Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding waarin de verdeling van een beperkte gemeenschap is gelast art. 3:185 BW. Woning vóór huwelijk gezamenlijk met 99% vrouw en 1% man; door huwelijk valt de eenvoudige gemeenschap in de huwelijksgemeenschap en ontstaat gelijk aandeel art. 1:100 lid 1 BW. Verweer redelijkheid en billijkheid en beroep op vergoedingsrecht van vrouw falen. Woning wordt toegedeeld of verkocht volgens spoorboekje; over-/onderwaarde en kosten bij helfte. Voorhuwelijkse vergoedingsverzoeken van beide partijen zijn niet-ontvankelijk.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 29-09-2026 |
| Zaaknummer | C/10/698662 / FA RK 25-3304 |
| Procedure | Beschikking |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Wettelijke beperkte gemeenschap; Eigen woning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding, verdeling beperkte gemeenschap van goederen, verdeling woning met voor het huwelijk ongelijke eigendomsverhouding, verzoeken inzake vergoedingsrechten daterend van voor het huwelijk niet-ontvankelijk.Volledige uitspraak
Team familie
Zaaknummers: C/10/698662 / FA RK 25-3304 (verdeling huwelijksgemeenschap)
Beschikking van 28 augustus 2026 over de afwikkeling van de echtscheiding
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. B.S. van der Klauw te Rotterdam.
1De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van deze rechtbank van 7 april 2026;
-
het bericht met bijlage van de man van 30 april 2026.
De rechtbank ziet geen aanleiding een voortgezette mondelinge behandeling te plannen en doet de zaak af op de stukken.
2De verdere beoordeling
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2026 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Verder is er een door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 226,- per maand. Daarnaast is de gedeeltelijke overeenstemming van partijen in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap opgenomen. De zaak is aangehouden voor de resterende geschilpunten, te weten de verdeling van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer A1] en [huisnummer A2] te Rotterdam (hierna: de woning) en de vergoedingsrechten. De rechtbank verwijst naar wat over die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
De woning en de vergoedingsrechten
De man verzoekt met betrekking tot de woning:
-
(primair) voor recht te verklaren dat de man en de vrouw ieder recht hebben op 50% van de overwaarde van de woning, dat wil zeggen de verkoopprijs van de woning minus de hypothecaire geldlening minus de kosten van de makelaar, althans subsidiair het aandeel van de man en de vrouw vast te stellen;
-
(primair) te bepalen dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning over te nemen, de restant hypotheekschulden voor zijn rekening te nemen zulks onder de voorwaarde dat de vrouw ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
-
subsidiair te bepalen dat de vrouw gehouden is tot het verlenen van haar medewerking aan de verkoop en levering van de woning op een door de man in het verzoekschrift opgenomen voorgestelde manier.
Daarnaast stelt de man recht te hebben op een aantal vergoedingsrechten en verzoekt:
te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 28.552,56 aan de man moet voldoen, een en ander te voldoen uiterlijk op de dag waarop het eigenaarschap van de woning wijzigt;
in het geval de man voor minder dan 50% eigenaar is van de woning te bepalen dat vrouw een bedrag van € 27.598,93 aan de man moet voldoen en ook de vrouw te veroordelen tot betaling van 99% van de door de man betaalde rente en aflossing op de hypothecaire geldlening vanaf 1 februari 2025 tot de dag waarop het eigenaarschap van de woning wijzigt;
te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 18.213 aan de man moet voldoen, uiterlijk op de dag waarop het eigenaarschap van de woning wijzigt;
(primair) te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 2.100 aan de man moet voldoen een en ander te voldoen uiterlijk op de dag waarop het eigenaarschap van de woning wijzigt
te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 28.063,73 aan de man moet voldoen, een en ander te voldoen uiterlijk op de dag waarop het eigenaarschap van de woning wijzigt;
te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 10.670,69 aan de man moet voldoen, een en ander te voldoen uiterlijk op de dag waarop het eigenaarschap van de woning wijzigt.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt het volgende:
-
primair: te verklaren voor recht dat de vrouw een aandeel heeft van 99% en de man van 1% in de woning;
-
subsidiair: te verklaren voor recht dat de vrouw recht heeft op 99% en de man op 1% in de overwaarde van de woning;
-
meer subsidiair: te verklaren voor recht dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de beperkte gemeenschap respectievelijk de man van € 65.060,52 waarop de beleggingsleer van toepassing is, dan wel een door u in goede justitie te bepalen bedrag, conform de randnummers 40 en 41 van de verweerschrift;
-
te bepalen dat de woning aan de vrouw zal worden toegedeeld, waarbij de vrouw de aan de man toekomende overwaarde zal voldoen en de restant hypotheekschulden voor haar rekening zal nemen en de man zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze schulden;
-
te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag moet voldoen van € 11.442,07;
-
te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag moet voldoen van € 3.650,-.
De woning
De rechtbank moet nog een beslissing nemen over de verdeling van de woning. De overeenstemming van partijen met betrekking tot de overige bestanddelen is al opgenomen in de tussenbeschikking.
Partijen hebben geen volledige overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zij stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW) . Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BW) .
Voor wat betreft de peildata verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 3.3.4. en 3.3.5. uit de tussenbeschikking.
De waarde van de woning
Voor wat betreft de waarde hebben partijen de woning bindend laten taxeren. Tijdens de mondelinge behandeling was het taxatierapport nog niet klaar. Bij bericht van de man van 30 april 2026 is voornoemd taxatierapport overgelegd waaruit een bindende taxatiewaarde van € 520.000,- volgt.
De toedeling/verkoop van de woning
Voor wat betreft de toedeling van de woning zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat de vrouw als eerste in de gelegenheid wordt gesteld te onderzoeken of zij in staat is de woning over te nemen. Zij krijgt hiervoor een termijn van vier maanden, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Mocht de vrouw financieel niet in staat zijn de woning over te nemen, wordt de man dezelfde termijn van vier maanden gegeven om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. Deze termijn gaat in op het moment dat de vrouw hem bericht dat zij de woning niet kan overnemen. In het geval geen van partijen in staat is de toedeling van de woning te financieren moet de woning worden verkocht.
De eigendomsverhouding
Voor het onderzoeken of één van partijen in staat is de toedeling van de financiering van de woning te bewerkstelligen, moet de rechtbank het geschil van partijen over de eigendomsverhouding beoordelen.
Vast staat dat de vrouw van september 2005 tot 25 september 2020 100% eigenaar was van de woning en dat hierop een hypothecaire geldlening rustte op haar naam. Partijen hebben op 6 augustus 2020 een koopovereenkomst gesloten waarbij de man, tegen betaling van een bedrag van € 3.650,-, één/honderdste aandeel in de woning zou verkrijgen. De akte van levering is op 25 september 2020 bij de notaris gepasseerd zodat de vrouw vanaf dat moment voor 99% eigenaar was van de woning en de man voor 1%. De ‘oude’ hypothecaire geldlening op naam van de vrouw is afgelost met een ‘nieuwe’ hypothecaire geldlening bij de ABN-AMRObank waarvoor partijen vanaf 25 september 2020 hoofdelijke schuldenaar zijn.
De man stelt dat partijen door hun huwelijk op 10 september 2021 ieder voor 50% eigenaar zijn geworden van de woning. Door het huwelijk is de woning volgens de man tot de wettelijk beperkte gemeenschap gaan behoren en is ieder van partijen voor een gelijk aandeel eigenaar geworden van de woning. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Primair stelt zij dat de eigendomsverhouding (99% vrouw en 1% man) niet is gewijzigd door de huwelijkssluiting. Subsidiair is de vrouw van mening dat het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich beroept op een verdeling bij helfte. Meer subsidiair voert de vrouw aan dat zij aanspraak kan maken van een vergoedingsrecht.
Op 25 september 2020, te weten voor de huwelijkssluiting, verkreeg de man 1% eigendom van de woning. Op dat moment ontstond er een eenvoudige gemeenschap tussen partijen. Zij waren vóór het huwelijk voor ongelijke delen gerechtigd tot de woning (een gemeenschappelijk goed). Bij het aangaan van het huwelijk op 10 september 2021 ontstond een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De voor die tijd bestaande eenvoudige gemeenschap is in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen gevallen en daarmee is de ongelijkheid in eigendom opgeheven. Op grond van artikel 1:100 lid 1 BW zijn beide echtgenoten bij de ontbinding van de huwelijksgemeenschap voor gelijke delen gerechtigd. De wetgever heeft aangegeven dat, als echtgenoten niet willen dat na aangaan van een huwelijk deze vermogensverschuiving plaatsvindt bij een gemeenschappelijk goed met een ongelijke eigendomsverhouding, zij huwelijkse voorwaarden hadden moeten maken (zie hiervoor Kamerstukken II 2014/15, 33987, 11, p. 3 en Kamerstukken II 2014/15, 33987, 10). Vaststaat dat partijen geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan.
Voorgaande betekent dat door het aangaan van het huwelijk, op 10 september 2021, partijen ieder voor 50% eigenaar zijn geworden van de woning.
De vrouw voert verweer en stelt primair dat de eigendomsverhouding van de woning niet door het huwelijk is gewijzigd omdat de woning niet tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen is gaan behoren op grond van artikel 1:100 lid 1 BW. Volgens de vrouw hebben partijen als gevolg van de koopovereenkomst geen gelijk aandeel in de woning. De man voert gemotiveerd verweer.
Uit lid 1 van voornoemd artikel volgt dat echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. Echtgenoten kunnen dus op twee manieren overeenkomen dat zij bij de verdeling afwijken van een verdeling bij helfte, te weten bij huwelijkse voorwaarden of bij echtscheidingsconvenant. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de koopovereenkomst niet gelijk te stellen is met een op schrift gesloten overeenkomst zoals bedoeld in dit artikel. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat de koopovereenkomst is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap. Het primaire verweer van de vrouw leidt dan ook niet tot een ander oordeel dan dat door het aangaan van het huwelijk, op 10 september 2021, partijen ieder voor 50% eigenaar zijn geworden van de woning.
Vervolgens voert de vrouw subsidiair aan dat het naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich beroept op een verdeling bij helfte van de woning. De vrouw is sinds 2005 eigenaar van de woning; zij is gehecht aan de woning en de omgeving. Zij heeft deze woning destijds gekocht omdat zij een deel van de woning kon verhuren en daarmee inkomsten kon genereren als aanvulling op haar inkomen en pensioen. Daarnaast stelt zij dat zij gelet op haar inkomen niet in staat is een andere woning in diezelfde omgeving te kopen of te huren. Ook is voor haar van belang dat zij in de nabijheid van een ziekenhuis woont gelet op de HIV-besmetting, die zij van de man heeft verkregen. Voor de vrouw voelt het alsof de man op dit moment alles van haar afneemt; haar gezondheid, haar veilige plek en haar toekomstig inkomen. Het was de vrouw ook niet bekend dat door het huwelijk de eigendomsverhouding van de woning zou wijzigen. Zij ging er van uit dat de gemaakte afspraken (99%-1%) niet opzij gezet konden worden door het huwelijk. Als zij dit had geweten, had zij hiermee niet ingestemd. Volgens de vrouw heeft er voorafgaand aan de ondertekening van de notariële akte geen gesprek met de notaris plaatsgevonden. De man voert aan dat partijen door de financieel adviseur zijn voorgelicht over de gevolgen van het huwelijk voor de eigendomsverhouding. Dat de vrouw aangeeft onvoldoende te zijn voorgelicht, komt naar zijn mening voor haar rekening en risico. Op grond van artikel 6:2 lid 2 BW kan de redelijkheid en billijkheid inbreuk kunnen maken op hetgeen uit een rechtsbepaling voortvloeit. Gelet op de formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ moet de rechter bij de toepassing hiervan de nodige terughoudendheid betrachten en voldaan worden aan zware eisen. Ook al lijkt het erop dat het niet de bedoeling was van, in ieder geval de vrouw, de eigendomsverhouding te laten wijzigen na het huwelijk, kan dit niet tijdens de echtscheidingsprocedure worden teruggedraaid als partijen het hierover niet eens zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw, gelet op de betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd gesteld dat de wijziging van de eigendomsverhouding naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij neemt de rechtbank ook het, onweersproken gebleven, verweer van de man mee dat hij gedurende het huwelijk (in hun onderlinge verhouding) meer dan de vrouw heeft bijgedragen in de lasten van de woning.
Ten slotte stelt de vrouw meer subsidiair, in het geval de eigendomsverhouding wel is gewijzigd, dat zij aanspraak maakt op een vergoedingsrecht omdat zij bij aanvang van het huwelijk 99% van de waarde van woning heeft ingebracht. De man voert aan dat uit het ontbreken van huwelijkse voorwaarden voortvloeit dat partijen (stilzwijgend) hebben afgesproken dat er geen plaats is voor een vergoedingsrecht. De rechtbank overweegt als volgt. De wet voorziet in vergoedingsrechten voor vermogensverschuivingen die zich voordoen tussen het privévermogen van de ene echtgenoot, de huwelijksgemeenschap en het privévermogen van de andere echtgenoot (artikel 1:95 en 1:96 BW) . In artikel 1:87 BW is een regeling opgenomen voor vergoeding van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van de echtgenoten. De hiervoor genoemde regels voor vergoedingsrechten en -plichten van echtgenoten zijn niet van toepassing of overeenkomstige toepassing tussen partners die niet door huwelijk verbonden zijn. Ook voorziet het huidige wettelijk stelsel er niet in dat een echtgenoot voor hetgeen hij vóór het huwelijk bij de verkrijging van een gezamenlijk goed heeft bijgedragen uit zijn vermogen, (alsnog) recht heeft op vergoeding uit de huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat er wettelijk gezien geen gronden zijn om de vrouw een vergoedingsrecht toe te kennen in het kader van deze echtscheidingsprocedure. De rechtbank verwijst voor dit punt wel naar de noot van L.C.A. Verstappen bij het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:436) waarin is opgenomen dat de wetgever mogelijk niet helemaal bedacht was op de uitwerking van de wetswijziging in het geval men tot een goed gezamenlijk ongelijk gerechtigd is, vervolgens trouwt en die ongelijke gerechtigdheid van rechtswege verandert in gelijke gerechtigdheid waardoor dus ook een vermogensverschuiving optreedt die partijen wellicht niet wensen.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat partijen bij helfte gerechtigd zijn tot de over- dan wel onderwaarde van de woning. Dit geldt zowel bij de toedeling van de woning aan één van partijen, als bij de verkoop van de woning aan een derde.
Conclusie verdeling woning
Gezien het voorgaande gelast de rechtbank de volgende wijze van verdeling van de woning.
Partijen stellen de waarde van de woning op € 520.000,-.
Over de toedeling dan wel verkoop zijn partijen het volgende overeengekomen:
-
de vrouw wordt als eerste in de gelegenheid gesteld te onderzoeken of zij in staat is de woning over te nemen. Zij krijgt hiervoor een termijn van vier maanden, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
-
mocht de vrouw financieel niet in staat zijn de woning over te nemen, wordt de man dezelfde termijn van vier maanden gegeven om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. Deze termijn gaat in op het moment dat de vrouw hem bericht dat zij de woning niet kan overnemen;
-
als geen van partijen in staat is de toedeling van de woning te financieren en/of het ontslag van de andere partij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen, moet de woning worden verkocht.
De partij die financieel in staat is de woning over te nemen, neemt de hypothecaire schuld voor zijn/haar rekening. Ook zorgt die partij ervoor dat de bank de andere partij ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
Op de waarde van de woning (bij toedeling aan de andere partij) of de verkoopopbrengst (bij verkoop aan een derde) moet de hypothecaire schuld in mindering worden gebracht. Als sprake is van een overwaarde, moet partijen die gelijkelijk verdelen. Als sprake is van een onderwaarde, moet partijen die gelijkelijk dragen.
De kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen.
Voor het geval de woning moet worden verkocht, bepaalt de rechtbank dat dit moet gebeuren aan de hand van het zogenaamde spoorboekje. De rechtbank bepaalt dat dit geschiedt op de volgende manier.
Binnen twee weken nadat duidelijk is geworden dat partijen beiden financieel niet in staat zijn de woning over te nemen selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:
-
invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
-
aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
-
betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
-
leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
-
meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
-
meewerken aan geplande bezichtigingen,
-
zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
-
alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
-
het tekenen van de koopovereenkomst,
-
het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
Bij dit alles geldt nog het volgende:
-
voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
-
in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
-
partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,
-
als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,
-
met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.
Het verzoek van de man onder a. wijst de rechtbank af. De man wordt door de rechtbank gevolgd in zijn standpunt dat ieder van partijen 50% eigenaar is van de woning, zodat hij geen belang meer heeft bij zijn verzoek dit voor recht te verklaren. Ook zijn verzoek onder b. wijst de rechtbank af omdat dit onderdeel is van de overeenstemming van partijen gelet op rechtsoverweging 2.10.1. Ten slotte wijst de rechtbank ook zijn verzoek onder c. af, gelet op wat de rechtbank heeft beslist onder rechtsoverweging 2.11.7.
Gezien voorgaande wijst de rechtbank de verzoeken van de vrouw onder A. tot en met D. af.
De overige vergoedingsrechten
De rechtbank moet ook nog een beslissing nemen over de vergoedingsrechten hierboven genoemd onder d. tot en met i., E. en F.
De schuld aan Quander
De man stelt dat hij recht heeft een bedrag van € 28.154,92 te ontvangen in verband met de aflossing van een schuld van de vrouw. Vast staat dat de vrouw een schuld had aan Quander en dat deze schuld destijds is afgelost met de hypothecaire geldlening die partijen zijn aangegaan op het moment dat de man 1% eigendom verkreeg in de woning. Volgens de man is deze gezamenlijke hypotheek aangewend om de schuld van de vrouw te voldoen, zodat de vrouw haar voorhuwelijkse (privé) schuld volledig aan de man moet voldoen. De vrouw voert verweer. Niet in geschil is dat partijen tegen schuld hebben afgelost voor het huwelijk. Dit betekent dat de schuld niet meer bestond op de peildatum zodat de rechtbank in het kader van de verdeling de schuld niet kan meenemen. Daarnaast betreft dit een verzoek tot vergoeding uit de periode dat partijen ex-samenlevers waren. De vraag rijst of de rechtbank dit verzoek mee kan nemen als nevenvoorziening in het kader van de echtscheidingsprocedure. De rechtbank beantwoord deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Het verzoek van de man valt niet onder de in artikel 827 lid 1 sub a. tot en met f. genoemde nevenvoorzieningen. Op grond van sub g. van dit artikel is het wel mogelijk een andere voorziening te treffen dan bedoeld in de onderdelen a. tot en met f., maar moet hier worden voldaan aan twee voorwaarden. Ten eerste moet het verzoek voldoende samenhang vertonen met het verzoek tot echtscheiding. Ten tweede mag niet te verwachten zijn dat de behandeling van het verzoek tot onnodige vertraging van de zaak leiden. Naar het oordeel van de rechtbank wordt niet voldaan aan deze voorwaarden. De rechtbank verklaart de man daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder d.
Hypotheekrente en aflossing
Het verzoek onder e. betreft een voorwaardelijk verzoek van de man. In het geval de man voor 50% eigenaar is van de woning komt dit verzoek niet aan de orde. De rechtbank heeft hiervoor beslist dat bij de woning sprake is van een eigendomsverhouding bij helfte zodat er geen taak meer ligt voor de rechtbank.
Deel overwaarde voormalige woning man
De man stelt dat hij recht heeft een bedrag van € 18.213,- te ontvangen. Hij was eigenaar van een woning te Spant en deze is verkocht op 20 juli 2021. De man stelt bij de levering van deze woning een overwaarde te hebben ontvangen op zijn bankrekening van € 21.208,02. Vervolgens stelt de man dat hij hiervan een bedrag van € 18.213,- op 23 juli 2021 heeft overgemaakt op de en/of rekening van partijen. Volgens de man is dit zijn voorhuwelijkse privévermogen en moet de vrouw dit bedrag aan de man betalen. De rechtbank stelt allereerst vast dat op de bankrekening van de man al gelden stonden zodat niet traceerbaar is wat de man met welk geld heeft betaald. Verder betreft dit een verzoek tot vergoeding uit de periode dat partijen ex-samenlevers waren. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.13.1. verklaart de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek onder f.
Aflossing creditcard vrouw
De man stelt dat hij recht heeft een bedrag van € 2.100,- te ontvangen. De man stelt op 24 november 2021 dit bedrag overgemaakt te hebben van zijn privérekening naar de gezamenlijke rekening met als doel de voorhuwelijkse creditcardschuld van de vrouw af te lossen. Volgens de vrouw was geen sprake van een voorhuwelijkse schuld van haar, maar om de aflossing van de aankoop van een gezamenlijke TV. De rechtbank begrijpt het standpunt van de vrouw aldus dat zij erkent dat het bedrag van de privérekening van de man is overgemaakt op de gezamenlijke rekening en dat hiermee een schuld op de creditcard is afgelost. In geschil is waarvoor deze schuld is aangegaan. Voor de rechtbank is dit niet te achterhalen zodat het verzoek van de man onder g. wordt afgewezen. Hij heeft zijn verzoek onvoldoende onderbouwd in het licht van de betwisting van de vrouw.
Verbouwingskosten bedrijfsruimte
De man stelt dat hij recht heeft een bedrag van € 28.552,56 te ontvangen. Daartoe stelt de man dat hij gedurende het huwelijk aanzienlijk meer heeft bijgedragen aan de verbouwingskosten van de praktijkruimte zodat hij deze kosten volledig uit eigen middelen heeft voldaan. De vrouw voert aan dat, hoewel de man de kosten heeft betaald van zijn eigen bankrekening, dit niet betekent dat hij de betalingen heeft voldaan uit zijn privévermogen. Ook de vrouw heeft verschillende betalingen verricht vanaf deze rekening en die zien op de gezamenlijke kosten van de huishouding. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten zijn betaald van twee, door de man gestelde, bankrekeningen die op zijn naam staan. De betalingen zijn verricht tijdens het huwelijk zodat daarmee de gelden op de rekeningen van de man onderdeel waren van de huwelijksgemeenschap. Gesteld noch gebleken is dat de gelden waarmee de betalingen voor de verbouwing zijn verricht buiten de huwelijksgemeenschap zouden vallen als bedoeld in artikel 1:94 BW. Daar komt bij dat één van de rekeningen tijdens het huwelijk door zowel de man als de vrouw werd gevoed en zij hier ook betalingen van verrichten of gelden opnamen. Er stonden dan ook nog andere gelden op die rekeningen zodat niet traceerbaar is wat partijen met welk geld hebben betaald. Tenslotte hebben partijen al overeenstemming bereikt over de verdeling van de saldi op de rekeningen. De man heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat hier sprake zou zijn van betalingen met zijn privévermogen. Het verzoek van de man onder h. wordt afgewezen.
Inlijstingen
De man stelt dat hij recht heeft een bedrag van € 10.670,69 te ontvangen. Daartoe stelt de man dat hij in 2022, 2023 en 2024 heeft betaald voor inlijstingen. De vrouw voert aan dat de juridische grondslag voor het verzoek ontbreekt en betwist daarnaast dat hij deze uitgaven zelf heeft betaald. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man de drie facturen overgelegd, als ook de rekeningafschriften van deze betalingen. De rechtbank stelt vast dat alle drie de betalingen tijdens het huwelijk zijn voldaan van de gezamenlijke rekening van partijen die tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Gesteld noch gebleken is dat de facturen zijn betaald met gelden die buiten de huwelijksgemeenschap zouden vallen als bedoeld in artikel 1:94 BW. Daar komt bij dat de rekening tijdens het huwelijk door zowel de man als de vrouw werd gevoed en zij hier ook betalingen van verrichten of gelden opnamen. Er stonden dan ook nog andere gelden op die rekeningen zodat niet traceerbaar is wat partijen met welk geld hebben betaald. Tenslotte hebben partijen al overeenstemming bereikt over de verdeling van de saldi op de rekeningen. De man heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat hier sprake zou zijn van betalingen met zijn privévermogen. Het verzoek van de man onder i. wordt afgewezen.
Waarde Interpolis
De vrouw stelt dat zij recht heeft een bedrag van € 11.442,07 te ontvangen. Ter onderbouwing stelt zij dat dit bedrag op 27 oktober 2020 aan haar is uitgekeerd naar aanleiding van een door haar opgebouwde levensverzekering en het bedrag is gestort op haar privérekening. Vervolgens zijn met de gelden een lening afgelost een gemeenschappelijke lasten betaald, aldus de vrouw. De man voert aan dat zij het bedrag voor het huwelijk heeft ontvangen. Ook stonden er nog andere gelden op die rekening zodat niet traceerbaar is wat de vrouw met welk geld heeft betaald. Dit betreft een verzoek tot vergoeding uit de periode dat partijen ex-samenlevers waren. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.13.1. verklaart de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek onder E.
Aankoop 1% woning
De vrouw stelt dat zij recht heeft een bedrag van € 3.650,- te ontvangen. Daartoe stelt zij dat de man het aankoopbedrag voor zijn 1% aandeel in de woning niet aan de vrouw heeft voldaan. De man voert aan dat uit de nota van afrekening volgt dat het bedrag door partijen onderling is verrekend. Dit betreft een verzoek tot vergoeding uit de periode dat partijen ex-samenlevers waren. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.13.1. verklaart de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek onder F.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
3De beslissing
De rechtbank:
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.11.2. tot en met 2.11.7.;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken vermeld onder d. en f.;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken vermeld onder E. en F.;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.M. de Witte, griffier, op 28 augustus 2026. |
||
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
