Rechtbank Amsterdam 11-09-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9253

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen waarin hoofdverblijf van minderjarige bij moeder is bepaald en huurrecht woning aan vader toekomt. Ten aanzien van zorgregeling stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van ernstig huiselijk geweld met kenmerken van intieme terreur. Onder verwijzing naar artikelen 3 en 8 EVRM en EHRM Ubeda e.a. v. Italië benadrukt de rechtbank de positieve verplichting tot risicobeoordeling en preventie. Raad moet aanvullend rapporteren; omgang vindt voorlopig begeleid plaats met deskundige observaties.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Stellingen moeder "gegrond en geloofwaardig": begeleide omgang wegens intieme terreur
Rb neemt huiselijk geweld aan: geweld tijdens zwangerschap, concrete isolatie/controle moeder door vader, opzetten kind tegen moeder, en ongefundeerde beschuldigingen (omkering daderschap). Stellingen vader blijken niet uit onderzoek.

Datum publicatie21-09-2026
ZaaknummerC/13/770004 FA RK 25-4028
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Geen omgang (een van) ouders;
Overig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verzoek zorgregeling; huiselijk geweld met kenmerken intieme terreur. EHRM Ubeda e.a. v. Italië. Positieve verplichting uit hoofde van artikelen 3 en 8 EVRM tot bescherming tegen huiselijk geweld in het familierecht. Verplichting autoriteiten tot onderzoek, analyse van risico’s en preventieve maatregelen. Verplichting tot expliciete toetsing geloofwaardigheid en grondslag aantijgingen huiselijk geweld in familierechtelijke procedure.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/13/770004 / FA RK 25-4028

Datum uitspraak: 11 september 2026

Beschikking over een echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonend op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. A. El Aqde uit Amsterdam,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. M.H. Schmidt uit Amsterdam,

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Midden-Nederland,

locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft onder andere kennis genomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 25 mei 2025;

- het verweerschrift van de vader, ingekomen op 8 juli 2025;

- het rapport van de Raad, ingekomen op 11 maart 2026;

- het F9-formulier van de vader, betreffende de mail van OKT en Rodante, ingekomen op 17 juni 2026;

- het F9-formulier van de vader, betreffende een nader bericht van de Blijf Groep over de begeleide omgang, ingekomen op 19 juni 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026, verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door een tolk Arabisch, met haar advocaat;

- de vader met zijn advocaat;

- [naam 1] namens de Raad.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 15 april 2022 in [plaats 1] (Marokko).

2.2.

Uit het huwelijk van partijen is de volgende nog minderjarige dochter geboren:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] .

2.3.

Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .

2.4.

Partijen hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit.

2.5.

Sinds [datum] 2024 verblijft de moeder met [minderjarige] in een opvanglocatie van de Blijf Groep.

2.6.

Bij vonnis in kort geding van 4 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter onder andere het volgende bepaald:

“6.1. bepaalt dat voorlopig, totdat in het kader van het Uniform Hulpaanbod

door JGZ een instantie is aangewezen die de begeleide omgang gaat faciliteren,

Blijf Groep (met behulp van IHub) contactmomenten tot stand blijft brengen op de

wijze zoals ze tot nu toe heeft gedaan, met als uitgangspunt dat deze – voor zover

mogelijk eenmaal per week plaatsvinden,
(…)

6.5.

verzoekt JGZ in het kader van het Uniform Hulpaanbod een hulpverlener in

te schakelen met als doel hulp in te zetten gericht op begeleiding bij (de opbouw

van) het contact tussen de vader en [minderjarige] en verzoekt de hulpverlenende nstantie

een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening in te brengen

in de bij deze rechtbank lopende echtscheidingsprocedure (C/13/770004 / FA RK

25-4028) en naar de Raad voor de Kinderbescherming te [plaats 2] te sturen,

6.6.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te [plaats 2] in het kader

van de door de moeder aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure

(C/13/770004/FA RK 25-4028) advies uit te brengen over de vraag welk

zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is.”

3Het verzoek en het verweer met zelfstandig tegenverzoek

Het verzoek van de moeder

3.1.

De moeder verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

b. te bepalen dat het ouderschapsplan zal worden gehecht aan en deel zal uitmaken van de beschikking;

c. te bepalen dat de [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben.

Het verweer en zelfstandig verzoek van de vader

3.2.

De vader verweert zich niet tegen de verzoeken van de moeder en geeft aan dat deze kunnen worden toegewezen.

3.2.1.

Bij zelfstandig tegenverzoek verzoekt de vader om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. onder toewijzing van de verzoeken van de moeder de echtscheiding uit te spreken;

b. te bepalen dat de volgende zorgregeling wordt vastgesteld: een co-ouderschapsregeling, althans een zorgregeling van ieder weekend van vrijdagmiddag 13:00 uur tot zondagmiddag 19:00 uur alsmede de helft van de vakanties- en feestdagen, althans een zorgregeling die de rechtbank vermeent te behoren;

c. te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning op het adres [adres] aan de vader wordt toegekend zodat hij alleen huurder zal zijn van deze woning.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4De standpunten van partijen

De moeder

4.1.

De advocaat van de moeder heeft namens haar, in reactie op het zelfstandige verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader, tijdens de mondelinge behandeling het volgende gesteld. De vraag is of omgang tussen de vader en [minderjarige] überhaupt wel mogelijk is, in het licht van de veiligheidsrisico’s bij de vader. Een aanvullende rapportage door de Raad is om die reden geïndiceerd. Op dit moment is complex dat de omgang stilligt. De financiering van de begeleiding door de voordien ingeschakelde zorgverlener Rodante staat niet vast en vader heeft ook klachten ingediend bij Rodante. Hij had geen vertrouwen in de omgangsbegeleider. De moeder wil dat de begeleide omgang weer wordt opgestart bij Rodante, zodat er meer zicht komt op de situatie en die informatie kan worden betrokken bij het aanvullend onderzoek door de Raad. De moeder wijst er op dat de behandelgeschiedenis van de vader onbekend is en dat hij psychisch kwetsbaar is. De vader oogt onvoldoende stabiel om de omgang stabiel en veilig vorm te geven.

4.2.

De moeder zelf heeft daaraan tijdens de mondelinge behandeling toegevoegd dat de vader zei dat hij twijfels had of [minderjarige] van hem is. De vader heeft heel veel dingen tegen [minderjarige] over de moeder gezegd die je niet kan zeggen tegen een klein meisje. De moeder is bang dat de vader haar dochter iets aandoet.

De vader

4.3.

Namens de vader is in zijn zelfstandige verzoek tot vaststelling van een zorgregeling ter onderbouwing daarvan gesteld dat hij altijd een betrokken vader is geweest en volwaardig betrokken wil blijven, ook na de echtscheiding.

4.4.

De advocaat van de vader heeft tijdens de mondeling behandeling namens hem gesteld dat het contact tussen de vader en [minderjarige] beperkt is, dat er zicht moet komen op wat er aan de hand is en hoe het contact kan worden uitgebreid. Omdat er heel veel is misgegaan, heeft de vader weinig contact met zijn dochter. Het gaat steeds mis en er vallen gaten. Rodante is gestopt. Onduidelijkheid is gecreëerd doordat de verschillende hulpverleners naar elkaar wijzen. Partijen worden aan hun lot overgelaten. De vader wil nog steeds meewerken aan de begeleide omgang. Er is geen duidelijk perspectief. De vader is na een jaar begeleide omgang wel klaar voor onbegeleide omgang.

4.5.

De vader zelf heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij onbegeleide omgang wil. Het is structureel misgegaan met de begeleiders van Rodante en hij heeft er daarom geen vertrouwen meer in. De vader zal niet meer meewerken aan door Rodante begeleide omgang, de redenen daarvoor staan benoemd in zijn schriftelijke klacht. JGZ heeft na de aanmelding bij Rodante het dossier gesloten. Het OKT, de buren en Veilig Thuis kunnen geraadpleegd worden om de situatie te beoordelen, maar dat is nooit gebeurd. De Blijfgroep en de politie zijn ook niet geraadpleegd. De familie van de vader is ook niet geraadpleegd. De vader heeft nooit gezegd dat [minderjarige] niet van hem is. De meldingen uit het dossier van Veilig Thuis betroffen allemaal meldingen wanneer de vader niet eens thuis was. Die meldingen waren gewoon om het ‘victimrapport’ van de moeder te spekken. Veiligheid was nooit een issue. De vader is al anderhalf jaar zijn dochter kwijt. Nadat de vader een klacht had ingediend bij bij Rodante kwamen er andere rapportages over zijn psychische kwetsbaarheid. Dat kwam door de klachtprocedure. iHub was juist heel positief over de vader.

5Het rapport van de Raad

5.1.

De Raad heeft de rechtbank in het rapport geadviseerd om de beslissing op het verzoek van de vader aan te houden voor de duur van 9 maanden in afwachting van het verloop van de hulpverlening en daarbij de omgang vorm te laten geven onder regie van Rodante, zoals nader omschreven. De zittingsvertegenwoordiger heeft de rechtbank geadviseerd om de Raad aanvullend te laten rapporteren, nu op basis van het huidige rapport nog teveel onduidelijkheden bestaan. De rechtbank zal opdracht geven tot dergelijk aanvullend onderzoek, maar tegelijkertijd op basis van het huidige onderzoek al tot tussentijdse conclusies komen. Ter onderbouwing daarvan het raadsrapport hierna uitgebreider dan gebruikelijk worden weergegeven.

Analyse door de Raad van de informatie die bekend is bij het begin van het onderzoek.

5.2.

De Raad heeft, voor zover hier van belang, de volgende informatie bij de beoordeling betrokken:

April 2024 tot en met november 2024

Er zijn bij Veilig Thuis (VT) zeven meldingen gedaan over de situatie hij vader en moeder thuis. Moeder beschuldigd vader van controle, vernedering, verkrachting en mishandeling. Moeder is op dat moment zwanger. Er zijn verschillende meldingen gedaan, door politie, (anonieme) buurtbewoners en tante (mz), van huiselijk geweld. Moeder vertelde aan VT dat ze 23 april 2024 is verkracht maar dat er verder geen actie is ondernomen door Veilig Thuis en ook door hun geen hulp is ingezet. Ook was vader verschillende keren dronken volgens moeder en was moeder bang dat hij haar zou vermoorden. Er wordt ook gesproken over

middelengebruik maar dat wordt nergens concreet gemaakt en ontkend door vader en moeder. Er was steeds geschreeuw en gebonk in huis, maar ook in het trappenhuis. Er zijn meldingen van blauwe plekken en rode strepen maar dat zou volgens vader en moeder door de oven en een koekenpan komen. De politie maakt zich zorgen over het ongeboren kind, omdat moeder hoogzwanger is en volgens registraties blijkt dat er vaak ruzie/danwel huiselijk geweld in de woning plaatsvindt. Volgens de observatie van de politie was vader

onrustig, bezitterig en jaloers als ze moeder alleen wilden spreken. Veilig Thuis is ingeschakeld. Er zijn met moeder veiligheidsafspraken gemaakt. Moeder zou ook nadenken over het doen van aangifte. Moeder is in mei op advies van de politie een maand naar Marokko gegaan om uit te rusten van alle stress. Familie (vz en mz) is nauw betrokken.

23 april 2024

Melding van de zus van moeder bij de politie, welke is doorgezet naar Veilig Thuis. De zus van moeder hoorde tijdens een telefoongesprek de woorden "Ik ga dood "en schakelde direct de hulpdiensten in. De politie trof moeder in een gesloten, beschermende houding aan. Zij was fysiek aangedaan, met blauwe plekken en strepen op haar armen. In aanwezigheid van een verloskundige verklaarde zij dat zij meermalen was verkracht door vader, die haar naar eigen zeggen controleerde op vreemdgaan door haar lichaam te inspecteren. De vader

werd ter plaatse aangehouden. Dit incident markeerde een omslagpunt in de dreiging en leidde tot intensivering van de hulpverlening.

3 Juli 2024

De verloskundige doet een zorgmelding bij Veilig Thuis. De verloskundige meldde

dat moeder - toen 34 weken zanger - nog steeds in angst verkeerde. Ondanks eerdere interventies was geen structurele hulpverlening opgestart. Moeder gaf aan dat de dreiging van controle, intimidatie en vernedering voortduurde. Zij voelde zich in de steek gelaten door instanties en durfde zich nauwelijks te uiten.

30 juli 2024

Anonieme melding bij de politie, welke is doorgezet naar Veilig Thuis. Na nieuwe geluiden van geschreeuw, bonken en huilen uit de woning werd wederom de politie ingeschakeld. De vader bleek onder invloed van alcohol. De moeder verklaarde bang te zijn, ook al was er die avond geen fysieke mishandeling. Gelet op de eerdere meldingen, het alcoholgebruik van de vader en de angst van moeder werd opnieuw melding gedaan bij Veilig Thuis.

8 augustus 2024

Rapportage Veilig Thuis: VT bracht een huisbezoek bij oma (vz). Moeder is daar

om tot rust te komen. Tijdens een huisbezoek bagatelliseert moeder in een gesprek de ernst van de problemen die er speelden. Moeder zei: 'in elke relatie is er wel eens wat'. Oma (vz) was bij dat gesprek aanwezig. VT heeft Homestart ingeschakeld, de Blijfgroep en JGZ zijn ook betrokken om ouders beter te leren communiceren en te ondersteunen bij het wantrouwen van vader. Na een intake bij de Blijfgroep gaven ouders aan dat ze geen hulp meer nodig hadden.

De huisarts is ook gesproken door VT. Vader wilde een SOA (seksueel overdraagbare aandoening) test voor moeder en een test op genitale wratten. De huisarts heeft bevestigd dat moeder die niet heeft. Verder had moeder nekklachten, slecht zicht en hoofdpijn. De huisarts had verder niet heel veel informatie behalve dat er ook sprake is van schulden waar moeder niets over zegt te weten.

[geboortedag] 2024

[minderjarige] wordt geboren in [plaats 2] . (…)

1 november 2024

Politiemelding. Moeder had 112 gebeld en was erg bang voor de bedreigingen van

vader en gaf aan dat ze door vader was geslagen. De politie trof moeder overstuur aan met de baby in huis. Vader beschuldigde moeder van drugsgebruik (cocaïne), trachtte haar telefoon af te pakken en escaleerde de situatie verbaal. Moeder gaf aan: 'Als hij klaar is met de baby, dan ben ik aan de beurt." De politie greep in en gelastte dat vader tijdelijk de woning verliet. De situatie werd als ernstig beoordeeld. De melding is overgedragen naar VT.

15 november 2024

Melding van moeder bij de politie. Moeder meldde dat zij opnieuw verbaal werd mishandeld, haar sleutels waren afgepakt en zij de woning niet kon verlaten. De vader weigerde contact met de politie of hulpverleners. Hij gebruikte structureel alcohol, aldus de moeder. De moeder voelde zich volledig overgeleverd aan zijn controle en vreesde voor haar veiligheid.

24 november 2024

Moeder doet een melding bij de politie. De moeder verklaarde dat zij door de vader met de dood werd bedreigd en vreesde voor seksueel misbruik. De politie trof haar hyperventilerend, huilend en ernstig emotioneel ontregeld aan. De baby raakte overstuur. De politie besloot haar en het kind per direct over te brengen naar een crisisopvang. Agenten bevestigden dat sprake was van structurele huiselijke onveiligheid.

25 november 2024

Politiemelding en ingrijpen door de politie bij ouders thuis. Moeder was erg overstuur en kon niet meer stoppen met huilen en hyperventileren. Vader zou gedreigd hebben om haar te vermoorden. Vader kwam onder invloed van alcohol thuis volgens moeder en de politie rook ook alcohol. In de politiemelding staat dat er meerdere meldingen van vader zijn over het rijden onder invloed en er waren al meerdere politiemeldingen geweest van mishandeling van moeder maar ook van meerdere vrouwen in het verleden, waarop de politie besloten heeft moeder mee te nemen naar politiebureau [locatie] en vandaar naar een Blijfhuis in [plaats 3] . Vader bleef in de woning.

29 november 2024

Moeder verblijft met [minderjarige] in de opvang van Blijfgroep in [plaats 4] . Sinds 25 januari 2025 in de vorm van Begeleid Wonen. Zij krijgt onder andere hulp bij het tot stand brengen van een veilige scheiding en veilig ouderschap en bij traumaverwerking.

1 mei 2025

Moeder doet aangifte bij de politie vanwege verkrachting door vader in de periode van 1 april 2024 tot 24 november 2024. Echter er is verder geen hulp in gezet.

Informatie van de vader

5.3.

De Raad heeft de vader als informant geraadpleegd. De vader heeft de Raad bij email van 6 januari 2026 het volgende laten weten:

"Ik had nog wel zorgen over moeder als opvoeder. Ik had moeders meerdere keren betrapt op het gebruik van drugs de eerste keer was ze 5 maanden zwanger van ons kind.

Ik had het zelfs bij haar gevonden.

Ik wil niet dat het wordt gezien als moddergooien of beschuldigingen.

Ik wil gewoon de Raad openheid geven hierover en mijn bezorgdheid ook tonen

voor ons kind [minderjarige] .

Had het destijds de politie gemeld en vorig jaar heb ik heb ik zowel Veilig Thuis

als JGZ mijn bezorgdheid hierover gedeeld.”

5.4.

In het gesprek met de raadsonderzoekers heeft de vader, voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht. Vader was er achter gekomen dat moeder 6 maanden voor ze naar vader in Nederland kwam een relatie met iemand in Marokko had. Ondanks dat vader van de buitenechtelijke relatie wist heeft vader het huwelijk niet afgeblazen. Vader heeft moeder er toen mee geconfronteerd. In Marokko mocht ze niet alleen naar een andere stad maar ging wel alleen en kwam steeds later thuis. Moeder had dure lingerie en parfum, maar moeder beschikte niet over voldoende financiële middelen en vader had deze immers ook niet betaald. Vier dagen voor het naar Nederland gaan van moeder heeft moeder afscheid genomen van die relatie en volgens vader heeft die man haar bruut verkracht en beschadigd, moeder kwam bloedend uit haar vagina aan in Nederland, ook had moeder blauwe plekken en haar nek verrekt. Vader heeft het bloeden niet gezien maar wist wel van zijn moeder dat er maandverband gekocht moest worden. Maar dat is een aanname van vader, vader denkt dat moeder in een seksuele midlife crisis zat.

5.4.1.

Ten aanzien van de zorgen van de politie en Veilig Thuis met betrekking tot huiselijk geweld geeft vader aan dat dat niet is voorgevallen. Vader betwist dat er sprake is geweest van huiselijk geweld, hij heeft moeder nooit geslagen. Moeder belde de politie als vader heel de avond weg was geweest. Vader ging, om de lieve vrede te bewaren, vaak weg. Vader sprak dan af met vrienden en dronk dan af en toe een biertje. Vader gebruikt niet overmatig alcohol en is dan ook nog nooit dronken geweest. Ook drugs wordt niet gebruikt door vader. Vader had, wanneer hij weg was geweest, heel de avond gemiste oproepen en berichten moeder, in de trant van: 'waar blijf je', 'wanneer kom je thuis'. Vader betwist ook dat hij moeder heeft bedreigd met de dood. Vader heeft het vermoeden dat moeder overspelig was, er was geen intimiteit meer sinds de zwangerschap en voor de zwangerschap ook weinig. De intimiteit die er was, kwam vanuit twee kanten, maar moeder was vaak de initiator en vader wilde haar pleasen en kwam haar dan maar tegemoet. Veelal vanuit de huwelijkse plicht. Vader weet niet of het kind van hem is en overweegt een DNA test. Stel dat hij niet de biologische vader zou zijn, dan blijft [minderjarige] nog zijn dochter.

5.4.2.

In reactie op de aangifte van verkrachting op 1 mei 2025, stelt vader dat niet bekend is wie dan verkracht zou hebben. Vader zou graag willen weten of dat het tegen vader is. Voordat moeder vertrok naar Marokko was moeder veel weg en niet bereikbaar voor vader. Vader was bezorgd en belde iedereen op. Vier uur later komt ze thuis met blauwe plekken met duimafdrukken op haar borst. Moeder wilde niet zeggen waar ze was en begon te huilen. Moeder zei toen: 'jij wilt toch niet me naar bed'. Twee dagen later had moeder Nederlandse les en kwam toen veel later thuis met make-up op haar gezicht, iets wat ze anders nooit deed. Op de vragen van vader begon moeder te schelden. Het ging niet goed met haar wanneer ze boos was, er dreigde bij moeder een gevaar van flauwvallen. De verloskundige kwam langs voor controle. Vader zag dat er bloed en sperma in de doucheput was en ook in haar slipje. Vader had het vaker gezien in de slipjes van moeder. Moeder moest vervolgens naar het ziekenhuis, omdat ze niet kon lopen en zitten en het bleek dat ze een urineweginfectie had. Er is geen soa-test afgenomen bij moeder.

5.4.3.

Vader is later naar de huisarts gegaan, omdat hij, nadat ze weer een keer intimiteit waren geweest, klachten kreeg. Vader heeft een soa-test gedaan maar daar is niets uitgekomen qua seksuele overdraagbare aandoening, maar het bleek wel een infectie te zijn, vader kreeg hier een antibioticakuur voor. Vader geeft aan dat hij nog steeds klachten heeft en dat hij nog steeds vaak naar het toilet moet. Vader was zelf niet seksueel actief buiten zijn huwelijk en volgens vader heeft hij moeder nooit geslagen of met haar gevochten. Vader gebruikt met vrienden wel eens alcohol. Geconfronteerd met het feit dat de politie stelt dat zij vader wel onder invloed van drank hebben aangetroffen, betwist hij dat hij ooit dronken was. Vader denkt dat moeder in een slachtofferrol zit, omdat ze dan haar verblijfstatus zou kunnen krijgen.

5.4.4.

Vader heeft wel zorgen over moeder als opvoeder. Vader heeft moeder meerdere

keren betrapt op het gebruik van drugs (cocaïne), de eerste keer was ze 5 maanden zwanger van [minderjarige] . Vader heeft het zelfs bij haar gevonden. Vader wil echter niet dat het wordt gezien als moddergooien of beschuldigingen, maar het is een oprechte zorg van vader.

Informatie van de moeder

5.5.

De moeder heeft tijdens een gesprek met de raadsonderzoeker, voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht. Vanaf het begin van het huwelijk ging het al niet goed met ouders. Vader beschuldigde moeder van vreemdgaan, maar moeder ontkent dit ten stelligste. Moeder heeft in Marokko geen relatie gehad en moeder is ook niet mishandeld in

Marokko. Nadat moeder zwanger bleek te zijn ging het steeds slechter tussen ouders. Er

was veel onenigheid tussen ouders. Van vader mocht moeder niet weg. Moeder heeft drie maanden bij haar schoonmoeder verbleven omdat het bij vader niet ging. Vader bleef moeder maar verwijten maken dat ze andere mannen zou zien, wat volgens moeder echt niet waar is. Moeder heeft naast vader geen andere bedpartners gehad. Dat vader aangeeft dat haar ondergoed weg was, kwam omdat vader haar ondergoed mee nam en het moeder vervolgens verwijt. Moeder wordt ook verweten dat ze middelen gebruikt, ook dit is volgens moeder niet waar. Vader gebruikt middelen en drinkt alcohol. Vader heeft moeder nooit

geslagen of pijn gedaan, maar heeft moeder mentaal mishandeld door moeder op te sluiten. Moeder maakt zich zorgen om vader, vader heeft hulp nodig, vader is psychisch niet in orde. Het gedrag wat vader laat zien, is hetzelfde gedrag als opa (vz), die deed net als vader een had ook psychische problemen. Moeder vermoedt dat vader zelf andere partners heeft en het moeder steeds blijft verwijten.

5.6.

Moeder heeft vader nooit gebeld wanneer vader van huis was. Vader was overdag

meestal aan het slapen en in de avond en de nacht vaak weg. Vader beval moeder om haar niet te bellen wanneer hij van huis was. Vader zette de Wifi of de telefoon uit zodat moeder geen contact kon hebben met vader. Vader pakte ook wel de telefoon af. Moeder had dan uren geen telefoon terwijl vader weg was. Wanneer vader thuis kwam was vader dronken. Vader ging altijd weg met vrienden. Vader trok dan zijn kleding uit en moeder moest zich maar overgeven aan de handelingen van vader. Moeder heeft het steeds ondergaan. De lopende aangifte van moeder over een vermeende verkrachting is tegen vader. Vader kwam net als zo vaak thuis van een poos weg van huis te zijn en was weer dronken. Vader betastte moeder van onderen en wilde niet stoppen toen moeder dat aangaf. Vader is, terwijl moeder aangaf het niet te willen, tegen de wil van moeder in met de vingers bij moeder naar binnen gegaan. Moeder had nadat vader dat gedaan had bloedverlies omdat hij aan de binnenkant wat kapot had gemaakt. Moeder was toen zwanger van [minderjarige] . Toen moeder bij de

verloskundige kwam was daar niets meer van te zien. Moeder heeft wel contact gehad met de dokter maar de sporen waren toen al weg omdat moeder was gaan douchen. Moeder heeft van dit voorval aangifte gedaan bij de politie en van het huislijk geweld, maar bewijzen heeft moeder niet. Moeder ging op seksueel gebied mee in hetgeen vader wilde omdat ze geen ruzie wilde. Moeder weet niet hoe het met de aangifte staat.

5.7.

In mei 2024 is moeder naar oma (mz) in Marokko vertrokken. Moeder had het

zwaar met vader en wilde even naar haar moeder. Moeder betwist dat ze naar Marokko is vertrokken omdat ze een andere partner zou hebben. Moeder heeft toen ze terugkwam, onder druk van vader, een soa test moeten gaan doen. Moeder ontkent dat er sprake is van een andere relatie of andere seksuele contacten. Vader bleek echter wel wat te hebben en heeft een antibiotica gekregen. Moeder maakt zich zorgen over deze gedachtes van vader.

Vader blijft moeder maar beschuldigen. Vader heeft ook aangegeven dat moeder coke zou hebben gebruikt, moeder betwist ook dit. Moeder heeft nog nooit drugs gebruikt.

5.8.

In het contact met [minderjarige] geeft moeder aan dat vader nog nooit wat heeft gedaan voor [minderjarige] . Vader heeft nog nooit iets gekocht. Wanneer hij wat meeneemt komt het van de familie af. Vader zelf doet dat niet. Vader klaagt wel steeds dat hij haar zo weinig ziet, maar vader zegt zelf de afspraken af of brengt haar eerder terug. Wanneer [minderjarige] bij haar vader is geweest komt ze huilend terug. Moeder vindt het goed dat vader [minderjarige] ziet maar dat wel onder begeleiding. Moeder vindt het belangrijk dat er regelmaat komt in het contact tussen vader en [minderjarige] . Nu is dat er niet. Moeder wil die regelmaat graag voor [minderjarige] .

5.9.

Over de veiligheid van vader en [minderjarige] maakt moeder zich zorgen omdat ze heeft gezien dat vader [minderjarige] in bad deed terwijl hij dronken was. Voor moeder is dat een zorg en bevestigt voor haar dat het belangrijk is dat er begeleiding komt voor de omgang. Een op een contact tussen vader en [minderjarige] vindt moeder gevaarlijk, niet alleen om de beschikbaarheid van vader fysiek en mentaal door vader maar ook hetgeen vader over moeder gaat aangeven. Vader heeft al eens aangegeven dat wanneer [minderjarige] had gespuugd op moeder na de fles, dat moeder sperma op haar shirt zou hebben. Vader blijft rare gedachtes hebben tegen en over moeder.

Informatie van iHub (voorheen Altra)

5.10.

De Raad heeft ten aanzien van het verloop van de begeleide omgang informatie ingewonnen bij ouderbegeleider vanuit iHub (voorheen Altra), die sinds een jaar betrokken is bij het gezin. De begeleiding is gericht op moeder en [minderjarige] , maar bij aanvang van het traject is er ook een korte periode begeleide omgang ingezet voor het contact tussen vader en [minderjarige] omdat de verwijzing voor begeleide omgang lang op zich liet wachten. De ouderbegeleider heeft in dat contact een mooie band gezien tussen vader en [minderjarige] (deze was er in het begin niet, [minderjarige] huilde veel in het begin). Vader weet goed aan te sluiten bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft, aldus de ouderbegeleider. Vader gaf [minderjarige] de ruimte om te wennen aan vader, vader had haar toen al een tijdje niet gezien, wat zorgde voor meer ruimte bij [minderjarige] om vader toe te laten. De interactie was mooi om te zien, vader kon [minderjarige] leeftijdsadequaat te volgen en bij haar aansluiten.


Informatie van Rodante

5.11.

Ten aanzien van het verloop van het contact tussen de vader en [minderjarige] heeft de Raad ook informatie ingewonnen bij Rodante, de zorgverlener die was belast met de begeleiding van de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Deze informatie is vervat in een email en luidt als volgt:

“Tijdens de omgangsbegeleiding is waargenomen dat vader moeite ervaart in de omgang met [minderjarige] . Er is sprake van beperkt affectief gedrag richting [minderjarige] en beperkte opvoedkundige vaardigheden. De interactie tussen vader en [minderjarige] oogt weinig afgestemd op de ontwikkelingsfase en behoeften van [minderjarige] . Zo is meerdere malen geobserveerd dat vader gedurende de omgang voornamelijk filmt en beperkt actief contact aangaat. Wanneer er interactie plaatsvindt, sluit deze niet altijd aan bij de behoeften van [minderjarige] , bijvoorbeeld door het gebruik van babypraat zonder stimulans van taalontwikkeling, ondanks eerder aangereikte handvatten vanuit de begeleiding.

Daarnaast is waargenomen dat vader tijdens de omgang regelmatig uitspraken doet richting [minderjarige] waarin de moeder wordt betrokken. Dit betreft onder andere opmerkingen als: "Dat heb je van je moeder geleerd" en "Je lijkt op je moeder". Ook is geobserveerd dat vader bij het gebruik van een rietje door [minderjarige] , een vergelijking maakt met roken en daarbij aangeeft dat dit gedrag door de moeder zou zijn aangeleerd. In deze interacties wordt de moeder herhaaldelijk benoemd op een negatieve wijze in het contact tussen vader [minderjarige] .

Evenzo is waargenomen dat vader tijdens omgangsmomenten ook richting de begeleiding negatief spreekt over de moeder, terwijl [minderjarige] hierbij aanwezig is. Vader is hier meerdere malen op aangesproken en verzocht de focus te houden op de interactie met [minderjarige] . Tevens is hem uitgelegd dat negatieve uitlatingen over de moeder in aanwezigheid van [minderjarige] , onwenselijk zijn, omdat dit voor een (jong) kind verwarrend kan zijn en de beleving van veiligheid en rust tijdens de omgang kan beïnvloeden.

Vader toont gedrag waarbij hij herhaaldelijk de omgangsregeling en de daarbij behorende uren benoemt. Hij verwijst meer dan regelmatig naar zijn recht op 26 uur omgang en geeft aan meer tijd met zijn dochter te willen doorbrengen. Daarbij is het vader die herhaaldelijk contact opneemt met de organisatie wat als dwingend wordt ervaren. Wanneer hem vervolgens de mogelijkheid wordt geboden om hierover in gesprek te gaan, wordt geobserveerd dat vader dit contact niet voortzet of uit contact gaat. Vader geeft aan graag activiteiten met [minderjarige] te willen ondernemen, waaronder uitstapjes. Tegelijkertijd wordt tijdens de omgang gezien dat vader beperkt initiatief toont in het plannen of uitvoeren van activiteiten. Gedurende de gehele begeleidingsperiode is voornamelijk door vader gekozen voor wandelen. Tijdens deze momenten laat vader zien, niet te weten welke route hij moet nemen. Ook moet hij geholpen worden voor het bijhouden van de tijd van de omgang om tijdig terug te zijn.

Daarnaast is tijdens contactmomenten geobserveerd dat vader niet altijd een adequate inschatting maakt van wat in het moment passend en verantwoord is voor [minderjarige] . Zo is waargenomen dat vader met [minderjarige] naar buiten wil gaan terwijl zij ziek is en het buiten koud is. Dit duidt op beperkte inschatting van gezondheids- en weersomstandigheden in relatie tot de zorgbehoefte van een jong kind. Andere geboden mogelijkheden voor activiteiten worden niet benut. Vader geeft aan dat het ontbreken van eigen vervoer hierbij een belemmering vormt. Ondanks dat deze mogelijkheid met vader is besproken, wordt gemerkt dat hij geen gebruikmaakt van het openbaar vervoer dat direct beschikbaar is bij de locatie van de Blijfgroep.

Er zijn signalen die vragen oproepen over de praktische uitvoerbaarheid en veiligheid van de omgang. Vader beschikt niet over eigen vervoer en oogt tijdens sommige contactmomenten onrustig. Zo is waargenomen dat hij regelmatig plotseling de weg overstak op een plaats waar geen oversteekvoorziening aanwezig is. Na het hierop aanspreken is dit gedrag niet opnieuw geobserveerd.

Tweemaal is door zowel begeleiding als receptie gesignaleerd dat vader mogelijk onder invloed was tijdens een omgang en eenmaal telefonisch wat zich onlangs heeft afgespeeld. Vader ontkent dit. Desondanks is er hierover een gesprek plaatsgevonden, mede in combinatie met andere zorgen. Met vader zijn duidelijke afspraken gemaakt om zich na de omgang niet op te houden in de directe omgeving van de Blijfgroep. Ondanks deze afspraken is waargenomen dat vader zich hier na de omgang toch heeft bevonden. Ook hierover is een gesprek gevoerd, aangezien dit eerder expliciet is besproken en afgesproken.

In de afgelopen periode is gebleken dat vader geen structurele financiële bijdrage heeft geleverd ten behoeve van [minderjarige] . Uitsluitend eenmaal is kleding aangeschaft (door familie tijdens een bezoek) en driemaal speelgoed. Verdere bijdragen zijn niet gedaan.

In de afgelopen periode is tevens sprake geweest van herhaaldelijk te laat komen

bij omgangsmomenten. Vader is op 15 juli, 25 juli en 11 augustus te laat verschenen.

Daarnaast hebben meerdere afmeldingen plaatsgevonden, te weten op 08 september, 29 september, 29 januari, 7 januari en 4 februari. Deze afmeldingen en verlate aankomsten hebben invloed op de voorspelbaarheid en continuïteit van de omgangsmomenten.

Verder wordt waargenomen dat vader met regelmaat eerder gemaakte afspraken niet paraat heeft of ontkent dat deze zijn gemaakt. Wanneer afspraken worden teruggekoppeld, geeft vader aan hiervan niet op de hoogte te zijn. Als voorbeeld kan worden genoemd dat er na een evaluatieperiode een uitbreiding van de omgang is afgesproken, waarop vader twee weken voorafgaand inhoudelijk per e- mail heeft gereageerd. Op een later moment geeft vader echter aan niet op de hoogte te zijn van deze afspraak. Dit roept vragen op over de mate waarin afspraken worden vastgehouden en nagekomen.

De heer [naam 2] heeft in augustus de zaak overgenomen van een vrouwelijke collega. Deze overdracht vond plaats vanwege grensoverschrijdend gedrag richting de vrouwelijke collega en het herhaaldelijk niet respecteren van communicatieafspraken, waaronder het op ongepaste tijdstippen ('s nachts) contact zoeken ondanks meerdere verzoeken vanuit de organisatie en medewerkers, dit niet te doen. Daarnaast ervaarde de collega "splitsend gedrag", waarbij vader medewerkers of instanties tegenover elkaar leek te plaatsen. Ook werd een c controlerende en sturende houding waargenomen in de communicatie. Gedurende de begeleiding is sprake van wisselende stemmingen en een gespannen indruk bij vader. Er zijn vermoedens van psychische kwetsbaarheid.

Het is momenteel onbekend of vader in behandeling is (geweest) bij de GGZ. Verdere diagnostiek en inzicht in eventuele behandelgeschiedenis wordt wenselijk geacht. Het totaalbeeld dat uit de observaties naar voren komt, is dat vader momenteel onvoldoende stabiel oogt om de omgang zelfstandig, veilig en in het belang van [minderjarige] vorm te geven.


Beantwoording van de onderzoekvragen en conclusie

5.12.

De Raad komt, voor zover hier van belang, tot de volgende beantwoording van de onderzoeksvragen.

5.13.

De Raad maakte zich bij aanvang van het onderzoek zorgen om de ontwikkeling

en de veiligheid van [minderjarige] bij ouders. [minderjarige] heeft gedurende de zwangerschap al veel spanningen tussen ouders meegemaakt. Er is hulpverlening betrokken geraakt bij ouders, maar dat heeft niet geleid tot constructieve verbetering van de situatie tussen ouders en het veilig kunnen opgroeien van [minderjarige] . Na de geboorte is moeder vrij snel vertrokken met [minderjarige] omdat zij het voor haar en [minderjarige] niet veilig achtte. De Raad heeft het ouders kwalijk genomen dat zij [minderjarige] , die op dat moment gezien haar jonge leeftijd zo kwetsbaar was, in onveiligheid hebben gebracht. Het weggaan van moeder van moeder bij vader

wat noodzakelijk was gezien de situatie (huiselijk geweld) maar heeft een grote impact gehad op de hele jonge, kwetsbare en afhankelijke [minderjarige] . Er is echter wel enige verbetering. Nu ouders geen contact hebben met elkaar is het een stuk rustiger. Moeder heeft nog wel veel spanning over contact met vader, maar dat heeft tijd en mogelijk behandeling nodig. De spanningen tussen ouders zijn weg, nu hebben alleen ouders los van elkaar nog spanningen, daar is oog voor en wordt aan gewerkt. De Raad ziet na afsluiting van het onderzoek dat beide ouders het beste voor hebben met [minderjarige] . Er wordt een liefdevolle moeder gezien in de interactie met [minderjarige] , datzelfde wordt gezien tussen vader en [minderjarige] . Het is belangrijk dat beide ouders samen (blijven) werken met de hulpverlening en zich (blijven) inzetten om vorm te geven aan het gezamenlijke ouderschap.

5.14.

De Raad stelt vast dat moeder een veilige plek heeft en hulpverlening voor zowel de opvoeding als voor haar zelf. Moeder laat daarin mooie, maar kleine stappen zien en neemt

adviezen van de hulpverlening aan. Moeder zou graag willen dat er in de toekomst

een samenwerking is met vader, maar daar is voor nu nog geen ruime voor bij

moeder.

5.15.

Vader daarentegen heeft geen individuele hulpverlening. Vader wil graag meer

contact met [minderjarige] maar door de betrokken hulpverlening in het kader van begeleide omgang wordt gezien dat vader niet betrouwbaar is in het nakomen van afspraken. Wel ziet de hulpverlening dat er een fijn contact is tussen vader en [minderjarige] tijdens de omgangmomenten, waarbij hij goed bij haar aan weet te sluiten. Het is echter belangrijk voor [minderjarige] dat zij kan rekenen op betrouwbare opvoeders die afspraken nakomen. [minderjarige] is nu nog klein en zal zelf niet kunnen aangeven dat ze op haar vader wacht. Voor [minderjarige] is het belangrijk voor de hechting met haar vader dat vader er is wanneer er contactmomenten

zijn en daarin een betrouwbare opvoeder is. De Raad ziet dat beide ouders veel hebben meegemaakt en beide een andere visie hebben over hetgeen er is voorgevallen. De Raad gunt het [minderjarige] dat ze contact kan hebben met haar beide ouders en ouders dat ze verder kunnen met ondersteuning van de ingezette hulpverlening. Hierbij is het belangrijk dat ouders het belang van [minderjarige] centraal blijven stellen. Gezien de stappen die ouders gezet hebben en [minderjarige] niet meer (structureel) in onveiligheid verkeert, heeft de Raad op dit moment dan ook geen ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . De zorgen die er zijn, liggen in de interactie tussen ouders en het contact tussen vader en [minderjarige] .

5.16.

De Raad is van mening dat passende is hulpverlening ingezet, zoals Rodante

en iHub. Naast de al ingezette hulpverlening is de Raad van mening dat intensieve

opvoedondersteuning ingezet dient te worden bij beide ouders en niet alleen bij moeder, gericht op hun opvoedershandelen en hun pedagogische vaardigheden. De Raad vindt het belangrijk dat de hulpverleners samen werken. Ouders staan open voor begeleiding en hulpverlening. Onder begeleiding van Rodante en de duidelijke doelen kan gekeken worden naar een uitbreiding van het contact tussen vader en [minderjarige] . Hierbij dient vader betrouwbaar te zijn in het nakomen van de contact momenten en na te denken over de invulling van de momenten. De zorgen die de Raad heeft kunnen door ouders en hupverlening in het vrijwillig kader worden weggenomen worden opgepakt. De Raad vindt het belangrijk dat JGZ betrokken raakt en regie gaat voeren op de ingezette hulpverlening waar beide ouders mee instemmen en voor open staan. Rodante heeft aangegeven regie te kunnen voeren op het contact tussen vader en [minderjarige] en kan middels een opbouw de omgang uitbreiden, mits wordt voldaan aan de afspraken welke zijn gemaakt door Rodante en er duidelijkheid is over de opvoedvaardigheden van vader.

5.17.

De Raad is van mening dat vader aan zet is. De Raad vindt het belangrijk dat vader zich eerst gaat houden aan de gemaakte afspraken in de huidige contactregeling en zich begeleidbaar opstelt alvorens een uitbreiding volgt. Vader moet eerst laten zien aan [minderjarige] , moeder en de hulpverlening dat hij voorspelbaarheid kan geven voordat er een definitieve zorgregeling wordt vastgesteld. Vader heeft eerst begeleiding nodig van Rodante waarbij vader betrouwbaarheid laat zien in het aangaan van afspraken. Daarnaast zou het wenselijk zijn als iHub bij vader gaat aansluiten om zo meer zicht te krijgen op het opvoedershandelen van vader.

5.18.

Rodante zal daarnaast samen met ouders in gesprek moeten gaan om met ouders

te gaan werken aan partners in ouderschap in het belang van [minderjarige] . Moeder volgt therapie en trauma behandeling om de ingrijpende gebeurtenissen te kunnen verwerken. Zodat moeder meer draagkracht ervaart in de opvoeding van [minderjarige] en minder spanningen ervaart wanneer er contact is over [minderjarige] met haar vader. Het is van belang dat er hulpverlening betrokken wordt en blijft. Om regie te kunnen houden op de inzet van hulpverlening en de monitoring en voortgang te kunnen volgen is het belangrijk dat JGZ [plaats 4] de regie voert en behoudt. Rodante begeleidt het contact met [minderjarige] en vader. iHub is bij moeder betrokken en zo ook 's Heeren Loo voor het verwerken van de trauma's van moeder.

5.19.

De Raad vindt het belangrijk dat vader wordt ondersteund (door Rodante) in het

voorbereiden van contact met [minderjarige] . In afstemming tussen de Blijfgroep, Rodante en iHub en onder regie van Jeugd en Gezin (JGZ) kan er gekeken worden wat [minderjarige] nodig heeft in de mogelijk contactmomenten met vader en welk tempo [minderjarige] aan kan. Voor nu is het vader die moet laten zien dat hij afspraken kan nakomen en betrouwbaar is naar [minderjarige] . Vader zal zich leerbaar op moeten stellen en tips en adviezen moeten aannemen alvorens de omgang kan worden uitgebreid naar een dagdeel of meer. Ouders kunnen gezamenlijk afspraken gaan maken over belangrijke zaken die [minderjarige] aangaan en een ouderschapsplan opstellen.

5.20.

Er zijn grote zorgen over het gedrag van vader, gezien alles wat er is gebeurd in

de relatie en het feit dat het vader niet lukt om zich aan gemaakte afspraken te houden zoals Rodante, omgangsbegeleiding, aangeeft. Een feit blijft dat vader, de vader blijft van [minderjarige] en dat hij een belangrijke rol in haar leven zal blijven spelen. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat er contact blijft tussen vader en [minderjarige] . Op het moment dat er geen enkele vorm van contact is tussen hen, zullen vader en [minderjarige] steeds verder verwijderd van elkaar raken. Ondanks hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt in de thuissituatie met ouders mist ze hem en geniet ze van het contact wanneer dat er is. Ook moeder erkent het belang van

contact.

5.21.

Er is nu nog niet structureel contact omdat omgangsmomenten niet worden nagekomen en vader zich moeizaam laat sturen en begeleiden door de betrokken hulpverlening. Hierom acht de Raad het niet in het belang van [minderjarige] dat vader, mede gezien haar jonge leeftijd, onbegeleid contact heeft met haar. Ook vanuit Rodante wordt aangegeven dat er meer zicht moet komen op de pedagogische vaardigheden van vader en de leerbaarheid van vader. Daarnaast moet vader laten zien dat hij in het contact met [minderjarige] betrouwbaar is en niet onder invloed is van alcohol of andere middelen, zoals is waargenomen door Rodante. Gezien de kwetsbaarheid van [minderjarige] vindt de RvdK dat de contacten begeleid dienen te worden, zodat er voorspelbaarheid geboden kan worden en het

contact in een veilige setting kan zijn. Wanneer vader hierin positieve stappen

laat zien kan Rodante de duur en frequentie gaan uitbreiden waarbij [minderjarige] haar

belangen leidend zullen zijn. Het is belangrijk dat [minderjarige] niet opnieuw teleurgesteld wordt door vader door het niet nakomen van afspraken. Daarom is het belangrijk dat vader eerst laat zien dat hij zich kan conformeren aan de afspraken en vader begeleiding en psycho-

educatie van Rodante krijgt zodat hij inziet wat [minderjarige] nodig heeft.

5.22.

Naast de mogelijke risico's die [minderjarige] loopt, zal het onbegeleid laten plaatsvinden

van de omgang begrijpelijkerwijs forse spanningen bij moeder teweegbrengen. De spanningen die het oplevert bij moeder, door [minderjarige] die nog voor veel van moeder afhankelijk is, die zal [minderjarige] voelen en zijn weerslag op haar hebben. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Wanneer er meer zicht is op de problematiek van vader en tot er wat meer rust is bij moeder en vertrouwen in vader, mede een reden is dat het contact begeleid dient plaats te vinden. Er kan op dit moment niet van moeder verwacht worden dat zij dit zelfstandig kan ondersteunen gezien haar spanningen, hetgeen zijn weerslag op [minderjarige] zal

hebben. De omgang zal in eerste instantie door een professionele organisatie (Rodante)

begeleid dienen te worden. Het netwerk van moeder en vader bieden daar geen mogelijkheid voor. De RvdK is daarom van mening dat de volgende contactregeling in het belang van [minderjarige] is, waarbij het tempo van [minderjarige] wordt gevolgd en de regie bij Rodante ligt:

- Vader heeft wekelijks contact voor de duur van 2,5 uur, zoals reeds is afgesproken, met [minderjarige] en komt deze na. Wanneer vader deze contactmomenten trouw nakomt kan er worden uitgebreid naar een dagdeel, waarin vader het eten van [minderjarige] organiseert.

- Vader maakt van te voren een planning en neemt deze door met Rodante waarbij vader de tips en adviezen aanneemt en daar mee aan de slag. Mocht vader de contactmomenten niet nakomen of zich niet aan de gemaakte afspraken houden zal Rodante de frequentie en duur gaan korten, in het belang van [minderjarige] .

5.23.

Het is belangrijk dat er wordt gestart met het nakomen van de twee en half uur durende wekelijkse contact momenten. Vader dient deze trouw na te komen en kan alleen afzeggen wanneer vader ziek is en/of is opgenomen in het ziekenhuis. Vader zal moeten laten zien dat het belang van contact met [minderjarige] prevaleert boven andere afspraken. Vader laat het nu vaak geheel of gedeeltelijk afweten waardoor [minderjarige] geen contact heeft met haar vader. Vader kan advies of ondersteuning vragen aan Rodante als hij hulp nodig heeft bij plannen en organiseren van de afspraken. Het is nodig dat er tegelijk met vader een traject van ouderbegeleiding wordt gestart, waarin hij psycho-educatie krijgt geboden en hij kan laten zien afspraakgetrouw te kunnen zijn.

6De beoordeling

6.1.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

6.1.1.

De Nederlandse rechter is bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de voorliggende verzoeken.

6.2.

De echtscheiding, de hoofdverblijfplaats en het huurrecht

6.2.1.

De rechtbank overweegt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Hierin staan afspraken die partijen over hun kind hebben gemaakt. Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend. De rechtbank is van oordeel dat partijen toch ontvankelijk zijn in hun verzoek tot echtscheiding ondanks dat een ouderschapsplan ontbreekt. Dat wil zeggen dat de rechtbank het verzoek tot echtscheiding in behandeling neemt, omdat van partijen onder de huidige omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij dit alsnog samen doen.

6.2.2.

De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding en de nevenvoorzieningen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en het huurrecht van de woning toewijzen zoals verzocht, omdat de verzoeken over en weer door partijen niet zijn betwist. Dit betekent dat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen zal uitspreken, omdat partijen vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht en zij niet langer samen als echtgenoten verder kunnen. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt bij de moeder bepaald en het huurrecht van de woning zal aan de vader toekomen.

6.3.

De zorgregeling

6.3.1.

Ten aanzien van het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt.

Juridisch kader

6.3.2.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de eerste overweging.

6.3.3.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.

6.3.4.

Op grond van artikel 31, tweede lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

6.3.5.

In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op grond van artikel 253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

6.3.6.

Op grond van artikel 253a lid 2 onder a van het Burgerlijke Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, die kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

6.3.7.

Uit de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeien positieve verplichtingen voor de verdragsstaten voort tot bescherming tegen (herhaling van) huiselijk geweld. In jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn deze verplichtingen neergelegd in een aantal algemene uitgangspunten. Zo zijn de autoriteiten van de verdragsstaten verplicht effectief onderzoek te verrichten naar alle aantijgingen van huiselijk geweld. Dit onderzoek dient, ter waarborging van de effectiviteit daarvan, onmiddellijk en gedegen plaats te vinden. Er dient een onafhankelijke, proactieve en alomvattende risico-inschatting plaats te vinden. Wanneer risico’s worden geïdentificeerd dienen preventieve maatregelen te worden getroffen, die passend en proportioneel zijn. In het recente arrest van het EHRM in de zaak van Ubeda e.a. v. Italië van 2 juli 2026 is benadrukt dat de verplichting tot bescherming tegen huiselijk geweld niet alleen geldt binnen het strafrechtelijk kader, maar ook in familierechtelijke procedures, waar het de vaststelling van ouderlijke vaardigheden en de bescherming van het belang van het kind betreft. Mede gelet op artikel 31 van het Verdrag van Istanbul is in deze procedures noodzakelijk dat aantijgingen van huiselijk geweld expliciet worden getoetst, op geloofwaardigheid en grondslag, en op de verenigbaarheid van het handelen in kwestie met ouderlijk gezag en omgangsregelingen, aldus het EHRM.

Huiselijk geweld en aanwijzingen intieme terreur

6.3.8.

Om tot een goede beoordeling van deze zaak te komen, dient de rechtbank in lijn met het hiervoor genoemde juridisch kader de aantijgingen van de moeder over huiselijk geweld door de vader te beoordelen. Die beoordeling zal plaatsvinden op basis van de stellingen van partijen, de betwisting daarvan over en weer, de door partijen aan hun stellingen en betwisting gegeven onderbouwing, en het onderzoek van de Raad. De vader en de moeder nemen daarover uiteenlopende stellingen in, zoals hiervoor weergegeven. Van belang is dat de feiten zoals de moeder die stelt, zeer duidelijke kenmerken van huiselijk geweld met een patroon van intieme terreur door de vader vertonen. De rechtbank wijst daarbij op de door haar genoemde verergering van het geweld tijdens de zwangerschap, de concrete isolatie en controle van de moeder door de vader, het opzetten van het kind tegen de moeder door kwaadspreken over de moeder tijdens de omgang, en de ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van de moeder die – uitgaande van de stellingen van de moeder – een omkering van het daderschap vormen. De stellingen van de vader komen erop neer dat de moeder tijdens het huwelijk overspelig en promiscue was, slachtoffer is geworden van verkrachting door een andere man, drugs gebruikt en aanwezig heeft gehad in het bijzijn van [minderjarige] , en leugenachtig verklaart over de vader ten opzichte van instanties ten behoeve van het verkrijgen van een verblijfsvergunning.

6.3.9.

De rechtbank stelt vast dat uit het Raadsrapport blijkt dat het relaas van de moeder over het huiselijk geweld door vader bevestiging vindt in waarnemingen van Veilig Thuis, de politie, de buren, familieleden van de moeder, de verloskundige, de huisarts en de omgangsbegeleider van Rodante. Om te beginnen is door meerdere van deze professionele betrokkenen bij de moeder bij herhaling fysiek letsel, angst, emotionele ontregeling en hyperventilatie waargenomen. De buren hebben meermalen gehuil, gebonk en geschreeuw gehoord. Hoewel de vader ontkent (overmatig) alcohol te drinken, hebben politie en Rodante meermalen waargenomen dat de vader kennelijk onder invloed was, en uit de systemen van de politie komt naar voren dat de vader eerder bij hen in beeld is geweest wegens rijden onder invloed en mishandeling van andere vrouwen. De politie heeft waargenomen dat de vader in hun aanwezigheid verbaal ‘escaleerde’ en de telefoon van de moeder afpakte. De huisarts heeft bevestigd dat de moeder van de vader een soa-test diende te ondergaan, die negatief was. Rodante heeft waargenomen dat vader ondanks duidelijke andersluidende afspraken na de omgang in de omgeving van de Blijfgroep bleef hangen. Dat de moeder tevens op momenten, onder andere in aanwezigheid van oma vaderszijde, de ernst van het geweld heeft gebagatelliseerd, doet niet af aan de geloofwaardigheid van haar relaas. Dergelijke uitlatingen kunnen immers evenzeer het gevolg zijn van de gebleken angst voor de vader.

6.3.10.

Hier staat tegenover dat voor de stellingen van de vader in het dossier geen steun te vinden is en dat deze op onderdelen door het onderzoek zijn ontkracht. Zo stelt de vader bij de Raad dat de moeder geen soa test heeft ondergaan, terwijl door de huisarts is bevestigd dat deze test op verzoek van de vader wel heeft plaatsgevonden en negatief was. Ook stelt de vader dat hij nooit heeft gezegd dat hij twijfelt of [minderjarige] wel zijn dochter is, terwijl uit het rapport van de Raad blijkt dat hij dit wel heeft verklaard en nadenkt over een DNA-test.

6.3.11.

De rechtbank concludeert dat de stellingen van de moeder over het huiselijk geweld gegrond en geloofwaardig zijn, en dat bij de verdere beoordeling daarom tot uitgangspunt dient te worden genomen dat sprake is geweest van een ernstige vorm van huiselijk geweld met kenmerken van intieme terreur door de vader.

Mogelijkheden voor een zorgregeling

6.3.12.

Gelet op het hiervoor genoemde juridisch kader, zal de rechtbank vervolgens moeten beoordelen of de verzochte zorgregeling verenigbaar is met het huiselijk geweld en de bescherming van het belang van [minderjarige] . Bij die beoordeling zijn in de kern twee aspecten van belang. Het eerste betreft de gevolgen die het gepleegde huiselijk geweld in het verleden op [minderjarige] heeft gehad, op haar ontwikkeling en haar relatie met de vader. Het tweede betreft het risico op herhaling van het huiselijk geweld in de toekomst.

6.3.13.

De rechtbank constateert dat in het raadsrapport geen nadrukkelijke beoordeling van de hiervoor genoemde punten heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de mogelijkheden van een zorgregeling richt het rapport zich in de kern op andere – op zichzelf niet onbelangrijke – zorgen, zoals de spanningen die de moeder ervaart ten aanzien van de vader, de opvoedvaardigheden en de leerbaarheid van de vader, eventueel middelengebruik van de vader en zijn vermogen om afspraken na te komen en zodoende betrouwbaar te zijn voor [minderjarige] . Een expliciete toetsing van de geloofwaardigheid en de grondslag van het door de moeder gestelde huiselijk geweld, zoals vereist op grond van het hiervoor genoemde juridische kader, heeft echter niet plaatsgevonden. Evenmin wordt in het raadsrapport ingegaan op de gevolgen van het structurele huiselijk geweld op [minderjarige] , op haar ontwikkeling en haar relatie met de vader – niet aan de hand van algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, en ook niet op basis van concreet geobserveerd gedrag van [minderjarige] . Opvallend daarbij is dat de moeder als informant niet nadrukkelijk is bevraagd naar wat zij bij [minderjarige] heeft waargenomen. Bovendien valt op dat de Raad uitsluitend positieve interactie tussen de vader en [minderjarige] benoemt, terwijl die positieve interactie niet blijkt uit de door Rodante gegeven informatie, integendeel. Dit klemt temeer nu Rodante de instantie is die het overgrote deel van de begeleiding van de omgang tussen de vader en [minderjarige] heeft uitgevoerd.

6.3.14.

Het raadsadvies bevat verder geen inschatting van het risico van herhaling van het door de vader gepleegde huiselijk geweld jegens [minderjarige] in de toekomst en de interventies die bij de vader nodig en mogelijk zijn om dit risico te beperken – wederom: niet aan de hand van algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, en ook niet op basis van een gedegen onderzoek naar de oorzaken voor het gepleegde huiselijk geweld die in de persoon van de vader zijn gelegen. Dit is temeer van belang nu uit de informatie van de politie blijkt dat de vader al eerder in beeld is geweest vanwege geweld tegen vrouwen, de vader het huiselijk geweld integraal ontkent en geen hulpverlening ontvangt. Het dossier vormt bovendien grond voor serieuze zorgen over zijn psychische gesteldheid. Het relaas van de moeder schetst immers een beeld van paranoïde en irreële gedachten bij de vader over haar promiscuïteit, en ook Rodante uit vermoedens over psychische kwetsbaarheid in verband met waargenomen grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van een vrouwelijke medewerker, splitsend en controlerend gedrag, stemmingswisselingen en spanning. Eventuele behandelgeschiedenis van de vader lijkt niet te zijn onderzocht, en evenmin zijn eerdere politiecontacten terzake mishandeling of de aangifte van de moeder terzake verkrachting betrokken. Ook de negatieve wijze waarop de vader volgens waarnemingen van de moeder en Rodante spreekt over de moeder tegen [minderjarige] , baart zorgen.

6.3.15.

Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank op dit moment geen gedegen inschatting maken van de mogelijkheden van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De rechtbank zal de Raad dan ook vragen aanvullend te rapporteren, zoals ook gesuggereerd door de raadsvertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling, teneinde de nog ontbrekende informatie te verkrijgen. De Raad zal daartoe worden verzocht de onder de beslissing opgenomen vragen te beantwoorden en het onderzoek te verrichten dat daarvoor noodzakelijk is.

6.3.16.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of hangende het onderzoek een tijdelijke zorgregeling kan worden vastgesteld. In dat verband overweegt de rechtbank dat de moeder te kennen heeft gegeven achter begeleide omgang te staan en dit in het belang van [minderjarige] te achten, maar daarvoor tegelijkertijd bang te zijn. Vastgesteld moet worden dat de door de Raad geadviseerde door Rodante begeleide omgang niet mogelijk is, nu de vader te kennen heeft gegeven niet meer met Rodante te willen samenwerken. Gelet op het ontbreken van zicht op de gevolgen van het huiselijk geweld op [minderjarige] en haar relatie met haar vader, zal de rechtbank op dit moment bepalen dat omgang, hangende het aanvullende raadsonderzoek, zal moeten worden begeleid door een deskundige die als opdracht zal moeten krijgen hierover aan de hand van gestructureerde ouder-kindobservaties te rapporteren, met toepassing van een gevalideerd ouder-kindrelatie meetinstrument zoals bijvoorbeeld de emotional availability scales (Biringen: 2000; 2008). Deze observaties en de interpretatie daarvan zullen door de Raad bij het aanvullende onderzoek moeten worden betrokken. De rechtbank verzoekt de Raad hierop regie te voeren, dan wel een regievoerder aan te wijzen, nu de regievoerder in het geval van partijen voor de rechtbank onbekend is.

6.3.17.

De rechtbank gaat er vanuit dat de Raad het aanvullende onderzoek zo snel als mogelijk start, nu het een voortbouwend onderzoek betreft en de rechtbank op basis van de huidige informatie geen gedegen beslissing heeft kunnen nemen. De rechtbank verzoekt de Raad dit onderzoek binnen vier maanden gereed te hebben. Daarna krijgen partijen de gelegenheid om op het aanvullende Raadsrapport te reageren en zich uit te laten over de voortgang van de procedure.

7De beslissing

De rechtbank:

7.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 15 april 2022 in [plaats 1] ;

7.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is;

7.3.

bepaalt dat de vader het huurrecht van de echtelijke woning aan het adres [adres] , toekomt;

7.4.

bepaalt dat omgang tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal moeten worden begeleid door een - onder regie van de Raad - aan te zoeken deskundige die aan de hand van gestructureerde ouder-kindobservaties zal moeten rapporteren, met toepassing van een gevalideerd ouder-kindrelatie meetinstrument, waarbij duur en frequentie van de omgang nader door de uitvoerende instanties zal moeten worden bepaald, een en ander met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 6.3.16.;

7.5.

verzoekt de Raad binnen vier maanden na heden aanvullend onderzoek te verrichten, met inachtneming van de in deze beschikking vastgestelde feiten, ter beantwoording van de volgende vragen:

- Welke gevolgen heeft het huiselijk geweld door vader naar inschatting van de Raad gehad op [minderjarige] en haar relatie met de vader? Wilt u daarbij in elk geval aandacht besteden aan algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, waarnemingen van [minderjarige] door de moeder en de resultaten van de deskundige observaties van [minderjarige] in de omgang met de vader, zowel van Rodante als van de aan te zoeken deskundige?

- Wat heeft [minderjarige] van haar vader nodig om zich in het contact met hem veilig te kunnen voelen?

- Kan uit nadere raadpleging van informanten als politie, eventuele behandelgeschiedenis van de vader en andere informanten, meer zicht worden verkregen op de in de persoon van de vader gelegen oorzaken voor het gepleegde huiselijk geweld en mogelijke psychische kwetsbaarheden van de vader, en zo ja, wat heeft dit opgeleverd?

- Hoe schat de Raad het risico op herhaling van het huiselijk geweld tegen [minderjarige] in de toekomst op dit moment in, bij onbegeleid contact? Wilt u daarbij in elk geval aandacht besteden aan algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, en de in persoon van de vader gelegen oorzaken voor het gepleegde huiselijk geweld?

- Wat is naar inschatting van de Raad nodig om een eventueel risico op herhaling van het huiselijk geweld in de toekomst te ondervangen?

- Is voor de vader diagnostiek, hulpverlening en/of behandeling noodzakelijk ter voorkoming van herhaling van het huiselijk geweld in de toekomst?

- Als diagnostiek, hulpverlening of behandeling noodzakelijk is voor de vader: is deze naar inschatting van de Raad ook mogelijk en haalbaar, in het licht van de ontkenning van enige vorm van huiselijk geweld door de vader en het ontbreken van een daarmee samenhangende hulpvraag?

7.6.

houdt de behandeling van het verzoek over de zorgregeling pro forma aan tot 7 december 2026, voor uitlating door de Raad (Midden-Nederland, locatie Utrecht) over de stand van zaken van het aanvullende onderzoek;

7.7.

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en de beslissing ten aanzien van het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.M. Saruhan, griffier op 11 september 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere vaderier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733