Essentie (gemaakt door AI)
Nakoming schenk/leningsovereenkomst; gemotiveerde betwisting partij bij de overeenkomst te zijn; verstek; hoofdelijke veroordeling ex art. 1:85 BW. Vader vordert €193.383 van echtgenoten wegens voorwaardelijke schenkingen omgezet in lening bij scheiding. Vordering tegen echtgenote wordt afgewezen omdat zij geen partij is en wegens uitsluitingsclausule; ook geen ongerechtvaardigde verrijking. Tegen zoon bij verstek toegewezen met rente. Autoverzekeringspremie 2024 ad €521,84 hoofdelijk toegewezen; eerdere jaren aangemerkt als gift. Proceskostenveroordelingen.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 17-09-2026 |
| Zaaknummer | C/16/606289 / HA ZA 26-62 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Utrecht |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Familievermogensrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Nakoming schenk/leningsovereenkomst; gemotiveerde betwisting partij bij de overeenkomst te zijn; verstek; hoofdelijke veroordeling ex art. 1:85 BWVolledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/606289 / HA ZA 26-62
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Heijink,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.P.H.C. Swarts,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
te [plaats 2] ,
niet verschenen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gedaagde partijen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 januari 2026 met 12 producties,
- het tegen [gedaagde sub 2] verleende verstek,
- de conclusie van antwoord met 12 producties,
- de akte van [eiser] houdende producties, bewijsaanbod en wijziging eis met producties 13 t/m 28,
- de akte van [gedaagde sub 1] houdende producties tevens houdende bezwaar tegen akte houdende producties eiser met producties 13A t/m 14,
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiser] ,
- de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagde sub 1] .
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2De kern van de zaak
[eiser] is de vader van [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] is getrouwd met [gedaagde sub 1] . Volgens [eiser] zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hem € 195.858,84 verschuldigd. Hij zou dit bedrag aan hen geschonken hebben onder de voorwaarde dat dit bedrag omgezet zou worden in een lening in het geval dat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zouden scheiden. Op dit moment zijn zij aan het scheiden. Daarom wil [eiser (voornaam)] het bedrag nu terug. De hoofdvraag in deze zaak is of [eiser] en [gedaagde sub 1] deze leningsovereenkomst met elkaar zijn aangegaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] grotendeels worden afgewezen. Tegen [gedaagde sub 2] is verstek verleend. De vorderingen tegen hem worden grotendeels toegewezen.
3De beoordeling
[gedaagde sub 1] hoeft de vordering van € 193.383,00 niet te betalen aan [eiser]
Volgens [eiser] moet [gedaagde sub 1] hem € 193.383,00 betalen. Dit bedrag zou bestaan uit verschillende schenkingen die hij gedaan heeft aan het gezin van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Volgens [eiser (voornaam)] is afgesproken dat dit voorwaardelijke schenkingen zijn onder de voorwaarde dat het totaal geschonken bedrag een opeisbare lening zou worden in het geval dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] scheiden. Ook is volgens [eiser (voornaam)] afgesproken dat deze bedragen buiten de huwelijkse gemeenschap van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zouden vallen in het geval van scheiding. Om deze afspraken vast te leggen is op 10 oktober 2010 een overeenkomst (verder: de Overeenkomst) opgesteld die ondertekend is door [eiser] en door [gedaagde sub 2] . Volgens [eiser] wist [gedaagde sub 1] van het bestaan van deze afspraak af en moet ze daarom het gehele bedrag terugbetalen. [eiser] beroept zich primair op nakoming van de overeenkomst en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.
De rechtbank zal de vordering op grond van nakoming van de overeenkomst afwijzen. Het is namelijk niet vast komen staan dat [gedaagde sub 1] partij is bij de overeenkomst. [gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd betwist dat zij partij is bij de overeenkomst, dan wel anderszins zichzelf heeft verbonden tot terugbetaling van de schenkingen die door [eiser] zijn gedaan. Zij heeft erop gewezen (1) dat in de door [eiser] als productie 1 overgelegde “Uitsluitingsclausule Van ouder(s) aan kind de Datum 10 Oktober 2010”, slechts wordt gesproken van schenkingen van [eiser] aan zijn zoon [gedaagde sub 2] , (2) dat daarin ook alleen vader en zoon worden vermeld als partij, en (3) dat ook alleen vader en zoon dit document hebben ondertekend. Ook in het als productie 2 bij de dagvaarding overgelegde document met de titel “Lening [achternaam van eiser en gedaagde sub 2] overgenomen van [onderneming] B.V.” wordt slechts melding gemaakt van “bedragen door mij aan mijn zoon [gedaagde sub 2] geschonken of geleende bedragen” ten bedrage van totaal € 193.383,00. Ook daarin wordt [gedaagde sub 1] niet als partij genoemd en ook dit stuk is alleen ondertekend door vader en zoon. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser] onvoldoende gesteld dat voor [gedaagde sub 1] uit de Overeenkomst verplichtingen jegens [eiser] voortvloeien. Omdat hij daarmee niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, is ook er ook geen ruimte voor bewijslevering door [eiser] .
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs als vast was komen te staan dat [gedaagde sub 1] partij is bij de overeenkomst, het beroep op nakoming van de overeenkomst jegens [gedaagde sub 1] niet slaagt. In de overeenkomst staat namelijk een uitsluitingsclausule, die inhoudt dat alle geschonken/geleende goederen buiten de gemeenschap van goederen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vallen en alleen [gedaagde sub 2] toekomen. De geldbedragen zijn dus nooit aan [gedaagde sub 1] geschonken/geleend, maar alleen aan [gedaagde sub 2] . Dit betekent dat deze bedragen ook niet van [gedaagde sub 1] kunnen worden teruggevorderd.
[eiser] beroept zich subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank zal de vordering op die grond afwijzen. Van ongerechtvaardigde verrijking zou sprake zijn indien [gedaagde sub 1] is verrijkt ten koste van [eiser] . Uit de stellingen van [eiser] en de door hem in het geding gebrachte stukken blijkt echter dat uitdrukkelijk is bedongen dat sprake is van schenkingen en/of leningen van vader aan zoon, die bovendien uitdrukkelijk buiten enige gemeenschap tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vallen. [eiser] heeft als gevolg van de afspraken die hij met zijn zoon heeft gemaakt nu een vordering op zijn zoon ter hoogte van de door hem in dat kader aan zijn zoon betaalde bedragen. Als gevolg van deze vordering is hij derhalve niet verarmd. Reeds daarom kan van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake zijn,
1 nog afgezien van de vraag of en in hoeverre [gedaagde sub 1] is verrijkt ten koste van [eiser] als gevolg van kennelijk specifiek aan [gedaagde sub 2] betaalde bedragen.
De vordering van € 193.383,00 tegen [gedaagde sub 1] zal gelet op het voorgaande dus worden afgewezen.
[eiser (voornaam)] heeft subsidiair gevorderd dat de rechtbank [gedaagde sub 1] veroordeelt om mee te werken aan de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] . Omdat de vordering van € 193.383,00 afgewezen wordt, zal [gedaagde sub 1] ook niet worden veroordeeld mee te werken aan de verdeling van de overwaarde van de woning ten gunste van [eiser] .
[gedaagde sub 2] moet € 193.383,00 inclusief rente aan [eiser (voornaam)] betalen
[eiser (voornaam)] vordert dat [gedaagde sub 2] € 193.383,00 aan hem moet betalen. Ook vordert [eiser (voornaam)] betaling van de wettelijke rente over een gedeelte daarvan met verschillende ingangsdata, namelijk:
€ 12.000,00 vanaf 14 mei 2014;
€ 26.400,00 vanaf 23 april 2019;
€ 53.677,00 vanaf 8 juli 2020;
€ 53.677,00 vanaf 4 december 2020;
€ 30.965,00 vanaf 21 december 2023.
Tegen [gedaagde sub 2] is verstek verleend. Volgens de wet moet de rechtbank de vordering tegen hem daarom in beginsel toewijzen, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
2 Dat is niet het geval, temeer nu uit de stukken blijkt dat [gedaagde sub 2] blijkbaar de vordering erkent. Daarom zal de rechtbank [gedaagde sub 2] veroordelen om de vordering zoals in 3.7 uiteengezet aan [eiser (voornaam)] te betalen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten € 521,84 betalen aan [eiser]
Volgens [eiser] moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld om aan hem € 2.475,84 te betalen, omdat hij van 2020 tot en met 2024 de premies voor de verzekering van de auto van [gedaagde sub 1] betaald zou hebben.
Ten eerste legt [eiser] onverschuldigde betaling aan deze vordering ten grondslag. Een beroep daarop kan alleen slagen wanneer betaald is aan degene van wie het bedrag teruggevorderd wordt.
3[eiser] heeft de verzekeringspremies echter niet betaald aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , maar aan de verzekeraar. Daarom slaagt het beroep op onverschuldigde betaling niet.
Ten tweede begrijpt de rechtbank dat [eiser] ongerechtvaardigde verrijking aan deze vordering ten grondslag legt. De vordering zal op grond hiervan deels toegewezen worden. Volgens [eiser] is [gedaagde sub 1] ongerechtvaardigd verrijkt, omdat zij de premies eigenlijk zelf had moeten betalen in plaats van hem. [gedaagde sub 1] betwist dat de verrijking ongerechtvaardigd was, omdat [eiser] heeft erkend dat hij de premies van 2020 tot en met 2023 geschonken heeft aan haar, [gedaagde sub 2] en hun kinderen (totaalbedrag van € 1.954,00) en dat haar verrijking in die jaren dus niet ongerechtvaardigd is. Volgens [eiser] klopt het dat hij dit op enig moment in de onderhandelingen erkend heeft, maar moet dit gezien worden als een (niet aanvaard) aanbod om er onderling uit te komen. [eiser (voornaam)] heeft deze laatste stelling echter niet onderbouwd. Daarom stelt de rechtbank vast dat [eiser] de premies van 2020 tot en met 2023 aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en hun kinderen geschonken heeft en dat is een rechtvaardiging voor een verrijking. Voor de premie van 2024 is dat anders. [gedaagde sub 1] heeft niet betwist dat die verrijking ongerechtvaardigd was. Daarom zal [gedaagde sub 1] veroordeeld worden om de premie voor 2024 terug te betalen aan [eiser (voornaam)] . Dit betreft een bedrag van € 2.475,84 – € 1.954,00 = € 521,84.
Ook [gedaagde sub 2] zal op grond van ongerechtvaardigde verrijking veroordeeld worden om € 521,84 terug te betalen aan [eiser (voornaam)] voor de autoverzekeringspremies. Het meerdere komt de rechtbank ongegrond voor, omdat [eiser (voornaam)] heeft erkend dat de verzekeringspremies van 2020 tot en met 2023 aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en hun kinderen geschonken zijn en dit ook als uitgangpunt uit de in het geding gebrachte stukken volgt.
De rechtbank zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarom hoofdelijk veroordelen om € 521,84 aan [eiser (voornaam)] te betalen. Volgens artikel 1:85 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn echtgenoten namelijk hoofdelijk aansprakelijk voor schulden ten behoeve van de gewone gang van het huishouden. Partijen zijn het erover eens dat de verzekeringspremies kosten zijn voor de gewone gang van het huishouden van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De veroordeling zal (deels) hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
Over het bedrag van € 521,84 zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf 30 september 2025, omdat deze datum niet betwist is.
Geen verklaring voor recht dat bepaalde rechtshandelingen paulianeus zijn jegens [eiser]
[eiser] vordert ook een verklaring voor recht dat iedere rechtshandeling die betaling van het bedrag van € 195.858,84 uit de overwaarde van de voormalige echtelijke woning van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de weg staat paulianeus is tegenover hem. [eiser] heeft echter op geen enkele manier onderbouwd waarom dit paulianeus zou zijn. Daarom wordt deze vordering afgewezen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoeven geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
[eiser] vordert betaling van € 3.106,01 aan buitengerechtelijke incassokosten van [gedaagde sub 1] . De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar. Hiernaast zijn de hier gevorderde (forse) buitengerechtelijke incassokosten niet redelijk, gezien slechts een fractie van de vordering van [eiser] jegens [gedaagde sub 1] toegewezen zal worden. Ook daarom doorstaat deze vordering de toets van artikel 6:96 lid 2 sub c BW niet. Daarin staat namelijk dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking komen.
[eiser] vordert betaling van € 3.106,01 aan buitengerechtelijke incassokosten van [gedaagde sub 2] . Deze vordering zal worden afgewezen, omdat niet gebleken is dat [gedaagde sub 2] in verzuim is. Niet aangetoond is dat [gedaagde sub 2] in gebreke is gesteld.
4 Ook is het verzuim niet zonder ingebrekestelling ingetreden, want het is niet gebleken dat [gedaagde sub 2] niet wil nakomen.
5 Hij heeft de vordering namelijk erkend.
[eiser (voornaam)] en [gedaagde sub 2] moeten proceskosten betalen
[eiser] zal in overwegende mate in het ongelijk gesteld worden in zijn vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
2.803,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
5.770,00 |
(2 punten × € 2.885,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
8.762,00 |
[eiser] zal in overwegende mate in het gelijk gesteld worden in zijn vorderingen tegen [gedaagde sub 2] . Daarom moet [gedaagde sub 2] de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
77,74 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.803,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
2.885,00 |
(1 punt × € 2.885,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
5.954,74 |
De gevorderde wettelijke rente over de in 3.18 en de in 3.19 genoemde proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4De beslissing
De rechtbank
Ten aanzien van [gedaagde sub 1]
wijst de vordering van [eiser] van € 193.383,00 ten aanzien van [gedaagde sub 1] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde sub 1] van € 6.052,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de in 4.2 toegewezen proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
Ten aanzien van [gedaagde sub 2]
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 193.383,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
€ 12.000,00 vanaf 14 mei 2014;
€ 26.400,00 vanaf 23 april 2019;
€ 53.677,00 vanaf 8 juli 2020;
€ 53.677,00 vanaf 4 december 2020;
€ 30.965,00 vanaf 21 december 2023,
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van [eiser] van € 5.954,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de in 4.5 toegewezen proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
Ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2 (voornaam)] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 521,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. |
||
AV(5999)
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
