Rechtbank Overijssel 09-09-2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5645

Essentie (gemaakt door AI)

GI verzoekt wijziging voorlopige zorgregeling: schorsing omgang en regie bij GI, wegens aangiftes tegen vader voor zedendelict; moeder is een van de aangevers. Begeleide omgang en evaluaties zijn positief. Ouders ontmoeten elkaar niet bij overdrachten; derden begeleiden. Kinderrechter oordeelt dat geen directe veiligheidsrisico’s voor de kinderen blijken en dat noodzaak tot ingrijpen ontbreekt. Verzoek GI wordt afgewezen; eerdere voorlopige regeling blijft gelden.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

GI verzoekt schorsing zorgregeling om aangiftes tegen vader voor zedendelict: rechter ziet geen risico's
GI verzoekt wijziging zorgregeling: schorsing omgang en regie bij GI wegens aangiftes tegen vader voor zedendelict; moeder is een van de aangevers. Rb: geen directe veiligheidsrisico’s voor kinderen gebleken. Geen noodzaak tot ingrijpen.

Datum publicatie24-09-2026
ZaaknummerC/08/351188 / JE RK 26-1444
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZwolle
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet;
Kinderen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Wijziging voorlopige zorgregeling op verzoek van GI, vanwege aangiftes tegen vader vanwege een zedendelict. Moeder is een van de aangevers. Begeleide omgang tussen vader en de kinderen is positief verlopen. Kinderrechter van oordeel dat veiligheid van de kinderen niet in het geding is. Verzoek GI afgewezen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zwolle

Zaaknummer: C/08/351188 / JE RK 26-1444

Datum uitspraak: 9 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

bijgestaan door haar advocaat mr. M. Van der Burg,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2],

bijgestaan door zijn advocaat mr. G.J.M. van Gent.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. G.J.M. van Gent;

  • mr. M. Van der Burg, advocaat van de vrouw;

  • [naam 1] namens de GI.

2De feiten

2.1.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 7 oktober 2026.

2.2.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 februari 2025 een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, bestaande uit begeleide omgangsmomenten en een opbouw daarvan. Na de opbouw van de regeling geldt een regeling waarbij de kinderen de ene week op zaterdag in [plaats 1] van 11:00 uur tot 18:00 uur bij de vader zijn, waarbij de vader ervoor zorgt dat de kinderen om 18:00 uur hebben gegeten en de andere week de omgang in [plaats 2] zal zijn waarbij de vader de kinderen op vrijdag om 13:00 uur in [plaats 1] ophaalt en ervoor zorgt dat de kinderen op de aansluitende zondag om 16:00 uur weer bij de moeder zijn. De wisselingen worden begeleid door [naam 2] of [naam 3] of een medewerker van GewoonZes Deze regeling geldt totdat in de bodemzaak zal zijn beslist of de ouders onderling in het gemeentelijk hulptraject anders zijn overeengekomen.

2.3.

De kinderrechter heeft, na een mondeling verzoek daartoe van de GI, op 3 september de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals vastgelegd bij beschikking van 3 februari 2025, voor de duur van twee weken geschorst en de regie over de zorg- en opvoedingstaken bij de GI gelegd, te weten tot 17 september 2026. De beslissing op het verzoek is voor het overige deel aangehouden.

3Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de door de kinderrechter op 3 februari 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat de huidige omgangsregeling wordt geschorst en de regie over zorg- en opvoedtaken bij de GI wordt belegd voor onbepaalde tijd en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4De standpunten

4.1.

De GI licht toe dat de man wordt verdacht van zedenfeiten. Er zijn aangiftes tegen de man gedaan en er loopt nog een onderzoek vanuit de politie. De GI acht het onverantwoord om vader onbegeleid contact te laten hebben met de kinderen. Wel is begeleide omgang in [plaats 1] mogelijk en de GI wil dat zo snel mogelijk organiseren. De eerdere begeleiders zijn ook nu bereid om dit op te pakken. De evaluaties van de begeleide omgangsmomenten waren positief over vader. Toch is de schorsing en wijziging van de regie nodig, ter geruststelling van moeder en haar systeem. De GI ervaart ook continu ‘ruis’ in de communicatie met vader. De GI benoemt te weten dat één van de aangiftes tegen de vader afkomstig is van de moeder en geen directe betrekking heeft op de kinderen. De inhoud van de twee andere aangiftes tegen vader is de GI onbekend. De GI bevestigt dat de overdracht van de kinderen niet in aanwezigheid van de vader en de moeder plaats heeft, maar dat dit gedaan wordt door derden.

4.2.

Moeder onderschrijft de verzoeken van de GI. Zij ervaart dat vader veel controle op haar en de kinderen uitoefent en dat brengt angst teweeg. Vader zoekt naar fouten die moeder zou maken en ook de kinderen zijn dan gespannen Zij wil graag begeleiding, ook bij de overdracht van de kinderen. Ondanks de positieve rapportage over de omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen is het voor moeder toch te onzeker dat onbegeleide omgang bij vader goed gaat. Zij heeft zorgen over het eten bij vader en over de veiligheid van de kinderen. Moeder is één van de aangevers tegen vader.

4.3.

Wat vader betreft is er geen enkele reden om het contact te schorsen. Hij ontkent de strafrechtelijke beschuldigingen. Bovendien houden de strafrechtelijke beschuldigingen geen enkel verband met de kinderen en zijn het beschuldigingen die volgens de aangeefsters al langer geleden plaatsgevonden zouden moeten hebben. De vader brengt naar voren dat de moeder tezamen met twee andere ex-partners van vader bezig is met een soort ‘hetze’ tegen de vader en dat om die reden de aangiftes tegen vader zijn gedaan. De veiligheid van de kinderen is op geen enkele manier in het geding. De ouders treffen elkaar niet bij de overdracht, omdat hier derden voor zijn ingeschakeld. De angst voor escalatie tussen ouders bij een overdracht is dus onterecht. Vader voelt zich onvoldoende gehoord door de GI, terwijl hij veel zorgen heeft over de opvoedsituatie bij moeder. De kinderen staan in goed contact met hun vader, dat blijkt wel uit de verslagen betreffende de omgang. Ook nadat de aangiftes bekend zijn geworden, blijft de begeleider van de omgang bij zijn positieve verklaring en hij blijft ook actief betrokken bij de komende contactmomenten. Vader is daar blij mee. Dit verzoek van de GI is niet in het belang van de kinderen.

5De beoordeling

5.1.

De kinderrechter kan een bestaande zorgregeling op verzoek van de GI wijzigen voor zover dit in het belang van de kinderen noodzakelijk is indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het verzoek om het contact tussen de vader en de kinderen nu te schorsen is vooral gebaseerd op de aangiftes tegen vader. Uit de toelichting van de vader en de GI maakt de kinderrechter op dat er geen sprake is van een strafrechtelijke verdenking waarbij de veiligheid van de kinderen bij de vader direct in het geding zou zijn. De verslagen van de begeleider van de omgang zijn zeer positief. Bovendien is gebleken dat er geen direct contact is tussen de ouders onderling aangaande de uitvoering van de zorgregeling. De overdrachten worden georganiseerd door derden. Voor escalaties tussen de ouders (in het bijzijn van de kinderen) hoeft dus niet gevreesd te worden. Van enige noodzaak om in te grijpen op een positief lopende regeling is de rechtbank niet gebleken. De voorlopige regeling zoals vastgesteld bij beschikking van 3 februari 2025 blijft gelden. De rechtbank wijst het verzoek van de GI af.

5.2.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek van de GI tot schorsing en wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken af;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.E. Schaap, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026, in aanwezigheid van mr. M.C. Dorresteijn als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 23 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733