Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5990

Essentie (gemaakt door AI)

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden met finaal verrekenbeding. Vrouw bestrijdt waarderingen (maatschap/agrarische onderneming, percelen, ledenobligaties) en bepleit nieuw onderzoek; hof volgt deskundigenrapport (DCF) en rechtbank. Perceel onder uitsluitingsclausule blijft buiten verrekening; perceel privé vrouw valt binnen. Vrouw deels geslaagd: op grond van art. 19 lid 6 HV en belangenafweging mag man niet in tien termijnen betalen; betaling ineens van € 248.404. Wettelijke rente vanaf 25-8-2025; handelsrente afgewezen. Overige grieven falen. Kosten gecompenseerd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Clausule in huwelijkse voorwaarden gepasseerd: betalen in tien jaarlijkse termijnen "niet redelijk"
Na afwikkeling huwelijkse voorwaarden met finaal verrekenbeding komt vast te staan dat man vrouw moet betalen. In afwijking van clausule mag man niet in 10 termijnen betalen: onredelijk richting vrouw. Man moet ineens betalen, met rente.

Datum publicatie25-09-2026
Zaaknummer200.365.225/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Afd. 8.2 Verrekenbedingen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Finaal verrekenbeding. Belangenafweging of de man in termijnen de verrekenvordering mag betalen. Wettelijke rente.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.365.225/01

zaaknummer rechtbank Overijssel 282264

beschikking van 17 september 2026

inzake

[verzoekster] (de vrouw),

wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. F. Zoer te Meppel,

en

[verweerder] (de man),

wonende te [woonplaats2] ,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. E.J. Jongsma te Joure.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank van 30 december 2022, 27 maart 2024, 20 juni 2024 en 2 december 2025 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vrouw met producties, ingekomen op 19 februari 2026;

- een journaalbericht namens de vrouw van 24 februari 2026 met producties;

- een journaalbericht namens de vrouw van 12 maart 2026 met producties;

- het verweerschrift van de man met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 juli 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen.

3De relevante feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1992 in [woonplaats1] gehuwd op huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden zijn tijdens het huwelijk gewijzigd door middel van een notariële akte d.d. 13 februari 2012. Ook is toen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij zij hebben afgesproken dat zij over de periode tot 2012 niets van elkaar te vorderen hebben op grond van het eerder overeengekomen periodieke verrekenbeding en dat zij verder geen uitvoering zullen geven aan dat verrekenbeding. Daarnaast zijn partijen een nieuwe tekst van artikel 19 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen, dat ziet op verplichte afrekening bij ontbinding van huwelijk door echtscheiding, scheiding van tafel en bed, dan wel overlijden. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, nu als volgt:

3. Ingeval hel huwelijk door echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt ontbonden

vindt er verrekening plaats, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde

gelijk aan die. waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest indien er de algehele gemeenschap

van goederen tussen hen had bestaan.

4. Niet in deze verrekening worden betrokken:

- (...);

- (...);

- (...):

- de door de comparant sub I genoemd destijds van zijn ouders overgenomen onderneming

met inbegrip van de daarbij in eigendom verkregen registergoederen (boerderij met

landerijen) en heffingsvrije hoeveelheid melk, alsmede de daarmee verbonden, voor

rekening van de comparant sub 1 genoemd komende schuld wegens overbedeling een en

ander voldoende bekend aan partijen en waarvan zij hier geen nadere omschrijving

verlangen (akte verleden voor mr. [naam1] op dertien juni negentienhonderd

zeven en negentig) echter met dien verstande dat de tijdens huwelijk ontstane

waardeverandering ten opzichte van de verkrijgingswaarde van de onderneming (met

inbegrip van de registergoederen), zulks vast te stellen op de wijze als waarop de waarde

voor de onderneming destijds is bepaald (al dan niet in verpachte staat) wel in de

verrekening wordt betrokken.

(...)

5. (...) De verrekening heeft plaats naar de toestand per de dag van overlijden, dan wel het

moment waarop de procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingesteld.

(…)

6a. Vorderingen ter zake van de verrekening zijn onmiddellijk opeisbaar, behoudens het hierna

onder 6b. bepaalde. Betreft de vordering geld, dan kan de tot uitkering verplichte partij, indien daarvoor gewichtige redenen bestaan, verlangen dat partijen een redelijke betalingsregeling – al of niet met zekerheidsstelling – treffen, waarbij de belangen van alle partijen in acht genomen worden.

6b. Ten aanzien van de ten dage van de echtscheiding, of scheiding van tafel en bed uitgeoefende onderneming(en), ongeacht in welke rechtsvorm, geldt dat partijen bij deze overeenkomen dat de betreffende uitkering op grond van voormelde verrekening wordt gedaan in tien jaarlijkse termijnen, al dan niet te verhogen met een rente berekend naar de alsdan geldende wettelijke rente en al dan niet met zekerheidsstelling, waarbij de belangen van beide partijen in acht worden genomen. Het staat de partij die tot verrekening als voormeld is verplicht, vrij om in minder termijnen dan voormeld de schuld wegens verrekening te voldoen aan de andere partij.

3.2

Partijen waren tevens maten in een maatschap ‘Mts. [verweerder] en [verzoekster] ’, ook wel handelend onder de naam ‘ [naam2] ’, een landbouw- en veehouderijbedrijf. Aanvankelijk heeft de man vanaf 1990 samen met zijn ouders de onderneming gedreven. Op 13 juni 1997 is de samenwerking met de ouders beëindigd en is de maatschap ontbonden. De ondernemingsactiviteiten zijn daarna overgeheveld naar een nieuwe maatschap samen met de vrouw waartoe partijen op 26 juni 2000 een maatschapsovereenkomst hebben getekend. Partijen hebben op 19 april 2012 een nieuwe maatschapsovereenkomst gesloten, twee maanden na de wijziging van de huwelijkse voorwaarden. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

ArtIKEL 12 BEËINDIGING VAN DE MAATSCHAP

1. De maatschap eindigt:

(...)

g. Bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed van de maten sub 1 en sub 2, tenzij anders wordt overeengekomen.

(…)

ArtIKEL 13 VOORTZETTING VAN DE ONDERNEMING

1. Indien beëindiging van de maatschap plaatsvindt op basis van het voorgaande artikel, heeft de maat aan wie het eindigen van de maatschap niet kan worden toegerekend het recht de onderneming van de maatschap (alleen of met anderen) voort te zetten.

2. In afwijking op het eerste lid van dit artikel geldt dat indien de maatschap eindigt door sub g van voorgaand artikel, wordt de maat sub 2 geacht te zijn uitgetreden: de maat sub 1 heeft het voortzettingsrecht.

3. Indien een maat gebruik wil maken van het recht op voortzetting dan moet dit binnen drie

maanden na het einde van de maatschap aan de andere maten dan wel diens

rechtverkrijgende(n) te kennen worden gegeven.

Artikel 15 WAARDEBEPALING INGEVAL VAN OVERNAME

1. De op basis van het voorgaande artikel over te nemen goederen en vermogensrechten zullen bij beëindiging van de maatschap worden gesteld op de fiscale boekwaarde.

(…)

3.3

De man heeft op 22 september 2021 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk van partijen is op 6 april 2023 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de (echtscheidings)beschikking van de rechtbank Overijssel van 30 december 2022.

3.4

In de tussenbeschikking van 30 december 2022 heeft de rechtbank Overijssel de verzoeken die betrekking hebben op (ontbinding van) de maatschap afgesplitst en partijen ter zake daarvan verwezen naar de handelskamer van de rechtbank. Dat heeft geleid tot een eindvonnis van 11 oktober 2023. Daarin is onder meer voor recht verklaard dat de maatschap per 6 april 2023 is geëindigd, dat de vrouw bij echtscheiding wordt geacht te zijn uitgetreden en dat de man voortzettingsrecht heeft en dat de vrouw wordt veroordeeld om mee te werken aan de levering van de tot het maatschapsvermogen van de vrouw behorende goederen en vermogensrechten tegen betaling van de fiscale boekwaarde op grond van artikel 15 van de maatschapsovereenkomst van 19 april 2012. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

3.5

De rechtbank Overijssel heeft in een tussenbeschikking van 27 maart 2024 – voor zover in dit hoger beroep van belang – geoordeeld dat partijen niet zijn afgeweken van het wettelijke uitgangspunt voor het bepalen van de peildatum ten aanzien van de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen, met uitzondering van de datum van waardebepaling van de maatschapsaandelen van partijen, ten aanzien waarvan partijen ter zitting (23 oktober 2023) zijn overeengekomen uit te gaan van 31 december 2021. Daarnaast heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om [naam3] van AgriPlaza te benoemen als deskundige om het agrarisch bedrijf met erf, ondergrond en overige aanhorigheden alsmede diverse percelen cultuurgrond te taxeren en de ledenobligaties bij Friesland Campina te waarderen, en over de vraagstelling aan de deskundige, waarbij het voorschot op € 3.630,- inclusief btw wordt bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om [naam4] van Crossminds als deskundige te benoemen om de waarde van de maatschapsaandelen van partijen per peildatum te bepalen, over het voorschot van

€ 15.000,- inclusief btw, over betaling daarvan, en over de vraagstelling aan de deskundige.

3.6

In een tussenbeschikking van 20 juni 2024 heeft de rechtbank Overijssel een deskundigenonderzoek gelast en daarbij [naam3] van AgriPlaza benoemd als deskundige, waarbij het voorschot is bepaald op € 3.630,- inclusief btw en de onderstaande vraagstelling is geformuleerd:

De rechtbank verzoekt u de navolgende vermogensbestanddelen te waarderen per de

afzonderlijke peildata, rekening houdende met de navolgende uitgangspunten:

a. de percelen grond G 168 t/m 170 ter grootte van 12.37.70 ha dienen getaxeerd te

worden in verpachte staat;

b. de woning aan de [adres] , alsmede de ondergrond, dient getaxeerd te

worden in bewoonde/verpachte staat, althans in de staat waarin het in 1997 is

gewaardeerd volgens het op 14 maart 1997 door de heer [naam5] en de

heer [naam6] opgestelde taxatierapport;

c. de percelen grond G 198, 1019, 191, 192, 738, 1022 en 1184 dienen getaxeerd te

worden naar de waarde in het economisch verkeer;

d. het perceel grond G 1545 waarvan de juridische eigendom tot de vrouw behoort

dient getaxeerd te worden naar de waarde in het economisch verkeer;

e. de ledenobligaties van Friesland Campina, behorende tot de onderneming naar

de waarde in het economisch verkeer;

f. de fosfaatrechten behorende tot de onderneming naar de waarde in het

economisch verkeer.

3.7

Daarnaast heeft de rechtbank [naam4] van Crossminds benoemd als deskundige. Het voorschot is bepaald op € 15.000 inclusief btw en aan hem zijn de volgende vragen gesteld:

De rechtbank verzoekt u de economische waarde van de afzonderlijke maatschapsaandelen

van de man en de vrouw in de Mts. [verweerder] en [verzoekster] , tevens handelend onder de

naam ‘ [naam2] ’ te bepalen per 31 december 2021, waarbij rekening wordt

gehouden met de waardes zoals die door mevrouw [naam3] worden aangeleverd na

uitvoering van haar taxatieopdracht. De rechtbank vraagt de deskundige daarbij expliciet de

vraag te beantwoorden of tot de (afzonderlijke onderdelen) van de maatschap stille reserves

behoren en zo ja, welke waarde deze vertegenwoordigen.

3.8

De rechtbank Overijssel heeft op 2 december 2025 een eindbeschikking gewezen na het ontvangen van de deskundigenrapporten van de deskundigen. Daarin is – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende geoordeeld:

3.1.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar aanvullende verzoeken van 25 augustus

2025;

3.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw binnen vier weken na betekening van deze

beschikking een bedrag te betalen van € € 56.841,- uit hoofde van verrekening conform de

huwelijkse voorwaarden (het bedrag ineens van € 29.241,- + de eerste termijn van

€ 27.600,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 29.241,- vanaf 22 september

2021 en over het eerste termijnbedrag van € 27.600,- vanaf vier weken na betekening van

deze beschikking, tot aan de dag van algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt de man om aan de vrouw voor het eerst in het jaar 2026 (de tweede

termijn) en ook gedurende de jaren daarna (de derde tot en met tiende termijn), telkens voor

1 december, € 27.600,- te betalen uit hoofde van verrekening conform de huwelijkse

voorwaarden, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschuldigde

termijnbedrag van € 27.600,- vanaf 1 december van dat jaar tot aan de dag van algehele

voldoening;

(…)

3.5.

bepaalt dat de griffier (het nog niet betaalde deel van) de voorschotbedragen van de

deskundigen uit de gestorte voorschotten betaalt en stelt de kosten van de deskundigen op de

gefactureerde bedragen vast, waarbij ieder van partijen de helft van deze kosten dient te

dragen;

4De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waaronder de hoogte van de daaruit voortvloeiende verrekenvordering van de vrouw.

4.2

De vrouw is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikkingen van 27 maart 2024 en 20 juni 2024 en de eindbeschikking van 2 december 2025. De grieven zien op de hoogte van de verrekenvordering die de vrouw heeft op de man ten aanzien van het uittreden uit de maatschap. De vrouw verzoekt de verrekenvordering opnieuw vast te stellen in overeenstemming met de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden van 13 februari 2012 en de economische waarde van het ondernemingsvermogen en de afzonderlijke vermogensbestanddelen correct vast te stellen zodat de belangen van de vrouw op een evenwichtige en rechtmatige wijze alsnog worden gewaarborgd. Daarnaast verzoekt zij het hof daarbij uit te gaan van de herwaardering van het ondernemingsvermogen door de accountant van de vrouw, dan wel een nieuw deskundigenonderzoek te gelasten door een deskundige met aantoonbare kennis en ervaring in de agrarische sector, waarbij de waarde van de afzonderlijke maatschapsaandelen en vermogensbestanddelen wordt bepaald naar vrije economische waarde/vrije verkoopwaarde in het economische verkeer, waarbij afzonderlijke waardering en beoordeling van de stille reserves alsnog plaatsvindt en waarbij de juiste toepassing van de maatschapsovereenkomst en de huwelijkse voorwaarden wordt meegenomen. Voorts verzoekt de vrouw het hof om alle verdere maatregelen te treffen die in het kader van de correcte uitvoering van het finale verrekenbeding, de huwelijkse voorwaarden en een rechtmatige verdeling van het vermogen noodzakelijk of passend zijn, waaronder de vaststelling van de correcte verrekenvordering van de vrouw op basis van de uitkomst van het nieuwe deskundigenonderzoek met een redelijke en billijke betalingsregeling voor de vrouw op de man ten aanzien van haar verrekenvordering op de man.

4.3

De man voert verweer en hij verzoekt dat de verzoeken worden afgewezen en dat de bestreden beschikkingen worden bekrachtigd.

4.4

Het hof zal beslissen dat grief 3 van de vrouw gedeeltelijk slaagt, in die zin dat de verrekenvordering van de vrouw in één termijn door de man moet worden betaald, en dat de overige grieven falen. Het hof zal die beslissing hierna toelichten.

5De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

5.1

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussenbeschikking van 27 maart 2024, 20 juni 2024 en de eindbeschikking van 2 december 2025. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 27 maart 2024 de mogelijkheid geboden van tussentijds hoger beroep in de zin van artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen tijdig gebruik gemaakt. Het hof zal de vrouw niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep tegen de beschikking van 27 maart 2024 gelet op het ontbreken van een grief tegen enige overweging in die beschikking en in aanmerking nemend dat deze beschikking niet in strijd is met de rechtsregels die van openbare orde zijn.

5.2

Het hof zal hierna de grieven per onderwerp behandelen.

Deskundigenonderzoek Crossminds (grieven 4 en 5)

5.3

De grieven 4 en 5 van de vrouw richten zich tegen het rapport van Crossminds van 18 juli 2025 (hierna: ‘het deskundigenrapport’). Zij voert aan dat [naam4] (hierna: ‘de deskundige’) niet heeft aangetoond dat hij over de vereiste expertise beschikt. Daarnaast heeft de deskundige een waarderingsmethode gehanteerd die niet aansluit bij de wijze van waarderen die gebruikelijk is in de agrarische sector. Daarmee is niet voldaan aan de opdracht die de rechtbank in de tussenbeschikking van 27 maart 2024 heeft gegeven om de economische waarde te bepalen. Ook is door de rechtbank ten onrechte de declaratie van de deskundige goedgekeurd, deze voldoet volgens de vrouw niet aan de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ en de declaratie is te hoog.

5.4

Bij beschikking van 24 maart 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de deskundige de economische waarde van de maatschapsaandelen diende te bepalen. De deskundige heeft gerapporteerd en is op vragen van partijen ingegaan waar hij dat nodig achtte voordat de definitieve versie van het rapport tot stand is gekomen. De deskundige heeft voor de ‘Discounted Cashflow’ (DCF)-waarderingsmethode gekozen en hij heeft toegelicht waarom deze methode volgens hem het meest geschikt was om de economische waarde te bepalen. De keuze voor de te hanteren methode staat niet ter vrije bepaling van de deskundige maar hij dient aan te sluiten bij een methode die gebruikelijk is in de branche, hetgeen hij vanuit zijn deskundigheid dient te beoordelen. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat de deskundige met de toelichting voldoende heeft onderbouwd waarom de gekozen waarderingsmethode het meest geschikt was om de economische waarde te bepalen. Er is geen reden om de vrije verkoopwaarde van de maatschap als uitgangspunt te nemen, omdat de man het bedrijf heeft voortgezet en ook de komende jaren wenst voort te zetten. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de DCF-methode ongeschikt is om een getrouwe weergave van de waarde van de maatschap van partijen te kunnen neerzetten. Zij wenst aan te sluiten bij de berekening van de door haar ingeschakelde deskundige, [naam7] , werkzaam bij Aaff Accountants. Uit die berekening volgt echter geen waarde die substantieel afwijkt van de waarde uit het deskundigenrapport. Daarbij is het bovendien niet duidelijk op basis van welke waarderingsmethode [naam7] te werk is gegaan. Het hof ziet verder in het door de vrouw aangevoerde geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de deskundige noch aan de getrouwheid van het onderzoek. Ook is het hof van oordeel dat de kosten van de deskundige van € 15.000,- niet buitensporig hoog zijn gelet op de omvang van het dossier en de daaraan bestede tijd zoals die blijkt uit de urenspecificatie die op 23 september 2025 door de deskundige is toegezonden. Verder heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat deze declaratie niet voldoet aan de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’.

5.5

Het voorgaande maakt dat de grieven van de vrouw ten aanzien van het deskundigenrapport falen.

Maatschapsovereenkomst van 19 april 2012 (grief 1)

5.6

De vrouw voert aan dat de gevolgen van de afwikkeling van het maatschapsvermogen onvoldoende door de rechtbank zijn meegewogen in de bestreden beschikkingen. Volgens haar zou het feit dat zij in het kader van de afwikkeling van de maatschap slechts aanspraak kan maken op de fiscale boekwaarde van haar maatschapsaandeel in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden moeten worden betrokken.

5.7

Het hof overweegt dat het betoog van de vrouw erop neerkomt dat zij bij de afwikkeling van de maatschapsovereenkomst het maatschapsvermogen zou willen verdelen alsof partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, met uitzondering van het beginvermogen van de man en uitgesloten schenkingen. Dat betoog wordt niet gevolgd. Het moge zo zijn dat de vrouw zich benadeeld voelt als gevolg van de in de maatschapsovereenkomst opgenomen waarderingsmethode die in een voor haar nadelige zin afwijkt van de methode die in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden wordt gehanteerd, maar het hof ziet in de stellingen van de vrouw geen grond om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. De financiële gevolgen van de maatschapsovereenkomst die enige tijd na de huwelijkse voorwaarden is gesloten brengen geen wijziging in die huwelijkse voorwaarden of de gevolgen daarvan. De grief faalt.

De percelen [nummer1] en [nummer2] (grieven 2, 6 en 7)

5.8

Daarnaast richt de vrouw grieven tegen de beslissing van de rechtbank dat de waardevermeerderingen van het perceel dat kadastraal bekend staat onder nummer [nummer1] buiten het te verrekenen vermogen valt. Ten aanzien van het perceel met kadasternummer [nummer2] stelt de vrouw dat dit perceel tot haar privévermogen behoort en daardoor niet verrekend had moeten worden.

5.9

Het hof is het eens met de beslissing van de rechtbank op deze onderdelen. Perceel [nummer1] heeft de man onder uitsluitingsclausule geschonken gekregen van zijn ouders op 5 maart 2012. In de schenkingsakte staat vermeld dat het perceel en de vruchten daarvan niet zullen vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap en ook niet betrokken zullen worden in enig krachtens huwelijkse voorwaarden overeen te komen verrekenbeding. Daarnaast is in artikel 19 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden bepaald dat goederen ten aanzien waarvan bij gift is bepaald dat zij buiten een vermogensrechtelijke gemeenschap vallen en/of niet betrokken mogen worden in enig huwelijksvermogensrechtelijke verrekening, niet in de verrekening zullen worden betrokken. De volledige (taxatie-)waarde van het perceel valt daarmee buiten het te verrekenen vermogen. Dat in de beslissing van de rechtbank op dit punt een dubbeltelling zit, heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd en is het hof overigens niet gebleken. Ten aanzien van perceel [nummer2] geldt dat de vrouw dit perceel op 9 februari 2007 heeft verkregen. Weliswaar behoort dit perceel tot het privévermogen van de vrouw, maar het perceel is niet onder uitsluitingsclausule verkregen, zodat dit perceel tot het te verrekenen vermogen behoort. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat dit in strijd zou zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Daartoe heeft de vrouw onvoldoende gesteld.

5.10

Het voorgaande maakt dat de grieven 2, 6 en 7 falen.

Ledenobligaties (grief 9)

5.11

De vrouw stelt in hoger beroep dat de ledenobligaties ten onrechte op de balans van de maatschap terecht zijn gekomen en dat deze behoorden tot de privévermogens van de man en de vrouw. Dit betoog kan de vrouw niet baten. Zelfs als de ledenobligaties tot de privévermogens van partijen behoorden, heeft de vrouw geen belang bij deze grief, omdat – zoals partijen ter zitting hebben bevestigd – dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van de verrekenvordering. De waarde van beide ledenobligaties is voor beide partijen immers gelijk. De grief kan daarmee niet tot vernietiging van de beschikking leiden.

Aanvullende verzoeken (grieven 3 en 8)

5.12

Tot slot vindt de vrouw dat zij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in de aanvullende verzoeken die zij op 25 augustus 2025 bij de rechtbank heeft gedaan. Ook heeft de rechtbank onverwacht een eindbeschikking gegeven zonder dat partijen voldoende zijn gehoord, aldus de vrouw. Aangezien de vrouw (een deel van) deze verzoeken in hoger beroep heeft herhaald, zal het hof hierop ingaan.

Geen mondelinge behandeling

5.13

De beslissing om geen mondelinge behandeling te laten plaatsvinden na het deskundigenbericht betreft een bevoegdheid die voorbehouden is aan de rechtbank. Bovendien heeft een mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden zodat de vrouw alsnog in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over het deskundigenbericht. De grief kan op dit punt niet tot vernietiging van de beschikking leiden.

Stakingswinst

5.14

Ten aanzien van de stakingswinst geldt dat een eventuele schuld van de vrouw als gevolg daarvan een gevolg is van de beëindiging van de maatschap (per 6 april 2023) en niet in het kader van de uit de huwelijkse voorwaarden voortvloeiende verrekenvordering (waardepeildatum 31 december 2021) betrokken moet worden.

Belangenafweging artikel 19 huwelijkse voorwaarden

5.15

Met betrekking tot de toepassing van artikel 19 lid 6 sub a en b van de huwelijkse voorwaarden stelt de vrouw dat de rechtbank een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Volgens haar moeten bij beantwoording van de vraag of een partij in termijnen mag betalen en of daarover rente is verschuldigd de belangen van beide partijen in acht worden genomen en leidt de beslissing van de rechtbank op dit punt tot een onevenwichtige situatie.

5.16

De grief slaagt op dit punt. In het algemeen geldt dat de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Dat geldt ook voor de huwelijkse voorwaarden die tussen partijen zijn opgemaakt. Deze moeten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf, zodat voor de uitleg niet alleen de letterlijke tekst doorslaggevend is, maar ook welke betekenis partijen redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en van elkaar mochten verwachten. Artikel 19 lid 6 sub a van de huwelijkse voorwaarden bepaalt als uitgangspunt dat verrekenvorderingen onmiddellijk opeisbaar zijn en dat een betalingsregeling kan worden afgedwongen als er sprake is van gewichtige redenen, met inachtneming van de belangen van beide partijen. In sub b wordt hierop een uitzondering gemaakt in zoverre dat verrekenvorderingen die uit uitgeoefende onderneming(en) voortvloeien worden voldaan in tien jaarlijkse termijnen, al dan niet te verhogen met een rente berekend naar de alsdan geldende wettelijke rente en al dan niet met zekerheidsstelling, waarbij de belangen van beide partijen in acht worden genomen. In dit geval betreft de uit de huwelijkse voorwaarden voortvloeiende verrekenvordering deels ondernemingsvermogen en deels vermogen dat buiten de onderneming valt. Zowel bij toepassing van artikel 19 lid 6 sub a als sub b dient evenwel rekening te worden gehouden met gerechtvaardigde belangen van partijen en dient een afweging daarvan plaats te vinden.

De vrouw stelt dat zij jaarlijks de volledige vordering als box III-vermogen moet opgeven en daarvoor jaarlijks vermogensrendementsheffing moet voldoen. Daarnaast ontvangt zij slechts rente over de jaarlijkse termijnen indien deze niet tijdig worden betaald en draagt zij het risico van een faillissement van de man. Daarvoor krijgt zij geen enkele zekerheid van de man. Ook wil ze van het haar toekomende bedrag een woning kopen en een bed and breakfast runnen, iets wat niet mogelijk zou zijn als zij het volledige bedrag pas over een periode van tien jaar ontvangt. De man heeft naar het oordeel van het hof daarentegen onvoldoende aangetoond dat hij niet in staat zou zijn om het bedrag dat hij is verschuldigd binnen afzienbare tijd volledig te betalen, desnoods door bepaalde (maatschaps-)goederen te verhypothekeren of te verkopen. Hij heeft geen zekerheid aangeboden en evenmin gesteld en onderbouwd dat de continuïteit van zijn onderneming daardoor in het gedrang zou komen. Er zijn dus van zijn kant geen gewichtige redenen gebleken die tot een (tienjaarlijkse) betalingsregeling nopen. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan de belangen van de vrouw meer gewicht moet worden toegekend dan aan die van de man en dat de man de verrekenvordering van de vrouw niet in jaarlijkse termijnen mag voldoen.

Tussenconclusie

5.17

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de man het nog niet betaalde deel van de hoofdsom van € 305.245,- ineens moet betalen aan de vrouw. De man heeft aangetoond dat hij het bedrag van € 29.241,- inclusief verschuldigde wettelijke rente en het eerste termijnbedrag van € 27.600,- reeds heeft betaald. Dit maakt dat de man nog € 248.404,- moet betalen. Het hof zal de beschikking van 2 december 2025 vernietigen op dit punt en bepalen dat de man dit bedrag binnen een termijn van twee weken na de datum van deze beschikking aan de vrouw moet betalen.

5.18

De vrouw heeft over haar verrekenvordering wettelijke rente gevorderd vanaf 22 september 2021, de datum van indiening van het verzoekschrift van de man. Voor zover de vrouw de wettelijke handelsrente vordert slaagt dit niet, omdat in deze procedure de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden centraal staat en dit geen handelstransactie betreft waarvoor de wettelijke handelsrente is bedoeld.

5.19

Om de ingangsdatum van de wettelijke rente te bepalen is het volgende van belang. Het betreft hier een vordering op grond van een finaal verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden. Dit betreft geen finaal verrekenbeding wegens een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding en de regel dat het verzuim dus reeds intreedt bij het indienen van de echtscheiding (zie HR 2-12-2011 ECLI:NL:HR:2011:BU6591) is dan ook niet onverkort van toepassing. De wettelijke rente die is verschuldigd, ontstaat vanaf het moment dat de man in verzuim verkeert ex artikel 6:81 BW ten aanzien van het betalen van de verrekenvordering. Daarvoor is, behoudens de in artikel 6:83 BW genoemde situaties, in beginsel vereist dat de vrouw in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW een ingebrekestelling aan de man heeft gestuurd waarin een redelijke termijn is geboden om na te komen. Als uit de houding van de man blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn kan ingevolge artikel 6:82 lid 2 BW de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de man voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Een processtuk kan ook als een ingebrekestelling worden aangemerkt of voldoen aan het in artikel 6:82 lid 2 BW gestelde voor zover deze voldoet aan de daaraan in de omstandigheden van het geval te stellen eisen. 1

5.20

Het hof leest in de huwelijkse voorwaarden niet dat partijen een fatale termijn zijn overeengekomen waarbinnen betaling moet plaatsvinden. Daarvoor is in ieder geval onvoldoende dat in artikel 19 lid 6 sub a van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de vordering onmiddellijk opeisbaar is. Van de andere in artikel 6:83 BW genoemde situaties is evenmin sprake. De vrouw had daarom in beginsel een ingebrekestelling moeten sturen. De man heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij niet het bedrag ineens kan betalen en daardoor betaling in termijnen wenst. Uit die houding mocht de vrouw afleiden dat aanmaning nutteloos zou zijn en kon zij volstaan met een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 6:82 lid 2 BW. Zij heeft dat voor het eerst gedaan in haar brief met aanvullende verzoeken van 25 augustus 2025, waarin zij aanspraak maakt op betaling van de wettelijke rente. De man heeft van die brief kennisgenomen en heeft daarop niet gehandeld, zodat hij vanaf die datum in verzuim verkeert. Het hof zal daarom bepalen dat de man de wettelijke rente per 25 augustus 2025 verschuldigd is.

5.21

Voor de volledigheid merkt het hof op dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente per 25 augustus 2025 niet op het door de man reeds betaalde bedrag van € 29.241,- ziet, omdat dit een latere ingangsdatum van de wettelijke rente betreft dan de rechtbank in de eindbeschikking heeft geoordeeld. Dit zou leiden tot een ongunstigere rechtspositie van de vrouw en dat zou – bij gebreke van hoger beroep van de man op dit punt – in strijd zijn met het reformatio in peius-beginsel, dat inhoudt dat iemand niet slechter mag worden van diens hoger beroep. Ten aanzien van het eerste termijnbedrag van € 27.600,- staat vast dat de man op 30 december 2025 heeft betaald. Daarover is de man wettelijke rente verschuldigd vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van betaling.

6De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 3 gedeeltelijk en falen de andere grieven. Het hof zal de bestreden beschikking van 2 december 2025, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen, behoudens hetgeen de rechtbank heeft beslist onder 3.2 en 3.3, en beslissen zoals hierna in het dictum is geformuleerd.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betreft.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

7.1

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de tussenbeschikking van de rechtbank Overijssel van 27 maart 2024;

7.2

bekrachtigt de tussenbeschikking van de rechtbank Overijssel van 20 juni 2024;

7.3

bekrachtigt de eindbeschikking van de rechtbank Overijssel van 2 december 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, behalve de beslissing onder 3.2 met betrekking tot de zinsnede “en over het termijnbedrag van € 27.600,- vanaf vier weken na deze beschikking” en onder 3.3 die hierbij worden vernietigd;

7.4

veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag te betalen van € 248.404 uit hoofde van de verrekening van de huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;

7.5

veroordeelt de man om aan de vrouw de wettelijke rente te betalen over het onder 3.2 van de bestreden beschikking genoemde termijnbedrag van € 27.600,- vanaf 25 augustus 2025 tot en met 30 december 2025;

7.6

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.7

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

7.8

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, L. van Dijk en F.R. Menso, en is op 17 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1

Hoge Raad 2 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1012, rov. 3.5.3 en 3.5.4.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733