Rechtbank Oost-Brabant 09-09-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6662

Essentie (gemaakt door AI)

Partijen maken tijdens huwelijk huwelijkse voorwaarden ter bescherming tegen ondernemersrisico’s; geen gemeenschap en geen finale verrekening bij echtscheiding. Man vordert afwikkeling: erfenissen, geldlening overbedeling en banksaldi; vrouw stelt o.a. bitcoin- en leningsvorderingen. Rechtbank: vrouw moet €77.000 uit erfenissen en €72.499 (bewaarde banksaldi) terugbetalen; kwijtscheldingsclausule maakt geldlening niet opeisbaar. Banksaldi en resterende bitcoins zijn bewaard vermogen van man; ieder krijgt de helft. Vordering vrouw (bitcoins/leningen) afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

“Partijen hebben verder nog bitcoins te verdelen”: onvoldoende informatie voor de rechter
Vrouw stelt dat man haar bitcoins heeft verkocht en claimt vergoedingsrecht ad € 443.034. Man - eiser in conventie - is uiterst summier. Rb: rechter moet zo vroeg mogelijk en zo volledig mogelijk geïnformeerd worden. Bitcoins verdelen.

Datum publicatie28-09-2026
ZaaknummerC/01/415944 / HA ZA 25-350
ProcedureBodemzaak
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

in verband met onderneming man maken partijen staande huwelijk huwelijkse voorwaarden. Diverse vorderingen over en weer na echtscheiding. Spaarvarken (inkomsten man komen terecht op rekening vrouw)

Volledige uitspraak


RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/415944 / HA ZA 25-350

Vonnis van 9 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.G.J.M. van der Staak,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.M. Engelen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 8
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 7
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 8

- de brief van 24 juni 2026 van de vrouw, met productie 8 en 9

- de brief van 25 juni 2026 van de man, met producties 9 tot en met 12

- de mondelinge behandeling van 8 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 12 juli 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 in de daartoe bestemde registers.

2.2.

Partijen waren aanvankelijk in de algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 30 mei 2012 hebben zij alsnog huwelijkse voorwaarden gemaakt. In de daarvan opgemaakte akte staat onder meer het volgende:

VERKLARINGEN VOORAF

Zij zijn met elkaar getrouwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. Zij willen alsnog huwelijkse voorwaarden maken. Reden hiervoor is dat zij elkaar zo veel mogelijk willen beschermen tegen aanspraken van schuldeisers in verband met schulden en verplichtingen die door een van hen zijn of worden aangegaan dan wel voor rekening van een van hen komen. Zij willen elkaar beschermen tegen de risico's die het zijn van ondernemer met zich meebrengt. In hun onderlinge verhouding willen zij bij het einde van het huwelijk hun vermogen gelijkelijk delen voor zover hierna niet uitdrukkelijk vermogensbestanddelen zijn uitgezonderd.

(…)

Door het maken van huwelijkse voorwaarden eindigt de gemeenschap van goederen. Daarom moet de gemeenschap worden verdeeld. Dit betekent dat ieder de helft van de gemeenschap krijgt.

(…)

B. HUWELIJKSE VOORWAARDEN

(…)

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

1. Uitsluiting huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap

Tussen de echtgenoten bestaat geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

(…)

3. Verstrekken van inlichtingen

leder van de echtgenoten is verplicht de ander inlichtingen te geven over zijn inkomens- en vermogenspositie.

(…)

HOOFDSTUK 3. BIJ SCHEIDING

1. Niet verrekenen

De echtgenoten komen geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden overeen.

(…)

C. VERDELING HUWELIJKSGEMEENSCHAP

Door het aangaan van de huwelijkse voorwaarden wordt de gemeenschap van goederen, deze wordt hierna ook huwelijksgemeenschap genoemd, ontbonden.

Hoofdstuk 1. Opgave en boedelbeschrijving

In de bijlage van deze akte is een vermogensoverzicht opgenomen. Hierop staat vermeld wat er volgens de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap behoort. Dit vermogensoverzicht geldt als een boedelbeschrijving in de zin van artikel 3:194 Burgerlijk Wetboek.

(…)

Deze toedeling vindt plaats onder de verplichting voor de vrouw om aan de man op grond van overbedeling een bedrag schuldig te erkennen groot vier en vijftig duizend zes honderd zeven en dertig euro en vijftig eurocent (€ 54.637,50). Dit bedrag wordt hierna 'overbedelingssom' genoemd. Bij de berekening van de overbedelingssom is uitgegaan van het vermogensoverzicht.

(…)

Hoofdstuk 5. Overbedelingssom en geldlening

Met betrekking tot de hiervoor vermelde verbintenis van de vrouw tot schuldigerkenning van de overbedelingssom aan de man zijn zij het volgende overeengekomen.

De man doet afstand van het vorderingsrecht dat uit die schuldigerkenning voortvloeit.

De vrouw is verplicht een bedrag ter grootte van de overbedelingssom bij wijze van geldlening schuldig te erkennen.

Ter uitvoering van die overeenkomst doet de man afstand van de overbedelingssom, die de vrouw hierbij aanvaardt. In verband met deze afstand sluiten de echtgenoten hierbij een overeenkomst van geldlening. Ter uitvoering van deze overeenkomst erkent de vrouw schuldig aan de man een bedrag groot vier en vijftig duizend zes honderd zevenen dertig euro en vijftig eurocent (€ 54.637,50), dat overeenkomt met het bedrag van de overbedelingssom. Deze schuldigerkenning aanvaardt de man hierbij. Hierdoor bestaat er tussen de echtgenoten een overeenkomst van geldlening. De vrouw is hierbij de schuldenaar en de man de schuldeiser.

Deze schuldigerkenning aanvaardt de man hierbij. Hierdoor bestaat er tussen de echtgenoten een overeenkomst van geldlening. De vrouw is hierbij de schuldenaar en de man de schuldeiser.

Voor deze geldlening gelden de volgende bepalingen:

1. Looptijd

De geldlening is vandaag ingegaan en aangegaan voor de duur van het huwelijk, waardoor zij door ieder van de echtgenoten niet eerder kan worden beëindigd dan in de gevallen zoals hierna bepaald.

2. Opeisbaarheid

De geldlening is niet opeisbaar tijdens de looptijd.

In afwijking hiervan kan de schuldeiser de geldlening en de eventueel verschuldigde rente in haar geheel, zonder opzegtermijn of ingebrekestelling, alleen eerder opeisen als:

  • de schuldenaar failliet wordt verklaard, surseance van betaling aanvraagt, of als de wettelijke schuldsaneringsregeling op haar van toepassing is verklaard;

  • het vermogen van de schuldenaar of een deel daarvan onder bewind wordt gesteld als bedoeld in titel 19 Boek 1 Burgerlijk Wetboek of als daarop executoriaal beslag wordt gelegd;

  • het huwelijk van de schuldeiser en de schuldenaar wordt ontbonden.

(…)

7. Afstanddoening bij voorbaat

Onder de opschortende voorwaarde dat het huwelijk van partijen wordt ontbonden door echtscheiding of door scheiding van tafel en bed, scheldt de man bij deze bij voorbaat aan de vrouw kwijt voormelde schuld wegens geldlening, welke afstanddoening bij voorbaat bij deze door de vrouw onder gemelde opschortende voorwaarden wordt aanvaard.

Hoofdstuk 6. Verdelingsbepalingen

(…)

7. De echtgenoten hebben de tussen hen bestaande wettelijke gemeenschap van goederen, die door het maken van de huwelijkse voorwaarden is ontbonden, tot hun volkomen genoegen verdeeld. De echtgenoten hebben in verband met deze verdeling niets meer van elkaar te vorderen, behalve voor zover dit betrekking heeft op de hiervoor vermelde geldlening. Zij verlenen elkaar over en weer volledige kwijting.

2.3.

Bij de akte huwelijkse voorwaarden is een vermogensoverzicht gevoegd. Daarin staat onder meer, en voor zover van belang, dat aan de man worden toegedeeld alle banktegoeden ten bedrage van € 222.499,00 en dat de vrouw wegens overbedeling schuldig is € 54.637,50.

2.4.

De man heeft na 2012 diverse erfenissen ontvangen. In totaal gaat het daarbij om een bedrag van € 103.832,00.

3Het geschil

in conventie

3.1.

De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. te bepalen dat de huwelijkse voorwaarden worden afgewikkeld althans de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen in die zin dat:

o de vrouw aan hem in totaal € 230.968,50 dient te voldoen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking

o de vrouw alle banksaldi van de rekeningen van partijen op datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding in het geding brengt;

o de vrouw aan hem een bedrag ter grootte van de helft van de banksaldi op datum indiening verzoekschrift tot echtscheiding dient te voldoen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot aan de dag van algehele betaling;

o dan wel de vrouw te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie

te bepalen bedrag;

2. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure

3.2.

De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De vrouw vordert - samengevat –

1. de man te veroordelen aan haar € 443.033,68 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, tevens te vermeerderen met waardestijging van de bitcoins, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet

2. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan haar inzage in en afschriften te geven van alle mutaties /boekingen ter zake van het bitcoin-account/crypto, inzage in en afschriften te geven van de totale waarde van alle in het bitcoin-account aanwezige asset en het waardeverloop daarvan gedurende de periode 28 juli 2021 tot en met heden, en/of alle stukken/gegevens waarover de man beschikt of kan beschikken ter zake de (hoeveelheid) bitcoins die tijdens het huwelijk van partijen zijn gekocht/in eigendom verkregen en die behoren of hebben behoord tot het (privé) vermogen van de vrouw, waaronder in ieder geval alle screenshots van alle gegevens op de telefoon(s)

van de man en e-mails/berichten die betrekking hebben op het bitcoin-account, op straffe van een dwangsom;

3. de man te veroordelen aan haar € 50.000,00 te betalen, vermeerderd met rente

4. te verklaren voor recht dat zij de vordering(en) van de man op haar in conventie, voor zover deze zouden worden toegewezen, rechtsgeldig kan verrekenen met de (toegewezen) vordering(en) van de vrouw in reconventie;

5. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure

3.5.

De man voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Nu de vrouw haar vordering in reconventie wenst te verrekenen met een eventuele vordering van de man in conventie, zal de rechtbank de conventie en de reconventie gezamenlijk behandelen.

4.2.

Het door de man gevorderde bedrag van € 230.968,50 valt uiteen in drie posten:

  • € 103.832,00 in verband met erfenissen

  • € 54.637,50 in verband met een geldlening

  • € 72.499,00 in verband met de in 2012 overeengekomen verdeling van de gemeenschap.

De rechtbank zal die posten achtereenvolgens bespreken.

Erfenissen

4.3.

De man heeft van 2019 tot en met 2022 uit acht erfenissen geldbedragen ontvangen, tot een totaal van € 103.832,00. Hij stelt dat er daarvan zeven in eerste instantie op de en/of rekening van partijen zijn gestort, waarna die bedragen – in verband met schuldeisers in de bedrijven van de man – zijn doorgestort naar de rekening van de vrouw. De achtste erfenis (ten bedrage van € 5.000,00) is rechtstreeks vanuit de notaris op de privé-bankrekening van de vrouw gestort. Volgens de man roomde de vrouw de en/of rekening af door gelden die niet nodig waren voor de huishouding door te storten naar haar eigen rekening. Volgens de man gaat het om privé-geld, en moet de vrouw € 103.832,00 aan hem betalen.

4.4.

Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de man verwezen naar de door hem overgelegde bankafschriften over de periode 2017-2024. Daaruit volgt dat op:

- 15 mei 2020 een erfenis van € 40.000,00 wordt gestort op de en/of-rekening

- 17 mei 2020 € 26.000,00 wordt overgemaakt naar de privérekening van de vrouw;

- 5 augustus 2020 € 5.000,00 wordt overgemaakt naar de privérekening van de vrouw

- 10 augustus 2020 een erfenis van € 10.000,00 wordt gestort op de en/of-rekening

- 19 augustus 2020 € 16.000,00 wordt overgemaakt naar de privérekening van de vrouw

- 5 september 2021 een erfenis van € 28.000,00 is overgemaakt naar de en/of-rekening

- 11 september 2021 € 30.000,00 wordt overgemaakt naar de privérekening van de vrouw.

4.5.

De vrouw betwist dat zij gelden afroomde naar haar eigen rekening: volgens haar ging het meeste geld op aan de kosten van de huishouding. Zij erkent dat uit de rekeningafschriften volgt dat van de en/of rekening € 77.000,00 naar haar privé rekeningen

is gegaan. Het restant is volgens haar op de en/of-rekening blijven staan en door de man opgesoupeerd dan wel besteed aan de kosten van de huishouding. Het restant van € 26.832,00 kan de man daarom sowieso niet terugvorderen, aldus de vrouw. Verder stelt de vrouw dat op 16 juli 2019 erfbelasting van € 13.814,00 van de en/of-rekening is betaald en dat dit in mindering moet komen op het eventueel aan de man toekomende bedrag. Mogelijk geldt dat volgens haar ook voor een ander bedrag aan erfbelasting van € 19.462,00. De man moet daar duidelijkheid over verschaffen. Ten slotte voert de vrouw aan dat er ook nog veel geld van rekeningen op haar naam naar de en/of-rekening van partijen is teruggestort. Daarbij noemt zij bedragen tot een totaal van € 13.150,00.

4.6.

De rechtbank stelt vast dat uit de door de man gegeven onderbouwing hooguit volgt dat er € 77.000,00 uit erfenissen richting de privérekening van de vrouw is gevloeid. De vrouw heeft niets aangevoerd op grond waarvan zij recht heeft op dat geld of op grond waarvan zij dat bedrag niet aan de man zou moeten terugbetalen. Dat er van de gezamenlijke rekening ook € 13.814,00 erfbelasting is betaald, doet in dit verband niet ter zake: zoals de vrouw immers zelf aanvoert is er van de erfenissen van de man ook € 26.832,00 achtergebleven op die rekening – meer dan genoeg om deze erfbelasting te voldoen. Er bestaat al evenmin aanleiding om € 19.462,00 in mindering te brengen op het bedrag van € 77.000,00. Mogelijk zou de vrouw een punt hebben gehad als zou zijn gebleken dat dat bedrag van één van haar rekeningen zou zijn betaald, maar zij heeft er in de deze procedure voor gekozen om geen openheid te betrachten over haar persoonlijke financiële omstandigheden. De man heeft overigens gesteld dat hij de desbetreffende erfenis netto heeft ontvangen, zodat het bedrag van € 19.462,00 al was ingehouden. In het licht van de omstandigheid dat hij alle rekeningafschriften van de gezamenlijke rekening (eindigend op 635) heeft overgelegd over de periode van 2017-2024, heeft de vrouw die stelling onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank rekent het niet tot haar taak om in de bijna 400 pagina’s rekeningafschriften zelfstandig op zoek te gaan naar mogelijke afschrijvingen die met die erfbelasting in verband zou kunnen worden gebracht. Dat er ook geld van de privérekening van de vrouw naar de en/of rekening is gevloeid, is voor de rechtbank nietszeggend: zowel de vrouw als de man reppen als het hen zo te pas komt over de kosten van de huishouding, maar over de omvang van die kosten is a) niets gesteld en b) voor de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt in welke verhouding partijen daarin ieder hebben bijgedragen, in vergelijking tot hun inkomen en de plicht om naar evenredigheid van het inkomen bij te dragen in de kosten van de huishouding.

4.7.

De conclusie is dat de vrouw € 77.000,= moet betalen aan de man. Wettelijke rente is volgens de wet en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad pas verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is. Nu de man niets over verzuim van de vrouw heeft gesteld zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dagvaarding.

Geldlening

4.8.

Onder verwijzing naar de huwelijkse voorwaarden stelt de man dat er uit hoofde van de overbedelingssom een geldleningsovereenkomst tussen hem en de vrouw bestaat van € 54.637,50. Deze geldlening is volgens hem opeisbaar op het moment dat het huwelijk wordt ontbonden. De man wijst er verder op dat partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend, behalve voor zover dit betrekking heeft op de geldlening. Hij maakt daarom aanspraak op € 54.637,50 van de vrouw.

4.9.

Volgens de vrouw heeft de man echter helemaal geen vordering op haar, omdat de man in hoofdstuk 5, onder 7 van de huwelijkse voorwaarden, de betreffende schuld heeft kwijtgescholden.

4.10.

De rechtbank stelt vast dat de man in de door de vrouw aangehaalde huwelijkse voorwaarden onder de opschortende voorwaarde dat het huwelijk van partijen wordt ontbonden door echtscheiding deze geldlening heeft kwijtgescholden. Nu die voorwaarde is vervuld, heeft de man geen vordering op de vrouw. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom af.

Vordering op basis van de in 2012 overeengekomen verdeling van de toenmalige huwelijksgemeenschap

4.11.

De man verwijst naar het vermogensoverzicht dat als bijlage bij de akte van huwelijkse voorwaarden is gevoegd. Volgens dat overzicht zouden hem voor € 222.499,00 aan banktegoeden worden toebedeeld. In werkelijkheid heeft hij naar eigen zeggen maar € 150.000,00 ontvangen, zodat hij nog aanspraak maakt op € 72.499,00.

4.12.

De vrouw meent dat de verdeling destijds gewoon is afgewikkeld en dat de man alles heeft ontvangen waarop hij recht had, inclusief alle aanwezige spaargelden. Zij vindt dat de man zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Verder hebben partijen elkaar finale kwijting verleend.

4.13.

De rechtbank onderkent dat partijen in de huwelijkse voorwaarden verklaren dat zij de gemeenschap tot hun volkomen genoegen hebben verdeeld, in verband met die verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben, en elkaar over en weer volledige kwijting verlenen.

4.14.

Echter, partijen hebben aan deze verklaringen in de context redelijkerwijs maar één uitleg mogen geven: de verdeling was voltooid, uitsluitend dáárover waren er geen vorderingen meer en uitsluitend dáárover werd kwijting verleend.

De verdeling betreft de vraag wie welke activa tegen welke waardering krijgt om te komen tot een 50/50 verhouding. De verdeling hield kort samengevat in dat de vrouw het huis kreeg en de man de banksaldi en de rest, inclusief een vergoeding voor overbedeling ter zake het huis. Dit blijkt uit de bijlage bij de huwelijkse voorwaarden (een staat van activa en waardes). De bijlage bij de huwelijkse voorwaarden maakt verder duidelijk dat de man alle banksaldi krijgt, dus ook de banksaldi op naam van de vrouw. Tegen deze achtergrond betekent de kwijting, conform de zin die partijen daaraan redelijkerwijs hebben mogen geven, dat niemand bijvoorbeeld mocht roepen dat er nog activa waren die moesten worden verdeeld of dat het huis of andere activa anders moesten worden gewaardeerd. En partijen roepen zoiets ook niet.

De vervolgvraag betreft hoe partijen omgingen met de banksaldi en in het bijzonder wie de banksaldi hield en houdt voor wie. De rechtbank komt tot de conclusie dat de vrouw eerst zelf rechthebbende was en voor zichzelf hield, maar direct bij de verdeling deze banksaldi voor de man als rechthebbende is gaan houden (vergelijkbaar met een levering van een zaak “brevi manu”). De man stelt langs deze lijnen onweersproken a) dat de banksaldi vóór en ná de verdeling (grotendeels) stonden en bleven staan op rekeningen die stonden op naam van de vrouw en b) dat de man hiermee, met medewerking en instemming van de vrouw, aanzienlijke bedragen van zijn vermogen buiten het bereik van zakelijke schuldeisers wilde houden. Anders gezegd: de vrouw trad op als “spaarvarken” voor de man, zoals met zoveel woorden is besproken tijdens de mondelinge behandeling. De vrouw bewaarde dus deze bedragen maar was er geen rechthebbende van. De rechthebbende ervan was en bleef de man. Partijen hebben dat redelijkerwijs mogen afleiden uit de verdeling en de huwelijkse voorwaarden. Deze conclusie past bij de combinatie van twee wensen van partijen: a) de wens om schuldeisers niet te benadelen en b) de wens om aanzienlijke bedragen buiten het bereik van zakelijke schuldeisers te houden. Beide wensen zijn onweersproken in de verdeling, de huwelijkse voorwaarden en tijdens de mondelinge behandeling tot uitdrukking gekomen. De bewaring leidt ertoe dat partijen trachten de bedragen buiten het bereik of in elk geval buiten het zicht van de schuldeisers te houden, maar daar in werkelijkheid niet in slagen omdat zij dat uiteindelijk niet willen.

De rechtbank neemt hier de volgende opmerkingen mee bij de beoordeling:

( a) Elke andere uitleg van de kwijting, dan de uitleg die de rechtbank hiervoor heeft omschreven, brengt mee dat de kwijting een betekenis heeft die, zo verklaren partijen eensgezind, niet hun bedoeling was. Namelijk: er is geen 50/50 verdeling bij het maken van huwelijkse voorwaarden, omdat de vrouw dan niet alleen het huis krijgt, maar ook alle banksaldi die (toevallig op dat moment) op haar naam staan, ook al worden deze banksaldi volgens de 50/50 verdeling in de bijlage bij de huwelijkse voorwaarden onmiskenbaar en ondubbelzinnig toebedeeld aan de man. Zoiets hebben partijen daarom redelijkerwijs niet mogen begrijpen.

( b) Niemand in de zaak heeft een titel gesteld die zou meebrengen dat de vrouw rechthebbende van de desbetreffende bedragen zou worden, zoals een schenking.

( c) De uitleg van de huwelijkse voorwaarden, in deze zaak tussen partijen, mag niet anders zijn dan de uitleg zou zijn in bijvoorbeeld een zaak van een schuldeiser van de man die verhaal wil nemen op activa van de man. Ook in de laatste categorie zaken mag de constructie van bewaring, waarbij de vrouw optreedt als “spaarvarken”, niet leiden tot benadeling van schuldeisers van de man. Partijen hebben in de huwelijkse voorwaarden bij herhaling nadrukkelijk bevestigd dat zij schuldeisers niet wilden benadelen. Dit bevestigt dat partijen de constructie, de kwijting en aanverwante bewoordingen redelijkerwijs niet anders hebben mogen opvatten dan zoals hiervoor omschreven.

( d) De vrouw heeft niet aangevoerd dat het bedrag van € 72.499,00 is opgegaan aan de huishouding, dat zij dit bedrag niet langer ter beschikking heeft op de rekeningen, die op haar naam staan, of dat de bedragen op die rekeningen een andere herkomst hebben dan de onderneming van de man. De vrouw heeft geen openheid van zaken gegeven wat betreft haar financiële situatie en de bankrekeningen op haar naam. De rechtbank gaat er dus van uit dat zij dit bedrag nog altijd bewaart en ter beschikking heeft, zoals de man in wezen stelt.

( e) Het gegeven, dat een bedrag op een bankrekening op naam van de vrouw staat, brengt in algemene zin niet zonder meer mee dat de vrouw rechthebbende is van dat bedrag, in de zin die partijen redelijkerwijs aan de verdeling en de huwelijkse voorwaarden hebben mogen geven. Dit gegeven leidt in deze concrete context niet tot dat gevolg.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de man rechthebbende is van het bedrag van € 72.499,00.

4.15.

Aan beoordeling van de (zijdelings) door de vrouw gestelde verjaring komt de rechtbank dan ook toe. De rechtbank vindt dit betoog van de vrouw ongegrond omdat de bewaring door de vrouw meebrengt dat de verjaringstermijn pas gaat lopen vanaf de opeising door de man. Niets is gesteld dat in deze context tot verjaring leidt.

De conclusie is dat dit deel van de vordering van de man wordt toegewezen.

Banksaldi

4.16.

Volgens de man houdt de considerans van de huwelijkse voorwaarden een finale verrekenplicht in. Hij wil daarom dat de banksaldi op de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek bij helfte worden verrekend. Vooruitlopend daarop moet de vrouw die saldi in het geding brengen,

4.17.

De vrouw betwist dat er een finale verrekenverplichting is overeengekomen. Wat er in de considerans staat over het gelijkelijk delen van het vermogen, ziet volgens haar op de

verdeling bij helfte ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden. En dat is ook gebeurd. De vrouw wijst verder op hoofdstuk 3, artikel 1, waarin met zoveel woorden nog eens staat dat partijen geen finale verrekening bij echtscheiding overeenkomen.

4.18.

Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden te geschieden aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf (onder meer: HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:BM6085) Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN AG4158, NJ 1981/635 ). Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt daarbij onder meer aan de bewoordingen en context van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, waarbij die bepalingen niet als op zichzelf staand, maar in onderling verband moeten worden bezien.

Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan wat de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld over de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben.

De uitleg wordt dus uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval. De Haviltex-maatstaf is ook van toepassing indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beide interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015: 3303).

4.19.

Geen van partijen heeft iets verklaard over enige toelichting van de notaris op dit punt. Het komt dan ook aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben kunnen en mogen afleiden.

4.20.

De considerans van de akte huwelijkse voorwaarden luidt:
Zij willen alsnog huwelijkse voorwaarden maken. Reden hiervoor is dat zij elkaar zo veel mogelijk willen beschermen tegen aanspraken van schuldeisers in verband met schulden en verplichtingen die door een van hen zijn of worden aangegaan dan wel voor rekening van een van hen komen. Zij willen elkaar beschermen tegen de risico's die het zijn van ondernemer met zich meebrengt. In hun onderlinge verhouding willen zij bij het einde van het huwelijk hun vermogen gelijkelijk delen voor zover hierna niet uitdrukkelijk vermogensbestanddelen zijn uitgezonderd.

4.21.

In de vervolgens opgenomen huwelijkse voorwaarden staat in hoofdstuk 3 “Bij scheiding”: De echtgenoten komen geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden overeen.

4.22.

Dat is niet zonder meer in tegenspraak met de considerans. De considerans spreekt van “einde van het huwelijk”. Echtscheiding is echter slechts één van de situaties op grond waarop een huwelijk eindigt (vgl. artikel 1:149 BW) , maar juist voor díe situatie hebben partijen een regeling getroffen: dan wordt er niet finaal verrekend. Voor het geval het huwelijk eindigt door de dood hebben partijen wel een regeling getroffen: in dat geval vindt er wél een verrekening plaats alsof tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

4.23.

De man heeft gesteld dat de huwelijkse voorwaarden alleen maar waren gemaakt om het gezin te beschermen tegen risico’s van het ondernemen, terwijl partijen zelf gewoon doorleefden zoals voorheen. De rechtbank verwerpt zijn daarop gebaseerde conclusie, dat er een gemeenschap is die moet worden verdeeld, omdat partijen geen finale verrekening zijn overeengekomen en iedere gemeenschap hebben uitgesloten.

4.24.

Echter, de man bedoelt klaarblijkelijk ook teruggave van het bewaarde vermogen te vorderen en de vrouw moet dit redelijkerwijs hebben begrepen, omdat het uitdrukkelijk en uitvoerig aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling (het thema “spaarvarken”). De rechtbank beoordeelt dit thema en verwijst naar de analyse hiervoor met betrekking tot het bedrag van € 72.499,00. Die analyse geldt ook voor de banksaldi. De banksaldi behoren, zo moet de rechtbank bij gebreke van een toelichting aannemen, tot dezelfde categorie middelen: zij zijn door de man verdiend in zijn bedrijf en zij zijn door hem aan de vrouw gegeven om buiten het bereik of in elk geval buiten het zicht van schuldeisers te houden. De vrouw heeft ook wat betreft de banksaldi geen openheid van zaken gegeven en zij heeft haar standpunten daarom niet voldoende onderbouwd aan de hand van concrete feiten. Zij heeft in elk geval niet aangevoerd dat de banksaldi zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding of om andere legitieme redenen niet langer ter beschikking staan, of een andere herkomst hebben dan de onderneming van de man. De middelen blijven toebehoren aan het vermogen van de man, zo moet de rechtbank dus bij gebreke van een toelichting aannemen, en zijn vordering, die in essentie strekt tot teruggave, is gegrond.

4.25.

Onder omstandigheden zou het zo kunnen zijn dat een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004). Dát hebben partijen echter niet aan hun standpunten ten grondslag gelegd en hun standpunten zijn overigens ook ruimschoots ontoereikend om een dergelijke conclusie te rechtvaardigen.

4.26.

De rechtbank volgt de man daarom niet in zijn betoog dat er op grond van de akte huwelijkse voorwaarden een plicht bestaat tot gelijkelijk verdelen onder de omstandigheden die zich nu voordoen (het huwelijk wordt door echtscheiding ontbonden). De vordering is wel gegrond, maar dit is geen verdeling zoals de man stelt, omdat er geen gemeenschap is. Het is wel een teruggave van het bewaarde vermogen zoals in essentie is gevorderd. De man vordert de teruggave van niet meer dan de helft van de banksaldi en de rechtbank volgt hem hierin.

4.27.

Het gevolg daarvan is ook dat de daarop gebaseerde vordering van de man tot het overleggen van alle banksaldi op de peildatum wordt toegewezen.

Bitcoins

4.28.

Uiterst verkort weergegeven stelt de vrouw dat de man bitcoins heeft verkocht die alleen van haar waren. Zij wil dat de man de hypothetische waarde van die bitcoins per 14 juli 2025 (de datum waarop zij haar conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie heeft genomen) aan haar vergoed (hypothetisch, voor het geval dat de bitcoins niet zouden zijn verkocht en tegen de koers van 14 juli 2025 worden gewaardeerd). Volgens haar bedraagt die waarde € 443.033,68.

De man erkent dat hij een deel van de bitcoins heeft verkocht. Volgens hem heeft de vrouw recht op de helft van de verkoopopbrengst. Voor het overige zijn de bitcoins er nog, en zouden die gelijkelijk kunnen worden verdeeld, aldus de man.

4.29.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Aan het huidige wetboek van rechtsvordering ligt de gedachte ten grondslag dat partijen de rechtbank in een zo vroeg mogelijk stadium zo volledig mogelijk moeten voorlichten en uit eigen beweging alle relevante feiten en verweren naar voren moeten brengen. Dit komt onder meer voor de dagvaarding tot uitdrukking in artikel 118 lid 3 Rv (“het exploot van dagvaarding vermeldt de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor) en voor de procedure als geheel in artikel 21 Rv (“partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren”).

4.30.

De man heeft aan de bitcoins in zijn dagvaarding één (halve) zin gewijd: “partijen hebben verder nog bitcoins te verdelen”, terwijl op het moment van dagvaarden al lang en breed duidelijk is dat de vrouw een forse claim op hem stelde te hebben in verband met die bitcoins. De man heeft daarover in de dagvaarding allemaal niets gesteld, en dat had wel gemoeten. Inzoomend op de verklaringen van de man over die bitcoins, blijkt dat die nogal wisselend zijn:

  • in een uitgebreide e-mail aan de advocaat van de vrouw van 12 februari 2024 schrijft hij: “Deze bitcoins heb ik in september vorig jaar noodgedwongen allemaal (onderstreping rechtbank) moeten verkopen. (…) De opbrengstwaarde was op dat moment € 70K”

  • bij antwoord in reconventie stelt hij dat partijen op 19 januari 2024 een deel van de bitcoins hebben verkocht voor € 74.240,13

  • daarbij stelt hij dat die verkoop met (uitdrukkelijke) instemming van de vrouw is gebeurd: zij was bereikbaar, heeft zich geïdentificeerd en toestemming gegeven. Omdat de Bitvavo-rekening op haar naam staat, is de opbrengst van de verkoop op haar rekening ontvangen.

  • het bankafschrift wat de man in het kader van die transactie heeft overgelegd, laat vervolgens een bijschrijving zien op een rekening die niet ten name van de vrouw maar van de man is gesteld, waarbij de overschrijving bovendien niet is gedaan door Bitvavo maar door de Stichting Finst custody

  • in zijn productie 9 spreekt de man over “Verzilvering 2 Bitcoin door WCJ” (de man, rechtbank)

  • op de mondelinge behandeling heeft de man vervolgens gezegd dat er 1,95 Bitcoin is verkocht.

4.31.

Wat betreft de vrouw geldt dat zij tegenover het verweer van de man dat erop neerkomt dat de bitcoins niet (alleen) van haar geld kunnen zijn gekocht omdat zij slechts deeltijd werkte (terwijl de man veel inkomsten had en deze in bewaring gaf aan de vrouw om het vermogen buiten het bereik of in elk geval buiten het zicht van schuldeisers te houden), geen enkel inzicht heeft gegeven in haar financiële omstandigheden. Niet verklaard is in hoeverre zij met haar kennelijke beperkte netto salaris (onweersproken), naast haar bijdrage in de kosten van de huishouding, in staat was voor bijna € 140.000,00 aan bitcoins te kopen en daarnaast – zoals hierna zal blijken – óók nog in totaal € 50.000,00 aan de man en [A] bv over te maken. Niet is betwist dat de man veel inkomsten had (genoeg om de aanschaf van de bitcoins te betalen) en deze aan de vrouw ter beschikking stelde. De titel hiervoor was bewaring, zoals de rechtbank hiervoor heeft aangenomen voor het bedrag van € 72.499,00 en voor de banksaldi.

4.32.

Bij deze stand van zaken geldt voor de verkochte bitcoins hetzelfde als voor het bedrag van € 72.499,00 en voor de banksaldi (zie hiervoor). De bitcoins en de middelen die voor de aanschaf zijn aangewend behoren, zo moet de rechtbank bij gebreke van een toelichting aannemen, toe aan het vermogen van de man en worden voor hem bewaard door de vrouw. Dit betekent dat de vordering van de vrouw wat betreft de verkochte bitcoins ongegrond is en zal worden afgewezen.

4.33.

Ten aanzien van de resterende bitcoins (wat er volgens de stellingen van de man ten minste 2,35 zijn) zal de rechtbank beslissen dat partijen elkaar over en weer moeten informeren over alle stukken/gegevens waarover zij beschikken of kunnen beschikken met betrekking tot de bitcoins die tijdens het huwelijk van partijen zijn gekocht. Deze bitcoins moeten daarna worden verdeeld in die zin, dat iedere partij evenveel bitcoins overhoudt. De reden hiervoor is a) dat deze bitcoins evenals de verkochte bitcoins, het bedrag van € 72.499,00 en de banksaldi toebehoren aan het vermogen van de man, dat aan de vrouw ter bewaring is gegeven en b) dat de man niet meer vordert dan de helft van de bitcoins, zodat de rechtbank hem hierin volgt. Dit betreft geen verdeling omdat er geen gemeenschap is, maar de teruggave van het bewaarde vermogen zoals gevorderd.

Leningen

4.34.

De vrouw stelt dat de man hun zoon er in 2021 toe heeft aangezet om de vennootschap [A] B.V op te richten. De zoon was toen 21 jaar, studeerde nog en was feitelijk een stroman: de man runde het bedrijf. Toen de eigen bedrijven van de man in 2023 failliet waren gegaan, heeft zij onder druk van de man in juni, juli en augustus 2023 in totaal € 30.000,00 gestort op de bankrekening van de vennootschap. In september 2023 heeft zij wederom onder grote druk van de man € 20.000,00 overgemaakt naar de rekening van de man onder vermelding van 'lening'. In feite was het geen lening, maar een bedrag dat de man van haar 'eiste' en waarvan zij zich gedwongen voelde om dit aan de man te betalen. Dit bedrag is afkomstig uit haar privé vermogen en de man dient dit volledige bedrag terug te betalen. Zij stelt zich op het standpunt dat de man gehouden is om haar de bedragen van € 30.000,00 + € 20.000,00 in totaal dus € 50.000,00 terug te betalen op grond van de huwelijkse voorwaarden. Alles aldus de vrouw.

4.35.

De man stelt dat de vrouw ten aanzien van het bedrag van € 20.000,00 niet onderbouwt dat sprake is van leningen met terugbetalingsafspraak: volgens hem gaat het om huishouduitgaven tijdens het huwelijk, waarbij hij geld nodig had om van te leven. De betaling is dus gedaan in het kader van de verplichting van echtgenoten om elkaar het nodige te verschaffen (artikel 1:88 BW) .

Ten aanzien van de vordering van € 30.000,00 heeft de vrouw eveneens onvoldoende onderbouwd dat deze gelden aan hem zijn geleend. Bovendien is dat geld niet aan hem gegeven, maar aan [A] BV.

4.36.

De rechtbank wijst deze vordering van de vrouw af. Verwezen wordt naar de analyse van het bedrag van € 72.499,00, de banksaldi en de bitcoins. Daar komt nog het volgende bij. Voor de € 30.000,00 geldt dat zij dat bedrag heeft overgemaakt naar een vennootschap. Dat is een rechtspersoon met eigen rechten en verplichtingen. Als zij dat bedrag onverschuldigd heeft betaald, moet zij zien dat zij het van die vennootschap terug krijgt. De vrouw heeft niet toegelicht in hoeverre dat niet mogelijk zou zijn.

Ten aanzien van de € 20.000,00 stelt de vrouw zich in haar conclusie van eis in reconventie op het standpunt dat er in feite niet om een lening gaat, terwijl zij in de spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling weer wel stelt dat het om een lening gaat. Als de vrouw zelf al niet weet hoe het bedrag geoormerkt moet worden, houdt het ook voor de rechtbank op. Ook dit deel van de vordering van de vrouw wordt afgewezen.


Pensioenrechten

4.37.

De vrouw voert aan dat zij wil dat iedere partij zijn/haar eigen pensioen behoudt, inclusief eventuele 'overige oudedagsvoorzieningen', en dat er dus geen verevening zal

plaatsvinden. De man kan zich daar in vinden.

4.38.

Nu er op dit punt geen vorderingen zijn ingesteld, hoeft de rechtbank niet te beslissen.

Proceskosten

4.39.

De proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 77.000,00 en € 72.499,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag van algehele betaling;

in reconventie

5.2.

bepaalt dat partijen elkaar over en weer moeten informeren over alle stukken/gegevens waarover zij beschikken of kunnen beschikken met betrekking tot a) de banksaldi op naam van de vrouw op het tijdstip van de indiening van het echtscheidingsverzoek en b) de bitcoins die tijdens het huwelijk van partijen zijn gekocht;

5.3.

deelt aan ieder van partijen de helft toe van a) de banksaldi op naam van de vrouw op het tijdstip van de indiening van het echtscheidingsverzoek en b) de tijdens het huwelijk gekochte en thans nog resterende bitcoins;

in conventie en in reconventie voorts

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733