische) vertegenwoordigers die ik de laatste 18 jaar! heb ingeschakeld, vooral voor deze overeenkomst rondom onze echtscheiding (…) hebben jou in de loop van de tijd schriftelijk bericht over de financiële afwikkeling van mijn rechten, via dit vastgelegde tegoed van mij op jouw [de vennootschap] BV.

(…)

Deze adviseur is voornemens ook verdere incassoacties te ondersteunen met dan mogelijk noodzakelijke gerechtelijke maatregelen (…)”.

Bij brief van 18 december 2023 heeft de man gereageerd dat hij geen mogelijkheden heeft om tegemoet te komen aan de vraag van de vrouw. Vervolgens heeft de advocaat van de vrouw op 17 mei 2024 een sommatie aan de man gestuurd om over te gaan tot betaling van het bedrag van € 120.775, waarop de advocaat van de man bij brief van 11 juni 2024 afwijzend heeft gereageerd.

3Het geschil

in conventie
3.1.

De vrouw en de bewindvoerder vorderen samengevat:

Primair

  • de man en de vennootschap hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot betaling aan de vrouw van € 196.531 bruto aan achterstallige pensioentermijnen inclusief rente, onder inhouding van de gebruikelijke belastingen, premies en heffingen op straffe van een dwangsom;

  • de man en de vennootschap hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis zorg te dragen voor afstorting bij een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij voorzien van een vergunning als bedoeld in artikel 2:27 e.v. van de Wet financieel toezicht, van een bedrag van € 597.574, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag op straffe van een dwangsom;

  • voor het geval de betaling en/of afstorting niet binnen de genoemde termijn plaatsvindt, te bepalen dat de man en de vennootschap wettelijke rente verschuldigd zijn;

Primair en subsidiair

  • de man te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van een machtiging aan Stichting Pensioenfonds Medisch Specialisten (hierna: SPMS) opdat aan de vrouw rechtstreeks door SPMS maandelijks haar pensioenaanspraken worden overgemaakt conform een door SPMS op te maken vereveningsopgaaf, welke vereveningsopgaaf de man aan de vrouw dient te verstrekken, op straffe van een dwangsom;

  • de man te veroordelen om vanaf de ingangsdatum van het pensioen een bedrag conform het aan de vrouw toekomende deel op basis van een vereveningsopgaaf door SPMS aan de vrouw te voldoen, zolang de man leeft dan wel tot aan het moment dat SPMS het aan de vrouw toekomende deel rechtstreeks aan haar uitkeert, op straffe van een dwangsom;

  • de man te veroordelen om, binnen veertien dagen nadat de man de door SPMS op te maken vereveningsopgaaf heeft ontvangen, tot betaling aan de vrouw over te gaan van het gedeelte van de door de man ontvangen pensioenuitkeringen waar de vrouw krachtens pensioenverevening recht op heeft, over de periode vanaf de ingangsdatum van het pensioen tot het moment waarop SPMS het aan de vrouw toekomende deel rechtstreeks aan de vrouw uitkeert, een en ander conform de door SPMS op te stellen vereveningsopgave, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • de man te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan het verstrekken van een machtiging aan Pensioenfonds Zorg & Welzijn (hierna: PFZW) opdat aan de vrouw rechtstreeks door PFZW maandelijks haar pensioenaanspraken worden overgemaakt conform een door PFZW op te maken vereveningsopgaaf, welke vereveningsopgaaf de man aan de vrouw dient te verstrekken, op straffe van een dwangsom;

  • de man te veroordelen om vanaf de ingangsdatum van het pensioen een bedrag conform het aan de vrouw toekomende deel op basis van een vereveningsopgaaf door PFZW aan de vrouw te voldoen, zolang de man leeft dan wel tot aan het moment dat PFZW het aan de vrouw toekomende deel rechtstreeks aan haar uitkeert, op straffe van een dwangsom;

  • de man te veroordelen om, binnen veertien dagen nadat de man de door PFZW op te maken vereveningsopgaaf heeft ontvangen, tot betaling aan de vrouw over te gaan van het gedeelte van de door de man ontvangen pensioenuitkeringen waar de vrouw krachtens pensioenverevening recht op heeft, over de periode vanaf de ingangsdatum van het pensioen tot het moment waarop PFZW het aan de vrouw toekomende deel rechtstreeks aan de vrouw uitkeert, een en ander conform de door PFZW op te stellen vereveningsopgave, te vermeerderen met de wettelijke rente;

Subsidiair

  • de vennootschap te veroordelen om een boekenonderzoek te dulden van een door de rechtbank te benoemen deskundige en te veroordelen tot afgifte van alle stukken over te gaan die de deskundige nodig acht, opdat deze deskundige een actuele berekening kan maken van het aan de vrouw toekomende deel van de door de man in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten in de vennootschap, op straffe van een dwangsom;

  • de vennootschap te veroordelen op basis van een nader door een deskundige op te maken vereveningsopgave het aan de vrouw toekomende deel van het opgebouwde ouderdomspensioen of te storten bij een door de vrouw te kiezen pensioenverzekeraar, op straffe van een dwangsom;

Meer subsidiair, voorwaardelijk

  • de man te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan het realiseren van de conversie van de pensioenaanspraken bij SPMS en PFZW van de vrouw, op straffe van een dwangsom;

  • de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het aan haar toekomende deel van de aanspraken vanaf de ingangsdatum van het pensioen, zijnde het bereiken van de 60-jarige leeftijd van de man, bij de vennootschap. zo lang de man leeft, op straffe van een dwangsom;

Primair, subsidiair en meer subsidiair

  • de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele betaling;

  • de man te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover de man dit niet binnen (de wettelijk vereiste termijn) twee dagen, althans binnen een door de rechter redelijk geachte termijn na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, heeft voldaan.

3.2.

De man en de vennootschap voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw en de bewindvoerder danwel afwijzing van hun vorderingen met veroordeling van de vrouw en de bewindvoerder in de kosten volgens de daarvoor geldende forfaitaire regelingen.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.3.

De man en de vennootschap vorderen, samengevat:

  • de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van een in deze te wijzen veroordelend vonnis aan SPMS toe te zenden het ingevulde en getekende formulier “Afstandsverklaring Bijzonder Partnerpensioen” met een kopie van een geldig legitimatiebewijs en de man daarvan een schriftelijk bewijs te zenden, op straffe van een dwangsom met veroordeling van de vrouw en de bewindvoerder in de kosten;

  • de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van een in deze te wijzen veroordelend vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan PFZW toe te zenden het ingevulde en getekende formulier “Overeenkomst Geen uitkering na overlijden ex-partner” met een kopie van een geldig legitimatiebewijs en de man daarvan een schriftelijk bewijs te zenden, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de vrouw en de bewindvoerder in de kosten.

De man en de vennootschap vorderen in voorwaardelijke reconventie inhoudelijk hetzelfde, waarbij de termijn van 14 dagen wordt verbonden aan het voldoen door de vennootschap aan een vonnis dat veroordeelt tot betaling van het bedrag van € 120.775.

3.4.

De vrouw voert verweer en concludeert om de man en de vennootschap in (voorwaardelijke) reconventie niet-ontvankelijk te verklaren danwel hun vorderingen af te wijzen, met hoofdelijke veroordeling in de kosten van deze procedure, zowel in conventie als in reconventie.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de vorderingen ten aanzien van de door de man binnen de vennootschap opgebouwde pensioenrechten. Daarna zal de rechtbank de vorderingen ten aanzien van de pensioenrechten bij SPMS en PFWZ behandelen. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie ten aanzien van SPMS en PFWZ zal de rechtbank die vorderingen gezamenlijk beoordelen.

Opgebouwd pensioen in eigen beheer

4.2.

Eiseressen vorderen primair nakoming van de afspraken in het convenant. De rechtbank dient dus allereerst te beoordelen of op basis van het convenant sprake is van een afdwingbare vordering van de vrouw waarvan (nog) in rechtenakoming kan worden gevorderd en zo ja, wat dan de omvang van de vordering is.

Uitleg van het convenant

4.3.

Partijen zijn het niet eens over de uitleg van artikel 5.2 van het convenant. Volgens eiseressen was het de bedoeling van partijen dat de man hoe dan ook het bedrag van

€ 120.775 aan een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar zou voldoen. De man zou zich inspannen om het bedrag binnen vijf jaar te voldoen, maar ook als hij hier binnen vijf jaar niet in zou slagen, zou de verplichting op hem blijven rusten. Gedaagden daarentegen stellen dat de man enkel gehouden was om zich in te spannen om binnen vijf jaar na ondertekening van het convenant het afgesproken bedrag te laten afstorten door de vennootschap. Mocht de vennootschap niet binnen vijf jaar in staat zijn om af te storten, dan resteerde voor de vrouw (enkel) een natuurlijke verbintenis.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat het bij de uitleg van contractsbepalingen niet alleen gaat om de letterlijke tekst, maar dat het ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 1

4.5.

Uit de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet rechtstreeks met elkaar hebben overlegd. Hun advocaten hebben overleg gevoerd en de rechtbank begrijpt daarbij dat er conceptteksten over en weer zijn uitgewisseld. Dat maakt dat aan de lettelijke tekst veel waarde toekomt. Partijen hebben immers niet kunnen afgaan op andersluidende uitlatingen van de ander tijdens overleg.

4.6.

In artikel 5.2 staat expliciet dat de man zich zal inspannen. Uit deze woordkeuze leidt de rechtbank af dat in elk geval de man niet de bedoeling had om een resultaatsverplichting af te spreken, maar dat het ging om een inspanning van zijn zijde. Gelet op deze duidelijke bewoordingen heeft de vrouw niet anders mogen begrijpen. Voor zover gedaagden menen dat zelfs geen sprake zou zijn van een inspanningsverplichting maar slechts een inspanning, volgt de rechtbank dat standpunt niet. Uit het feit dat de man en de vrouw hun afspraak in een convenant hebben neergelegd en zij beiden het convenant voor akkoord hebben ondertekend leidt de rechtbank af dat wel degelijk sprake is van een inspanningsverplichting en niet enkel van een inspanning. De afspraken waren dus niet vrijblijvend voor de man. Niet valt in te zien waarom de vrouw daarmee zou hebben ingestemd. De man stelt weliswaar dat de afspraken in het convenant zo zijn opgeschreven, omdat de vrouw ook op andere punten in het convenant tegemoet is gekomen door de man, zoals de bijverdienmogelijkheden bij de partneralimentatie en het feit dat zij voor de kinderalimentatie slechts een inspanningsverplichting had, maar de vrouw betwist deze stellingen van de man. Bovendien volgt een dergelijk verband niet uit het convenant. Weliswaar moet een convenant als een geheel aan afspraken worden beschouwd, maar in de beleving van de man zou de vrouw in feite een vrijbrief hebben gegeven aan de man om zich vrijblijvend in te spannen en zo’n substantiële post als de pensioenrechten in feite zou hebben vrijgegeven. Dit acht de rechtbank geen plausibele verklaring.

4.7.

De man is in zoverre tegemoetgekomen dat de vennootschap vooralsnog niet hoefde af te storten als zij hier niet toe in staat was en dat als zij dit wel zou doen, de vrouw geen aanspraak zou maken op een deel van het pensioen bij SPMS. Maar de man was wel gehouden om de mogelijkheden te onderzoeken om wel aan de afstortingsverplichting te voldoen.

4.8.

Uit het convenant blijkt niet wat de bedoeling van partijen was ná de overeengekomen termijn van vijf jaar. Uit het woordje ‘waarna’ in artikel 5.2 van het convenant leidt de rechtbank af dat de man er niet zonder meer van uit mocht gaan dat de afstortingsverplichting na vijf jaar zou vervallen. De man was eerst gehouden - zo mogelijk - iets te doen, vóórdat de vrouw afstand zou doen van aanspraken. Daarom dient eerst beoordeeld te worden of de man aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan.

Heeft de man voldaan aan zijn inspanningsverplichting?

4.9.

De rechtbank concludeert dat gedaagden onvoldoende hebben onderbouwd dat de man of de vennootschap gedurende de overeengekomen periode van vijf jaar niet in staat was om € 120.775 af te storten. De rechtbank oordeelt daarom dat de man niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting die hij op grond van het convenant had. De rechtbank licht dat oordeel als volgt toe.

4.10.

De vrouw stelt dat aan de hand van diverse aanknopingspunten geconcludeerd kan worden dat er in 2011 in ieder geval mogelijkheden voor gedaagden bestonden om het bedrag af te storten. De man stelt dat hij niet aan zijn inspanningsverplichting kon voldoen omdat in 2011 het (gecorrigeerde) eigen vermogen van de vennootschap negatief was en de liquide middelen ontbraken.

4.11.

Er is sprake is van een verplichting aan de zijde van de man. Omdat gedaagden aanvoeren dat hij van die verplichting is bevrijd, en zich dus beroepen op dat rechtsgevolg, ligt de bewijslast dat de man zich voldoende heeft ingespannen bij gedaagden.

4.12.

Omdat sprake is van in de vennootschap opgebouwd pensioen, is het uiteindelijk de vennootschap die het bedrag van € 120.775 moest afstorten. Gedaagden hebben er terecht op gewezen dat uit de overgelegde financiële stukken blijkt dat de vennootschap beperkte liquide middelen had. Wel had de vennootschap een groot vermogen, dat voor verreweg het grootste deel uit vorderingen op de man bestond. Gedaagden hebben aangevoerd dat deze feitelijk oninbaar waren. Zij hebben dat echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Zij hebben niet voor de periode van vijf jaar na de echtscheiding per jaar een overzicht gemaakt van de vermogenspositie van de man en de vennootschap en de daaruit volgende (on)mogelijkheden van de man om de vennootschap van liquide middelen te voorzien om de pensioenaanspraken af te storten. Gedaagden hebben slechts gewezen op een overgelegde vermogenspositie van de man over 2011 en hebben aangevoerd dat hieruit blijkt dat per 31 december 2011, aan het einde van de overeengekomen termijn van vijf jaar, sprake was van een negatief privévermogen van de man van € 670.685. Dat is op zich juist, maar daarin zijn de schulden van de man aan de vennootschap meegenomen, die in totaal € 970.736 bedroegen. Dat betekent dat de man zonder die schuld aan de vennootschap een positief vermogen van afgerond € 300.000 had. Het vermogen van de man bestond deels uit onroerend goed (de eigen woning en een pand in [plaats] ) en voor een kleiner deel uit banktegoeden en beleggingen. Van de zijde van gedaagden is gesteld dat de man een buffer diende aan te houden in zijn privévermogen, zodat hij in staat zou zijn om zich opnieuw in te kopen in een maatschap. Nog daargelaten dat de man deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, oordeelt de rechtbank dat dit de man niet ontslaat van zijn inspanningsverplichting tegenover de vrouw. Bovendien heeft de vrouw onbetwist gesteld dat de man al in 2009 is toegetreden tot die nieuwe maatschap. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stellingen van gedaagden op dit punt. Dat de man geen € 120.000 aan liquide middelen had, acht de rechtbank ook niet doorslaggevend. Hij heeft ervoor gekozen na de echtscheiding een pand in [plaats] aan te kopen waar de zoon van partijen op kamers zit en waarvan nog enkele kamers worden verhuurd. Daartegenover staat ook een schuld, maar die is lager dan de waarde van het pand. Dat de man bij de keuze van de aankoop van het pand rekening heeft gehouden met zijn inspanningsverplichting jegens de vrouw volgt uit niets. Gedaagden hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat de man niet in staat was geweest de vennootschap van de nodige liquide middelen te voorzien om aan de afstortingsverplichting te voldoen. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat de vrouw een brief van [persoon] van 14 april 2011 heeft overgelegd, die ook van mening was dat de vennootschap kon afstorten zonder dat de continuïteit van de onderneming in gevaar zou komen.

Verjaring

4.13.

Gedaagden voeren als verweer aan dat de vordering van de vrouw tot betaling door de vennootschap van het bedrag van € 120.775 op 5 januari 2011 opeisbaar werd, maar niet werd opgeëist, en dat deze vordering op 5 januari 2016 is verjaard.

4.14.

Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De vrouw heeft er terecht op gewezen dat het convenant is aangehecht aan de echtscheidingsbeschikking en daar onderdeel van is geworden. Op grond van artikel 3:324 BW is de verjaringstermijn voor de nakomingsvordering van de vrouw daarom twintig jaar. Die termijn is nog niet verstreken.

Rechtsverwerking

4.15.

Gedaagden stellen dat de vrouw haar recht op betaling van € 120.775 door de vennootschap aan een door haar aan te wijzen verzekeraar heeft verwerkt, omdat zij in 2011 wel om betaling heeft verzocht, maar deze niet (in rechte) heeft afgedwongen. Doordat gedaagden na de brief van 8 juni 2011 niets meer van de vrouw vernamen, konden en mochten zij er na verloop van tijd in redelijkheid op vertrouwen dat geen vorderingen meer zou worden ingesteld. De vennootschap heeft de voorziening inmiddels ook laten vervallen in de jaarstukken. Dat bij gedaagden gewekte vertrouwen verdient rechtens bescherming, aldus gedaagden.

4.16.

Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin. Vooropgesteld wordt dat de verjaringstermijn van twintig jaar bedoeld is om een moment te bepalen vanaf wanneer partijen over en weer geen aanspraken meer kunnen maken op nog niet nagekomen afspraken uit het convenant. Tegelijk betekent dat dat tot het verstrijken van die termijn rechtsvorderingen mogelijk zijn. Dat zou alleen anders zijn als in dit geval de vrouw haar recht tot het instellen van zo’n vordering heeft verwerkt. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de vrouw zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van haar recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij, in dit geval de man, gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet meer geldend zou maken, of waardoor de positie van de man onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Tijdsverloop kan wel als een relevante omstandigheid meewegen, maar ‘stilzitten’ kan slechts tot rechtsverwerking leiden, als op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de vrouw had mogen worden verwacht. 2 Dat hiervan sprake zou zijn hebben gedaagden onvoldoende onderbouwd. Mogelijk heeft het tijdsverloop tussen 2011 en het moment dat de vrouw in 2023 (nogmaals) nakoming vorderde de positie van de man wel verzwaard of benadeeld, mede gelet op de keuze om de voorziening niet langer te handhaven op de balans, maar dat is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om het beroep op rechtsverwerking te laten slagen.

Schuldeisesverzuim

4.17.

Gedaagden voeren verder aan dat de vrouw het hen nimmer mogelijk heeft gemaakt om artikel 5.2 van het convenant na te komen, omdat zij nooit een kwalificerende offerte van een verzekeraar aan hen heeft verstrekt. Zonder zo’n offerte kunnen gedaagden niet presteren. Zij kunnen immers niet bepalen aan welke verzekeraar op basis van welke offerte zou moeten worden betaald. De vrouw heeft voldoende gelegenheid gehad een kwalificerende offerte te verstrekken en doet dit zelfs nog steeds niet in onderhavige procedure. Hierdoor is zij zelf in verzuim, aldus gedaagden.

4.18.

Ook dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank is het met de vrouw eens dat het aanleveren van een kwalificerende offerte niet als voorwaarde voor de betalingsverplichting geldt. Dit staat ook niet met zoveel woorden als voorwaarde in het convenant. Verder is het geen noodzakelijke voorwaarde voor gedaagden om te kunnen betalen. Gedaagden hadden de vrouw kunnen laten weten dat zij wilden overgaan tot betaling en dan kunnen afwachten tot zij verdere instructies ontvingen over het rekeningnummer waar de betaling naar toe zou moeten. Een kwalificerende offerte is in zoverre wenselijk dat de betaling alleen belastingvrij kan gebeuren als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Zonder kwalificerende offerte zouden gedaagden dat niet kunnen controleren, maar dat zou voor risico van de vrouw kunnen blijven en had hooguit kunnen leiden tot een schadeplicht van de vrouw jegens de man als gebleken zou zijn dat het afgestorte bedrag niet op een (fiscaal) correcte wijze zou zijn ondergebracht bij een pensioenverzekeraar en de man hierdoor schade zou lijden. Als noodzakelijke voorwaarde voor de betaling geldt dit niet.

4.19.

Verder hebben gedaagden is aangevoerd dat deze procedure voorbarig is omdat de man nog geen gebruik maakt van zijn rechten op ouderdomspensioen. Hij stelt dat hij de mogelijkheid heeft om zijn pensioenuitbetalingen te stellen tot het moment dat hij zeventig wordt en dat is hij van plan. Volgens gedaagden dient de vrouw uitstel van de ingangsdatum te dulden op grond van artikel 2 lid 3 Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna: WVPS) .

4.20.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zelfs als de rechtbank zou aannemen dat de man de mogelijkheid heeft om zijn pensioendatum uit te stellen én dat de man van deze mogelijkheid gebruikt zal maken, doet dat niet af aan de rechten van de vrouw. Zij volgt namelijk het standpunt van de vrouw dat partijen conversie van het pensioen zijn overeengekomen. Daardoor heeft zij een eigen aanspraak op pensioen die gerelateerd is aan haar eigen pensioendatum en niet afhankelijk is van de pensioendatum van de man. Dat partijen conversie zijn overeengekomen blijkt uit de indicatieve berekening van de waarde van de pensioenrechten die als bijlage bij het convenant is gevoegd. Bij de grondslagen op pagina 1 staat bij conversie ‘ja’ vermeld. Ook wordt op pagina 2 van de indicatieve berekening met zoveel woorden gesproken over conversie waardoor voor de vrouw een eigen recht op ouderdomspensioen zal ontstaan. Hierop is ook het afgesproken bedrag van € 120.775 gebaseerd. Dat partijen conversie zijn overeengekomen ligt ook voor de hand, want partijen hadden de bedoeling dat de vrouw zelf een overeenkomst zou sluiten met een pensioenverzekeraar. Als de ingangsdatum van het pensioen van de vrouw afhankelijk zou zijn van de keuzes van de man ten aanzien van zijn eigen pensioendatum zou dit moeten worden opgenomen in de overeenkomst die de vrouw met haar verzekeraar sluit. Dat wordt in de regel als onwenselijk gezien en ook in dit geval is het aannemelijk dat partijen in de toekomst niet langer afhankelijk van elkaar wilden zijn. Dat geldt voor de vrouw, maar in wezen evengoed voor de man, die immers stelt dat hij meende dat er na vijf jaar geen afdwingbare vordering van de vrouw meer zou zijn.

Voor welk bedrag kunnen eiseressen nakoming vorderen?

4.21.

Eiseressen vorderen een bedrag van € 196.531 bruto aan achterstallige pensioentermijnen en een af te storten bedrag van € 597.574. Deze bedragen volgen niet rechtstreeks uit het convenant. Daarom dient de rechtbank te beoordelen voor welk bedrag eiseressen nakoming kunnen vorderen. De rechtbank gaat hiervoor uit van het in het convenant genoemde bedrag van € 120.775, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2023. Zij licht dit als volgt toe.

4.22.

In het convenant is niet duidelijk verwoord wat de bedoeling van partijen was ná de overeengekomen termijn van vijf jaar. Volgens de vrouw bleef de inspanningsverplichting bestaan, volgens de man ontstond een natuurlijke verbintenis. Beide interpretaties van partijen zijn niet zonder meer logisch en zowel het convenant als de overige door partijen aangedragen omstandigheden bieden weinig aanknopingspunten. Weliswaar heeft de rechtbank hiervoor al geoordeeld dat de man er niet zonder meer van uit mocht gaan dat de afstortingsverplichting na vijf jaar zou vervallen, maar als er niets zou veranderen, zoals de vrouw in feite aanvoert, is het de vraag wat de ratio is van het überhaupt opnemen van deze termijn.

4.23.

De rechtbank gaat ervan uit dat de termijn van vijf jaar in zoverre in het voordeel van de man was, dat in die vijf jaar geen indexering van het bedrag plaatsvond. Als hij binnen vijf jaar zou afstorten, zou nog altijd worden uitgegaan van het bedrag van € 120.775. Dat laat de mogelijkheid open dat de vrouw na afloop van die termijn wél indexering zou kunnen vragen. Eiseressen stellen dat gedaagden veroordeeld dienen te worden tot betaling van de commerciële waarde die overeenkomt met het oorspronkelijke bedrag van € 120.775. De vrouw wijst er daarbij op dat de hoogte van de geconverteerde aanspraak is vastgelegd in het echtscheidingsconvenant en per 31 december 2005 € 14.844 per jaar bedraagt, ingaande per 1 augustus 2019. Omdat er vanaf 1 augustus 2019 geen enkele betaling door gedaagden is verricht, is sprake van gemiste betalingen. Daarom moet volgens de vrouw rekening gehouden met een indexatie van 3% en de wettelijke rente. Er dient immers op grond van vaste rechtspraak uitgegaan te worden van de commerciële waarde naar het tijdstip van afstorting door de rechtspersoon, aldus eiseressen.

4.24.

De opvatting van eiseressen dat partijen een gefixeerd bedrag van € 14.844 per jaar zijn overeengekomen deelt de rechtbank niet. Uit het convenant blijkt de afspraak dat de man een vast bedrag van € 120.775 zou (laten) afstorten en dat de vrouw dat bedrag vervolgens zou onderbrengen bij een verzekeraar, zodat dat bedrag zou kunnen renderen en in beginsel zou moeten leiden tot een aanspraak van € 14.844 per jaar. Uit de bijlage bij het convenant blijkt dat sprake was van een indicatieve berekening. Niet is gebleken dat aan deze indicatieve berekening een concrete offerte van een door de vrouw aangezochte verzekeraar ten grondslag lag waaruit een gegarandeerde jaarlijkse uitkering van € 14.844 per jaar zou blijken. De vrouw had dus geen garantie dat het afgestorte bedrag tot de verwachte uitkering van € 14.844 per jaar zou leiden. In het convenant zelf is enkel het bedrag van € 120.775 opgenomen, niet de uitkering. Het kan dus ook zo zijn dat een verzekeraar voor het bedrag van € 120.775 een lagere jaarlijkse uitkering aan de vrouw zou hebben aangeboden. Dat risico is bij de vrouw gelegd en zou groter worden naarmate de man later zou betalen. Er is ook geen indexering afgesproken. Op basis van enkel het convenant is de man dan ook niet gehouden meer dan € 120.775 te betalen.

4.25.

Bij het voorgaande moet wel opgemerkt worden dat het risico van de vrouw beperkt leek te zijn tot een rendementsverlies van vijf jaar. Inmiddels zijn er echter nog eens vijftien jaren verstreken. Op de vraag hoe om te gaan met de schade die de vrouw hierdoor loopt zal de rechtbank verderop in dit vonnis ingaan.

Wettelijke rente

4.26.

Gedaagden betwisten dat over het bedrag van € 120.775 wettelijke rente is verschuldigd. Pas bij brief van 17 mei 2024 werd de man van de zijde van de vrouw gesommeerd, zonder aanzegging van wettelijke rente. Als er al wettelijk rente loopt dan is dat volgens gedaagden vanaf de dag van het uitbrengen van de dagvaarding.

4.27.

De rechtbank overweegt dat wettelijke rente is verschuldigd indien en zodra er sprake is van verzuim. 3 Anders dan gedaagden betogen, is daarvoor niet een ingebrekestelling nodig waarbij uitdrukkelijk een beroep op wettelijke rente wordt gedaan. Uit de houding van de man, zijn ingenomen stelling dat er na vijf jaar nog slechts een natuurlijke verbintenis resteerde en het afboeken van de voorziening op de balans van de vennootschap volgt dat aanmaning nutteloos was. Gelet op het bepaalde in artikel 6:82 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek volstaat voor het intreden van verzuim dan een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Nu eiseressen de wettelijke rente pas vorderen vanaf de dag der dagvaarding, hoeft de rechtbank niet in te gaan op de vraag in hoeverre de vennootschap of de man voordien in verzuim was, omdat beiden op dat moment zijn gedagvaard en beiden niet hebben voldaan aan de verplichtingen uit het convenant.

Kwalificerende offerte voor nakoming

4.28.

Gedaagden voeren aan dat als de rechtbank de man verplicht het bedrag van

€ 120.775 alsnog aan een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar te voldoen, dit uitsluitend mogelijk is als de vrouw een kwalificerende offerte beschikbaar stelt. Hoewel de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld dat dit geen noodzakelijke voorwaarde is, zal zij eiseressen in de gelegenheid stellen om bij nadere akte een kwalificerende offerte te overleggen om discussie achteraf te voorkomen.

Tekortkoming in de nakoming

4.29.

Op grond van het convenant diende de man zijn verplichtingen binnen een termijn van vijf jaar na te komen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, was hij hiertoe ook financieel in staat. De man dient alsnog het bedrag van € 120.775 af te storten, maar omdat de termijn van vijf jaren is verstreken, kan niet gezegd worden dat de man daarmee volledig aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Door tijdsverloop levert dit de vrouw immers niet het pensioen op dat zij had kunnen hebben als zij uiterlijk op 5 januari 2011 het genoemde bedrag wad gestort in een overeenkomst met een pensioenverzekeraar. Dit heeft te maken met het feit dat het vermogen minder lang heeft kunnen renderen. Er is nu een hogere inleg nodig om hetzelfde pensioen te verkrijgen. Weliswaar zijn partijen geen gegarandeerde uitkering voor de vrouw overeengekomen, en kan zij dit verschil dus niet met een beroep op nakoming van het convenant vorderen, maar doordat de man het bedrag niet tijdig heeft afgestort, is sprake van een tekortkoming in de nakoming die de man kan worden aangerekend. De vrouw lijdt hierdoor schade. Op deze grondslag heeft zij recht op een aanvullend bedrag. Uit de systematiek van de artikelen 6:86 en 6:87 BW volgt dat de vrouw én nakoming én aanvullende schadevergoeding kan vorderen.

Verweren

4.30.

Voor deze vordering gelden dezelfde verweren van gedaagden. Op hoofdlijnen geldt hetgeen de rechtbank daarover hiervoor heeft overwogen. Dat geldt echter niet voor het beroep op verjaring. De grondslag hiervan wordt immers niet in het convenant zelf gevonden en dus gaat het hier niet om de tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking. De verjaringstermijn voor de schade wegens de tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst bedraagt op grond van artikel 3:310 BW vijf jaar. De vrouw wist van meet af aan dat de man geen bedrag had afgestort en dat zij nog geen pensioenovereenkomst had gesloten met een verzekeraar. Elke maand dat dit voortduurt, ontstaat er nieuwe schade. Zij kan geacht worden hiermee elke maand opnieuw bekend te zijn geworden. De vrouw heeft de man hier tussen 2012 en 2023 niet kenbaar op aangesproken.

4.31.

Op 7 november 2023 heeft de vrouw de man aangeschreven met het verzoek om alsnog over te gaan tot afstorting. Deze brief kan worden aangemerkt als stuitingshandeling.

Dit betekent dat alle schade van de vrouw die is ontstaan vóór 7 november 2018 is verjaard.

Berekening van de schade

4.32.

In hun berekening zijn eiseressen uitgegaan van een indexatie van 3%, waarbij zij zich baseren op de pensioenovereenkomst die de man met de vennootschap heeft gesloten. Volgens gedaagden kan niet zonder meer worden uitgegaan van 3% maar dient de rechtbank uit te gaan van geen of een redelijke indexatie.

4.33.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de pensioenovereenkomst volgt dat in artikel 4 van die overeenkomst een regeling is opgenomen over de indexatie van de pensioenrechten wanneer deze binnen de vennootschap werden opgebouwd. De 3% indexatie waar de vrouw zich op baseert, ziet op de situatie dat de man zijn eigen pensioenrechten zou onderbrengen bij een externe verzekeraar. Die situatie heeft zich echter tijdens het huwelijk niet voorgedaan, zodat de vrouw geen beroep kan doen op dit percentage. Als gevolg van de conversie van het pensioen zou de vrouw eigen rechten opbouwen en kan zij geen rechten ontlenen aan afspraken van de man met de vennootschap. Het is de rechtbank niet gebleken dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de indexatie waar de vrouw zich nu op kan beroepen.

4.34.

Gelet op de gedeeltelijke verjaring van de vordering moet uitgegaan worden van de situatie dat de man op 7 november 2018 een bedrag van € 120.775 zou hebben afgestort, omdat alleen het rendement dat de vrouw sindsdien heeft gemist en de op basis daarvan gemiste pensioenuitkeringen vergoed dienen te worden. Dit betekent dat het aan de vrouw is om aan de hand van een kwalificerende offerte van een pensioenverzekeraar te onderbouwen welk maandbedrag aan pensioen zij zou hebben gekregen als de man ten behoeve van haar pensioen op 7 november 2018 een bedrag van € 120.775 zou hebben afgestort en uitgaande van haar eigen pensioendatum per 1 augustus 2019, alsmede wat zij dan op dit moment aan maandelijkse betalingen zou ontvangen (in verband met de hierover mogelijk toegepaste indexeringen in de afgelopen jaren) en welk bedrag uiterlijk twee maanden na de datum van de offerte moet worden afgestort om die aanspraak voor de toekomst alsnog te verkrijgen. Op basis hiervan kan de schade, bestaande uit gemiste termijnen en het gat tussen € 120.775 en het nu af te storten bedragn, worden vastgesteld. De rechtbank zal eiseressen een termijn verlenen van zes weken om zich hierover gemotiveerd uit te laten in een nadere akte, waarna aan gedaagden een termijn zal worden gegeven voor antwoordakte.

Pensioen bij SPMS

Ontvankelijkheid van de vennootschap in reconventie

4.35.

Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen over dit onderwerp, merkt de rechtbank het volgende op. De vennootschap is geen partij bij het door de man en de vrouw gesloten convenant. Daarom verklaart de rechtbank de vennootschap niet-ontvankelijk in de vorderingen in reconventie ten aanzien van SPMS. Ditzelfde geldt voor de onder het volgende kopje te bespreken pensioenrechten van PFWZ.

Inhoudelijke beoordeling

4.36.

De echtscheiding is gemeld aan SPMS, waarna SPMS automatisch bijzonder partnerpensioen heeft afgesplitst. Op grond van artikel 57 lid 4 van de Pensioenwet kan de vrouw afstand doen van haar bijzonder partnerpensioen. Afstand van bijzonder partnerpensioen kan worden gerealiseerd door het invullen en ondertekenen van een door SPMS daartoe bestemd formulier. Partijen verschillen van mening of en zo ja in hoeverre de vrouw op basis van het convenant hiertoe gehouden is. De vrouw stelt kortgezegd dat de afspraken rondom afstanddoening in artikel 5.2 van het convenant enkel gingen over het in eigen beheer opgebouwde pensioen, de man stelt kortgezegd dat de afspraak ook zag op het extern opgebouwde pensioen.

4.37.

De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan de man in reconventie stelt, is het de rechtbank niet gebleken dat de vrouw een onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan om afstand te doen van het extern opgebouwde pensioen. Het woordje ‘waarna’ in artikel 5.2 van het convenant wijst erop dat zij deze toezegging deed op voorwaarde dat de vennootschap eerst het toegezegde bedrag zou hebben afgestort. De vordering in reconventie op dit punt wijst de rechtbank daarom af.

4.38.

De man heeft de vordering echter ook voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval de rechtbank zou oordelen dat het bedrag van € 120.775 alsnog wordt afgestort. De vraag die dan beantwoord dient te worden is of de vrouw na nakoming van de man van de afstortingsverplichting (enkel) niets meer te vorderen heeft ten aanzien van het in eigen beheer opgebouwde pensioen of dat zij in dat geval (ook) afstand dient te doen van verevening van de bij SPMS opgebouwde pensioenrechten.

4.39.

De man neemt als standpunt in dat partijen op basis van het convenant zijn overeengekomen dat de vrouw afstand doet van haar volledige bijzonder partnerpensioen nadat de vennootschap het bedrag van € 120.775 zal hebben betaald. Deze lezing van het convenant acht de rechtbank niet onbegrijpelijk en niet onredelijk. De letterlijke tekst van het convenant biedt ook ruimte voor die interpretatie want er wordt niet gesproken over ‘dit pensioen’ (wat terug zou slaan op het pensioen in eigen beheer) maar er wordt in bredere context gesproken over ‘zowel ouderdoms- als nabestaandenpensioen’. De afspraak staat ook in het artikel van het convenant dat gaat over alle door partijen opgebouwde pensioenrechten. De rechtbank acht het overigens aannemelijk dat, zoals de vrouw stelt, het door de man bij SPMS opgebouwde pensioen hoger was dan de door de vrouw bij ABP en PGGM opgebouwde pensioenrechten, zodat geen sprake is van het tegen elkaar wegstrepen van de pensioenen, maar daartegenover heeft de man gesteld dat de vrouw de verwachting mocht hebben dat zij met het bedrag van € 120.775 in staat zou zijn om voor zichzelf een fatsoenlijke oudedagsvoorziening te verkrijgen. Daarnaast heeft de man ook gewezen op de bijverdienmogelijkheid van de vrouw in het kader van de partneralimentatie, waarmee de vrouw ook zelf pensioen kon opbouwen. Omdat partijen niet rechtstreeks met elkaar hebben gesproken, moet de rechtbank aansluiten bij wat partijen redelijkerwijs hebben mogen begrijpen. De rechtbank is van oordeel dat de man redelijkerwijs mocht menen dat de vrouw afstand zou doen van haar recht op verevening van het bij SPMS opgebouwde pensioen. Daarom zal de rechtbank de voorwaardelijke vordering in reconventie van de man op dit punt toewijzen en de vorderingen van de vrouw in conventie op dit punt afwijzen. Daarbij stelt de rechtbank dan in het licht van wat zij over het pensioen in eigen beheer heeft overwogen wel de voorwaarde dat de vennootschap niet alleen het bedrag van € 120.775 maar ook het aanvullend verschuldigde bedrag heeft betaald. Dit betekent dat de vrouw gehouden is om binnen veertien dagen nadat de vennootschap het nog nader te bepalen bedrag zal hebben afgestort, het formulier ‘Afstandsverklaring Bijzonder Partnerpensioen’ dient in te vullen en te ondertekenen en met een kopie van een geldig legitimatiebewijs aan SPMS dient te zenden, met een afschrift daarvan aan de man.

Pensioen bij PFZW

4.40.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij in april 2026 bekend is geworden met het feit dat de man bij PFZW pensioen heeft opgebouwd. Dit wijkt af van de inventarisatie in artikel 5.1 van het convenant. De vrouw stelt dat zij recht heeft op verevening van het ouderdomspensioen dat de man tijdens het huwelijk bij PFZW heeft opgebouwd. Onderzocht dient te worden welk deel van zijn pensioenopbouw bij PFZW voor verevening in aanmerking komt.

4.41.

De man heeft in eerste instantie aangevoerd dat zijn ouderdomspensioen bij PFZW niet voor pensioenverevening in aanmerking komt. Volgens de lezing van de man van het convenant zou de vrouw afzien van verevening van de door de man extern opgebouwde pensioenrechten. Hoewel het pensioen bij PFZW per abuis niet is genoemd in het convenant is het volgens de man evident dat ook verevening van dat pensioen tussen partijen werd uitgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man wel erkend dat nergens het pensioen bij PFZW uitdrukkelijk is genoemd.

4.42.

De rechtbank weegt het feit dat in het convenant nergens wordt gesproken over het door de man bij PFZW opgebouwde pensioen uiteindelijk het zwaarst. Uit niets volgt dat de vrouw zich bewust was of moest zijn van het feit dat de man daar pensioenrechten had opgebouwd. Van een bewuste en ondubbelzinnige afstand van dit pensioen door de vrouw kan dan ook geen sprake zijn. Op grond van de hoofdregel van artikel 2 lid 1 WVPS heeft de vrouw daarom recht op verevening van die pensioenrechten en dient het bijzonder partnerpensioen te worden afgesplitst. De vordering in (voorwaardelijke) reconventie ten aanzien van PFZW moet daarom worden afgewezen.

4.43.

Omdat partijen in het geheel geen afspraken hebben gemaakt over de pensioenrechten van de man bij PFWZ, kan ook niet worden gesteld dat partijen conversie van deze pensioenrechten zijn overeengekomen. De man heeft daarom terecht aangevoerd dat de vrouw uitstel van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen dient te dulden op grond van artikel 2 lid 3 van de WVPS. De man stelt dat hij zijn pensioendatum had uitgesteld tot 1 februari 2026 en dat hij voornemens is om het verder uit te stellen tot

1 september 2027, hetgeen door de vrouw bij gebrek aan onderbouwing is betwist. De rechtbank merkt op dat indien de vrouw hieromtrent duidelijkheid wenst te verkrijgen, zij hierover rechtstreeks contact kan opnemen met PFWZ.

4.44.

Verder heeft de man naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat partijen al langer dan twee jaar gescheiden zijn, zodat op grond van artikel 2 lid 2 WVPS voor de vrouw geen recht op uitbetaling door PFZW is ontstaan. De vrouw heeft te zijner tijd een directe aanspraak op de man. De vrouw vordert dat de man een volmacht verstrekt aan PFWZ opdat aan de vrouw rechtstreeks door PFWZ maandelijks haar pensioenafspraken worden overgemaakt. Het is niet duidelijk of PFWZ daaraan zal meewerken. Omdat PFWZ geen partij is in de procedure, kan PFWZ niet worden veroordeeld om een door de man aan PFWZ verstrekte volmacht uit te voeren. De rechtbank zal de vordering van de vrouw om de man te veroordelen mee te werken aan een machtiging daarom afwijzen. Wel zal de rechtbank de man veroordelen om vanaf de ingangsdatum van zijn pensioen een bedrag conform het aan de vrouw toekomende deel op basis van een vereveningsopgaaf door PFWZ aan de vrouw te voldoen zolang de man leeft. Omdat niet is gebleken dat de man al pensioenuitkeringen heeft ontvangen van PFWZ zal de rechtbank het overige gevorderde afwijzen.

Dwangsommen

4.45.

Partijen hebben over en weer aan hun vorderingen dwangsommen verbonden voor het geval de andere partij een veroordeling niet nakomt. De rechtbank wijst die vorderingen af. De uiteindelijke afwikkeling van de toegewezen vorderingen van partijen houdt onderling verband met elkaar. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat een van partijen niet zou meewerken, omdat partijen allebei deels in het gelijk worden gesteld en daarom belang hebben bij een spoedige afwikkeling. Bovendien kunnen dwangsommen de verstandhouding tussen partijen (verder) op scherp stellen. Daar komt bij dat voor zover het gaat om vorderingen tot betaling van een geldsom, het opleggen van een dwangsom op grond van de wet ook niet mogelijk is. 4

Vervolg van de procedure

4.46.

Op de vorderingen in reconventie kan de rechtbank een eindbeslissing nemen. In dat geval dient een partij die het er niet mee eens is direct in hoger beroep te gaan. Omdat in conventie nog geen eindbeslissing wordt genomen, zou de procedure dan uit elkaar getrokken worden. Dat is in de regel niet wenselijk. Toch zal de rechtbank in reconventie alvast definitief beslissen, omdat ook in conventie al verstrekkende oordelen zijn gegeven. Mochten partijen of een van hen tegen de beslissingen in reconventie in hoger beroep gaan, dan staat het de appellerende partij vrij om de rechtbank om verlof te verzoeken om ook in hoger beroep te gaan tegen de deelbeslissingen in conventie. De rechtbank verneemt dan graag of partijen wensen dat de rechtbank in de tussentijd verder gaat met de in conventie nog voorliggende punten of dat het hoger beroep wordt afgewacht, in welk geval de onderhavige procedure naar de parkeerrol zal worden verwezen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.47.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie en het feit dat er in conventie nog geen eindvonnis wordt gewezen, verklaart de rechtbank de door haar genomen beslissingen niet uitvoerbaar bij voorraad.

Proceskosten

4.48.

In conventie houdt de rechtbank de beslissing over de proceskosten aan in afwachting van het eindvonnis in conventie. In de reconventie beslist de rechtbank dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De procedure vloeit voort uit de verbroken relatie van partijen. Bovendien worden beide partijen deels in het gelijk gesteld.

5De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 14 oktober 2026 voor een nadere akte van eiseressen met een uitlating over hetgeen de rechtbank heeft overwogen in 4.34;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie

5.3.

verklaart de vennootschap niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

5.4.

veroordeelt de vrouw om binnen veertien dagen nadat de vennootschap aan een vonnis dat veroordeelt tot betaling van het in conventie nader te bepalen bedrag zal hebben voldaan, onder voorwaarde dat het onderhavige vonnis aan de vrouw is betekend, aan SPMS toe te zenden het ingevulde en getekende formulier “Afstandsverklaring Bijzonder Partnerpensioen” met een kopie van een geldig legitimatiebewijs en de man daarvan een schriftelijk bewijs te zenden;

5.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

1

Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).

2

Hoge Raad 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733