Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep waarin spoedmachtiging en machtiging uithuisplaatsing in accommodatie jeugdhulpaanbieder worden vernietigd. Het hof oordeelt dat de GI de kinderrechter onvolledig informeert over het strafrechtelijk locatieverbod en de risicotaxatie van ketenpartners, waardoor zelfstandig oordeel ontbreekt. Ultimum remedium niet nodig: minder ingrijpende plaatsing bij stiefmoeder volstaat. Verzoek GI tot plaatsing in accommodatie wordt afgewezen en machtiging tot plaatsing bij stiefmoeder wordt verleend tot 27 oktober 2026.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 25-09-2026 |
| Zaaknummer | 200.369.876/01 en 200.369.876/02 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Leeuwarden |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Vernietiging van de spoedmachtiging (en machtiging tot uithuisplaatsing) in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Het hof overweegt dat de GI de kinderrechter onvoldoende informatie heeft gegeven om deze in de gelegenheid te stellen zelfstandig een oordeel te vormen.Volledige uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.369.876/01 en 200.369.876/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 254649)
beschikking van 27 augustus 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. van Dijk te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling,
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (de GI),
locatie Leeuwarden.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1] (de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. K.J. Kanning te Assen,
en
[belanghebbende2] (de stiefmoeder),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Mulder te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.
1Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 27 maart 2026 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] voor de duur van vier weken uit huis te mogen plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Vervolgens heeft de kinderrechter op 22 april 2026 een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 oktober 2026. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2De feiten
De vader en de moeder hebben samen drie kinderen. Deze zaak gaat over hun oudste kind: [de minderjarige] , geboren [in] 2016.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] staat sinds november 2021 onder toezicht van de GI. De huidige maatregel loopt tot 25 januari 2027.
De relatie tussen de vader en de moeder is in juni 2023 verbroken. Tot september 2023 heeft [de minderjarige] met zijn zusje en broertje bij de moeder gewoond. Van september 2023 tot mei 2025 woonde [de minderjarige] in een pleeggezin. Zijn zusje en broertje woonden in een ander pleeggezin.
De vader is in 2024 getrouwd met de stiefmoeder. In april 2025 hebben zij een dochter gekregen. De stiefmoeder heeft een op dit moment 3-jarige zoon uit een eerdere relatie, die bij haar zijn hoofdverblijf heeft.
In mei 2025 zijn de vader en de stiefmoeder samen met [de minderjarige] en de andere twee kinderen in hun gezin een traject bij [naam1] gestart. [naam1] heeft geconcludeerd dat het woonperspectief van [de minderjarige] bij de vader en de stiefmoeder kan liggen.
Bij beschikking van 11 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te mogen plaatsen bij de vader. Deze machtiging is nadien verlengd tot 26 juni 2026.
De vader is op 1 maart 2026 aangehouden op verdenking van mishandeling van de stiefmoeder. Op dat moment is de vader een contact- en locatieverbod, gericht op de stiefmoeder en de kinderen in hun gezin en op de gezinswoning, opgelegd tot 29 maart 2026. Vanwege een eerdere veroordeling is de vader in verzekering gesteld.
Bij beschikking van 2 maart 2026 heeft de kinderrechter -op verzoek van de GI- een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefmoeder tot 30 maart 2026. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot een op 12 maart 2026 te houden zitting.
De voorlopige hechtenis van de vader is met ingang van 12 maart 2026 geschorst onder voorwaarden, waaronder een locatieverbod voor het gebied binnen een straal van 500 meter om het adres van de gezinswoning tot aan de strafzitting op 17 juli 2026.
Op de zitting van 12 maart 2026 heeft de GI het verzoek om [de minderjarige] voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling bij de stiefmoeder te mogen plaatsen ingetrokken, zodat de kinderrechter hierover niet meer hoefde te beslissen.
De GI heeft de kinderrechter vervolgens op 27 maart 2026 verzocht om een spoedmachtiging te verlenen om [de minderjarige] voor de duur van vier weken uit huis te mogen plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De GI heeft verder verzocht aansluitend een machtiging te verlenen om [de minderjarige] voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling uit huis te mogen plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
Bij mondeling vonnis van 17 juli 2026 is de vader veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. De bijzondere voorwaarden die hierbij gelden zijn -verkort weergegeven- dat de vader geen alcohol en verdovende middelen gebruikt, dat hij contact met de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland onderhoudt en dat hij zich laat behandelen door de forensische polikliniek van de GGZ, waarbij ruimte is voor agressieregulatie en systeemtherapie.
3De procedure bij de kinderrechter
Bij beschikking van 27 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te mogen plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
Bij beschikking van 22 april 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden, dat wil zeggen tot 27 oktober 2026, en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen zitting in oktober 2026.
De kinderrechter heeft beslist dat de machtigingen tot uithuisplaatsing mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
4De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt. De vader verzoekt het hof de verzoeken van de GI af te wijzen en een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefmoeder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ook heeft hij verzocht de tenuitvoerlegging van de beschikking van 22 april 2026 te schorsen totdat het hof in hoger beroep heeft beslist.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De moeder is het eens met de beslissingen van de kinderrechter. Ook zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter in stand laat.
De stiefmoeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij heeft zelfstandig hoger beroep ingesteld. De stiefmoeder verzoekt het hof om [de minderjarige] weer bij haar te plaatsen (zaaknummer 200.371.024/01). In de zaak van de stiefmoeder heeft het hof heden bij afzonderlijke beschikking uitspraak gedaan.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift ontvangen op 3 juni 2026;
-
een brief van de raad van 23 juni 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
-
het verweerschrift van de GI;
-
een journaalbericht van de vader van 16 juli 2026 met bijlage(n);
-
een brief van de vader van 28 juli 2026 met bijlage(n).
[de minderjarige] heeft op 5 augustus 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling een samenvatting van dit gesprek gegeven, waarna de aanwezigen hierop hebben kunnen reageren.
De zitting bij het hof was op 6 augustus 2026. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer 200.371.024/01, betreffende het hoger beroep van de stiefmoeder.
Aanwezig waren:
-
de vader, bijgestaan door mr. I.W. van Dijk, waarnemend voor A.J. van Dijk;
-
mr. K.J. Kanning namens de moeder;
-
de stiefmoeder, bijgestaan door mr. A. Mulder;
-
twee vertegenwoordigers van de GI.
5Het oordeel van het hof
Het schorsingsverzoek
Ter zitting heeft de vader het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 22 april 2026 ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de vader de gronden van het schorsingsverzoek niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn schorsingsverzoek (zaaknummer 200.369.876/02).
De machtigingen tot uithuisplaatsing
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van een kind of voor onderzoek van een kind
1.
De kinderrechter kan een dergelijke machtiging verlenen zonder de belanghebbenden vooraf op te roepen voor een mondelinge behandeling, wanneer die mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het kind
2.
Het hof is van oordeel dat aan de GI geen (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpverlener kon worden gegeven. De beslissingen van de kinderrechter zullen ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).
Het hof legt dit hierna uit.
De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] liep van 27 maart 2026 tot
24 april 2026.
Het hof stelt voorop dat een uithuisplaatsing een uiterste maatregel is met zeer ingrijpende gevolgen. Een dergelijke beslissing dient te worden genomen op basis van een zorgvuldige afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, waarbij alle betrokkenen in de gelegenheid worden gesteld hun visie te geven. Er kan zich echter een acute noodsituatie voordoen, die meebrengt dat een kind zodanig wordt bedreigd in zijn veiligheid op de korte termijn dat zonder hoor en wederhoor toe te passen een machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte periode dient te worden afgegeven: een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter is in een dergelijk geval voor een zorgvuldige beoordeling van de vraag of aan de gronden van een spoeduithuisplaatsing is voldaan, volledig afhankelijk van de door de verzoeker ter beschikking gestelde informatie. Andere belanghebbenden zijn immers voorafgaande aan de beslissing niet in de gelegenheid om de kinderrechter ook van informatie te voorzien. Het is dus van cruciaal belang dat de verzoeker, in dit geval de GI, de kinderrechter zeer zorgvuldig, volledig en transparant informeert.
De kinderrechter heeft geoordeeld dat een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk was en dat een zitting niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Redengevend hiervoor was de informatie van de GI, inhoudende dat het contact- en locatieverbod van de vader én de op dat moment geldende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefmoeder op 28 maart 2026 afliep. Bovendien zouden er volgens de GI concrete signalen zijn dat de vader van plan was met [de minderjarige] naar het buitenland te vluchten. Hierover overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt vast dat uit de stukken blijkt dat weliswaar het vanuit [naam2] opgelegde contact- en locatieverbod voor de vader op 29 maart 2026 zou aflopen, maar ook dat er nog een strafrechtelijk locatieverbod van kracht was. De voorlopige hechtenis van de vader was namelijk met ingang van 12 maart 2026 geschorst met onder meer als voorwaarde een locatieverbod (tot 500 meter van het woonadres van de stiefmoeder) tot aan de strafzitting op 17 juli 2026. De GI was ten tijde van het indienen van het verzoek van 27 maart 2026 bekend met deze informatie en had hiervan in dat verzoek melding moeten maken, maar dat is niet gebeurd. Of het strafrechtelijke locatieverbod onvoldoende bescherming bood aan [de minderjarige] , zoals de GI stelt, is een afweging die de GI bij de kinderrechter had moeten laten. Omdat de GI de kinderrechter hier niet over heeft geïnformeerd, kon de kinderrechter deze informatie echter niet betrekken bij de beoordeling of een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk was.
Over het potentiële vluchtgevaar van de vader met [de minderjarige] overweegt het hof dat het op de weg van de GI had gelegen om hierover met [naam2] en alle betrokkenen een gesprek aan te gaan om de kinderrechter juist en volledig te kunnen informeren. Dat de vader vlakbij Duitsland verbleef en dat hij in het verleden samen met de moeder wel eens was gevlucht voor instanties is op zichzelf onvoldoende om dat vluchtgevaar aan te nemen. Bovendien blijkt uit informatie van [naam2] van 3 april 2026, als reactie op het verzoek om de spoedmachtiging, dat de vader in afstemming met [naam2] , [naam4] en Veilig Thuis een aantal dagen in een hotel nabij de Duitse grens verbleef, dat de inschatting van [naam2] en de politie was dat de vader zijn uitspraak over het willen meenemen van [de minderjarige] naar opa vz als eerste reactie op de escalatie en in emotie deed en dat de vader zich heeft gehouden aan de gemaakte veiligheidsafspraken. [naam2] vermeldt daarbij dat het veiligheidsplan op 25 maart 2026 was afgerond en dat de samenwerkende instanties daarvan op de hoogte zijn gebracht. De GI was dus op de hoogte van deze informatie en van de inschatting van [naam2] en de politie van het veiligheidsrisico. Hoewel de GI op basis van informatie waarover [naam2] niet beschikte tot een andere inschatting kan komen, lag het op de weg van de GI om de kinderrechter wel te informeren over de visie van [naam2] en de politie, teneinde de kinderrechter in staat te stellen om daar zelf een afgewogen oordeel over te vormen.
De omstandigheid dat de geldende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefmoeder zou aflopen, vormt ook geen reden om zonder hoor en wederhoor een spoedmachtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpverlener te verlenen. De GI had het verzoek tot uithuisplaatsing bij de stiefmoeder voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling immers zélf op de zitting van 12 maart 2026 al ingetrokken. De spoedmachtiging voor plaatsing van [de minderjarige] bij de stiefmoeder liep tot 30 maart 2026. Van de GI mocht verwacht worden dat zij de beschikbare tijd zou benutten om een verlenging van de machtiging of een wijziging aan te vragen. Juist omdat de GI op 12 maart 2026 al vond dat [de minderjarige] elders moest worden geplaatst, had een toets met hoor en wederhoor moeten en kunnen plaatsvinden. Voor zover de noodzaak voor het verzoek om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing daarin bestond dat voor de GI (eerder) niet duidelijk was naar welke plek [de minderjarige] kon, overweegt het hof dat de GI ervoor had kunnen en moeten kiezen om een zodanige spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken die geen wijziging in de op dat moment bestaande situatie zou brengen.
Overigens merkt het hof op dat er bij de stiefmoeder nog twee andere kinderen woonden (en op dit moment nog steeds wonen). De zorgen over de situatie bij de stiefmoeder waren voor de GI kennelijk niet dusdanig dat er aanleiding was om op dat moment ook voor hun veiligheid (spoed)maatregelen te verzoeken of de raad te vragen een dergelijk verzoek te doen.
Het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat de kinderrechter zonder toepassing van hoor en wederhoor geen spoedmachtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan de GI had mogen geven. De beslissing van de kinderrechter zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd) en het hof zal het verzoek van de GI over de spoedmachtiging alsnog afwijzen.
De machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter heeft vervolgens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend tot 27 oktober 2026. Over deze machtiging overweegt het hof het volgende.
Een machtiging tot uithuisplaatsing is ultimum remedium, wat betekent dat deze alleen kan worden verleend als er geen minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn. Het hof overweegt dat [de minderjarige] veel heeft meegemaakt in zijn leven en veel instabiele situaties heeft gekend. [de minderjarige] is in de thuissituatie bij de ouders geconfronteerd met huiselijk geweld. In 2021 heeft de moeder met de drie kinderen van de ouders bij [naam3] verbleven voor een ouderschapsbeoordeling, maar die beoordeling is niet afgerond. Vervolgens heeft er opnieuw huiselijk geweld plaatsgevonden in de thuissituatie van de ouders en is [de minderjarige] zelf ook mishandeld door de vader. In mei 2023 is de moeder met de drie kinderen bij [naam1] ( [naam1] ) opgenomen. In augustus 2023 is die opname beëindigd, waarna de drie kinderen in september 2023 in pleeggezinnen zijn geplaatst. Omdat de plaatsing in het pleeggezin van [de minderjarige] tot een einde kwam, heeft met ingang van 9 mei 2025 een gezinsopname van de vader, [de minderjarige] de stiefmoeder, haar zoon en de dochter van de vader en de stiefmoeder bij [naam1] plaatsgevonden. Begin juni 2025 is [de minderjarige] samen met zijn vader, stiefmoeder en de andere twee kinderen naar huis gegaan en is het onderzoek van [naam1] in een ambulant kader voortgezet. Vanaf dat moment tot de plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder heeft [de minderjarige] in het gezin van de vader en de stiefmoeder dan wel in het gezin van de stiefmoeder gewoond.
Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] zich hier thuis en op zijn plek voelde, dat hij vriendjes had en met plezier naar school ging. Het hof overweegt dat [de minderjarige] na alles wat hij had meegemaakt voor het eerst stabiliteit ervaarde en minder het gevoel had er niet bij te horen. Het gevolg van de uithuisplaatsing is dat [de minderjarige] uit deze vertrouwde omgeving is gehaald. [de minderjarige] gaat bovendien sindsdien niet meer naar school, omdat er nog geen geschikte plek is gevonden. De GI heeft verteld dat [de minderjarige] op zijn vorige basisschool zou doubleren en dat nu gekeken wordt naar speciaal onderwijs. Er is echter, nu het nieuwe schooljaar aanvangt, nog geen uitsluitsel over wanneer [de minderjarige] weer zou kunnen beginnen met school en naar welke school hij dan zou kunnen. Ook de noodzakelijk geachte traumatherapie vindt nu geen doorgang. Eigenlijk staat sinds de uithuisplaatsing alles stil voor [de minderjarige] . Het hof acht dat niet in zijn belang.
Het hof is van oordeel dat [naam1] zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat een plaatsing van [de minderjarige] in het gezin van de vader en de stiefmoeder voldoende moet worden geacht. Daarbij moeten wel belangrijke afspraken worden gemaakt. De stiefmoeder is de stabiele factor in dit systeem.
De direct aanleiding voor de uithuisplaatsing is een gevolg van oplopende spanningen bij de vader die zijn uitgemond in huiselijk geweld. Dit in combinatie met de problematische voorgeschiedenis van huiselijk geweld en de alcoholproblematiek van de vader, brengt zorgen met zich. Daar staan echter mede vanwege de in de strafzaak opgelegde bijzondere voorwaarden de nodige waarborgen vanuit de reclassering en de GGZ tegenover. De vader heeft verteld dat hij veel baat heeft bij de medicatie en de behandeling die hij nu ontvangt. De stiefmoeder en de vader accepteren het toezicht hierop en accepteren intensieve hulpverlening in hun thuissituatie. Voor zover de GI stelt dat eerst een NIKA-onderzoek nodig is om de ouder-kind relatie en de hechtingspatronen van [de minderjarige] in kaart te brengen, overweegt het hof dat dit onderzoek nog niet is gestart en dat het bovendien de nodige tijd zal kosten. Afgezet tegen de informatie die al voorhanden is, acht het hof de daarmee gepaard gaande voortdurende onzekerheid en stilstand niet in het belang van [de minderjarige] .
Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan door [de minderjarige] bij zijn stiefmoeder uit huis te plaatsen in plaats van een verblijf van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Voor het hof weegt zwaar mee dat [de minderjarige] , als hij weer bij de stiefmoeder gaat wonen, terug kan naar de gezinssituatie waarin hij zich prettig voelde en naar zijn voormalige basisschool en dat bovendien de in gang gezette traumatherapie weer opgepakt kan worden. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefmoeder verlenen voor de periode waarover de kinderrechter heeft beslist, dus tot
27 oktober 2026.
Tijdens het gesprek met [de minderjarige] is naar voren gekomen dat hij graag per brief op de hoogte wil worden gesteld van de uitkomst van het hoger beroep. Het hof zal [de minderjarige] daarom een brief sturen waarin de beslissing wordt uitgelegd. Een afschrift van die brief zal als bijlage met deze beschikking aan de belanghebbenden worden toegestuurd.
6De beslissing
Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.369.876/02
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad;
In de zaak met zaaknummer 200.369.876/01
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 maart 2026 over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] alsnog af;
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 april 2026 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder alsnog af, en in zoverre opnieuw beschikkende;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de stiefmoeder tot
27 oktober 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, C. Coster en M. Kemmers, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 27 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
