Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen, waarin partneralimentatie, huurrecht en verdeling aan de orde zijn. Partneralimentatie wordt op € 2.535 p/m vastgesteld vanaf inschrijving, nu de rechtbank uitgaat van een winst uit onderneming van man van € 200.000 p/j, omdat meer geld in zijn ondernemingen omgaat dan uit de jaarstukken blijkt en o.a. een € 50.000-storting en luxe auto’s dat ondersteunen. Huurrecht echtelijke woning wordt aan man toegekend. Inboedel aan man met € 5.000 verrekening. Inzage en verdeling bankrekeningsaldi (incl. Turkije). Sieraden bij helfte af,Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 28-09-2026 |
| Zaaknummer | C/09/680520 / FA RK 25-1254 en C/09/689185 / FA RK 25-5685 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Partneralimentatie, huurrecht, verdeling huwelijksgemeenschap. Er ging meer geld in de ondernemingen van de man om dan de door hem gestelde winst of de winst die uit de jaarstukken blijkt.Volledige uitspraak
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-1254 (echtscheiding) en FA RK 25-5685 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/680520 (echtscheiding) en C/09/689185 (verdeling)
Datum beschikking: 20 augustus 2026
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 18 februari 2025 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Aydogan-Kütük te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Erdal te Den Haag.
Procedure
Bij beschikking van 30 juli 2026 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang –:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 2];
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
- bepaald dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig iedere woensdag en zaterdag om 16.00 uur belcontact met de vrouw zullen hebben, waarbij de vrouw de kinderen zal bellen;
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en
daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken tot 1 februari 2027 pro forma aangehouden;
- de beslissing over de partneralimentatie, de toedeling van het huurrecht van de
echtelijke woning, de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de proceskosten tot 20 augustus 2026 aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Ingangsdatum
De vrouw heeft verzocht de partneralimentatie met ingang van de datum van de beschikking vast te stellen. Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen. Voor de eerder verzochte ingangsdatum bestaat geen rechtsgrond. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Behoefte
Stellingen van partijen
De vrouw heeft gesteld dat zij voor het huwelijk een goede carrière heeft gehad die zij heeft moeten opgeven toen zij met de man trouwde. Volgens de vrouw mocht zij tijdens het huwelijk van de man niet werken. De vrouw is ziek en herstellende van borstkanker. Zij kan daardoor niet meer werken. De vrouw heeft daarbij naar voren gebracht dat ook in het geval zij niet ziek zou zijn, zij niet in staat zou zijn om te werken omdat zij al 16 jaar niet meer gewerkt heeft en daardoor vervreemd is geraakt van het werkende leven en van haar voormalige beroep als docent economie. De vrouw heeft geen inkomen en heeft daarom behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw weet niet wat de inkomsten van de man zijn. Hij drijft met zijn familie een bakkerij/eethuis met meerdere vestigingen en de man had altijd een aanzienlijk bedrag aan contant geld op zak. Tijdens de samenleving werd hier ook van geleefd. Bij gebrek aan wetenschap stelt de vrouw het inkomen van de man op € 250.000,- per jaar. Zij weet echter dat zijn werkelijke inkomen veel hoger is. Uitgaande van voornoemd bedrag aan inkomen stelt de vrouw het NBGI op
€ 12.070,-, de behoefte van de kinderen op € 2.940,- en, conform de hofnorm, de netto behoefte van de vrouw op € 5.476,80.
De man heeft de door de vrouw genoemde bedragen betwist. In het verweerschrift op zelfstandig verzoek stelt de man dat hij samen met twee andere vennoten een vof drijft waarvan de winst uit onderneming € 60.000,- per jaar bedraagt. Dat zou voor de man resulteren in een winst uit onderneming van € 20.000,- per jaar, oftewel € 1.666,-- bruto per maand. Op 10 juli 2026 heeft de man de jaarstukken van beide vestigingen en zijn IB-aangiftes over de jaren 2023 tot en met 2025, alsmede als productie 15 een verklaring van de boekhouder waarin deze aangeeft dat de onderneming wordt gedreven in de vorm van een vof, waarvan de man en de heer [naam] ieder voor 50% vennoot zijn. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij zichzelf een salaris van € 3.000,- netto per maand uitkeert.
De vrouw heeft op de zitting de inhoud van de door de man overgelegde financiële stukken betwist en aangevoerd dat de man geen eerlijke administratie houdt en niet al zijn inkomsten opgeeft. In dit kader heeft de vrouw ook gewezen op de luxe levensstijl en het uitgavenpatroon van de man die niet in overeenstemming zijn met het door de man gestelde inkomen. Daarbij heeft de vrouw gesteld dat de man in het bezit is van grote hoeveelheden contant geld en in het verleden vaak contant geld heeft weggesluisd naar Turkije. Ter onderbouwing heeft de vrouw op 10 juli 2026 een bankafschrift overgelegd, waaruit blijkt dat de man een bedrag van € 50.000,- heeft ontvangen. Nu de man zijn werkelijke financiële situatie niet inzichtelijk heeft gemaakt moet het door de vrouw verzochte bedrag aan partneralimentatie worden toegewezen.
De man heeft op de zitting niet betwist dat hij op 30 januari 2024 op zijn Turkse bankrekening heeft ontvangen doch heeft gesteld dat dit geld op die rekening is gestort door de broer van een voormalige compagnon, dat het geld niet was bestemd voor de man maar voor iemand anders die geen bankrekening in Turkije had en dat de man ook niet meer over dit geldbedrag beschikt.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm nu de man de toepassing van die norm niet heeft betwist. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2023-II, nu de vrouw de woning in augustus 2023 heeft verlaten en partijen toen dus feitelijk uit elkaar zijn gegaan.
Ten aanzien van de hoogte van het NBGI ten tijde van het uiteengaan van partijen overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat er meer geld omging in de ondernemingen dan uit de stukken blijkt, onderbouwd met het bankafschrift d.d. 30 januari 2024 waaruit blijkt de man op die datum een bedrag van € 50.000,- op een Turkse bankrekening heeft ontvangen. De verklaring die de man daarvoor op de zitting heeft gegeven – het geld zou niet voor hem bestemd zijn – is op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bedrag van € 50.000,- voor de man was bestemd. Daarnaast neemt de rechtbank in haar overwegingen mee dat de man op 3 januari 2025 samen met zijn broer en compagnon een Mercedes Benz EQS450 heeft aangeschaft ter waarde van € 99.173,55 met een leasetermijn van € 2.125,15 per maand. Vast staat dat de man daarnaast ook beschikt over een Dodge Ram (en een Smart). De vrouw heeft gesteld dat de waarde van de Dodge Ram € 185.000,- is. De man heeft deze waarde niet betwist. Hij heeft evenwel gesteld dat dit een leaseauto is. Wat hier ook van zij, hieruit blijkt dat de man kennelijk voldoende financiële ruimte heeft om (deels samen met zijn broer) over auto’s met een aanzienlijke waarde te beschikken. Dit alles tezamen geeft aanleiding om te veronderstellen dat de jaarstukken van de man geen realistisch beeld geven van zijn daadwerkelijke financiële positie. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man op verschillende momenten in deze procedure verschillende standpunten heeft ingenomen ten aanzien van zijn inkomen. Ook heeft hij in eerste instantie ontkend dat hij (een) Turkse bankrekening(en) zou hebben.
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om er van uit te gaan dat er – ook in 2023, het jaar direct voorafgaand aan de ontvangst van het bedrag van € 50.000,- netto op zijn Turkse bankrekening – meer geld in de ondernemingen van de man omging dan de door hem gestelde winst uit onderneming van € 60.000,- bruto per jaar, althans de winst uit onderneming zoals die uit de door hem overgelegde jaarstukken 2023-2025 blijkt. De vrouw heeft het inkomen van de man uit de onderneming geschat op € 250.000,- per jaar. De rechtbank zal dit gestelde bedrag matigen en uitgaan van een winst uit onderneming aan de zijde van de man van € 200.000,- per jaar. Verder zal de rechtbank rekening houden met de zelfstandigenaftrek.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 9.874,- per maand in 2023. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Met het inkomen van de man hebben partijen geen recht op kindgebonden budget. Het NBGI van partijen is dus € 9.874,-.
Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw moeten op het NBGI de kosten van de kinderen in mindering worden gebracht. Uit de behoeftetabel van het rapport 2023 volgt bij het NBGI van partijen een eigen aandeel van de ouders in de kosten van de vier minderjarige kinderen van € 1.940,-. Het NBGI bedraagt, met aftrek van de kosten van de kinderen, € 7.934,- per maand (€ 9.874,- minus € 1.940,-). De behoefte van de vrouw bedraagt dan afgerond € 4.760,- netto per maand (60% van € 7.934,-). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 5.631,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
De man heeft betwist dat de vrouw behoeftig is. Hij heeft aangevoerd dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen om gedurende het huwelijk niet te werken. Daarbij betaalt de man nog steeds de zorgverzekering en extra kosten voor de psycholoog van de vrouw. Bovendien heeft de man betwist dat de vrouw geen inkomen heeft. Verder heeft de vrouw ook niet onderbouwd dat zij niet in staat is om te werken.
De rechtbank overweegt dat de vrouw aanzienlijke afstand heeft tot de arbeidsmarkt, omdat zij voor een lange periode niet heeft gewerkt. Gelet hierop en vanwege de medische toestand van de vrouw zal de rechtbank geen rekening houden met enige verdiencapaciteit van de vrouw. De aanvullende behoefte van de vrouw is dan € 5.631,- netto per maand.
Draagkracht man
Bij de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Net als bij de behoefte zal de rechtbank rekening houden met een winst uit onderneming van de man van € 200.000,- bruto per jaar. Verder zal de rechtbank rekening houden met de zelfstandigenaftrek.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 9.763,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen uit het rapport de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 3.281,- per maand, te weten
60% x [€ 9.763,- -/- (0,3 x € 9.763,- + € 1.365,-)].
Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de drie minderjarige kinderen van € 1.455,- per maand in mindering gebracht. Voor het oudste inmiddels meerderjarige kind zal de rechtbank uitgaan van de helft van de behoefte, te weten € 243,- per maand, omdat enerzijds hij nog thuis woont en de ouders nog onderhoudsplichtig zijn, doch anderzijds op de zitting is gebleken dat hij deels werkt in het bedrijf van de man. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 1.583,- per maand (€ 3.281,- minus € 1.698,-). Gebruteerd komt dit neer op € 2.535,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 6.681,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte als de vrouw overhoudt. Aangezien dit bedrag hoger ligt dan de draagkracht van de man, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.535,- per maand moet betalen.
Toedeling huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot de verzoeken tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning en worden deze verzoeken volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Standpunt man
De man heeft verzocht om het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toe te kennen. Hij heeft aangegeven dat de vrouw de woning in augustus 2023 heeft verlaten. Sindsdien verblijft de man met de kinderen in de echtelijke woning. De kinderen zijn gewend aan deze woning. Het is niet in het belang van de kinderen om hen uit de woning te halen die voor hen vertrouwd is. Verder heeft de man betwist, zoals de vrouw heeft gesteld, dat de huurovereenkomst zou worden beëindigd in verband met zijn te hoge inkomen als het huurrecht van de woning aan hem zou worden toebedeeld.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft verzocht om het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De vrouw stelt daartoe dat zij de woning niet vrijwillig heeft verlaten. Zij is in augustus 2023 naar Turkije gegaan voor onderzoek naar haar gezondheidsklachten. Uit angst voor de ernstige bedreigingen van de man durfde zij na terugkomst in Nederland niet meer terug te keren naar de woning. De vrouw heeft op dit moment geen vaste verblijfplaats, waardoor zij genoodzaakt is om tijdelijk bij familie en vrienden te verblijven. Ook heeft de vrouw aangevoerd dat de man financieel in staat is om een andere woning met de kinderen te betrekken, in tegenstelling tot de vrouw. Daarbij staat de huurovereenkomst op naam van de vrouw. Verder kan de vrouw de kinderen op dit moment niet opvangen, omdat zij geen woning heeft. De vrouw heeft daarom meer belang bij de woning dan de man.
Overwegingen rechtbank
Nu de man en de vrouw beiden in de echtelijke woning willen wonen, zal de rechtbank een belangenafweging moeten maken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat beide partijen een woning nodig hebben. Vast staat dat de man op dit moment met de vier kinderen, waarvan drie minderjarig, in de woning verblijft. De vrouw heeft ermee ingestemd dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de man is. Dit maakt dat er een zeer zwaarwegend belang is van de kinderen en de man om in de echtelijke woning te kunnen blijven wonen. Het vinden van een nieuwe woning zal voor beide partijen moeilijk zijn, gezien de huidige krappe woningmarkt, waarbij voor de man echter ook nog meespeelt dat hij een woning zou moeten vinden voor zichzelf en de vier kinderen wat nog lastiger is. Gelet daarop zal de rechtbank het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toewijzen en het verzoek van de vrouw afwijzen.
Afwikkeling huwelijkse vermogen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlands recht, nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in Nederland en zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.
Algehele gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Artikel 3:185 BW bepaalt dat de rechter de wijze van verdeling gelast, dan wel de verdeling zelf vaststelt. Indien de rechter de wijze van verdeling gelast, beslist hij uitsluitend over de verdelingsgeschillen die hem worden voorgelegd en geeft vervolgens een bevel om op een bepaalde wijze bepaalde goederen te verdelen en de gemeenschap af te wikkelen. Daarna is het aan partijen om daaraan uitvoering te geven.
De vrouw heeft verzocht om partijen te bevelen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap conform de punten 39 tot en met 56 van het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, dan wel de verdeling te gelasten conform de punten 39 tot en met 56. De man heeft verzocht om een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bepalen conform de punten 27 tot en met 40 van het verweer tegen het zelfstandig verzoek van de zijde van de man.
Blijkens deze verzoeken wenst geen van partijen vaststelling van de verdeling van de volledige gemeenschap van goederen door de rechtbank. Dat dit niet hun intentie is blijkt ook uit het gegeven dat zij geen van beiden een formulier verdeling zoals bedoeld in artikel 9.1 van het procesreglement scheiding hebben ingevuld en/of een overzicht hebben gemaakt van wat er per saldo over en weer zou moeten worden verdeeld en verrekend en/of welk bedrag de ene partij uit hoofde hiervan aan de andere partij is verschuldigd. Zoals op de zitting is besproken, zal de rechtbank uitsluitend een beslissing nemen op de verdelingsgeschillen zoals die door partijen zijn voorgelegd.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
18 februari 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Dit is tevens de peildatum voor de saldi van bankrekeningen. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
De verzoeken van partijen zien op de volgende bestanddelen en schulden:
de inboedel;
de bankrekeningen:
1. bankrekening op naam van de vrouw;
2. bankrekeningen op naam van de man;
3. zakelijke bankrekeningen op naam van de man;
de auto van het merk Dodge Ram met kenteken [kenteken 1] en de auto van het merk Smart met kenteken [kenteken 2];
de ondernemingen ‘[bedrijfsnaam 1]’ en ‘[bedrijfsnaam 2]’ van de man;
onroerende zaken in Turkije;
gouden sieraden en munten:
één 5’i ‘biy yerde’ Reşadiye 36 gram;
twee 2.5 Reşadiye 18 gram per stuk
één hele Reşadiye 7.2 gram per stuk;
één halve Reşadiye 3 gram;
drie hele Cumhuriyet munten 7.16 gram;
één 5’i ‘biy yerde’ Cumhuriyet 35.08 gram;
22 kwart Cumhuriyet munten 1.754 gram per stuk;
één kleine ‘bebek Ata altini’ in verpakking;
twee halve Cumhuriyet munten 3.508 gram per stuk;
drie armbanden van € 500,- tot € 700,- per stuk;
vier ‘burma’ armbanden van 40 gram per stuk;
twee losse armbanden van 25 gram per stuk;
gouden ketting (dikke ketting) van ongeveer 65 tot 70 centimeter;
een hele gouden set: armband, ketting en oorbellen met een waarde van € 3.000,-;
twee gouden ringen met diamant, waarvan één luxe koningsring en vijf verschillende ringen waarvan één met zeer grote emotionele waarde, gouden baguette-ring;
twee trouwringen: één met één steen in de afwerking van het goud zelf en één met steentjes in de randen aan twee zijdes;
twee gouden knopen oorbellen 22 karaat;
drie gouden Creolen oorbellen met luxe steentjes 18 karaat;
twee gouden oorbellen met Cumhuriyet muntstukken van 22 karaat goud;
een originele dure parelset van armband, oorbellen en ketting met gouden afwerking en één met zilveren details;
gouden horloge;
een klein sieradentasje met kapotte oorbellen, ringetjes met missende steentjes en kapotte kettingen die gerepareerd moeten worden;
eventuele belastingteruggaven;
eventuele belastingschulden en overige schulden.
Ad a. de inboedel
De man heeft verzocht te bepalen dat de inboedel aan hem wordt toegedeeld zonder nadere verrekening van de waarde daarvan met de vrouw. Hij verblijft met de kinderen in de echtelijke woning. De man en de kinderen zijn dus afhankelijk van de inboedel. Ook heeft de man de door de vrouw gestelde waarde van de inboedel betwist. Verder heeft de man aangegeven dat het de vrouw vrij staat een afspraak met de man te maken om haar persoonlijke spullen te komen ophalen.
De vrouw heeft verzocht te bepalen, in geval het huurrecht aan de man wordt toegedeeld, dat partijen de inboedel dienen te delen in die zin dat de man de helft van de waarde van de inboedel aan haar dient te vergoeden. De vrouw heeft de waarde van de inboedel geschat op € 55.000,-, omdat de inboedel recent was vernieuwd en de woning was gerenoveerd. De man dient daarom € 27.500,- aan de vrouw te vergoeden. Verder heeft de vrouw aangegeven dat de man de persoonlijke spullen van de vrouw, zoals haar kleding, schoenen en tassen, aan haar dient af te geven. Deze spullen bevinden zich volgens haar nog in de woning.
De rechtbank zal de inboedel aan de man toedelen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de door haar gestelde waarde van € 55.000,- niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast is het naar algemene ervaringsregels zo dat inboedelgoederen snel in waarde dalen. Gesteld noch gebleken is dat er sprake was van bijzondere stukken in de inboedel. De rechtbank schat in dat een totale waarde van € 10.000,- van de boedel een reële waarde is, zodat de man een bedrag van € 5.000,- aan de vrouw moet voldoen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de man de persoonlijke spullen aan de vrouw dient af te geven.
Ad b. de bankrekeningen
De man heeft verzocht te bepalen dat ieder zijn/haar eigen bankrekeningen behoudt zonder verrekening. De man heeft betwist dat hij een Turkse bankrekening heeft.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat ieder zijn/haar eigen bankrekeningen behoudt, met verrekening van de helft van de saldi op de peildatum. Ook heeft zij verzocht te bepalen dat de man inzage dient te geven in de bankafschriften van al zijn bank- en spaarrekeningen vanaf de peildatum tot zes maanden daarvoor. De man heeft volgens haar een Turkse bankrekening, waar hij ook inzage in moet verschaffen. De vrouw vreest namelijk dat de man zijn bank- en spaarrekeningen al vóór de peildatum heeft leeggehaald. (Ook) in dit kader heeft de vrouw op 10 juli 2026 een bankafschrift overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de man op 30 januari 2024 € 50.000,- op een Turkse bankrekening heeft ontvangen.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben in hun verzoeken geen specifieke bankrekeningen genoemd. Noch de man noch de vrouw heeft enig afschrift overgelegd van het saldo op zijn/haar eigen bankrekening(en) op de peildatum. De rechtbank zal daarom conform het verzoek van de vrouw bepalen dat beide partijen inzage geven in de saldi op zijn/haar bankrekeningen op de peildatum.
Daarnaast zal de rechtbank conform het verzoek van de vrouw bepalen dat de man inzage dient te geven in de bankafschriften van al zijn bank- en spaarrekeningen vanaf zes maanden vóór de peildatum tot aan de peildatum en overweegt daartoe als volgt. De man heeft in zijn verweerschrift expliciet ontkend dat hij (een) Turkse bankrekening(en) heeft. Daarna heeft de vrouw een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat de man in ieder geval één bankrekening in Turkije heeft waar in januari 2024 een bedrag van € 50.0000,- is gestort. De man heeft het bestaan van deze bankrekening op de zitting uiteindelijk niet langer ontkend maar uit het gegeven dat de man dit niet uit eigen beweging heeft gemeld is de vrees van de vrouw dat de man gelden heeft onttrokken aan de gemeenschap, niet bij voorbaat ongegrond.
Tot slot zal de rechtbank conform het verzoek van de vrouw bepalen dat de saldi van de bankrekeningen van de man en de vrouw, waaronder de Turkse bankrekening(en) van de man, op de peildatum bij helfte tussen hen worden gedeeld, waarna ieder zijn/haar eigen bankrekeningen op eigen naam zal voortzetten.
Ad c. de auto’s
De man heeft primair verzocht te bepalen dat de auto’s aan hem worden toegedeeld zonder nadere verrekening met de vrouw. De man heeft subsidiair verzocht te bepalen dat de auto’s aan hem worden toegedeeld, waarbij hij na taxatie de helft van de waarde van de Smart aan de vrouw zal voldoen, na verrekening met de huwelijkse schulden. Daarbij heeft de man aangegeven dat de Dodge Ram een leaseauto is en dus niet tot het eigendom van partijen toebehoort. Verder heeft de man de waarde van de Smart geschat op maximaal € 999,-.
De vrouw heeft aangegeven dat de auto’s aan de man kunnen worden toegedeeld onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw. De vrouw heeft de waarde van de Dodge Ram geschat op € 185.000,- en de waarde van de Smart op € 5.000,-.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man beschikt over een Dodge Ram en een Smart. De man heeft gesteld dat de Dodge Ram een leaseauto is. De vrouw heeft dit niet betwist. De Dodge Ram komt daarom niet voor verdeling in aanmerking. Verder overweegt de rechtbank dat zowel de man als de vrouw de door hen gestelde waarde van de Smart niet nader hebben onderbouwd. De rechtbank zal de waarde van de Smart daarom schatten op het gemiddelde van de door de man en de vrouw genoemde bedragen, zijnde € 3.000,-. De rechtbank zal de Smart aan de man toedelen en bepalen dat de man € 1.500,- aan de vrouw moet voldoen.
Ad d. de ondernemingen
De rechtbank overweegt als volgt. De ondernemingsactiviteiten van de man bestaan uit het exploiteren van een bakkerij en een eethuis. Voor zover de vrouw bekend gaat het in ieder geval om twee vestigingen, te weten ‘[bedrijfsnaam 1]’ en ‘[bedrijfsnaam 2]’ te [plaats 1]. De vrouw heeft verzocht te bevelen dat de man inzage dient te verschaffen in de activa, passiva en jaarstukken van al zijn ondernemingen. Op 10 juli 2026 heeft de man de jaarstukken van beide vestigingen en zijn IB-aangiftes over de jaren 2023 tot en met 2025, alsmede een toelichting van zijn boekhouder overgelegd. De vrouw heeft niet aangegeven welke (andere) stukken zij alsnog van de man wenst te ontvangen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.
Ad e. onroerende zaken Turkije
De vrouw heeft aangegeven dat de man tijdens het huwelijk in Turkije twee percelen grond, waarvan één in [plaats 2], en een huis in [plaats 3] heeft gekocht. De man dient volgens de vrouw de eigendomsakten daarvan in te brengen en nadere informatie te verschaffen over de aanschafprijs en de waarde van de percelen en het huis. Daarnaast heeft de vrouw verzocht vast te stellen dat de man na taxatie de helft van de waarde van de percelen grond en het huis dient te betalen aan de vrouw.
De man heeft betwist dat hij/partijen onroerend goed in Turkije zou(den) bezitten. Daarbij heeft hij gesteld dat als de vrouw in het bezit is van een akte of eigendomsbewijs van een stuk grond of van een woning in Turkije, deze moeten worden verkocht en de waarde bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft concreet gesteld dat partijen twee percelen grond, waarvan één in [plaats 2], en een huis in [plaats 3] zouden bezitten. De man heeft deze stelling in zijn algemeenheid betwist. Nu hij tevens heeft aangegeven dat de waarde hiervan bij helfte verdeeld moet worden als de vrouw een akte of eigendomsbewijs in haar bezit heeft, houdt de man kennelijk zelf ook de mogelijkheid open dat de vrouw een akte of eigendomsbewijs in haar bezit heeft van het perceel/de percelen en/of het huis in Turkije. Hiermee heeft de man naar het oordeel van de rechtbank de stellingen van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw om te bepalen dat de man inzage en nadere informatie over de percelen en het huis in Turkije dient te verschaffen, en vast te stellen dat de man na taxatie de helft van de waarde van de percelen en het huis dient te betalen aan de vrouw, toewijzen.
Ad f. de gouden sieraden en munten
De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot afgifte van de door haar genoemde sieraden en munten. De vrouw heeft aangegeven dat alle gouden sieraden en munten tijdens de samenleving in de woning aanwezig waren. De vrouw gaat ervan uit dat de man sinds het uiteengaan van partijen de gouden sieraden in de kluis van zijn broer bewaart. Een deel van het goud is haar bruidsschat en voor het overige betreft het exclusieve schenkingen aan de vrouw. De vrouw is daarom van mening dat de man alle gouden sieraden en munten aan haar moet afgeven.
De man heeft gesteld dat de vrouw de sieraden heeft meegenomen. Hij weet niet waar ze nu zijn. De man stelt dat hij recht heeft op de helft van de waarde.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht om afgifte door de man van de sieraden en munten aan haar. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet degene die zich op een rechtsgevolg beroept de daaraan ten grondslag liggende feiten stellen en, zo nodig, bewijzen (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1292). De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de sieraden en munten tijdens de samenleving in de woning aanwezig waren. De man heeft het bestaan van de gouden sieraden en munten niet betwist, en ook niet betwist dat de sieraden ten tijde van de samenleving in de echtelijke woning zijn bewaard. Dit staat dus vast. Ook staat vast dat de man nog steeds in de woning woont en dat de vrouw de woning in augustus 2023 heeft verlaten. De man beroept zich erop dat de vrouw de sieraden en munten toen uit de woning heeft meegenomen, wat de vrouw heeft betwist. Uit voormelde rechtsregel volgt dat het op de weg van de man ligt om deze stelling, tegenover de betwisting door de vrouw, te bewijzen. Dit heeft hij niet gedaan. Hieruit volgt dat de rechtbank ervan uitgaat dat de sieraden zich in de echtelijke woning bevinden en dat de man hier nog over beschikt.
De vrouw heeft gesteld dat alle sieraden en munten haar eigendom zijn, omdat een deel van de sieraden en munten haar bruidsschat is en de rest daarvan exclusieve schenkingen aan de vrouw zijn. Volgens de vrouw is het (cultureel) bij de man bekend dat de sieraden uitsluitend eigendom zijn van de vrouw. In rechte slaagt deze stelling van de vrouw niet, nu sprake is van een wettelijke algehele gemeenschap van goederen en de sieraden en munten daarom gemeenschappelijk zijn en dus bij einde huwelijk bij helfte moeten worden verdeeld. De man heeft – anders dan zijn stelling dat hij recht heeft op de helft van de waarde van de gouden sieraden – geen concreet verzoek gedaan ten aanzien van de verdeling van de sieraden en munten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man veroordelen tot afgifte van de helft van de sieraden en munten aan de vrouw. Nu geen van partijen de waarde van deze goederen heeft gespecificeerd noch heeft aangegeven op welke wijze een verdeling bij helfte kan worden vastgesteld kan de rechtbank niet meer of anders beslissen.
Ad g. de belastingteruggaven
Partijen zijn het erover eens dat eventuele belastingteruggaven tussen hen bij helfte moeten worden gedeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad h. de belastingschulden en overige schulden
De man heeft aangegeven dat eventuele belastingschulden en overige schulden bij helfte tussen partijen moeten worden gedeeld. De vrouw heeft gesteld dat zij niet bekend is met enige schulden van partijen.
Voor de rechtbank is onduidelijk of er sprake is van openstaande schulden die dateren van vóór de peildatum. De rechtbank zal daarom bepalen conform de hoofdregel, te weten dat voor zover de schulden op grond van artikel 1:94 BW in de gemeenschap van goederen vallen, partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor deze schulden en dat ieder voor de helft daarvan draagplichtig is, op grond van artikel 1:100 BW.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap afwijzen. Op de zitting heeft de vrouw verzocht een definitieve beslissing over de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan te houden om partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. De rechtbank ziet daar, gelet op de wijze waarop de verzoeken zijn geformuleerd, geen aanleiding voor.
Proceskosten
Nu de rechtbank een beslissing in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal aanhouden, zal zij ook een beslissing over de proceskosten aanhouden.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Zoals opgenomen in de beschikking van 30 juli 2026 zijn de verzoeken in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden tot 1 februari 2027. Volledigheidshalve zal de rechtbank dat ook in het dictum van deze beschikking opnemen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.535,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] te [plaats 1];
*
bepaalt dat de inboedel van de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 10.000,-, waarbij de man een bedrag van € 5.000,- aan de vrouw dient te vergoeden;
*
bepaalt dat de man de persoonlijke spullen van de vrouw die zich nog in de echtelijke woning bevinden, aan de vrouw dient af te geven;
*
bepaalt dat beide partijen inzage dienen te geven in de saldi op zijn/haar Nederlandse en Turkse bankrekeningen op de peildatum;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw inzage dient te verschaffen in de bankafschriften van alle op zijn naam staande bank- en spaarrekeningen in Nederland en in Turkije, vanaf zes maanden vóór de peildatum tot aan de peildatum;
*
bepaalt dat de saldi van de Nederlandse en Turkse bankrekeningen van de man en de vrouw op de peildatum bij helfte tussen hen worden gedeeld, waarna ieder zijn/haar eigen bankrekeningen op eigen naam zal voortzetten;
*
bepaalt dat de auto van het merk Smart met kenteken [kenteken 2] aan de man wordt toegedeeld voor een waarde van € 3.000,-, waarbij de man een bedrag van € 1.500,- aan de vrouw dient te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw inzage en nadere informatie dient te verschaffen, zo mogelijk onder meer middels het overleggen van de eigendomsakte(n), over de aanschafprijs en de waarde van het perceel/de percelen grond waarvan één in [plaats 2], en het huis in [plaats 3], Turkije en stelt vast dat de man na taxatie de helft van de waarde van de percelen en het huis dient te betalen aan de vrouw;
*
veroordeelt de man tot afgifte van de helft van de door de vrouw genoemde sieraden en munten aan de vrouw;
*
bepaalt dat eventuele belastingteruggaven tussen partijen bij helfte moeten worden verdeeld;
*
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de gemeenschapsschulden voor zijn/haar rekening dient te nemen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de partneralimentatie, het huurrecht van de echtelijke woning en de verdeling;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten aan tot
|
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2026. |
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
