Essentie (gemaakt door AI)
Vader vordert wijziging, (gedeeltelijke) ontbinding of buiten toepassing laten van twee bepalingen uit het echtscheidingsconvenant over betaling van €1,6 mln en 5% van verkoopopbrengst boven intrinsieke waarde, stellende dat deze voortkomen uit een beroepsfout van de gezamenlijke advocaat. De rechtbank acht wijziging niet aangewezen: het is niet onaanvaardbaar de bepalingen te handhaven omdat niet vaststaat dat vader financieel nadeel lijdt; schade kan (nog) door het advocatenkantoor worden vergoed. art. 6:258 BW is lex specialis van art. 6:248 lid 2 BW.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 28-09-2026 |
| Zaaknummer | C/10/710053/ HA ZA 25-998 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Rotterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Tuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid advocaat |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
De man vordert dat de rechtbank twee bepalingen van echtscheidingsconvenant wijzigt, dan wel (deels) ontbindt of buiten toepassing laat. Die bepalingen, waarin de man (voorwaardelijke) betalingsverplichtingen jegens de vrouw is aangegaan, zijn volgens de man een gevolg van een beroepsfout van de gezamenlijke advocaat. De rechtbank wijst de vordering af. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar de bepalingen in stand te houden omdat niet vaststaat dat de man nadeel lijdt wanneer uitvoering wordt gegeven aan die bepalingen. Artikel 6:258 BW vormt een lex specialis van artikel 6:248 lid 2 BWVolledige uitspraak
Zaaknummer: C/10/710053 / HA ZA 25-998
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
1 [man] ,
te [plaats 1] ,
2. [bedrijf] B.V.,
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna te noemen: de man en de Beheer BV,
advocaat: mr. M.E. Visser,
tegen
[vrouw] ,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.H.T. Beukers.
1De zaak in het kort
De man vordert dat de rechtbank twee bepalingen in het echtscheidingsconvenant van partijen wijzigt, dan wel (deels) ontbindt of buiten toepassing laat. Die bepalingen, waarin de man (voorwaardelijke) betalingsverplichtingen jegens de vrouw is aangegaan, zijn volgens de man opgenomen in het convenant als gevolg van een beroepsfout van de advocaat die partijen bijstond in de echtscheiding. De rechtbank wijst de vorderingen van de man af. Het is naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onder de huidige omstandigheden niet onaanvaardbaar de betreffende bepalingen in stand te houden omdat niet vaststaat dat de man nadeel lijdt wanneer uitvoering wordt gegeven aan die bepalingen.
2De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord;
- de akte overlegging productie 7 bij dagvaarding alsmede beslagstukken van eisers van 10 november 2025;
- de akte vermindering van eis van eisers van 4 februari 2026;
- de akte overlegging aanvullende producties van eisers, met producties 15 tot en met 18;
- de mondelinge behandeling van 24 augustus 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van de advocaten van partijen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
De man en de vrouw waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden waarin onder meer een periodiek verrekenbeding was opgenomen. Tijdens het huwelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan dit periodiek verrekenbeding.
De man en de vrouw hebben zich in 2017 gewend tot [advocaat] (hierna: de advocaat) met het verzoek hen - als hun gemeenschappelijke advocaat - bij te staan in hun echtscheiding.
De advocaat heeft die opdracht aanvaard en heeft de man en de vrouw onder meer geadviseerd dat ingevolge het verrekenbeding en artikel 1:141 lid 1 BW ook de in de Beheer BV gereserveerde winsten tot het te verrekenen vermogen behoren.
Op 11 mei 2017 hebben de man en de vrouw een door de advocaat opgesteld echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) ondertekend. Daarin staat onder meer:
“4.10 Uit hoofde van bovenstaande verrekening c.q. verdeling is de man aan de vrouw verschuldigd:
A. Een bedrag van € 1.600.000,00. Voornoemd bedrag zal als volgt worden betaald.
De man, voldoet uiterlijk op 11 mei 2017 een bedrag van € 1.000.000,00 netto op de door de vrouw aangewezen derdengeldenrekening van notariskantoor [naam notariskantoor]
te [plaats 3] . Het resterende bedrag betaalt de man in zes gelijke jaarlijkse
termijnen ad € 100.000,00 netto waarvan de eerste termijn voldaan zal worden op 1 maart
2018.
Indien de man in gebreke blijft met de betaling van een termijn dan zal hij zonder aanmaning in verzuim zijn en is hij zolang hij de termijn aan de vrouw niet heeft voldaan, een rente verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente.
B. Daarnaast betaalt de man bij verkoop van één of meerdere werkmaatschappijen of [bedrijf] B.V. niet zijnde fusie of reorganisatie een bedrag van 5% van de opbrengst, boven de intrinsieke waarde, met een maximum van € 500.000, netto aan de vrouw. Deze afspraak geldt tot en met 1 juni 2032.”
Vervolgens heeft de advocaat namens de man en de vrouw een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank, waarna de echtscheiding is uitgesproken en de beschikking is ingeschreven bij de burgerlijke stand. Het convenant maakt deel uit van de beschikking.
In december 2021 zijn eisers een procedure gestart tegen de advocaat, haar kantoor (hierna: het advocatenkantoor) en een kantoorgenoot van de advocaat, omdat het in 3.3 genoemde advies volgens hen onjuist was. In die procedure vorderen eisers een schadevergoeding van € 2.828.235,04 inclusief rente, alsmede veroordeling van de advocaat en haar mede-gedaagden tot vergoeding van de nog niet vaststaande schade, nader op te maken bij staat.
De rechtbank heeft in die procedure geoordeeld dat het in 3.3 genoemde advies onjuist was, dat (dus) sprake is van een beroepsfout van de advocaat, en dat (uitsluitend) het advocatenkantoor aansprakelijk is voor de schade als gevolg van die beroepsfout. De rechtbank heeft het advocatenkantoor veroordeeld om aan de man een schadevergoeding te betalen van € 973.401,60, vermeerderd met de wettelijke rente. De (overige) door de man en de Beheer BV gevorderde schade heeft de rechtbank afgewezen.
Zowel de man en de Beheer BV als het advocatenkantoor zijn in beroep gegaan van het eindvonnis van de rechtbank. De mondelinge behandeling bij het hof vindt plaats op 12 oktober 2026.
4Het geschil
Voorafgaand aan de zitting heeft de man twee van zijn vorderingen (de vorderingen aangeduid als A en C in de dagvaarding) ingetrokken. Ter zitting heeft de Beheer BV al haar vorderingen ingetrokken. Dit betekent dat alleen de vorderingen B en C van de man nog aan de orde zijn, zodat de man, na deze vermindering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, vordert:
“B: de bepaling als opgenomen in artikel 4.10 onder B. van het echtscheidingsconvenant te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te ontbinden op grond van artikel 6:258 BW dan wel deze bepaling buiten toepassing te verklaren op grond van artikel 6:248 lid 2 BW in die zin dat de vrouw bij verkoop van één of meerdere werkmaatschappijen of [bedrijf] B.V., niet zijnde fusie of reorganisatie, niet langer een vordering op de man heeft voor een bedrag van 5% van de opbrengst boven de intrinsieke waarde, met een maximum van €500.000 netto, althans een dusdanige wijziging, (geheel of gedeeltelijke) ontbinding of buiten toepassingverklaring te geven waardoor de gevolgen van deze bepaling niet langer onredelijk en onaanvaardbaar drukken op de man;”
Ter zitting heeft de man aangegeven deze vordering te willen wijzigen, in die zin dat wordt gevorderd dat het jaartal 2032 in artikel 4.10 onder B. van het convenant wordt gewijzigd in 2025. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen deze wijziging. De rechtbank laat de wijziging toe omdat de gewijzigde vordering niet meer is dan een uitwerking van de oorspronkelijke vordering; in beide gevallen gaat het om een wijziging van het convenant die ertoe leidt dat de vrouw niet langer een voorwaardelijke vordering op de man heeft ingevolge artikel 4.10 onder B van het convenant.
Verder vordert de man:
“C. de bepaling als opgenomen in artikel 4.10 onder A. van het echtscheidingsconvenant te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te ontbinden op grond van artikel 6:258 BW dan wel deze bepaling buiten toepassing te verklaren op grond van artikel 6:248 lid 2 BW in die zin dat deze bepaling komt te luiden: Een bedrag van € 1.600.000 voor zover de man ten aanzien van dit punt geheel gecompenseerd wordt voor een bedrag van in hoofdsom € 1.600.000 door (de verzekeraar van) [advocatenkantoor] . Indien de man ten aanzien van voornoemd bedrag niet geheel gecompenseerd wordt door (de verzekeraar van) [advocatenkantoor] , zal het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is in hoofdsom verminderd worden met een bedrag van 3/7e van het verschil tussen € 1.600.000 en hetgeen de man betaald krijgt exclusief rente, althans een dusdanige wijziging, (geheel of gedeeltelijke) ontbinding of buiten toepassingverklaring te geven waardoor de gevolgen van deze bepaling, in combinatie met de beroepsfout van [advocaat] en gecorrigeerd met een eventuele compensatie in rechte tenminste door beide partijen worden gedragen in een door de rechtbank vast te stellen verhouding en waardoor de betalingen uit hoofde van de beroepsfout niet langer onredelijk en onaanvaardbaar - dat wil zeggen alleen op de man – drukken”
De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van zijn vorderingen, en veroordeling van eisers in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
5De beoordeling
De ontvankelijkheid
Volgens de vrouw kan het convenant slechts gewijzigd worden door een wijziging van de echtscheidingsbeschikking waar het convenant deel van uitmaakt, en moet een wijziging van die beschikking bij verzoekschrift worden gevorderd. De vrouw concludeert daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen. De man betwist de niet-ontvankelijkheid. Volgens hem is voor wijziging van het convenant geen wijziging van de echtscheidingsbeschikking nodig, en moet die wijziging bij dagvaarding gevorderd worden.
Het verweer van de vrouw gaat niet op. Het convenant is een gewone overeenkomst naar Nederlands recht die gewijzigd kan worden wegens onvoorziene omstandigheden. Dat ligt in het convenant en dus in de beschikking besloten. De beschikking hoeft dus niet gewijzigd te worden. Indien de vordering tot wijziging van het convenant geen betrekking heeft op de afspraken die partijen daarin hebben gemaakt over levensonderhoud, zoals in het onderhavige geval, moet die vordering bij dagvaarding worden ingesteld. Dit volgt uit artikel 78 lid 1 Rv.
De inhoudelijke beoordeling
De stellingen van de man en het verweer van de vrouw
De man onderbouwt zijn vorderingen als volgt. De advocaat heeft partijen onjuist geadviseerd over de reikwijdte van het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding. Als gevolg van dat onjuiste advies - een beroepsfout - heeft de man afspraken met de vrouw gemaakt die hij anders niet zou hebben gemaakt. Als gevolg van de beroepsfout heeft hij ermee ingestemd € 1.600.000,- aan de vrouw te betalen (artikel 4.10 onder A van het convenant) en heeft hij ermee ingestemd bij verkoop van de Beheer BV of een of meerdere werkmaatschappijen 5 % van de opbrengst boven de intrinsieke waarde aan de vrouw te betalen (artikel 4.10 onder B van het convenant). De beroepsfout is een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW en, gelet op de schade die de man als gevolg daarvan lijdt, mag de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van het convenant niet verwachten. Het convenant moet dus worden gewijzigd of (deels) worden ontbonden.
Subsidiair vordert de man dat artikel 4.10 onder A en B van het convenant (deels) buiten toepassing worden verklaard op grond van artikel 6:248 lid 2 BW, omdat toepassing van die bepalingen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is
De vrouw erkent noch betwist de gestelde beroepsfout. Echter, volgens de vrouw is de gestelde beroepsfout geen onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW omdat die fout al was gemaakt op het moment dat het convenant werd getekend. Bovendien zijn de gevolgen van de gestelde beroepsfout volgens de vrouw in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar omdat de man zijn schade als gevolg van die fout, als daar sprake van is, vergoed krijgt van het advocatenkantoor.
Ter zitting heeft de man nog aangevoerd dat niet de gestelde beroepsfout, maar de ontdekking van die fout een onvoorziene omstandigheid is. Volgens de vrouw is die ontdekking een perceptie of juridische duiding en dus geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW.
De rechtbank wijst de vorderingen af
De rechtbank overweegt als volgt. Of sprake is van een beroepsfout en of die beroepsfout ertoe heeft geleid dat de man de afspraken in artikel 4.10 onder A en B. van het convenant heeft gemaakt, kan in het midden blijven. Ook kan in het midden blijven of de gestelde beroepsfout, dan wel de ontdekking daarvan, een onvoorziene omstandigheid is als bedoeld in artikel 6:258 BW. De rechtbank komt namelijk op andere gronden tot een afwijzing van de vorderingen van de man en licht dit hierna toe.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:258 BW een lex specialis vormt van artikel 6:248 lid 2. Bij beide bepalingen gaat het erom of het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om gevolg te geven aan een (deel van) een overeenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank is het in de huidige omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar om gevolg te geven aan het bepaalde in artikel 4.10 onder A en B van het convenant. Dit oordeel steunt op de navolgende overwegingen.
De man is doende de schade die hij stelt geleden te hebben als gevolg van de beroepsfout te verhalen op het advocatenkantoor. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een beroepsfout van de advocaat en heeft het advocatenkantoor veroordeeld tot vergoeding van de schade van de man als gevolg van die beroepsfout. De rechtbank heeft de schade vastgesteld op € 973.401,60. Tegen deze beslissing zijn zowel de man als het advocatenkantoor in beroep gegaan. Op dit moment staat dus niet vast dat de man in financiële zin nadeel lijdt wanneer uitvoering wordt gegeven aan het convenant. Mogelijk krijgt de man de bedragen die hij op grond van artikel 4.10 onder A en B aan de vrouw heeft betaald of moet betalen, vergoed. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat het onaanvaardbaar is om uitvoering te geven aan die bepalingen.
De man erkent dat er geen reden is voor een wijziging van het convenant indien hij volledig wordt gecompenseerd door (de verzekeraar van) het advocatenkantoor. De man heeft echter aangevoerd:
dat de rechtbank niet zijn hele vordering heeft toegewezen;
dat het maar de vraag is of zijn hele vordering in hoger beroep wordt toegewezen;
dat aan de bepaling onder artikel 4.10 onder B van het convenant nog geen schadebedrag gekoppeld kan worden omdat van verkoop van zijn onderneming nog geen sprake is; en
dat de aansprakelijkheid van het advocatenkantoor beperkt is tot € 2.500.000,-.
Omstandigheden 1 en 2 doen echter niet af aan het feit dat op dit moment de mogelijkheid bestaat dat de man een schadevergoeding toegewezen krijgt die gelijk is aan de bedragen die hij op grond van artikel 4.10 onder A en B aan de vrouw heeft betaald of moet betalen. Voor omstandigheid 3 geldt dat de man het bedrag dat hij in de toekomst aan de vrouw moet betalen op grond van artikel 4.10 onder B van het convenant mogelijk na de procedure bij het hof, via een schadestaatprocedure vergoed kan krijgen. In de procedure tegen de advocaat en het advocatenkantoor vordert de man immers onder meer “veroordeling van gedaagden tot betaling van de door eisers geleden schade, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet voor zover deze kosten in deze procedure nog niet nader uitgewerkt kunnen worden”. Omstandigheid 4 is een omstandigheid die voor rekening van de man dient te komen. De man heeft immers ingestemd met de algemene voorwaarden van het advocatenkantoor waarin deze beperking van aansprakelijkheid is opgenomen.
Slotsom
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van de man zullen worden afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen de man en de vrouw (ex-echtgenoten) zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Omdat de vrouw tegen de vorderingen van de Beheer BV (voordat deze werden ingetrokken) dezelfde verweren heeft gevoerd als tegen de vorderingen van de man, ziet de rechtbank geen aanleiding om de Beheer BV in de proceskosten van de vrouw te veroordelen. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
6De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. 3246/ 3310/2334 |
||
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
