Hoge Raad 18-09-2026, ECLI:NL:HR:2026:1488

Essentie (gemaakt door AI)

Inkomstenbelasting; art. 6.7, lid 1, letter a, en art. 2.10, lid 2 en lid 3, Wet IB 2001; art. 14 EVRM in samenhang met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM; art. 26 IVBPR. Tariefmaatregel op aftrek onderhoudsverplichtingen bij Boon/Van Loon‑verrekening leidt tot hogere belasting dan bij verevening volgens Wet VPS. Hoge Raad oordeelt dat dit geen gelijke gevallen betreft; geen schending verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel. Cassatie gegrond; hofuitspraak vernietigd; uitspraak rechtbank bevestigd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Aftrekbeperking bij doorbetaling pensioen aan ex-echtgenoot schendt gelijkheidsbeginsel?
Tariefmaatregel leidt bij Boon/Van Loon tot hogere belastingdruk dan voor belastingplichtigen onder Wet VPS. Hof: discriminatie; tariefmaatregel buiten toepassing. HR: geen gelijke gevallen; geen schending gelijkheidsbeginsel. Gegrond.

Datum publicatie18-09-2026
Zaaknummer25/02259
ProcedureCassatie
Formele relatiesIn cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:861; Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:202
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht; Pensioen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Inkomstenbelasting; art. 6.7, lid 1, letter a, en art. 2.10, lid 2 en lid 3, Wet IB 2001; art. 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM; art. 26 IVBPR; arrest Boon/Van Loon en Wet VPS; tariefmaatregel voor belastingplichtige onder regime van Boon/Van Loon-arrest die leidt tot een hogere belastingdruk dan bij pensioenverevening volgens de hoofdregel van de wet VPS; schending verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel?

Volledige uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02259

Datum 18 september 2026

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 mei 2025, nrs. BK-24/657 en BK-24/658 1, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 23/4603 en SGR 23/4604) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2020 en 2021 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 27 februari 2026 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. 2

Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P2] , als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende ontving in de jaren 2020 en 2021 een ouderdomspensioen (hierna: het pensioen) van Stichting Pensioenfonds [A] (hierna: [A] ).

2.2

Belanghebbende is op [...] 1992 gescheiden van zijn toenmalige echtgenote (hierna: de ex-echtgenote). De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: de Wet VPS) is pas daarna, op 1 mei 1995, in werking getreden, en is daardoor in dit geval op grond van de overgangsregeling in artikel 12, lid 1, van die wet niet van toepassing. In dit geval gelden de regels die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in zijn arrest van 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271 (hierna: het arrest Boon/Van Loon). Als gevolg van die regels dient belanghebbende een deel van het pensioen te verrekenen met de ex-echtgenote. Belanghebbende is in het kader van de echtscheiding met de ex-echtgenote overeengekomen om welk deel het gaat. Op grond van die overeenkomst heeft belanghebbende van het door hem ontvangen pensioen zowel in het jaar 2020 als in het jaar 2021 een bedrag van € 4.078 aan de ex-echtgenote betaald.

2.3

De Inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor de jaren 2020 en 2021. Het bedrag van € 4.078 dat belanghebbende ter verrekening van het pensioen aan de ex-echtgenote heeft betaald, is bij het vaststellen van beide aanslagen met toepassing van artikel 6.7, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001 in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrekpost voor uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. Ter zake van deze grondslagverminderende post is bij de vaststelling van deze aanslagen de regeling van artikel 2.10, lid 2 en lid 3, Wet IB 2001 toegepast.

2.4

Toepassing van die regeling houdt in dat de door de belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) wordt vermeerderd met een bepaald percentage van de grondslagverminderende post (in dit geval de aftrekpost voor uitgaven voor onderhoudsverplichtingen), voor zover deze post tegen het hoogste tarief in aftrek is gebracht. Per saldo is het gevolg hiervan dat een in artikel 2.10, lid 3, Wet IB 2001 bedoelde grondslagverminderende post niet aftrekbaar is tegen het hoogste tarief, maar tegen een lager tarief. Die regeling wordt daarom ook aangeduid als tariefmaatregel.

2.5

Deze regeling leidt ertoe dat van belanghebbende meer inkomstenbelasting wordt geheven dan hij zou zijn verschuldigd als de Wet VPS van toepassing zou zijn, en de aan de ex-echtgenote te betalen bedragen volgens de hoofdregel van die wet niet eerst door hem als pensioen zouden zijn ontvangen, maar de ex-echtgenote een zelfstandig recht op uitbetaling van dit deel van de pensioentermijnen zou hebben tegenover [A] als pensioenuitvoerder.

3De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was, voor zover in cassatie nog van belang, in geschil of het hiervoor in 2.5 bedoelde verschil in behandeling in strijd is met het verbod van discriminatie zoals neergelegd in artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

3.2

Het Hof heeft overwogen dat de tariefmaatregel ertoe leidt dat op pensioengerechtigde belastingplichtigen die onder het regime van het arrest Boon/Van Loon vallen, een hogere belastingdruk komt te rusten dan op belastingplichtigen in overigens gelijke omstandigheden die onder de regeling van de Wet VPS vallen. Dat levert een verschil in behandeling op tussen deze gevallen, aldus het Hof.

3.3.1

Het Hof is van oordeel dat deze gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, waarbij het Hof heeft vooropgesteld dat de vergelijkbaarheid in dit verband moet worden beoordeeld in het licht van het voorwerp en doel van de maatregel die het onderscheid in kwestie maakt.

3.3.2

Zowel de verrekening van ouderdomspensioen als bedoeld in het arrest Boon/Van Loon als de verevening van pensioenrechten op grond van de Wet VPS strekt ertoe tot de gemeenschap behorende pensioenrechten te verdelen tussen scheidende echtelieden. In zoverre is het geval van belanghebbende naar het oordeel van het Hof vergelijkbaar met gevallen die onder de Wet VPS vallen.

3.3.3

Met (de voorloper van) de fiscale regeling op grond waarvan belanghebbende de door hem betaalde bedragen in aftrek brengt (artikel 6.7, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001) heeft de wetgever het verzorgingsrechtelijke aspect van de doorbetaling van pensioenuitkeringen na echtscheiding volgens het Hof voorop willen stellen. Daarbij paste een systematiek waarin de doorbetaalde uitkeringen bij de pensioengerechtigde integraal aftrekbaar en bij de verrekeningsgerechtigde integraal belastbaar zouden zijn. Ook in zoverre is het geval van belanghebbende naar het oordeel van het Hof vergelijkbaar met gevallen die onder de Wet VPS vallen, omdat ook het regime van de Wet VPS mede op de verzorgingsgedachte is gestoeld en tot gevolg heeft dat het aan de vereveningsgerechtigde toegedeelde pensioen uitsluitend bij hem in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken. De wetgever heeft daarmee in beide gevallen voor gewezen echtgenoten van wie de pensioenrechten in een verrekening of verevening worden betrokken, een voor fiscale doeleinden neutrale, integrale inkomensoverheveling willen bewerkstelligen, aldus het Hof.

3.3.4

Bezien vanuit het voorwerp en doel van de toepasselijke regels doen de door de Inspecteur benoemde verschillen tussen het regime van het arrest Boon/Van Loon en de bepalingen uit de Wet VPS volgens het Hof niet ter zake.

3.4

Uit de wetsgeschiedenis kan naar het oordeel van het Hof niet worden afgeleid dat de wetgever bij het invoeren van de tariefmaatregel onder ogen heeft gezien dat die maatregel zou resulteren in een verschil in behandeling tussen vereveningsplichtigen die onder de Wet VPS vallen en verrekeningsplichtigen die onder het regime van het arrest Boon/Van Loon vallen. Een rechtvaardiging voor dat verschil in behandeling kan daarom niet uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid. Het Hof heeft ook buiten de wetsgeschiedenis geen gronden van fiscale of niet-fiscale aard gevonden die de onderhavige ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen. Verder kan volgens het Hof niet worden gezegd dat de ongelijke behandeling tot een kwantitatief onbelangrijke benadeling leidt.

3.5

Daarom moet naar het oordeel van het Hof worden geoordeeld dat deze ongelijke behandeling van gelijke gevallen evident een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbeert.

3.6

Volgens het Hof kan de rechter rechtsherstel bieden voor deze schending van het discriminatieverbod. Gelet op de kennelijke doelstelling van de wetgever om pensioenverrekening fiscaal neutraal te laten verlopen voor de verrekeningsplichtige, moet de tariefmaatregel naar het oordeel van het Hof buiten toepassing blijven ter zake van de onderhavige periodieke uitkeringen in de zin van artikel 6.7, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001.

4Beoordeling van het middel

4.1

Het middel klaagt onder meer over het hiervoor in onderdeel 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat het hier bestreden verschil in behandeling betrekking heeft op gevallen die als gelijk moeten worden beschouwd. Het voert daartoe aan dat bij een echtscheiding die heeft plaatsgevonden voor 1 mei 1995 de afwikkeling van de opgebouwde pensioenrechten volgens wezenlijk andere regels geschiedt dan bij een echtscheiding die heeft plaatsgevonden op of na 1 mei 1995. Daardoor zijn ook de fiscaal-juridische gevolgen van de afwikkeling van de opgebouwde pensioenrechten wezenlijk anders. Uit een oogpunt van toepassing van de tariefmaatregel bevinden deze twee categorieën zich niet in een gelijke positie, nu enkel de eerste categorie belastingplichtigen wordt geraakt door de tariefmaatregel, aldus het middel.

4.2.1

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd. Indien het – zoals in dit geval – niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, seksuele oriëntatie, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot. 3

4.2.2

Of de situatie van een belastingplichtige die betalingen verricht aan een ex-echtgenoot ter verrekening van pensioen onder het regime van het arrest Boon/Van Loon enerzijds en de situatie waarin het pensioen van een belastingplichtige wordt verevend op grond van de Wet VPS anderzijds gelijke gevallen zijn, moet worden bezien vanuit het voorwerp en het doel van de tariefmaatregel voor grondslagverminderende posten die is opgenomen in artikel 2.10, lid 2 en lid 3, Wet IB 2001, aangezien de ongelijke behandeling zich bij toepassing van die regeling manifesteert. 4

4.2.3

Bezien vanuit het doel en het voorwerp van de tariefmaatregel, die zich richt op bepaalde aftrekposten, zijn de beide hiervoor in 4.2.2 bedoelde gevallen niet als gelijke gevallen aan te merken. In gevallen waarin een deel van het pensioen op grond van de Wet VPS rechtstreeks behoort te worden uitbetaald aan een ex-echtgenoot, niet zijnde de pensioengerechtigde, is een aftrekpost voor de andere, pensioengerechtigde ex-echtgenoot immers niet aan de orde. Datzelfde geldt indien de vergelijkbaarheid wordt bezien vanuit het doel van de grondslagverminderende post waarop de tariefmaatregel in dit geval betrekking heeft (uitgaven voor onderhoudsverplichtingen). 5
Ook bezien vanuit het stelsel van de Wet IB 2001 als geheel zijn beide gevallen niet als gelijk aan te merken. In gevallen waarin een deel van het pensioen op grond van de Wet VPS rechtstreeks behoort te worden uitbetaald aan een ex-echtgenoot, niet zijnde de pensioengerechtigde, maakt dat deel van het pensioen namelijk – anders dan bij pensioenverrekening – geen deel uit van het belastbare inkomen van de andere ex-echtgenoot, die de pensioengerechtigde is, en blijft het daardoor voor de belastingheffing van die laatste ex-echtgenoot buiten beschouwing.

4.2.4

Gelet op wat hiervoor in 4.2.3 is overwogen, kon de wetgever met inachtneming van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid ervan uitgaan dat het hier omstreden onderscheid gevallen betreft die niet als gelijk zijn aan te merken. Van dat oordeel van de wetgever kan niet worden gezegd dat het evident van redelijke grond is ontbloot. De door het Hof genoemde omstandigheid dat zowel onder het regime van het arrest Boon/Van Loon als onder de Wet VPS de verzorging van de niet-pensioengerechtigde ex-echtgenoot voorop staat, leidt niet tot een ander oordeel. Het streven naar een behoorlijke verzorging van de niet-pensioengerechtigde ex-echtgenoot is niet van belang voor de vergelijkbaarheid van de gevallen, aangezien het hier niet gaat om de fiscale positie van die ex-echtgenoot, maar om de mate van fiscale aftrek van het doorbetaalde pensioen bij de andere, wel pensioengerechtigde ex-echtgenoot.

4.2.5

Het Hof heeft daarom ten onrechte aangenomen dat het hier bestreden onderscheid in strijd is met het verbod van discriminatie in de hiervoor in 3.1 genoemde verdragsbepalingen. Het middel slaagt.

4.3

Ten overvloede overweegt de Hoge Raad dat de tariefmaatregel evenmin leidt tot discriminatie tussen enerzijds gevallen waarin een ex-echtgenoot op grond van de hoofdregel van de Wet VPS een zelfstandig recht tegenover de pensioenuitvoerder heeft op uitbetaling van een deel van de pensioentermijnen, en anderzijds gevallen waarin de echtscheiding weliswaar heeft plaatsgevonden op of na 1 mei 1995, en dus onder de temporele werkingssfeer van de Wet VPS valt, maar waarin bij wijze van uitzondering geen pensioenverevening op grond van die wet plaatsvindt, en de pensioengerechtigde belastingplichtige in plaats daarvan een deel van de door hem ontvangen pensioenuitkeringen dient door te betalen aan de andere ex-echtgenoot. 6 Gelet op wat hiervoor in 4.2.3 is overwogen, kon de wetgever met inachtneming van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid ook ten aanzien van die twee categorieën ervan uitgaan dat het gevallen betreft die niet als gelijke gevallen zijn aan te merken.

4.4

Wat hiervoor in 4.2.5 is overwogen, brengt mee dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, waarbij het beroep van belanghebbende op het verbod van discriminatie is verworpen.

5Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

3

Vgl. HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, rechtsoverweging 5.3.1, en HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:184, rechtsoverweging 4.3.1.

4

Vgl. HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657, rechtsoverweging 5.3.2, en EHRM 5 september 2017, Fabián tegen Hongarije, nr. 78117/13, ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD007811713, par. 121.

5

Artikel 2.10, lid 3, aanhef en letter e, in samenhang gelezen met artikel 6.1, lid 2, aanhef en letter a, en artikel 6.7, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001.

6

Zie onderdeel 6.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733