Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-07-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7782

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding tussen ex-echtelieden over omgang met hond [hond 1]. Man vordert nakoming dan wel vaststelling van een (voorlopige) omgangsregeling en een dwangsom. In convenant staat slechts dat partijen omgang onderling afstemmen; geen concrete, afdwingbare regeling. Vaststaat dat [hond 1] eigendom is van vrouw; geen wettelijke grondslag om eigenaar een omgangsregeling met een derde op te leggen (art. 3:2a BW en art. 5:1 BW). Alle vorderingen, inclusief dwangsom, worden afgewezen. Proceskosten gecompenseerd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Man wil omgang met hond vrouw maar "nooit concrete afspraken over gemaakt"
Kort geding tussen ex-echtelieden over omgang met hond. Man eist nakoming dan wel vaststelling van een (voorlopige) omgangsregeling In convenant staat slechts dat partijen omgang onderling afstemmen; geen concrete, afdwingbare regeling.

Datum publicatie28-09-2026
ZaaknummerC/02/4475679 / KG-ZA 26-216
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenOverig; Huisdier in het familierecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Nakoming dan wel vaststelling omgangsregeling hond, vordering afgewezen

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/4475679 / KG-ZA 26-216

Vonnis in kort geding van 17 juli 2026

in de zaak van

[de man] ,

wonende in [plaats 1] ,

eiser,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. Broeren,

tegen

[de vrouw] ,

wonende in [plaats 2] ,

gedaagde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.T.P. Tielemans.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de op 18 mei 2026 uitgebrachte dagvaarding met producties 1 tot en met 16;

- de op 7 juni 2026 ontvangen conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3.

1.2 De zaak is besproken op de zitting van 2 juli 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.

1.3 Op de zitting hebben beide advocaten pleitnota’s ingediend. Deze pleitnota’s heeft de voorzieningenrechter gelezen en maken onderdeel uit van het procesdossier.

2De feiten

2.1

Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen zijn met elkaar op huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest;

- tijdens het huwelijk en ook daarna hebben zij samen gezorgd voor twee Rhodesian Ridgebacks, genaamd [hond 1] en [hond 2] . [hond 1] is steeds eigendom geweest van de vrouw;

- in het echtscheidingsconvenant van 12 januari 2023, bekrachtigd in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 april 2023, hebben partijen afgesproken dat de door de man gekochte hond ( [hond 2] ) door hem aan de vrouw in eigendom wordt overgedragen en dat partijen de omgang tussen de man en beide honden verder onderling zullen afstemmen;

- [hond 2] verblijft nu permanent bij de man. [hond 1] is sinds 25 maart 2025 niet meer bij de man geweest, maar verblijft sindsdien permanent bij de vrouw.

3De vordering

3.1

De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. veroordeling van de vrouw tot nakoming van een voorlopige omgangsregeling ten aanzien van [hond 1] , inhoudende dat [hond 1] vanaf de eerste vrijdag na twee dagen na betekening van het vonnis steeds gedurende tien aaneengesloten dagen bij de man verblijft en vervolgens gedurende vier aaneengesloten dagen, te weten van vrijdag 12.00 uur tot maandag 12.00 uur, bij de vrouw, welke cyclus zich telkens herhaalt, met veroordeling van de vrouw om haar volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van [hond 1] overeenkomstig deze regeling en om het paspoort van [hond 1] aan de man mee te geven wanneer [hond 1] bij hem verblijft;

subsidiair

II. voor het geval de voorzieningenrechter de feitelijke regeling onvoldoende bepaalbaar acht, veroordeling van de vrouw tot nakoming van een voorlopige omgangsregeling ten aanzien van [hond 1] , inhoudende dat [hond 1] vanaf de eerste vrijdag na twee dagen na betekening van het vonnis afwisselend telkens twee weken bij de man en vervolgens twee weken bij de vrouw verblijft, waarbij de wisselmomenten plaatsvinden op vrijdag om 10.00 uur, zodat iedere verblijfsperiode loopt van vrijdag 10.00 uur tot vrijdag 10.00 uur, met veroordeling van de vrouw om haar volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van [hond 1] overeenkomstig deze regeling en om het paspoort van [hond 1] aan de man mee te geven wanneer [hond 1] bij hem verblijft;

meer subsidiair

III. een zodanige voorlopige beheers- of omgangsregeling vast te stellen ten aanzien van [hond 1] als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht, met bepalen van concrete overdrachtsmomenten, verblijfsduur en wijze van communicatie tussen partijen.

Daarnaast (in alle gevallen)

IV. veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een dwangsom van € 250,= per dag of gedeelte daarvan, althans per overtreding, dat zij niet voldoet aan de hoofdveroordeling, met een maximum van € 50.000,=, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag en maximum;

V. veroordeling van de vrouw in de proceskosten op grond van artikel 237, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waaronder begrepen het griffierecht, de kosten van de dagvaarding en het salaris van de advocaat conform het toepasselijke liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot de dag van algehele voldoening, alsmede de nakosten ten belope van € 178,=, dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt € 270,=.

4De standpunten

4.1

Voor de onderbouwing van zijn vorderingen geeft de man aan dat partijen afspraken hebben gemaakt in het echtscheidingsconvenant over de omgang met [hond 1] . Na de echtscheiding hebben partijen een bestendige praktijk ontwikkeld, in die zin dat [hond 1] voornamelijk bij de man verbleef. De man heeft moeten constateren dat de vrouw niet langer wil meewerken aan de omgang tussen hem en [hond 1] en ieder overleg met hem uit de weg gaat. Volgens de man is de vrouw gehouden tot nakoming van de afspraken in het echtscheidingsconvenant, waarin het recht van de man is verankerd op omgang met [hond 1] . Voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat geen sprake is van een rechtens afdwingbare afspraak, vordert hij vaststelling van een beheers-/ of omgangsregeling met [hond 1] .

4.2

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Volgens haar is er geen sprake van een concrete aanspraak van de man op [hond 1] . Er zijn geen duidelijke afspraken in het echtscheidings-convenant opgenomen over de manier waarop de omgang tussen de man en [hond 1] wordt vormgegeven. [hond 1] is eigendom van de vrouw en er bestaat geen wettelijke grondslag om een eigenaar een omgangsregeling ten behoeve van een niet-eigenaar op te leggen. Daarnaast geeft de vrouw aan dat het voor haar noodzakelijk is om ieder contact met de man te verbreken.

5De beoordeling

5.1

De voorzieningenrechter buigt zich eerst over de vraag of er sprake is van een spoedeisend belang. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat de man heeft gesteld dat [hond 1] op aanzienlijke leeftijd is. Dit heeft de vrouw ook niet betwist. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang.

Nakoming van de omgangsregeling (vordering I. en II.)

5.2

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In artikel 3.2 van het echtscheidings-convenant hebben partijen afspraken gemaakt over de omgang tussen de man en de honden, waaronder [hond 1] . Zij hebben met elkaar afgesproken dat de omgang onderling door partijen zal worden afgestemd. Bij klinische opname van de vrouw zullen beide honden bij de man verblijven. Bij overlijden van de vrouw zullen de beide honden eigendom worden van de man. Op basis van de stukken en toelichting op de zitting is het de voorzieningenrechter gebleken dat tussen partijen nooit concrete afspraken zijn gemaakt over op welk moment en voor hoe lang [hond 1] bij een van partijen is. In het echtscheidingsconvenant is niet meer opgenomen dan de intentie van partijen om verder met elkaar te overleggen, waardoor van een rechtens afdwingbare omgangsregeling geen sprake is. Dit maakt dat de vorderingen van de man tot nakoming van een omgangsregeling worden afgewezen.

Vaststellen beheers- of omgangsregeling (vordering III.)

5.3

Voor wat betreft de vordering tot het vaststellen van een beheers- of omgangsregeling overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens artikel 3:2a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn dieren weliswaar geen zaken, maar op grond van lid 2 van dit artikel zijn de bepalingen over zaken in beginsel wel op hen van toepassing. Vast staat dat [hond 1] eigendom is van de vrouw. Op grond van artikel 5:1 BW heeft de vrouw als eigenaar het meest omvattende recht op [hond 1] . Er bestaat geen wettelijke grondslag om een eigenaar van een dier, in dit geval de vrouw, een (voorlopige) omgangsregeling op te leggen tussen het dier en een derde, nog daargelaten of dat in een procedure in kort geding kan. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat op de zitting duidelijk is geworden dat de communicatie tussen partijen ernstig is verstoord, waardoor het ook niet mogelijk is om in minnelijk overleg afspraken te maken over de omgang met [hond 1] .

5.4

Gelet op het bovenstaande wordt de vordering van de man onder III. afgewezen.

Dwangsom (vordering IV.)

5.5

Omdat de vorderingen onder I. tot en met III. worden afgewezen, wordt niet toegekomen aan veroordeling van de vrouw tot betaling van een dwangsom. Deze vordering wordt ook afgewezen.

Proceskosten (vordering V.)

5.6

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in zaken met een familierechtelijk karakter worden gecompenseerd.

6De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1

wijst de vorderingen van de man af;

6.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen zodanig dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, voorzieningenrechter, en in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733