Essentie (gemaakt door AI)
Kort geding over wijziging van een bij (tussen)beschikking voorlopig vastgestelde zorgregeling. Vrouw vraagt aanpassing woensdagoverdracht wegens zwemles en vervangende toestemming voor inschrijving ZwemABC. Voorzieningenrechter oordeelt dat geen spoedeisend belang bestaat, nu vrouw na vaststelling regeling eigenmachtig lessen op omgangsmoment plant en zo de situatie zelf creëert. Vorderingen worden afgewezen. Vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad beperkt tot de kostenveroordeling.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 24-09-2026 |
| Zaaknummer | C/02/448596 / KG ZA 26-268 |
| Procedure | Kort geding |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Zorgregeling / omgang / informatie |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wijziging voorlopige zorgregeling wegens gebrek aan spoedeisend belang. Eiseres heeft de situatie zelf gecreëerd. Proceskostenveroordeling.Volledige uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTTeam Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/448596 / KG ZA 26-268
14 juli 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. J. Koenen te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. A. van Tol-Macharoblishvili te Tilburg.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), locatie Tilburg.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 7 producties;
- de conclusie van antwoord met 6 producties.
De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting van 30 juni 2026 – met gesloten deuren – mondeling behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Ter zitting is de vrouw met haar advocaat verschenen. Tevens is de man met zijn advocaat verschenen. Ook zijn twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig geweest.
Aan een stagiaire van mr. Van Tol-Macharoblishvili is bijzondere toegang verleend om de zitting als toehoorder bij te wonen, nu niemand daartegen bezwaar heeft gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
Bij deze rechtbank is een bodemprocedure tussen partijen aanhangig over het hoofdverblijf van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zaaknummer C/02/394320 / FA RK 22-481). Bij (tussen)beschikking van 28 juli 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht onderzoek te doen ter beantwoording van de in die beschikking genoemde vragen. Daarbij is de zaak voor (verdere) behandeling en beslissing verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
Voorts is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In de periode dat [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat:
-
in de even weken van donderdag om 12.15 uur tot zondag om 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige] op donderdag bij de peuterspeelzaal ophaalt en de vrouw [minderjarige] op zondag ophaalt bij de man;
-
in de oneven weken van donderdag om 12.15 uur tot vrijdag 18.30 uur (na het avondeten), waarbij de man [minderjarige] op donderdag bij de peuterspeelzaal ophaalt en hij [minderjarige] op vrijdag terugbrengt naar de vrouw (uiterlijk om 19.00 uur is [minderjarige] dan terug bij de vrouw);
In de periode dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:
-
in de even weken van donderdag na school tot maandagochtend naar school, waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij en terugbrengt naar de basisschool, (behalve als er geen school is, dan haalt de man [minderjarige] op donderdag om 10.00 uur op bij de vrouw en haalt de vrouw [minderjarige] op maandag om 10.00 uur op bij de man);
-
in de oneven weken van woensdag na school tot donderdagochtend naar school waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij en terugbrengt naar de basisschool, (behalve als er geen school is, dan haalt de man [minderjarige] op woensdag om 12.00 uur op bij de vrouw en haalt de vrouw [minderjarige] op donderdag om 10.00 uur op bij de man);
Daarbij is de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 75,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet meewerkt aan de vastgestelde voorlopige verdeling van de zorg- en ouderschapstaken, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt.
Het onderzoek van de Raad bevindt zich in de afrondende fase. Blijkens de concept-rapportage d.d. 5 juni 2026 adviseert de Raad onder meer om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man te bepalen.
Bij beschikking van 19 juni 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 15 december 2025 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 19 december 2026.
Op 12 juni 2026 is door de GI een verzoek ingediend tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader (zaaknummer C/02/449296 / JE RK 26-1045). Dat verzoek zal mondeling behandeld worden op 7 juli 2026.
3De vorderingen
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat de bij beschikking van de rechtbank van 28 juli 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling wijzigt, in die zin dat op de woensdag in de oneven weken de overdracht aan de man plaatsvindt na afloop van de zwemles van [minderjarige] ;
2. aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] voor deelname aan het reguliere ZwemABC-traject vanaf najaar 2026 op de woensdag op de zwemschool in [woonplaats 1] ;
3. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Door en namens de vrouw is daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat zij respecteert dat er contact tussen de man en [minderjarige] moet zijn, maar dat de thans geldende woensdagregeling, gelet op de actuele omstandigheden, niet langer in het belang is van [minderjarige] . [minderjarige] volgt inmiddels op woensdag zwemles, maar de man weigert mee te werken aan een praktische aanpassing van de regeling en weigert ook om [minderjarige] tijdens zijn omgang zelf naar zwemles te brengen. Tegelijkertijd houdt de man vast aan de bestaande regeling en int hij dwangsommen wanneer de vrouw [minderjarige] vanwege zwemles niet op het door hem gewenste tijdstip meegeeft. De vrouw merkt hierbij op dat [minderjarige] zich ten tijde van de beschikking van juli 2025 nog in een vrijblijvend peuterzwemtraject bevond, maar nu een traject gericht op het behalen van het “watervrij”-niveau volgt om na de zomer van 2026 te kunnen starten met het reguliere ZwemABC-traject. De huidige lessen hebben niet langer slechts een recreatief karakter, maar vormen een noodzakelijke voorbereidende stap richting reguliere zwemveiligheid en zwemonderwijs. Volgens de vrouw heeft zij geprobeerd om de zwemlessen op een andere dag te regelen, maar dan was alleen de zaterdag een mogelijkheid. Dan zou er een vergelijkbaar probleem ontstaan.
Tussen partijen bestaat inmiddels ook een concreet geschil over deelname van [minderjarige] aan structureel zwemonderwijs. De man weigert toestemming te geven voor deelname van [minderjarige] aan het reguliere ZwemABC-traject. De vrouw is van mening dat deelname daaraan in het belang van [minderjarige] noodzakelijk en wenselijk is.
Het traject waarvoor de vrouw toestemming verzoekt betreft een vaste wekelijkse les op woensdag. Het exacte tijdstip is op dit moment nog niet definitief bekend, maar de lessen zullen in ieder geval uiterlijk omstreeks 18.00 uur eindigen.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. De man vordert de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat.
Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, kort samengevat, aan dat deze procedure niet op zichzelf staat. Partijen zijn sinds de geboorte van [minderjarige] verwikkeld in een groot aantal gerechtelijke procedures. De bodemprocedure bevindt zich in de afrondende fase. Tegen deze achtergrond probeert de vrouw via een kort geding procedure een wijziging van de bestaande regeling te verkrijgen vanwege een door haarzelf uitgekozen activiteit op de woensdagmiddag. De vrouw wist sinds juli 2025 dat op woensdag omgang plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] . Desondanks heeft zij [minderjarige] ingeschreven voor zwemles op hetzelfde tijdstip waarop al een door de rechter vastgestelde regeling gold. Naar de mening van de man kan deze door de vrouw zelf gecreëerde samenloop van omstandigheden niet leiden tot het aannemen van een spoedeisend belang en is een kort geding niet bedoeld om vooruit te lopen op de beslissing in de bodemprocedure. Voor wat betreft de vordering van de vrouw voor vervangende toestemming acht de man eveneens geen spoedeisend belang aanwezig.
In het conceptadvies van de Raad wordt geadviseerd om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man te bepalen en daarbij een passende zorgregeling vast te stellen. Tegen die achtergrond acht de man het ook prematuur om vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure de huidige zorgregeling aan te passen ten behoeve van een buitenschoolse activiteit, terwijl bovendien niet vaststaat dat [minderjarige] op termijn nog in [woonplaats 1] zal verblijven en aldaar zwemonderwijs zal volgen. Naar de mening van de man kan het traject van zogenoemd “watervrij” worden niet op één lijn worden gesteld met een zodanig zwaarwegend belang dat een bestaande rechterlijke zorgregeling daarvoor zou moeten wijken. Daarbij begrijpt de man niet waarom de vrouw om vervangende toestemming vraagt voor de inschrijving van de zwemlessen in [woonplaats 1] , terwijl [minderjarige] in [plaats] zwemt. Bovendien kunnen de zwemlessen ook op de vrijdagen gevolgd worden.
De GI en de Raad zijn van mening dat de bij beschikking van 28 juli 2025 vastgestelde voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] moet prevaleren boven de door de vrouw gewenste zwemlessen van [minderjarige] .
4De beoordeling
De voorzieningenrechter dient allereerst te beoordelen of de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, hetgeen door de vrouw wordt gesteld en door de man wordt betwist.
De voorzieningenrechter constateert dat de rechtbank in de lopende bodemprocedure bij beschikking van 28 juli 2025 een voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] heeft vastgesteld, op grond waarvan de man en [minderjarige] in de oneven weken van woensdag na school tot donderdagochtend naar school gerechtigd zijn tot contact met elkaar. Ondanks deze door de rechtbank vastgestelde regeling heeft de vrouw een paar maanden daarna, zo heeft zij ook ter zitting erkend, eigenmachtig besloten om [minderjarige] op woensdag naar een door haarzelf uitgekozen zwemschool te laten gaan. Zij heeft daarmee het belang van [minderjarige] en de man om contact met elkaar te hebben geschonden. Het had op de weg van de vrouw gelegen eerst overleg met de man te voeren en indien de ouders het niet met elkaar eens zouden worden ofwel een dag uit te kiezen waarop de man en [minderjarige] geen omgang met elkaar zouden hebben ofwel een wijziging van de zorgregeling aan de rechtbank te verzoeken. Het is belangrijk dat een kind leert zwemmen, maar [minderjarige] was op het moment dat de vrouw hem heeft ingeschreven bij de zwemschool pas drie jaar oud, zodat het daarnaast ook maar de vraag is of er een dringende noodzaak was al met zwemles te starten. De vrouw is tegen de beslissing van de rechtbank van 28 juli 2025 ingegaan en zij wist dat de man het er niet mee eens was. De voorzieningenrechter kan dan ook niet anders dan constateren dat de vrouw de ontstane situatie zelf heeft gecreëerd. Deze door de vrouw zelf gecreëerde samenloop van omstandigheden kan niet leiden tot het aannemen van een spoedeisend belang bij haar vorderingen. De vorderingen van de vrouw zullen daarom bij gebreke van een spoedeisend belang worden afgewezen.
Partijen hebben ieder gevorderd de ander in de kosten van de procedure te veroordelen. Uitgangspunt in familiezaken is dat, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw in de onderhavige procedure nodeloos heeft geprocedeerd, en ziet daarom ook gezien eerdere procedures aanleiding om van het voornoemde uitgangspunt af te wijken en de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van dit geding.
De kosten aan de zijde van de man worden begroot op:
Griffierecht € 337,00
Voor salaris advocaat € 956,00 (2,0 punten x tarief € 478,00)
------------
Totaal € 1293,00
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van de vrouw af;
veroordeelt de vrouw in de proceskosten en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de man op € 1.293,= (zegge: éénduizend tweehonderd en drieënnegentig euro);
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pellikaan, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
