Gerechtshof Amsterdam 08-09-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2642

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding over overheidsaansprakelijkheid wegens een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming in een gezagszaak. Moeder vordert intrekking/rectificatie van het raadsrapport en verwerking van haar reactie in het rapport zelf. Het hof oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt nu de gezagsprocedure is geëindigd; de gestelde olievlekwerking is onvoldoende concreet. Voorlopig oordeel: RvdK handelde conform kwaliteitskader en mocht zich een verantwoord oordeel vormen. Afwijzing van de vorderingen wordt bekrachtigd. Veroordeelt moeder in de proceskosten.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Wel rechtsbescherming, maar standpunt moeder niet gevolgd: RvdK handelde niet onrechtmatig
Moeder betrekt Staat in rechte om raadsrapport in gezagszaak. Ze eist o.a. intrekking/rectificatie. Reageren in gezagszaak sluit behandeling in deze zaak niet uit. Gehandeld volgens Kwaliteitskader. Moeder heeft niet gereageerd op concept.

Datum publicatie16-09-2026
Zaaknummer200.344.562
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsAmsterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kort geding. Overheidsaansprakelijkheid. Vorderingen met betrekking tot een Rapport van de Raad voor de Kinderbescherming waar de moeder het niet mee eens is. Spoedeisend belang is vervallen. De vorderingen zijn terecht afgewezen.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.344.562/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/348559 / KG ZA 24-41

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026

inzake

[appellant] ,

verblijvend in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie Nieuwersluis,

appellante,

advocaat mr. S. van Buuren te Strijen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer in het bijzonder de Raad voor de Kinderbescherming),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna [appellant] en de Staat genoemd.

1De zaak in het kort

In het kader van een procedure over het gezag over de kinderen van [appellant] heeft de Raad voor de Kinderbescherming een rapport opgesteld. [appellant] verzoekt om voorzieningen te treffen die strekken tot intrekking van dit rapport, althans mededeling dat dit rapport onjuist en onvolledig is, en tot het alsnog, op de door [appellant] gewenste wijze, verwerken van haar visie in dat rapport.

In eerste aanleg zijn de gevraagde voorzieningen geweigerd. In hoger beroep concludeert het hof dat [appellant] geen spoedeisend belang meer heeft bij de gevraagde voorzieningen en dat de voorzieningenrechter de vorderingen terecht heeft afgewezen.

2Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 16 juli 2024, tevens houdende de grieven, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 19 juni 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en de Staat als gedaagde.

De Staat heeft daarna een memorie van antwoord met producties ingediend.

[appellant] heeft haar eis bij akte van 18 maart 2025 (voorwaardelijk) gewijzigd.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 7 april 2026 aan de hand van spreekaantekeningen laten toelichten, [appellant] door haar advocaat en de Staat door mr. T.J. Crom, advocaat te Den Haag. De Staat heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een productie toegezonden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

De Staat heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

3Feiten

Het hof neemt de volgende feiten tot uitgangspunt.

3.1.

[appellant] is de moeder van de minderjarigen kinderen (hierna tezamen: de kinderen):

- [naam 1] , geboren op [datum 1] ;

- [naam 2] , geboren op [datum 2] en

- [naam 3] , geboren op [datum 3] .

3.2.

Op 11 januari 2023 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) een verzoek ontvangen van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering om onderzoek te doen naar het gezag over de kinderen. De RvdK heeft hierop onderzoek ingesteld en een conceptrapport (hierna: het Conceptrapport) opgesteld dat op 2 januari 2024 aan [appellant] is toegezonden. In de begeleidende e-mail staat dat [appellant] tot 17 januari 2024 mag reageren, bij gebreke waarvan het rapport definitief wordt gemaakt en zal worden ingediend bij de rechtbank. De e-mail vermeldt dat feitelijke onjuistheden (zoals data) kunnen worden aangepast en dat overige aanvullingen of opmerkingen aan het einde van het rapport zullen worden verwerkt of als bijlage aan het rapport worden toegevoegd.

3.3.

Bij brief van 16 januari 2024 heeft [appellant] bij monde van haar advocaat laten weten dat de RvdK geen goed en volledig onderzoek heeft gedaan, dat het Conceptrapport niet compleet is en onwaarheden bevat en dat zij wenst dat haar opmerkingen in het definitieve rapport worden verwerkt in plaats van, zoals aangekondigd, daaraan gehecht te worden. Zij vraagt voorts om een nadere reactietermijn van vier weken.

3.4.

Bij brief van 19 januari 2024 heeft de RvdK aan [appellant] bericht dat het gevraagde uitstel niet wordt verleend. In de brief staat onder meer:

Daarbij is gedurende het onderzoek van de RvdK duidelijk geworden dat moeder [ [appellant] , toevoeging hof] een patroon laat zien waarin zij elke beslissing van zowel de GI [Geregistreerde Instelling, toevoeging hof] als de rechtbank en de RvdK aanvecht en afspraken met deze instanties afzegt, waardoor uitvoering van die beslissingen of inzet van hulp uitgesteld wordt en de kinderen langer moeten wachten op hulpverlening en duidelijkheid. De RvdK vindt het daarom in het belang van de kinderen dat dit onderzoek nu afgerond wordt en de procedure doorgang vindt.

(…)

U geeft aan dat moeder de juistheid van de conceptrapportage betwist en er onwaarheden zijn opgenomen. Het is voor de RvdK tot op heden niet duidelijk geworden wat moeder hiermee concreet bedoelt. Met name de GI zou volgende u foutieve informatie hebben verstrekt, waardoor er mogelijk sprake is van smaad en laster. (…) De RvdK heeft tijdens het onderzoek kritisch naar de aangeleverde stukken en informatie gekeken, maar ziet geen redenen om deze in twijfel te trekken. Daar komt bij dat wij ons verzoek [bedoeld zal zijn: onderzoek, toevoeging hof] niet enkel gebaseerd hebben op de stukken van de GI, maar ook andere informanten in dit onderzoek hebben gesproken. De RvdK merkt hierbij nog op dat een gespreksweergave van een gesprek met een informant inderdaad niet op verzoek van moeder (of iemand anders) kan worden aangepast, aangezien dit de visie van de informant is. Het is dus wel mogelijk hierop te reageren in de inzagetermijn.

Tot slot geeft u aan dat moeder vindt dat het huidige rapport niet te rijmen is met de eerdere bevindingen van de RvdK en de GI. Hierover kunnen wij aangeven dat het om twee verschillende situaties gaat. De kinderen zijn per 1 september 2022 bij moeder teruggeplaatst onder strakke voorwaarden. De RvdK is hier door middel van een toetsingsbesluit akkoord mee gegaan. Vervolgens is er een situatie ontstaan waarin moeder zich niet meer aan de strakke voorwaarden heeft gehouden en zij uiteindelijk, zonder de GI te informeren, met de kinderen half/eind oktober 2022 naar het buitenland is vertrokken. Door het handelen van moeder is er een nieuwe situatie ontstaan, waardoor de visie van de RvdK is veranderd.”

3.5.

Op 19 januari 2024 heeft de RvdK zijn definitieve rapport (hierna: het Raadsrapport) uitgebracht. De RvdK komt hierin tot de conclusie dat terugplaatsing van de kinderen bij [appellant] niet in hun belang is en adviseert beëindiging van het gezag met benoeming van een voogd. De onder 3.3 en 3.4 bedoelde brieven zijn toegevoegd aan het Raadsrapport.

3.6.

Bij beschikking van 24 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland is het gezag van [appellant] over de kinderen beëindigd en is een voogd benoemd. Deze beschikking is bekrachtigd bij beschikking van 29 juli 2025 van dit hof.

4Beoordeling

4.1.

De vorderingen van [appellant] strekken ertoe dat de Staat, uitvoerbaar bij voorraad:

    op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld om het Raadsrapport in te trekken, althans de rechtbank/het gerechtshof en of andere (interne en externe) ontvangers te berichten dat dit rapport ten onrechte is toegezonden, althans dat de inhoud onjuist c.q. onvolledig is;

    zal worden bevolen om [appellant] de gelegenheid te geven om haar reactie te geven op het Raadsrapport, hetwelk eerst moet worden verwerkt in het rapport, waarbij de reactie van [appellant] niet wordt aangehecht, maar dient te worden verwerkt in het rapport.

4.2.

In het bestreden vonnis zijn de gevraagde voorzieningen geweigerd. De grieven van [appellant] richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

4.3.

[appellant] stelt dat zij nog altijd spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorzieningen. Zij streeft naar rectificatie van de ongefundeerde en onjuiste informatie in het Raadsrapport die haar aantast in haar eer en goede naam. Zij wijst op het belastende karakter van het Raadsrapport, dat tot zeer nadelige gevolgen voor haar heeft geleid. [appellant] ziet naar eigen zeggen iedere dag weer de urgentie van de gevraagde voorzieningen, waarmee zij ook een signaal wenst af te geven dat niet zomaar ongefundeerde en onjuiste informatie mag worden verspreid. Zij wijst voorts op de ‘olievlekwerking’ van het Raadsrapport dat volgens haar voortdurend wordt verspreid en wordt betrokken in besprekingen van instanties. Ook kunnen de gevraagde voorzieningen dienstig zijn voor een klachtprocedure tegen de advocaat die [appellant] in de gezagsprocedure heeft bijgestaan en voor een eventuele herroepingsprocedure ten aanzien van het gezag over de kinderen.

4.4.

Een afweging van belangen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van het wijzen van dit arrest, leidt tot de conclusie dat [appellant] geen, althans onvoldoende, spoedeisend belang meer heeft bij het onmiddellijk treffen van de door haar gevraagde voorzieningen. Niet ter discussie staat dat het Raadsrapport is opgesteld ten behoeve van de verzoeken tot beëindiging van het gezag en aanwijzing van een voogd in de gezagsprocedure. Aangenomen moet worden dat die procedure inmiddels is geëindigd, aangezien [appellant] naar eigen zeggen te laat cassatie heeft ingesteld tegen de onder 3.6 bedoelde beschikking van dit hof. Niet valt voorts in te zien dat de met de voorzieningen beoogde intrekking en wijziging van het Raadsrapport nodig is voor de door [appellant] genoemde klachtprocedure, de door haar gesuggereerde herroepingsprocedure of enige andere procedure. Het belang van [appellant] daarbij in verband met de door haar genoemde ‘olievlekwerking’ alsmede smaad en laster is onvoldoende concreet. Ook overigens volgt uit hetgeen [appellant] naar voren brengt niet, althans onvoldoende, dat zij nog altijd spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorzieningen.

4.5.

De voorzieningenrechter heeft de door [appellant] gevorderde proceskostenveroordeling afgewezen omdat de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen. Grief III richt zich tegen deze beslissing. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter haar vorderingen had moeten toewijzen en dat de Staat ten onrechte niet in de proceskosten is veroordeeld. Deze grief vergt dat wordt onderzocht of de vorderingen van [appellant] die in eerste aanleg ter beoordeling voorlagen, terecht zijn afgewezen, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van deze beslissing in hoger beroep (afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen). Zie HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, NJ 1993/714.

4.6.

De door [appellant] gevraagde voorzieningen stoelen op de stelling dat het Raadsrapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen, incompleet is en onjuistheden bevat die [appellant] in haar eer en goede naam aantasten. [appellant] heeft onbetwist de wijze van totstandkoming en de inhoud van het Raadsrapport kunnen bestrijden in de gezagsprocedure. Dat staat echter niet zonder meer in de weg aan aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad van de Staat wegens een onzorgvuldige uitvoering van het onderzoek door de RvdK. Zie HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1976, onder 3.4.4. Voorts wordt de gevraagde voorziening niet uitsluitend verlangd met het oog op de procesvoering in een rechtsgang bij een andere rechter en kon [appellant] in de gezagsprocedure niet bewerkstelligen wat de inzet van dit kort geding is, namelijk intrekking en aanpassing van het Raadsrapport. De Staat betoogt dan ook tevergeefs dat geen plaats is voor rechtsbescherming in deze procedure.

4.7.

De RvdK, die in de gezagsprocedure door de rechter om advies is gevraagd, dient de hem door de rechter opgedragen taak naar beste weten te volbrengen en moet zich daarbij, uit hoofde van zijn taak, steeds laten leiden door het belang van het kind op wie zijn onderzoek betrekking heeft. Aan door de rechter ingeschakelde deskundigen dient de nodige vrijheid en zelfstandigheid te worden gelaten om het onderzoek, waarvoor zij immers verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten. In lijn daarmee is het aan de RvdK, als deskundige bij uitstek op het gebied van kinderbescherming, om te bepalen hoe hij zijn onderzoeken inricht en de daarop betrekking hebbende rapportages vormgeeft. De RvdK heeft daarvoor richtlijnen en kwaliteitseisen opgesteld. In het licht van de vrijheid die de RvdK als deskundige toekomt, is een onderzoek niet onzorgvuldig op de enkele grond dat dit ook op andere wijze, of met meer of andere middelen, had kunnen worden uitgevoerd. Het komt erop aan of de RvdK heeft mogen menen zich met de uit zijn onderzoek verkregen informatie een verantwoord oordeel te kunnen vormen over hetgeen het belang van het kind vergt. Zie HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1976, onder 3.4.3, 3.4.5.

4.8.

[appellant] stelt dat zij wel degelijk heeft gereageerd op het Conceptrapport aangezien zij een deel van haar reactie heeft gegeven in de onderhavige procedure en zij in afwachting is van door haar opgevraagde stukken die in haar optiek onmisbaar zijn voor het beoordelen van de situatie in zijn geheel. [appellant] wenst dat haar reactie wordt verwerkt in het Raadsrapport zelf en niet daaraan wordt toegevoegd.

4.9.

Niet ter discussie staat dat de RvdK bij het opstellen van het Raadsrapport heeft gehandeld in overeenstemming met het Kwaliteitskader Raad voor de Kinderbescherming (hierna: het Kwaliteitskader). Er is in het kader van het onderzoek tweemaal gesproken met [appellant] en zij is in de gelegenheid gesteld om, met een langere reactietermijn, te reageren op het Conceptrapport. [appellant] heeft niet binnen die termijn op de in het Kwaliteitskader genoemde manier gereageerd. De onder 3.3 bedoelde brief van haar advocaat en de onder 3.4 bedoelde reactie daarop zijn aan het Raadsrapport gehecht.

Naar voorshands oordeel van het hof heeft de RvdK [appellant] aldus voldoende gelegenheid geboden om haar visie te geven en om te reageren op het Conceptrapport. De RvdK heeft voorts in de onder 3.4 bedoelde brief gereageerd op de namens [appellant] gemaakte opmerkingen en daarbij onder meer toegelicht waarom zijn visie is veranderd ten opzichte van de door [appellant] eerder genoemde rapportages. De RvdK is niet gehouden de weergave van gesprekken met derden die een volgens [appellant] onjuist beeld schetsen te veranderen. Ook overigens is het niet op de door [appellant] gewenste wijze verwerken van haar reactie niet onzorgvuldig. Er is voorshands onvoldoende grond om te concluderen dat de RvdK niet heeft mogen menen dat hij zich met de uit zijn onderzoek verkregen informatie een verantwoord oordeel kon vormen over hetgeen het belang van de kinderen vergt.

4.10.

De slotsom luidt dan ook dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant] terecht heeft afgewezen. De grieven treffen geen doel. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep veroordeeld in de kosten.

5Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 3.326,- (€ 798,- aan verschotten en € 2.428,- aan salaris advocaat), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na betekening van dit arrest;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, A.R. Sturhoofd en J.M. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733