Essentie (gemaakt door AI)
Vonnis in affectieve-relatiezaak waarin tegenbewijs is geleverd tegen de aktepassage dat vrouw reeds €50.000 in de woning investeert; dat deel van haar vordering op grond van artikel 6 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst is niet toewijsbaar. Beoordeling verschuift naar artikel 6 lid 2: vrouw mag bij akte toelichten welke aanvullende investering is gedaan; man mag reageren. Reconventie: aanspraak man op vergoeding voor eigen werkzaamheden aan de woning wordt afgewezen; huishoudelijke kosten 2025 nader te onderbouwen bij akte. Verdere beslissing aangehouden.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-09-2026 |
| Zaaknummer | C/03/346640 / HA ZA 25-458 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Maastricht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht; Vergoedingsrechten; Eigen woning |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Tegenbewijs geleverd tegen inhoud akte door erkenning wederpartij. Geen aanspraak op vergoeding voor werkzaamheden verricht tijdens en in het kader van een affectieve relatie.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346640 / HA ZA 25-458
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. E.H.G.G.M. Beurskens,
tegen
[de man] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. A.F.T. Grul.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 5 juni 2026 met producties van [de man]
- het bericht van 9 juni 2026 met producties van [de vrouw] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 juni 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
[de vrouw] en [de man] hebben een affectieve relatie gehad. Op 16 mei 2022 zijn zij gezamenlijk en voor gelijke delen eigenaar geworden van het woonhuis met ondergrond, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan de [adres] te [postcode] [plaats 1] (hierna: de woning). Aan de woning, waarin partijen zijn gaan wonen, hebben renovatie- en/of verbouwingswerkzaamheden plaatsgevonden.
Partijen zijn op 8 november 2022 een samenlevingsovereenkomst aangegaan
1. Voor zover relevant staat daarin:
KOSTEN GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING
Artikel 1
(…)
2. De gebruikelijke kosten van de huishouding komen voor rekening van beide partijen, naar evenredigheid van hun inkomens (…)
5. Een partij, die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan het aandeel dat ingevolge het vorenstaande voor haar rekening komt, heeft het recht om het teveel betaalde van de andere partij terug te vorderen; dit vorderingsrecht vervalt indien betaling of verrekening niet binnen één jaar na het einde van het desbetreffende kalenderjaar heeft plaatsgehad of schriftelijk is gevorderd.
(…)
EIGEN WONING
Artikel 6
(…)
2. Indien de door partijen gezamenlijk bewoonde woning (…) aan partijen tezamen toebehoort, en de tegenprestatie voor meer dan het breukdeel dat correspondeert met het deel waartoe zij in de woning gerechtigd is uit het vermogen van een partij afkomstig is, ontstaat voor deze partij voor het meerdere een vordering op de andere partij.
(…)
5. Partijen stellen vast dat partij [de vrouw] tot op heden éénhonderdzevenennegentig duizend zeshonderd euro
(€ 197.600,00) plus vijftigduizend euro (€ 50.000,00) (voor verbouwing) heeft geïnvesteerd in de woning, gelegen aan de [adres] te [postcode] [plaats 1] , welke in eigendom toebehoort aan beide partijen. Mitsdien heeft de schuldeiser een renteloze vordering ad achtennegentigduizend achthonderd euro
(€ 98.800,00) plus vijfentwintigduizend euro (€ 25.000,00), in totaal derhalve éénhonderd drieëntwintig duizend achthonderd euro (€ 123.800,00) ten laste van partij [de man] .
6. Tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen, zullen de vorderingen als bedoeld in de leden 1, 2 en 5 van dit artikel eerst opeisbaar zijn:
a. bij vervreemding van de woning door partijen of een aandeel daarin door één van hen, onder welke titel dan ook, toedeling aan één der partijen en economische eigendomsoverdracht daaronder begrepen;
b. bij het einde van de samenwoning anders dan door overlijden, (…)
DUUR SAMENLEVINGSCONTRACT (..)
Artikel 13
(…)
2. Het in deze overeenkomst bepaalde eindigt:
(…)
- bij verbreking van de samenleving anders dan door overlijden;’
De affectieve relatie tussen partijen is in 2025 geëindigd. Bij brief van 18 juli 2025
2 is namens [de vrouw] aan [de man] te kennen gegeven dat de samenlevingsovereenkomst als beëindigd wordt beschouwd.
Partijen hebben de woning verkocht voor een verkoopprijs van € 380.000,00. Levering vond plaats op 10 oktober 2025
3. Na aftrek van de gezamenlijke hypothecaire schuld en kosten resteerde een netto opbrengst van € 219.242,71
4. Daarvan is de helft aan [de vrouw] uitgekeerd. Op het resterende bedrag is op verzoek van [de vrouw] conservatoir beslag gelegd ten laste van [de man]
5.
3Het geschil
in conventie
[de vrouw] vordert - samengevat – veroordeling van [de man] tot betaling van
€ 123.800,00 te vermeerderen met wettelijke rente en (proces)kosten.
[de man] voert verweer. Hij concludeert ook overigens in conventie maar daaraan wordt voorbij gegaan omdat [de man] in conventie geen vorderingen kan instellen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[de man] vordert - samengevat - veroordeling van [de man] tot betaling van
€ 24.207,20, te vermeerderen met proceskosten.
[de vrouw] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
[de vrouw] beroept zich op het bepaalde in artikel 6 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst, stellende dat daarin is vastgelegd dat zij vanwege haar investeringen in de woning van € 197.600,00 en € 50.000,00 een geldvordering op [de man] heeft van € 123.800,00.
[de man] erkent de vordering van [de vrouw] tot een bedrag van (€ 197.600,00 : 2 =) € 98.800,00 maar betwist deze voor het meerdere. Hij stelt dat de samenlevingsovereenkomst weliswaar meldt dat [de vrouw] naast de erkende € 197.600,00 ook € 50.000,00 heeft geïnvesteerd in de woning, maar dat dit niet klopt. Ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst zou [de vrouw] slechts de intentie hebben uitgesproken om aanvullend € 50.000,00 te investeren maar volgens [de man] heeft zij dat niet gedaan.
[de vrouw] heeft erkend dat zij ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst de aanvullende € 50.000,00 nog niet had geïnvesteerd en dat dit dus een intentie betrof. Onder deze omstandigheden kan [de man] niet worden gehouden aan de ook door hem getekende akte – de samenlevingsovereenkomst – waarin staat dat [de vrouw] ten tijde van het aangaan van de samenlevingsovereenkomst al € 50.000,00 had geïnvesteerd. [de man] heeft, anders gezegd, het voor niet gebondenheid aan zijn verklaring noodzakelijke tegenbewijs geleverd. Dit betekent dat het niet erkende deel van de vordering niet toewijsbaar is op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst.
Uit artikel 6 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst volgt dat, voor zover de intentie van [de vrouw] om aanvullend te investeren in de woning is uitgevoerd, zij een aanvullende vordering heeft op [de man] ter hoogte van de helft van het geïnvesteerde bedrag. [de vrouw] stelt dat zij € 50.000,00 aanvullend heeft geïnvesteerd, wat [de man] dus betwist hoewel hij wel erkent dat [de vrouw] enige investering deed
6. [de vrouw] heeft vervolgens bankafschriften
7, een zelf opgesteld overzicht van kosten
8 en screenshots van haar Hornbach account
9 overgelegd. [de man] heeft zijn verweer gehandhaafd en gesteld dat een deel van de verbouwing is gefinancierd met een hypothecaire lening. [de vrouw] heeft erkend dat er ook een lening is afgesloten, maar stelt dat zij met het door haar tevoren geïnvesteerde geld al voor € 50.000,00 aanvullend had bijgedragen.
Ook gelet op het feit dat [de vrouw] de door haar overgelegde stukken ter onderbouwing van haar standpunt niet van een toelichting heeft voorzien en het daarvan deel uitmakende overzicht erg onduidelijk is, heeft [de man] het standpunt van [de vrouw] voldoende gemotiveerd betwist. [de vrouw] zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte alsnog een deugdelijke toelichting te geven op de omvang van haar aanvullende investering, voorzien van of met een duidelijke verwijzing naar bewijsstukken. [de man] zal mogen reageren, waarna de rechtbank een vervolgbeslissing zal nemen.
in reconventie
De vordering in reconventie is opgebouwd uit de volgende posten:
- € 4.659,70 ter zake van de bijdrage van [de vrouw] in de kosten van de huishouding over 2025,
- € 19.546,50 als vergoeding van door [de man] verrichte werkzaamheden ten behoeve van de woning.
Beide posten zullen hierna apart worden besproken.
Kosten van de huishouding
[de man] stelt dat hij over het jaar 2025 € 9.319,40 aan kosten van de huishouding heeft betaald, zodat hij op grond daarvan een vordering ter hoogte van de helft op [de vrouw] heeft. [de man] beroept zich daarbij op artikel 1 lid 2 en 5 van de samenlevingsovereenkomst.
Hoewel de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat partijen naar evenredigheid van hun inkomen moesten bijdragen, heeft [de man] niet gesteld dat partijen in 2025 een gelijk inkomen hadden. Op basis van de op dat punt door [de man] niet weersproken verklaring van [de vrouw] , gaat de rechtbank er echter vanuit dat dit wel het geval was. Dit betekent dat zij over 2025, gedurende de looptijd van de samenlevingsovereenkomst, ieder voor een gelijk deel de kosten van de huishouding moesten dragen. Nu baseert [de man] zijn vordering deels ook op de periode na het einde van de samenlevingsovereenkomst, maar [de vrouw] heeft niet betwist dat over die periode (in 2025) dezelfde draagplicht gold.
[de vrouw] heeft gesteld dat zij in andere jaren méér betaalde dan waartoe zij volgens de door partijen overeengekomen draagplicht gehouden was. Dat kan echter niet afdoen aan een eventuele aanspraak van [de man] over 2025, zodat op dat standpunt niet verder wordt ingegaan.
De rekenwijze van [de man] (betaalde kosten : 2) is alleen correct als [de man] alle kosten van de huishouding betaalde. De draagplicht geldt immers niet per kostenpost of selectie van kostenposten, maar over het geheel van de kosten van de huishouding. [de vrouw] heeft gemotiveerd gesteld dat zij (ook) enkele kostenposten voor haar rekening heeft genomen, zoals boodschappen, verzekeringen, BSGW en aflossing van (naar de rechtbank begrijpt) een lening. De rechtbank kan dus niet aannemen dat de door [de man] gestelde kosten alle kosten van de huishouding waren en dus ook niet dat [de man] een aanspraak heeft ter hoogte van de helft van de door hem gestelde kosten (nog los van het antwoord op de vraag of [de man] deze kosten alle heeft betaald, zie hierna).
[de vrouw] heeft gesteld dat [de man] geen bewijsstukken heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt over de door hem betaalde kosten. Zij stelt daarom niet te kunnen nagaan of de stellingen van [de man] op dat punt kloppen. Hoewel [de vrouw] vervolgens tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat [de man] in 2025 de hypotheeklasten, Ziggo en energie heeft betaald, heeft zij daarmee niet alle door [de man] opgevoerde posten erkend. In reactie op het standpunt van [de vrouw] heeft [de man] bankafschriften en (kennelijk) een zelf opgesteld overzicht van hypotheeklasten overgelegd
10. Het is echter niet aan [de vrouw] en/of de rechtbank om met name in de bankafschriften te gaan grasduinen om te onderzoeken of daarin een bevestiging van de stellingen van [de vrouw] te vinden is.
De slotsom is dat [de man] zijn standpunt nog niet voldoende heeft onderbouwd, maar er wel aanleiding is om hem in de gelegenheid te stellen dat alsnog te doen. Hij zal bij akte een toelichting kunnen geven over (in ieder geval):
- het totaal van de kosten van de huishouding over 2025,
- het deel van de kosten dat hij betaalde,
voorzien van of met een duidelijke verwijzing naar bewijsstukken. [de vrouw] zal mogen reageren, waarna de rechtbank een vervolgbeslissing zal nemen.
Door [de man] verrichte werkzaamheden
[de man] stelt dat hij ongeveer 1.117 uur, onbetaald, professionele verbouwingswerkzaamheden aan de woning heeft verricht en dat dit tot een aanzienlijke waardevermeerdering heeft geleid. Volgens [de man] is [de vrouw] daardoor ongerechtvaardigd verrijkt. Hij vordert een vergoeding op basis van een uurtarief van
€ 35,00, zodat zijn aanspraak (1.117 x € 35,00 : 2 =) € 19.547,50 bedraagt. Subsidiair beroept hij zich op de redelijkheid en billijkheid.
[de vrouw] stelt dat er geen afspraak is gemaakt inhoudende dat [de man] voor zijn werkzaamheden zou worden betaald. Verder voert zij aan dat de werkzaamheden deel uitmaakten van de gezamenlijke inspanningen in de context van de affectieve relatie en de gezamenlijke woning. Haar bijdrage heeft volgens [de vrouw] bestaan in de financiële inbreng en de werkzaamheden die zij stelt te hebben verricht. Het was, aldus [de vrouw] , vanzelfsprekend dat beide partijen hun tijd en middelen zouden investeren in het gezamenlijk doel van het verbeteren van de woning. Ook is er volgens [de vrouw] geen sprake van verarming aan de zijde van [de man] , omdat er geen recht bestond op een vergoeding. Om ongeveer dezelfde redenen wijst [de vrouw] het beroep op de redelijkheid en billijkheid af.
De rechtbank stelt voorop dat [de man] zijn stelling dat hij verarmd is, niet verder heeft uitgewerkt. Het enkele feit dat hij, zoals ter mondelinge behandeling nader is toegelicht, naast zijn betaalde baan in de avonduren en het weekend aan de woning werkte, is op zichzelf onvoldoende om een verarming aan zijn kant te kunnen aannemen. Dat hij de bestede uren elders tegen een vergoeding zou hebben ingezet of kunnen inzetten is gesteld noch gebleken. Bovendien is de aan te nemen verrijking van [de vrouw] naar het oordeel van de rechtbank niet ongerechtvaardigd, althans is het onredelijk om daar een vergoedingsrecht van [de vrouw] op te baseren. Daarbij is relevant dat de werkzaamheden zijn verricht in het kader van en tijdens de affectieve relatie van partijen en dat de werkzaamheden verricht werden aan de gezamenlijk te bewonen woning. Daarmee kunnen die werkzaamheden worden beschouwd als een onderdeel van wat [de vrouw] als uitvloeisel van de relatie mocht beschouwen, waarbij zij geen rekening hoefde te houden met een financiële aanspraak achteraf van [de man] voor zijn werk. Daarbij is relevant dat [de vrouw] van haar zijde ook bijdroeg aan de taken binnen de samenleving. Als niet weersproken staat vast dat zij het huishouden deed (in ieder geval poetsen en het eten verzorgen en de tuin onderhouden) en heeft meegeholpen bij het opruimwerk dat nodig was als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden. Anders gezegd: ook omdat beide partijen hun steentje hebben bijgedragen aan de taken binnen hun gezin, is er geen reden om [de man] bijdrage apart te nemen en te koppelen aan een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking van [de vrouw] .
Het beroep op de redelijkheid en billijkheid is niet onderbouwd met andere feiten en/of omstandigheden dan ten grondslag gelegd aan het beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Onder verwijzing naar het onder 4.15. overwogene, wordt dat beroep niet gehonoreerd.
De slotsom is dat de aanspraak van [de man] op vergoeding van zijn werkzaamheden bij eindvonnis zal worden afgewezen.
in conventie en reconventie
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie en reconventie
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 7 oktober 2026 voor het nemen van een akte door:
- [de vrouw] over wat is vermeld onder 4.5.
- [de man] over wat is vermeld onder 4.12.,
waarna partijen op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kunnen nemen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. |
||
productie 1 van [de vrouw]
productie 2 van [de vrouw]
productie 3 van [de vrouw]
productie 4 van [de vrouw]
productie 12 van [de vrouw]
randnummers 18 en 20 van de conclusie van antwoord in conventie en de verklaring van [de man] tijdens de mondelinge behandeling
productie 17 van [de vrouw]
productie 18 van [de vrouw]
productie 19 van [de vrouw]
producties 6 en 7 van [de man]
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
