Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5840

Essentie (gemaakt door AI)

Naamrecht. Moeder verzoekt op grond van art. 1:27 BW om gelasten akte naamskeuze gecombineerde geslachtsnaam voor drie erkende kinderen. Ambtenaar weigert wegens overgangsrecht WIGG (oudste kind vóór 1-1-2016). Hof past artikel IIIB lid 1 WIGG strikt toe en acht toetsing aan evenredigheids-, gelijkheids- en vertrouwensbeginsel uitgesloten door artikel 120 Grondwet. Geen toezegging of gelijke gevallen. Geen schending artikel 8 EVRM. Bekrachtiging afwijzing; meer of anders verzochte afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Geen gecombineerde geslachtsnaam door overgangsrecht WIGG
Moeder verzoekt voor drie erkende kinderen gecombineerde geslachtsnaam. ABS weigert: oudste geboren vóór 2016. Hof past overgangsrecht WIGG strikt toe. Geen schending algemene rechtsbeginselen of art. 8 EVRM. Afwijzing blijft in stand.

Datum publicatie23-09-2026
Zaaknummer200.364.749
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenOverig; Geslachtsnaam (art. 1:5 t/m 1:9 BW)
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Naamrecht, gecombineerde geslachtsnaam, overgangsrecht, artikel 1:27 BW, artikel IIIB lid 1 WIGG, artikel 8 EVRM, evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, toetsingsverbod artikel 120 Grondwet

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.364.749

(zaaknummer rechtbank Gelderland 453360)

beschikking van 10 september 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,

advocaat: mr. F.C. Hoogeveen,

en

de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente [gemeentenaam] (de ambtenaar van de burgerlijke stand),

en

[belanghebbende] (de vader),

die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

als adviseur van het hof.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 november 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (de bestreden beschikking).

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026;

- het verweerschrift;

- de spreekaantekeningen van mr. F.C. Hoogeveen.

2.2

De voorzitter en een griffier van het hof hebben op 8 juni 2026 gesproken met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De kinderen hebben onder meer verteld wat zij vinden van hun achternaam.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 9 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader;

- twee ambtenaren van de burgerlijke stand en een juridisch adviseur van de gemeente [gemeentenaam] .

3De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015,

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019,

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2019,

- [de minderjarige4] , geboren [in] 2020,

- [de minderjarige5] , geboren [in] 2023.

3.2

De vader heeft [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] erkend. [de minderjarige4] en [de minderjarige5] zijn niet door de vader erkend. De moeder heeft alleen het gezag over (alle vijf) de kinderen.

3.3

De ouders hebben de ambtenaar van de burgerlijke stand verzocht om de achternaam van alle vijf de kinderen aan te passen naar een dubbele (gecombineerde) achternaam, namelijk [gecombineerde geslachtsnaam]. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft het verzoek voor de drie erkende kinderen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] afgewezen bij besluit van 30 december 2024. De ambtenaar heeft de andere twee kinderen niet bij het besluit betrokken, omdat zij niet erkend zijn. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft als reden voor de afwijzing gegeven dat het oudste kind van verzoekers is geboren vóór 1 januari 2016, waardoor het gezin niet voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling van de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG), omdat die regeling alleen geldt voor gezinnen waarvan het oudste kind is geboren tussen 1 januari 2016 en 31 december 2023.

4De omvang van het geschil

4.1

De moeder heeft de rechtbank verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het beroep gegrond te verklaren;

II. het besluit van 29 januari 2025 (de rechtbank en het hof lezen: 30 december 2024) van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] te vernietigen;

III. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] op grond van artikel 1:27 Burgerlijk Wetboek (BW) te gelasten om alsnog een akte van naamskeuze gecombineerde geslachtsnaam op te maken voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

4.2

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de geslachtsnaam van alle drie de kinderen te wijzigen in een dubbele (gecombineerde) achternaam afgewezen.

4.4

De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en komt daarom in hoger beroep. De moeder verzoekt het hof om het besluit van 30 december 2024 van de ambtenaar van de burgerlijke stand te vernietigen en het verzoek om de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] te gelasten om een akte van naamkeuze gecombineerde geslachtsnaam op te maken voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] alsnog toe te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder het hof om een beslissing te nemen over de proceskosten.

4.5

De vader is het eens met de verzoeken van de moeder.

4.6

De ambtenaar van de burgerlijke stand voert verweer en stelt dat er geen wettelijke grondslag is om de verzoeken van de moeder toe te kennen.

5De motivering van de beslissing

Juridisch kader

5.1

Artikel 1:27 BW geeft de mogelijkheid de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de rechter voor te leggen.

5.2

Artikel 1:5 BW geeft regels over de wijze waarop een kind zijn geslachtsnaam verkrijgt. Als een kind twee juridische ouders heeft, geeft de wet voor de geslachtsnaam van dat kind keuzemogelijkheden. Het is aan deze ouders om een keuze te maken, die zij tot uitdrukking brengen door daarover gezamenlijk een verklaring af te leggen op specifieke door de wet genoemde momenten, zoals bij de aangifte van de geboorte van een kind, bij de erkenning van een kind of bij de adoptie van een kind. Als de ouders geen keuze maken, bepaalt dit artikel welke geslachtsnaam het kind zal dragen door middel van een zogeheten ‘vangnetnorm’.

5.3

Op 1 januari 2024 is de WIGG in werking getreden. Door deze wet is artikel 1:5 BW aangevuld met de mogelijkheid voor de ouders om hun kind een gecombineerde geslachtsnaam te geven, bestaande uit een combinatie van (een van) de geslachtsnamen van de beide ouders.

5.4

De WIGG voorziet (tijdelijk) in de mogelijkheid om kinderen die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn geboren, erkend of geadopteerd en voor wie de ouders dus al eerder een naamkeuze hebben kunnen maken, alsnog een gecombineerde geslachtsnaam te geven. Uit artikel IIIB lid 1 van de WIGG volgt dat tot 1 januari 2025 kinderen van dezelfde (juridische) ouders een gecombineerde geslachtsnaam kunnen krijgen als voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:

a. de ouders verklaren gezamenlijk dat hun kind een gecombineerde geslachtsnaam behoort te krijgen en hoe die gecombineerde geslachtsnaam zal luiden, en;

b. het oudste kind van de ouders is geboren op of na 1 januari 2016 maar voor 1 januari 2024, en

c. de door de ouders afgelegde verklaring betreft al hun kinderen.

Hoe oordeelt het hof?

5.5

Bij de geboorte van de kinderen was het in de wet geregeld dat ouders kunnen kiezen voor de achternaam van de vader of die van de moeder. 1 De ouders hebben destijds ervoor gekozen om het oudste kind, [de minderjarige1] , de achternaam van de vader te geven. Kinderen in het

gezin die daarna worden geboren en die in dezelfde familierechtelijke betrekking staan,

krijgen op grond van de wet dezelfde achternaam als het oudste kind, zodat er eenheid is

binnen het gezin. Zodoende hebben [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ook de achternaam [geslachtsnaam vader] gekregen.

Omdat [de minderjarige4] en [de minderjarige5] niet door de vader zijn erkend, dragen zij de achternaam [geslachtsnaam moeder] .

5.6

Het oudste kind [de minderjarige1] is geboren voor 1 januari 2016, waardoor de overgangsregeling van de WIGG niet van toepassing is op [de minderjarige1] en dus ook niet op [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

5.7

De moeder vindt dat het strikt toepassen van de overgangsregeling in de situatie van haar gezin in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Ook vindt de moeder dat de afwijzing van haar verzoek een ongeoorloofde inbreuk is op het recht op gezins- en familieleven en het recht op identiteit, als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM) .

Evenredigheidsbeginsel

5.8

Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof als volgt. De voorwaarden in de WIGG, zoals vermeld onder 5.4 en in het bijzonder de leeftijdsgrens in sub b, zijn dwingend geformuleerd. Dit betekent dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet eraan in de weg staat dat (een bepaling uit) een wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Aangezien de WIGG een wet in formele zin is, kunnen de voorwaarden niet worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Alleen indien er bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien de niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. 2

5.9

Uit de stukken van de Tweede Kamer blijkt dat de leeftijdsgrens voor de overgangsregeling onderdeel is geweest van discussie. In de Tweede Kamer waren er praktische bezwaren om de overgangsregeling te laten gelden met terugwerkende kracht voor iedereen. Daarbij werd rekening gehouden met het feit dat hoe ouder iemand is, hoe meer een achternaam al betekenis heeft. Uit het wetsvoorstel van 1 juli 2022 blijkt

dat de overgangsregeling in eerst instantie zou gelden voor gezinnen waarbij het oudste kind

is geboren op of na 29 januari 2019. De leeftijdsgrens lag toen dus op vijf jaar. De minister

heeft ter onderbouwing van die leeftijd aangegeven dat de achternaam onderdeel is van

iemands identiteit en dat met het wijzigen van de achternaam van een kind daarom terughoudend moet worden omgegaan, ook in de rechtspraak. De gedachte bij een

leeftijdsgrens van vijf jaar was dat kinderen zich op die leeftijd nog niet zo bewust zijn van hun achternaam.

5.10

De overgangsregeling is na amendement en discussie daarover in de Tweede Kamer uitgebreid naar een leeftijdsgrens van acht jaar. 3 Een verdere uitbreiding in leeftijd achtte de minister niet wenselijk. Hierbij is meegewogen dat oudere kinderen zich al bewust zijn van hun naam en een wijziging daarvan voor hen ingrijpend zou kunnen zijn. Ook woog mee dat kinderen ouder dan acht jaar door de kinderrechter moeten worden gehoord, wat belastend voor hen kan zijn en hen mogelijk zelfs in een loyaliteitsconflict kan brengen.

5.11

De overgangsregeling is expliciet bedoeld voor gezinnen waarvan het oudste kind is geboren tussen 1 januari 2016 en 31 december 2023. Uit de toelichting en de kamerstukken blijkt dat deze beperking in de wet is opgenomen om een duidelijke en afgebakende groep in aanmerking te laten komen voor de regeling.

5.12

Het hof stelt vast dat de wetgever dus goed heeft nagedacht over de leeftijdsgrens. De moeder heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever bij het bepalen van de leeftijdsgrens. Dat de kinderen zelf al een dubbele achternaam gebruiken en dat er nu binnen het gezin geen eenheid is, zoals de moeder stelt, zijn niet zodanig bijzondere omstandigheden dat er alsnog aan de toetsing van het evenredigheidsbeginsel toegekomen zou kunnen worden. Deze omstandigheden zijn immers het gevolg van de keuzes van de moeder en de vader. Ook de stelling dat de wetgever met de specifieke situatie van het gezin geen rekening heeft gehouden, maakt niet dat alsnog aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst. Het is voor de wetgever niet mogelijk om, bij het maken van wetten, met ieder individueel geval rekening te houden. Dat dit niet is gebeurd, is dus ook geen bijzondere omstandigheid. De wetgever heeft nu eenmaal heel bewust een afgebakende groep onder de overgangsregeling laten vallen, waarbij zoveel mogelijk rekening is gehouden met de voor- en nadelen van deze grens.

Gelijkheidsbeginsel

5.13

De moeder vindt dat het besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Volgens de moeder wordt nu onderscheid gemaakt tussen ouders die een huwelijk en of een geregistreerd partnerschap aangaan en ouders die dit niet doen. Ouders die trouwen kunnen namelijk wel aan hun kinderen, ook als zij zijn geboren voor 2016, een gecombineerde geslachtsnaam geven. Ook vindt de moeder dat er onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen die jonger zijn dan acht jaar en geen oudere broer of zus hebben en kinderen die jonger zijn dan acht jaar en wel een oudere broer of zus hebben. De kinderen die jonger zijn dan acht jaar en die geen oudere broer(s) of zus(sen) hebben kunnen namelijk wel een gecombineerde geslachtsnaam krijgen, omdat de WIGG dan wel van toepassing is.

5.14

Het hof overweegt als volgt. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat het erom of er in juridisch opzicht sprake is van gelijke gevallen die ten onrechte ongelijk zijn behandeld. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. De vader en de moeder zijn niet getrouwd, zijn geen geregistreerd partnerschap aangegaan en willen dit ook niet. Hun situatie is daarom niet gelijk aan de situatie van gehuwden of mensen die er alsnog voor kiezen te gaan trouwen. Trouwen en een geregistreerd partnerschap hebben nu eenmaal andere rechtsgevolgen dan samenwonen. Alleen al daarom is er geen sprake van gelijke gevallen.

De moeder benoemt ook geen concreet (in haar ogen) gelijk geval voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel, zodat het beroep daarop onvoldoende is onderbouwd.

De door haar beschreven hypothetische situatie waarin mensen hetzelfde resultaat willen en daarom alsnog trouwen, is geen gelijk geval juist omdat de moeder en de vader niet getrouwd zijn en dat ook niet willen. Voor zover de moeder overigens heeft bedoeld aan te voeren dat er een ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die trouwen en mensen die niet trouwen, heeft zij dit standpunt onvoldoende onderbouwd.

Vertrouwensbeginsel

5.15

Verder beroept de moeder zich op het vertrouwensbeginsel. De moeder vindt namelijk dat er toezeggingen zijn gedaan door de publiekspersvoorlichter van de Rijksoverheid en een medewerker van het ministerie van Justitie en Veiligheid die haar de hoop en verwachting hebben gegeven dat de WIGG van toepassing zal zijn voor haar kinderen. De moeder heeft op de zitting verteld dat als zij niet verkeerd zou zijn ingelicht door de overheidsinstanties, zij er niet voor zou hebben gekozen om de kinderen een dubbele achternaam te laten gebruiken in het dagelijks leven.

5.16

Het hof overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 4 dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? De tweede stap betreft de vraag of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus sprake is van een gerechtvaardigde verwachting, volgt de derde stap met een belangenafweging.

5.17

Het hof is van oordeel dat uit de stukken niet blijkt dat aan de moeder een toezegging is gedaan. In de mail van de publieksvoorlichter van 29 juni 2022 wordt duidelijk geschreven dat er sprake is van een wetsvoorstel om dubbele achternamen toe te staan. Uit het feit dat wordt gerefereerd aan een wetsvoorstel, blijkt naar het oordeel van het hof dat er geen sprake is van een toezegging. Bovendien wist of had de moeder moeten weten dat een publieksvoorlichter niet het bevoegde bestuursorgaan is om dergelijke toezeggingen te doen. Dus zelfs al zou de moeder in de mail een toezegging kon lezen, kan die toezegging niet aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend. Dat geldt ook voor de verwijzing naar het telefoongesprek met [naam] van de afdeling burgerzaken/burgercontact van het Ministerie van Justitie, waarvan overigens de onderbouwing ontbreekt. Volgens de moeder heeft deze contactpersoon gezegd dat gemeenten soepel met de overgangsregeling zouden omgaan. Naar het oordeel van het hof is dit ook geen toezegging en bovendien blijkt uit die mededeling dat een ander bestuursorgaan het bevoegde bestuursorgaan is, namelijk de gemeente. Dus zelfs al zou hierin een toezegging worden gezien, dan kan een dergelijke mededeling niet aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

5.18

De ouders en de kinderen hechten veel waarde aan een gecombineerde geslachtsnaam zodat er eenheid binnen het gezin is en de namen van beide ouders worden doorgegeven aan de kinderen. Er ontbreekt nu eenheid binnen het gezin en dat is in strijd met artikel 8 van het EVRM.

5.19

Ook is volgens de moeder het besluit in strijd met de belangen van de kinderen en wordt het te dienen doel van de overgangsregeling in deze specifieke situatie juist gewaarborgd bij afwijking van de overgangsregeling. De kinderen gebruiken al een gecombineerde geslachtsnaam. Zij identificeren zich hier dus al mee. Als het verzoek van de moeder wordt afgewezen zullen zij hun huidige naam niet meer kunnen gebruiken, wat juist tot verwarring zal leiden. De moeder vindt dan ook dat er sprake is van een onrechtmatige inmenging in het recht op identiteit van de kinderen.

5.20

Het hof stelt vast dat het naamrecht onder de bescherming van artikel 8 EVRM valt. In artikel 8 EVRM is geregeld dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In lid 2 is geregeld dat inmenging onder voorwaarden toegestaan is. Het hof is van oordeel dat inmenging in dit geval rechtmatig is. Tijdens de geboorte van de kinderen konden de ouders een keuze maken voor een geslachtnaam van één van de ouders. Die keuze hebben zij ook gemaakt. Hun wens voor een gecombineerde geslachtsnaam was destijds op grond van de wet niet mogelijk.

5.21

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft eerder geoordeeld dat wetgeving waarin de ouders konden kiezen uit één geslachtsnaam niet in strijd is met artikel 8 EVRM. 5 De discussie in die zaak ging weliswaar over de vraag of de wet, waarin is bepaald dat het kind de geslachtsnaam van de vader krijgt als ouders geen keuze maken, tot ongelijke behandeling leidt, maar het EHRM wijst er in die uitspraak ook op dat de wetgever beoordelingsvrijheid heeft. Die vrijheid houdt in dat de overheid nu eenmaal keuzes moet maken om zaken te reguleren. De oude wet, die beperkter was dan de WIGG, is dus niet in strijd met artikel 8 EVRM. De wetgever heeft met de WIGG een uitgebreidere regeling getroffen naar aanleiding van veranderende opvattingen in de samenleving. Daartoe bestond geen verplichting vanuit internationale regelgeving, zoals het EVRM. Dat maakt ook dat het hof van oordeel is dat de terugwerkende kracht, die is beperkt tot een bepaalde leeftijd, niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De oude, beperktere, regeling volstond immers ook. Zoals eerder overwogen heeft de wetgever een weloverwogen keuze gemaakt met betrekking tot de leeftijdsgrens.

5.22

Verder overweegt het hof dat de ouders sinds de geboorte van de kinderen in feite een situatie hebben gecreëerd die niet strookte met de toen geldende regelgeving door een gecombineerde geslachtsnaam te gebruiken. Daarnaast hebben zij ervoor gekozen de jongste twee kinderen niet door de vader te laten erkennen. Hierdoor hebben deze twee kinderen formeel een andere achternaam en is er op dit punt nu geen eenheid binnen het gezin. Het hof is van oordeel dat als gevolg van de keuze van de ouders de kinderen zich nu identificeren met een gecombineerde geslachtsnaam. Deze keuzes maken niet dat er vervolgens sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging.

De mening van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3]

5.23

In het gesprek hebben [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] duidelijk gemaakt dat zij gewend zijn aan de naam [gecombineerde geslachtsnaam] en dat zij het belangrijk vinden dat dit hun officiële naam wordt. Ook omdat zij dan de naam van hun grootouders van de kant van de moeder terugzien in hun naam. Zij vonden het niet eerlijk en niet begrijpelijk dat andere kinderen uit hun omgeving wel de achternamen van hun beide ouders kunnen voeren. Hoe overtuigend zij dit ook verteld hebben, het leidt niet tot een andere beslissing omdat het hof vindt dat de wet niet op een andere manier kan worden toegepast dan de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft gedaan.

Op de zitting is met de ouders afgesproken dat zij de beslissing van het hof aan de kinderen vertellen.

Conclusie

5.24

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van de moeder niet slaagt. Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking in stand moet blijven en zal beslissen als volgt.

Proceskosten

5.25

Het hof is vanwege de aard van de zaak van oordeel dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen (compensatie van proceskosten).

6De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

6.1

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 10 november 2025;

6.2

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;

6.3

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, D.J.M. Van de Voort en

L.R. Davila Talavera, bijgestaan door mr. A. Turan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.

1

Artikel 1:5 BW

2

Zie de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047 en ECLI:NL:CRVB:2026:908

3

Handelingen II, 2021/22, nr. 105, item 3

4

ECLI:NL:RVS:2019:1694, onder rechtsoverweging 11

5

EHRM 27 april 2000, nr. 42973/98, ECLI:CE:ECHR:2000:0427DEC004297398

(Bijleveld/Nederland)



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733