Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-07-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2079

Essentie (gemaakt door AI)

Inkomstenbelasting. Geen zelfstandig recht op toezending van stukken in de bezwaarfase; enkel recht op inzage en, na inzage, op afschrift art. 7:4 Awb. Inspecteur mag in (hoger) beroep nieuwe verweren aanvoeren; geen schending vertrouwensbeginsel of goede procesorde. Alimentatieverplichting uit convenant is opschortend voorwaardelijk en ontstaat pas bij einde arbeidsovereenkomst (1-4-2020); in 2019 geen bevoegdheid tot betaling en dus geen verrekening mogelijk art. 6:127 lid 2 BW. Geen vooruitbetaling, afkoop of verrekening van partneralimentatie. Hoger B 

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Verrekening partneralimentatie niet mogelijk vóór vervulling voorwaarde
Volgens convenant is PAL pas verschuldigd bij einde arbeidsovereenkomst ex-partner. Zolang die opschortende voorwaarde niet is vervuld, kan deze niet worden verrekend met een tegenvordering. Geclaimde aftrek daarom terecht geweigerd.

Datum publicatie15-09-2026
Zaaknummer25/897
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:2269, Bekrachtiging/bevestiging
RechtsgebiedenBestuursrecht; Belastingrecht
TrefwoordenFiscaal familierecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Inkomstenbelasting. Geen zelfstandig recht op toezending van stukken in de bezwaarfase. Het staat inspecteur in beginsel vrij om in (hoger) beroep nieuwe verweren aan te voeren. Geen vooruitbetaling, afkoop of verrekening van partneralimentatie. Verrekening van een hoofdvordering onder opschortende voorwaarde slechts mogelijk na vervulling van de voorwaarde.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 25/897

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [plaats] (Duitsland),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 april 2025, nummer BRE 23/10000, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de inspecteur.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2Feiten

2.1.

Belanghebbende was gehuwd met [naam] (hierna: de ex-partner). Zij waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die in Duitsland bekend staan als “Zugewinngemeinschaft”. Op 4 mei 2016 heeft de rechtbank Gelderland, op gezamenlijk verzoek van belanghebbende en de ex-partner, bij beschikking (hierna: de beschikking) de echtscheiding uitgesproken.

2.2.

Belanghebbende en de ex-partner hebben in verband met de ontbinding van het huwelijk afspraken gemaakt en deze vastgelegd in het “Echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan” (hierna: het echtscheidingsconvenant) van 16 maart 2016. De rechtbank Gelderland heeft bepaald dat het echtscheidingsconvenant als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd.

2.3.

In het echtscheidingsconvenant zijn onder andere afspraken gemaakt over de verdeling van de Zugewinngemeinschaft. Daarbij is bepaald dat belanghebbende € 150.000 verschuldigd is aan de ex-partner in verband met overbedeling. Hiervan is € 50.000 ten tijde van de echtscheiding voldaan en met betrekking tot het resterende bedrag van € 100.000 is in het echtscheidingsconvenant opgenomen dat dit uiterlijk twee jaar na de echtscheiding zal worden betaald. Bij de vaststelling van de overbedelingsschuld is uitgegaan van een waarde van de aan belanghebbend toegedeelde echtelijke woning (hierna: de woning) van € 1.250.000. In het echtscheidingsconvenant is geregeld dat als belanghebbende het huis vóór 1 januari 2021 verkoopt voor een hogere koopsom dan € 1.250.000, de ex-partner recht heeft op 50% van de meeropbrengst.

2.4.

Het echtscheidingsconvenant regelt de alimentatie als volgt (belanghebbende is aangeduid als PB en de ex-partner als AB):

“Artikel 3 Partneralimentatie

3.1

Op het moment van ondertekening van dit convenant bestaat er tussen AB en [Advocatenkantoor] Rechtsanwälte een dienstverband. Dit dienstverband wordt na de echtscheiding ongewijzigd voortgezet met als enige aanpassing dat vanaf de datum van de echtscheiding het inkomen van AB zal worden verhoogd naar € 5.000,- bruto per maand. Dit inkomen is inclusief vakantiegeld. Hieruit vloeit voort dat het AB vrijstaat om (bijvoorbeeld) een tweede of derde dienstverband elders aan te gaan zonder dat zij hiervoor toestemming nodig heeft PB.

Indien de bestaande arbeidsovereenkomst met [Advocatenkantoor] Rechtsanwälte eenzijdig of met wederzijdse instemming wordt beëindigd, zal PB met ingang van de opvolgende maand waarin de arbeidsovereenkomst is beëindigd tot zes jaar na de ondertekening van dit convenant, maandelijks bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand een bedrag van € 2.000,- bruto (tweeduizend Euro) aan AB voldoen, als bijdrage in haar levensonderhoud.

3.2

De partneralimentatie in de zin van het vorige lid is ook verschuldigd indien AB samenwoont, een geregistreerd partnerschap of een huwelijk aangaat.”

2.5.

Na de echtscheiding is de gezamenlijke bankrekening van belanghebbende en de ex-partner omgezet in een bankrekening waartoe uitsluitend belanghebbende gerechtigd is. Met toestemming van belanghebbende heeft de ex-partner in de periode vanaf de datum van echtscheiding met een eigen bankkaart bedragen ten laste van deze bankrekening gebracht.

2.6.

Belanghebbende heeft de woning op 7 mei 2019 aan een derde verkocht voor een koopsom van € 1.350.000. Op 23 mei 2019 (voor de overdacht van de woning aan de koper) heeft de ex-partner beslag gelegd op de woning. Direct na de overdracht is door de notaris vanuit de betaalde koopsom € 153.225,81 aan de ex-partner betaald.

2.7.

Belanghebbende heeft een advocatenkantoor. Tussen de ex-partner en het advocatenkantoor bestond een arbeidsovereenkomst, die na de echtscheiding op 4 mei 2016 is voortgezet. Deze arbeidsovereenkomst is op verzoek van het advocatenkantoor bij beschikking van de kantonrechter van 10 februari 2020 beëindigd per 1 april 2020.

2.8.

Bij e-mail van 16 december 2019 heeft belanghebbende aan de ex-partner het voorstel gedaan om elkaar over en weer kwijting te verlenen voor de onderlinge vorderingen en schulden (onder andere voor de betalingen die de ex-partner van de bankrekening van belanghebbende had gedaan; zie 2.5) waarbij de ex-partner ook zou dienen af te zien van haar recht op alimentatie. De ex-partner is niet op het voorstel ingegaan.

2.9.

In haar e-mail van 31 maart 2020 heeft de ex-partner aan belanghebbende geschreven dat de alimentatie voor de maand april 2020 voor 1 april moet zijn overgemaakt. Belanghebbende heeft daarop op diezelfde dag per reply-mail geantwoord dat hij de alimentatievordering van de ex-partner verrekent met zijn vordering op haar. Per e-mail van 21 april 2020 heeft de ex-partner daarop gereageerd dat zij het er niet mee eens is dat belanghebbende de alimentatie verrekent met een “vermeende vordering” van belanghebbende op haar en dat belanghebbende volgens afspraak iedere maand € 2.000 alimentatie dient over te maken.

2.10.

Belanghebbende heeft op 3 november 2020 zijn aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt nihil en bestaat uit € 66.000 inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking verminderd met € 18.337 zijnde het saldo van inkomsten en aftrekposten eigen woning en verminderd met € 48.000 uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (hierna: de partneralimentatie). De inspecteur heeft naar aanleiding van deze aangifte vragen gesteld aan belanghebbende over de geclaimde aftrek voor de partneralimentatie.

2.11.

Met dagtekening 12 augustus 2022 is de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 47.663 bestaande uit € 66.000 inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking verminderd met € 18.337 zijnde het saldo van inkomsten en aftrekposten eigen woning. De inspecteur heeft de uitgaven voor de partneralimentatie niet in aftrek toegelaten.

2.12.

Belanghebbende heeft op 10 augustus 2022 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019. Hij heeft daarbij aangegeven dat hem uit zijn telefonisch overleg met de Belastingdienst was gebleken dat de inspecteur contact had opgenomen met de ex-partner en heeft gevraagd om een kopie van het dossier en in het bijzonder de informatie, die de ex-partner mondeling en/of schriftelijk heeft verstrekt. In zijn brief van 1 november 2022 heeft belanghebbende aan de inspecteur geschreven dat de inspecteur hem had meegedeeld niet te beschikken over een verslag van het gesprek met de ex-partner.

2.13.

Op 3 november 2022 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de inspecteur en de ex-partner. Naar aanleiding van het telefoongesprek heeft de inspecteur de ex-partner op 10 november 2022 verzocht om een schriftelijke verklaring, Op 17 november 2022 heeft de ex-partner schriftelijk onder meer het volgende verklaard aan de inspecteur:

“Ik ben van mening dat ik nog een openstaande vordering van € 48.000 heb op mijn ex-partner, bestaande uit 24 maanden partneralimentatie over de periode 1 april 2020 t/m 31 maart 2022. Ik heb geen toestemming gegeven voor de verrekening met eventuele vorderingen die mijn ex-partner op mij denkt te hebben.”.

De inspecteur heeft deze verklaring (hierna: de ex-partner verklaring) in de bezwaarfase niet overgelegd aan belanghebbende.

2.14.

In zijn e-mail van 16 mei 2023 heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek. Belanghebbende is daarbij gewezen op zijn recht op inzage in het dossier. Belanghebbende heeft geen gebruik van gemaakt van het recht op inzage. Het hoorgesprek heeft op 12 juni 2023 plaatsgehad.

2.15.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur de ex-partner verklaring in de bezwaarfase had moeten overleggen maar daar geen consequenties aan verbonden, heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft belanghebbende een vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.000 toegekend en een proceskostenvergoeding van € 226,75.

3Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  • Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?

  • Heeft belanghebbende recht op vergoeding van zijn proceskosten in eerste aanleg?

  • Heeft belanghebbende recht op aftrek van partneralimentatie?

Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende “zekerheidshalve” gevraagd om een vergoeding voor immateriële schade als het hof in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn uitspraak doet. Het hoger beroepschrift is ontvangen op 28 mei 2025. De redelijke termijn voor de beslechting van het geschil in hoger beroep eindigt op 27 mei 2027. 1 Het hof doet vóór die datum uitspraak en dus is de redelijke termijn niet overschreden.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot een vergoeding van zijn daadwerkelijk gemaakte proceskosten in eerste aanleg van € 5.204 (of subsidiair de forfaitair vastgestelde proceskosten) en vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vertrouwensbeginsel

4.1.

Belanghebbende stelt dat het geschil in beroep alleen nog ging over de vraag of hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vordering had op de ex-partner, waarmee hij de partneralimentatie kon verrekenen. Hij stelt dat na de uitspraak op bezwaar niet meer in geschil is dat de aftrek van de partneralimentatie vanwege de verrekening in 2019 kon plaatsvinden als belanghebbende zijn vordering aannemelijk zou kunnen maken. Belanghebbende leidt dat af uit het overleg dat hij met de Belastingdienst heeft gehad voor het opleggen van de aanslag en in de bezwaarfase. Belanghebbende betoogt dat het dan niet zo kan zijn dat de inspecteur in beroep met allerlei andere en nieuwe standpunten komt waarom de partneralimentatie niet in aftrek kan worden gebracht en dat de rechtbank daarin meegaat.

4.2.

Het hof stelt voorop dat de inspecteur zich in (hoger) beroep met alle gronden mag verweren, tenzij de inspecteur met het aanvoeren van een grond een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou schenden (bijvoorbeeld doordat hij de gevoerde grond eerder al uitdrukkelijk en ondubbelzinnig had prijsgegeven) of als dat in strijd is met de goede procesorde.

4.3.

Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel schendt door in beroep en hoger beroep aanvullende gronden aan te voeren voor zijn weigering om een aftrek voor partneralimentatie toe te laten, overweegt het hof als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid, in dit geval de inspecteur, toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. 2 Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit belanghebbende redelijkerwijs mocht afleiden dat de inspecteur de rechtsstrijd zou beperken tot het betwisten van het bestaan van een vordering van belanghebbende op de ex-partner. Uit het feit dat tot aan de uitspraak op bezwaar partijen met name hebben gesproken over de al dan niet aannemelijkheid van de gestelde vordering van belanghebbende op de ex-partner heeft belanghebbende niet redelijkerwijs kunnen afleiden dat de inspecteur zich in beroep en hoger beroep daartoe zou beperken. De vraag of sprake was van een vordering van belanghebbende op de ex-partner was immers een logische eerste vraag bij de beoordeling van de vraag of in 2019 sprake geweest kan zijn van verrekening van die (tegen)vordering met de gestelde alimentatievordering (de hoofdvordering). Dat de inspecteur het geschilpunt over de verrekening op deze wijze heeft benaderd blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage op pagina 2 van de uitspraak op bezwaar:

“U stelt dat u een vordering had op Uw ex-partner, waarmee u uw alimentatieverplichting heeft verrekend. Om te kunnen beoordelen of er een verrekening heeft plaatsgevonden, is het allereerst van belang om te beoordelen of u een vordering op uw ex-partner had.” (onderstreping door het hof).

Naar het oordeel van het hof kon en mocht belanghebbende uit het overleg met de inspecteur in de bezwaarfase dan ook niet redelijkerwijs afleiden dat de inspecteur zich in de verdere procedure zou beperken tot het betwisten van het bestaan van een (tegen)vordering van belanghebbende op de ex-partner. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

4.4.

Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur ook niet de goede procesorde geschonden door in beroep met aanvullende redenen voor de weigering van de aftrek van de partneralimentatie te komen. Belanghebbende heeft voldoende gelegenheid gehad op deze aanvullende verweren van de inspecteur te reageren. Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur de goede procesorde heeft geschonden door pas op de zitting in hoger beroep de stelling in te nemen dat belanghebbende in 2019 niet bevoegd was om tot verrekening over te gaan omdat hij op dat moment niet bevoegd was om de alimentatie van de ex-partner te betalen, oordeelt het hof als volgt. In zijn verweerschrift in eerste aanleg (onderdeel 7.10) schrijft de inspecteur het volgende:

“De arbeidsovereenkomst tussen de ex-partner en [Advocatenkantoor] Rechtsanwälte is beëindigd per 1 april 2020. Volgens het convenant is belanghebbende vanaf dan partneralimentatie verschuldigd tot zes jaar na ondertekening van het convenant.

Ik ben van mening dat vóór het beëindigen van de arbeidsovereenkomst geen sprake is van een alimentatieverplichting.”.

De inspecteur heeft zich dus al in eerste aanleg beroepen op het voorwaardelijke karakter van de alimentatieregeling. Het standpunt van belanghebbende mist dan ook feitelijke grondslag en moet daarom worden verworpen.

De ex-partner verklaring

4.5.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur de ex-partner verklaring (zie 2.13) voor het hoorgesprek aan hem had moeten toezenden. Door dat niet te doen en het stuk pas bij het verweerschrift in beroep over te leggen heeft de inspecteur artikel 7:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het fair play-beginsel geschonden. Daardoor is de bezwaarprocedure gebrekkig geweest en is belanghebbende in zijn belangen geschaad. Belanghebbende wil geen terugwijzing naar de inspecteur maar wil wel een vergoeding van de griffierechten en de proceskosten van de eerste aanleg. Hij heeft immers in beroep moeten gaan omdat de inspecteur de ex-partner verklaring niet heeft overgelegd, aldus belanghebbende.

4.6.

Bij de beoordeling van de stelling van belanghebbende dat de inspecteur in strijd met zijn verplichtingen op grond van artikel 7:4 Awb heeft gehandeld stelt het hof het volgende voorop. De inspecteur moet in de bezwaarfase op grond van artikel 7:4 Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage leggen en belanghebbende wijzen op zijn recht om die stukken in te zien. Alleen als belanghebbende inzage in de ter inzage gelegde stukken heeft genomen heeft hij (op grond van artikel 7:4, lid 4, Awb) het recht om (tegen vergoeding van ten hoogste de kosten) afschriften van deze stukken te verkrijgen. In de bezwaarfase geldt dus - anders dan in de (hoger)beroepsfase - geen zelfstandig recht op toezending van de stukken die op de zaak betrekking hebben.

4.7.

Vaststaat dat de inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek en dat hij belanghebbende daarbij heeft gewezen op zijn recht op inzage in het dossier (zie 2.14). Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende verklaard geen inzage in het dossier te hebben genomen. Omdat belanghebbende geen inzage in het dossier heeft genomen, had hij (in ieder geval op grond van artikel 7:4 Awb) geen recht op toezending van de ex-partner verklaring. Van een schending van artikel 7:4 Awb is dan ook geen sprake.

4.8.

Volgens belanghebbende heeft de inspecteur het fair play beginsel geschonden door hem de ex-partner verklaring niet toe te sturen voor het hoorgesprek. De inspecteur had hem immers op zijn verzoek (zie 2.12) al voor 1 november 2022 een kopie van het dossier gestuurd en hij mocht er dus op vertrouwen dat ook relevante stukken die na dat moment zouden opkomen (zoals de ex-partner verklaring van 17 november 2022) aan hem zouden worden nagestuurd. Belanghebbende stelt verder dat de inspecteur bij het hoorgesprek de indruk heeft gewekt dat hij over alle op de zaak betrekking hebbende stukken zou beschikken.

4.9.

Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende aan het enkele feit dat de inspecteur hem eerder op zijn verzoek dossierstukken heeft toegestuurd niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de inspecteur hem ook stukken die later tot het dossier gaan behoren zal toesturen. Niet gebleken is dat de inspecteur uitlatingen heeft gedaan waaruit belanghebbende redelijkerwijs mocht afleiden dat de inspecteur ook later opkomende stukken zou nasturen. Verder heeft belanghebbende zijn stelling dat de inspecteur bij het hoorgesprek de indruk heeft gewekt dat belanghebbende over alle op de zaak betrekking hebbende stukken zou beschikken niet onderbouwd. Uit het verslag van het hoorgesprek en de daarop door belanghebbende voorgestelde aanvullingen blijkt daar niet van. Belanghebbende heeft deze stelling dus niet aannemelijk gemaakt. Van een schending van het fair play beginsel is dan ook geen sprake.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat het feit dat de inspecteur de ex-partner verklaring in de bezwaarfase niet heeft toegestuurd aan belanghebbende geen grond is om de inspecteur te veroordelen in het griffierecht en tot een ruimere proceskostenvergoeding van de eerste aanleg, dan door de rechtbank toegekend.

Partneralimentatie

4.11.

Belanghebbende stelt dat hij in 2019 een vordering van meer dan € 48.000 op de ex-partner had (hierna: de tegenvordering). Hij had immers na de echtscheiding de kosten voor de verzorging van haar paarden voorgeschoten en ook de kosten van haar ziektekostenverzekering. Verder had de ex-partner naar belanghebbende stelt ongeveer € 40.000 van de bankrekening van belanghebbende opgenomen voor haar eigen bestedingen (zie 2.5). Volgens belanghebbende was de bedoeling van partijen om de tegenvordering bij de verkoop van de woning te verrekenen met de overbedelingsvordering van de ex-partner op belanghebbende (zie 2.3). Toen de ex-partner deze verrekening met de overbedelingsschuld feitelijk onmogelijk maakte door beslag te leggen op de woning, heeft belanghebbende de alimentatievordering van de ex-partner ad € 48.000 verrekend met de tegenvordering, aldus belanghebbende. Belanghebbende stelt dat de alimentatieverplichting al bestond in 2016 op grond van het echtscheidingsconvenant en dat deze alimentatievordering van de ex-partner opeisbaar werd op 1 april 2020 toen de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Belanghebbende betoogt dat een nog niet opeisbare schuld, civielrechtelijk vooraf (dus vóór de datum van opeisbaarheid) kan worden voldaan door middel van verrekening. Hij citeert daarbij Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013, nr. 227 als volgt:

“In het algemeen geldt dat een schuldenaar bevoegd is te betalen, ook indien een tijd voor de nakoming is bepaald; blijkens art. 6:39 lid 1 BW wordt immers vermoed dat zo’n tijdsbepaling slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd.”.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij in 2019 door middel van verrekening van de tegenvordering € 48.000 aan de ex-partner heeft betaald verwijst belanghebbende naar zijn e-mails van 16 december 2019 (zie 2.8) en 31 maart 2020 (zie 2.9). Ook wijst hij op het feit dat de ex-partner nooit in rechte (of via het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen) betaling van partneralimentatie heeft gevorderd.

4.12.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag IB/PVV 2019 correct is vastgesteld en dat belanghebbende geen recht heeft op persoonsgebonden aftrek in verband met partneralimentatie. Alimentatievorderingen zijn volgens de inspecteur van een bijzondere aard en kunnen alleen worden verrekend als partijen hierover expliciete afspraken hebben gemaakt, wat hier niet het geval is. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betalingen aan zijn ex-partner kwalificeren als onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 6.3 van de Wet IB 2001. In het betreffende jaar bestond immers geen alimentatieverplichting. De arbeidsovereenkomst van belanghebbende eindigde op 1 april 2020 en voor die datum was er geen verplichting tot het betalen van alimentatie. De door belanghebbende gestelde vordering van € 65.000 euro is volgens de inspecteur onvoldoende onderbouwd. De ex-partner heeft verklaard geen partneralimentatie te hebben ontvangen, ook niet door middel van verrekening. Aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn betalingen voortvloeien uit een familierechtelijke verplichting, komen deze niet voor aftrek in aanmerking, aldus de inspecteur.

4.13.

Het hof oordeelt als volgt over de partneralimentatie. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen. 3 Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen zijn persoonsgebonden aftrekposten. 4 Onderhoudsverplichtingen zijn periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting en afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot. 5

4.14.

Voorzover belanghebbende betoogt dat de kosten van de ex-partner die vanaf de echtscheiding tot 2019 voor zijn rekening zijn gekomen vooruitbetalingen op de partneralimentatie zijn, faalt dit betoog. Belanghebbende heeft aangegeven dat de bedoeling van partijen was om het bedrag aan voor de ex-partner voorgeschoten bedragen te verrekenen met haar vordering op belanghebbende uit hoofde van de overbedelingsschuld. Van vooruitbetaalde alimentatie is dan ook geen sprake.

4.15.

Als belanghebbende betoogt dat hij in zijn e-mail van 16 december 2019 aan belanghebbende het voorstel heeft gedaan om zijn alimentatieverplichting af te kopen en te verrekenen met zijn (tegen)vordering op de ex-partner uit hoofde van de voorgeschoten kosten, dan kan dit betoog hem niet baten. De ex-partner is immers niet ingegaan op het voorstel (zie 2.8) en van afkoop van alimentatie is dus geen sprake.

4.16.

Ook het betoog van belanghebbende dat hij in 2019 € 48.000 aan partneralimentatie heeft betaald door verrekening met de tegenvordering faalt. Een schuldenaar heeft immers slechts de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. 6 De in artikel 3 van het echtscheidingsconvenant vastgelegde verplichting tot betaling van partneralimentatie is voorwaardelijk. Partneralimentatie is slechts verschuldigd als en wanneer de arbeidsovereenkomst van de ex-partner met het advocatenkantoor van belanghebbende zou zijn beëindigd. Deze opschortende voorwaarde is pas per 1 april 2020 vervuld (zie 2.7). Voor die tijd was belanghebbende niet bevoegd tot betaling van deze voorwaardelijke schuld (vgl. artikel 6:25 BW) en daarom leende de tegenvordering zich in 2019 niet voor verrekening. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot een verbintenis onder tijdsbepaling is voor het onderhavige geval niet relevant omdat de partneralimentatie niet een verbintenis is onder tijdsbepaling maar een verbintenis onder opschortende voorwaarde. Van verrekening in 2019 van de tegenvordering met de verplichting tot betaling van partneralimentatie is alleen al daarom geen sprake. In het kalenderjaar 2019 (en in de jaren daarvoor) heeft op belanghebbende dan ook geen partneralimentatie gedrukt in de zin van artikel 6.1, lid 1, Wet IB 2001

4.17.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de inspecteur terecht de door belanghebbende geclaimde aftrek van € 48.000 voor betaalde partneralimentatie heeft geweigerd.

Tussenconclusie

4.18.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.19.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.20.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

M.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1

Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld.

2

Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 r.o. 2.3.1.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733