Essentie (gemaakt door AI)
Machtiging uithuisplaatsing. Vraag is of de kinderrechter bevoegd is een andere plaatsingscategorie te kiezen dan verzocht. De raad verzoekt pleegzorg, de kinderrechter machtigt plaatsing bij jeugdhulpaanbieder [X] samen met moeder. Hof oordeelt dat art. 1:265b BW geen categorie vereist en dat, gelet op art. 3 lid 1 IVRK en art. 8 EVRM, de kinderrechter beoordelingsruimte heeft, temeer bij een minder verstrekkende setting. Bekrachtiging: voortzetting verblijf bij [X] in afwachting van extern onderzoek door GI.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 15-09-2026 |
| Zaaknummer | 200.367.459/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Amsterdam |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Machtiging uithuisplaatsing. Staat het de kinderrechter vrij de machtiging te verlenen voor een andere plaatsingscategorie of setting dan is verzocht?Volledige uitspraak
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.367.459/01
zaaknummer rechtbank: C/13/781319 / JE RK 26-4
beschikking van de meervoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag (regio [plaats A] , locatie [plaats A] ),
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de raad.
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- [de vader] , hierna: de vader,
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te [plaats A] , hierna: de GI.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (9 maanden). De raad had de kinderrechter verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin te verlenen. De kinderrechter heeft een machtiging tot uithuisplaatsing in [X] te [plaats] verleend. De moeder en [minderjarige 1] verblijven samen bij [X] .
De Raad is het daarmee niet eens en vindt dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing bij een pleeggezin had moeten verlenen.
De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
2De procedure in hoger beroep
De raad is op 10 april 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
De moeder heeft op 18 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de raad van 18 juni 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 18 juni 2026, met productie 3;
- een bericht van de GI van 23 juni 2026 (update GI d.d. 19 juni 2026, met bijlage).
De zitting heeft op 24 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de raad, vertegenwoordigd door K.A. Hompert,
- de moeder, met een begeleider, en bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, met een begeleider, en
- een vertegenwoordiger van de GI.
3De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2025 te [plaats A] ,
- [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] geboren [in] 2023 te [plaats A] . Zij is erkend door de vader. Deze procedure betreft haar niet.
De vader en moeder zijn [in] 2025 getrouwd en oefen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder heeft uit een eerdere relatie nog twee minderjarige kinderen.
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 oktober 2026 is de toen nog ongeboren [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 17 januari 2026.
De GI heeft [minderjarige 1] , kort na diens geboorte, samen met de moeder bij een accommodatie jeugdhulpaanbieder, te weten [X] te [plaats] , geplaatst. [minderjarige 1] en de moeder verblijven daar nog steeds. De vader woont vijf dagen in de week begeleid via Cordaan en twee dagen in de week bij de moeder en [minderjarige 1] bij [X] .
[minderjarige 2] staat sinds januari 2024 onder toezicht van de GI en woont in een pleeggezin. De twee andere kinderen van de moeder wonen in pleeggezinnen en de moeder heeft geen gezag meer over hen. Zij staan onder voogdij van de GI.
4De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, te weten [X] te [plaats] verleend tot 25 juli 2026.
De raad verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de categorie van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, zijn inleidend verzoek tot plaatsing in een pleeggezin alsnog toe te wijzen.
De moeder verzoekt het hoger beroep van de raad ongegrond te verklaren althans af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de raad in hoger beroep om [minderjarige 1] in een pleeggezin te plaatsen af te wijzen dan wel te beslissen zoals het hof juist acht in het belang van [minderjarige 1] .
5De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de machtiging eveneens worden verleend op verzoek van de raad.
De standpunten
De raad stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging uithuisplaatsing heeft afgegeven voor de categorie accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De raad heeft uitdrukkelijk een andere categorie uithuisplaatsing verzocht, namelijk plaatsing in een pleeggezin en dus niet bij of samen met een ouder. De afweging van de kinderrechter tot plaatsing van [minderjarige 1] en de moeder bij [X] is onbegrijpelijk en niet in het belang van [minderjarige 1] geweest. De GI heeft destijds in strijd met de toen geldende beschikking en de door de raad ingezette lijn, zonder overleg besloten de moeder en [minderjarige 1] , vlak na zijn geboorte, te plaatsen bij [X] . De zorgen van de raad ten aanzien van de mogelijkheden van de ouders zijn door de kinderrechter ongemotiveerd ter zijde geschoven. [minderjarige 1] heeft er belang bij dat vanuit een veilige situatie wordt gekeken of en zo ja welke opvoedmogelijkheden de ouders hebben. Hij mag niet bij wijze van experiment aan de zorg van de ouders worden toevertrouwd. De zorgen van de raad zijn, onder meer, gelegen in de voorgeschiedenis van de moeder en de ontwikkeling van [minderjarige 2] . Zij is uithuisgeplaatst omdat er vermoedens waren van strafbare kindermishandeling. De ouders zijn in hoge mate afhankelijk van hulpverlening en kampen met persoonlijke problematiek. Bij hen beiden is sprake van een hechtingsstoornis en een lichte verstandelijke beperking. Ook hebben zij terugkerende ruzies die soms escaleren. De problematiek van de ouders is gezien de aard en de ernst niet zomaar op te lossen.
De raad blijft van mening dat de GI [minderjarige 1] in een pleeggezin had moeten plaatsen en dat vanuit die situatie onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de ouders had moeten plaatsvinden.
Inmiddels verblijven [minderjarige 1] en de moeder al een langere periode in [X] waar zij intensief worden begeleid. Door die begeleiding gaat het nu goed met [minderjarige 1] en de moeder. Hoewel de raad liever had gezien dat het externe onderzoek naar de mogelijkheden van de ouders eerder was gestart, vindt de raad het goed dat de GI nu meer onderzoek gaat doen. Gelet op de huidige situatie vindt de raad het niet nodig [minderjarige 1] op dit moment acuut in een pleeggezin te plaatsen, zo heeft de raad ter zitting in hoger beroep verklaard.
De moeder voert verweer. De moeder erkent dat er problemen in het verleden zijn geweest. Zij heeft inmiddels intensieve begeleiding geaccepteerd. De moeder begrijpt dat de voorgeschiedenis relevant is, maar de beoordeling dient plaats te vinden op basis van de huidige situatie. Op dit moment bestaat onvoldoende aanleiding om [minderjarige 1] weg te halen uit de begeleide setting waar hij sinds zijn geboorte verblijft. De beslissing van de kinderrechter was juist en zorgvuldig. In de afgelopen periode hebben zich geen incidenten of onveilige situaties voorgedaan. De moeder verwijst naar de positieve observaties van [X] . Zij verzorgt [minderjarige 1] liefdevol en is actief betrokken bij hem. [minderjarige 1] ontwikkelt zich goed en er zijn geen grote zorgen. Ook herkent de moeder de zorgen over [minderjarige 2] niet. De moeder neemt hulp aan en is leerbaar. Een plaatsing bij een pleeggezin is niet in het belang van [minderjarige 1] . Hij heeft zich gehecht aan de moeder en de vader, en plaatsing in een pleeggezin zou leiden tot een ingrijpende breuk in continuïteit en verzorging. De moeder verwijst naar internationale verdragen waaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een kind, eventueel met begeleiding, bij de ouders opgroeit. Er zijn geen zwaarwegende, concrete, actuele indicaties tegen een voortgezet verblijf van [minderjarige 1] met de moeder in de intensief begeleide woon- en opvoedingsetting kan blijven.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat hij graag meer tijd met [minderjarige 1] wil doorbrengen en dat hij een goede vader voor zijn kinderen wil zijn.
De GI heeft het volgende standpunt ingenomen. De GI ziet dat de moeder en de vader hun uiterste best doen en heel betrokken zijn. Tegelijkertijd herkent de GI de zorgen van de raad. Er bestaan met name zorgen over de mate waarin de ouders met voldoende aandacht en sensitiviteit emotioneel beschikbaar kunnen zijn voor [minderjarige 1] , nu en in de toekomst. De GI vraagt zich ook af wat er bij de ouders is veranderd ten opzichte van het verleden waardoor het de ouders op dit moment wel lukt om de juiste opvoedomstandigheden te creëren. De GI wil daarom de komende periode onderzoeken of de ouders in staat zijn om [minderjarige 1] in de toekomst te bieden wat hij nodig heeft. De GI heeft om die reden besloten een externe deskundige te verzoeken observaties uit te voeren bij [X] .
De beoordeling door het hof
Zowel de ouders, als de raad en de GI zijn het erover eens dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] terecht is verleend. Het hof is op basis van de stukken en hetgeen is besproken ter zitting in hoger beroep ook van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Het hof acht hiervoor het volgende van belang. Beide ouders hebben te kampen met complexe persoonlijke problematiek. Eerder is sprake geweest van emotionele verwaarlozing van [minderjarige 2] , grote spanningen tussen de ouders en structurele onveiligheid. Op dit moment is nog onduidelijk of de ouders zonder de intensieve begeleiding in staat zullen zijn [minderjarige 1] een veilige plek te bieden. Er bestaan nog steeds ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders waardoor een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [minderjarige 1] .
In hoger beroep gaat het om de vraag of de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] mocht verlenen voor een andere categorie (accommodatie jeugdhulpaanbieder) dan door de raad is verzocht (pleeggezin).
Artikel 1:265b BW vereist niet dat bij een verzoek tot uithuisplaatsing wordt aangegeven binnen welke categorie of setting van jeugdhulp de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden gerealiseerd, laat staan een specifieke, bij naam genoemde voorziening. In de praktijk wordt bij veel verzoeken tot uithuisplaatsing een categorie wel vermeld. Zo komen in de rechtspraak de navolgende categorieën voor: netwerkplaatsing, pleegzorg, gezinsgerichte accommodatie, jeugdhulpaanbieder, WLZ-instelling en overige voorzieningen. Bij een verzoek tot uithuisplaatsing van een minderjarige gaat het om voluntaire rechtspraak, met andere woorden zaken waarin het rechtsgevolg, op grond van het algemeen belang, niet ter vrije beschikking van partijen staat. Op grond van art. 3 lid 1 IVRK vormen, bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van een kind de eerste overweging. Een machtiging tot uithuisplaatsing vormt voorts een inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Een dergelijke inmenging moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en een legitiem doel dienen, zoals de bescherming van de gezondheid. Ook moet de maatregel in verhouding staan tot dat doel (proportionaliteit) en mag alleen worden ingegrepen als geen minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn om hetzelfde doel te bereiken (subsidiariteit). Mocht een uithuisplaatsing in het belang van een minderjarige noodzakelijk zijn, dan heeft de overheid op grond van art. 8 lid 2 EVRM een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, wordt herenigd. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind, en het grote gewicht van dat belang. De inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind zoveel mogelijk in stand te houden. Aan de kinderrechter komt tegen deze achtergrond een zekere beoordelingsruimte toe met betrekking tot de vraag binnen welke categorie of setting van jeugdhulp de uithuisplaatsing van een minderjarige moet worden gerealiseerd. Dit geldt temeer als een minderverstrekkende setting dan verzocht volstaat om het boogde doel - door de raad omschreven als: het waarborgen van de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 1] – te realiseren. Een plaatsing van een pasgeboren baby bij een jeugdhulpaanbieder, samen met de moeder, is minder verstrekkend dan plaatsing in een pleeggezin, zonder de moeder. Deze alternatieve mogelijkheid is uitdrukkelijk onderwerp van gesprek geweest bij de behandeling van de zaak door de kinderrechter (zie onder andere randnrs. 4.2 en 4.3 van de bestreden beschikking). In het licht van dit alles stond het de kinderrechter vrij te beoordelen of een plaatsing bij een accommodatie jeugdhulpaanbieder, meer bepaald [X] , zou volstaan, en dienovereenkomstig te beslissen.
Met betrekking tot de vraag of terecht een machtiging tot uithuisplaatsing bij [X] is verleend en of dat ook nu nog de beste plek is voor [minderjarige 1] , sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de kinderrechter. Ter aanvulling overweegt het hof als volgt.
[minderjarige 1] en zijn ouders verblijven momenteel in een beschermde setting, waar voortdurend toezicht wordt gehouden en waar de ouders intensieve begeleiding ontvangen. Uit de overgelegde rapportages blijkt dat de ouders openstaan voor de geboden hulpverlening en dat [minderjarige 1] zich binnen deze setting goed ontwikkelt. Het hof acht daarnaast van belang dat de GI, naast de begeleiding door de professionals van [X] , een onafhankelijke gedragswetenschapper heeft ingeschakeld. Deze zal onder meer onderzoeken wat de opvoedmogelijkheden van de ouders zijn en of zij [minderjarige 1] , eventueel met passende ondersteuning, in de toekomst kunnen bieden wat hij nodig heeft. De resultaten van dit onderzoek zijn op dit moment nog niet bekend. Het hof deelt de door de GI en de raad geuite zorgen over de draagkracht van de ouders en hun opvoedingsmogelijkheden op de langere termijn. Op de overheid rust echter op grond van artikel 8 EVRM de verplichting zich in te spannen om ouders en kind zoveel mogelijk bij elkaar te houden. Dat betekent ook dat tijdens een uithuisplaatsing serieus en actief moet worden onderzocht of terugplaatsing bij de ouders nog mogelijk is. Met de plaatsing van [minderjarige 1] en de moeder bij [X] en het lopende onderzoek wordt aan die verplichting invulling gegeven. Het hof ziet, zolang de uitkomsten van het onderzoek nog niet bekend zijn en [minderjarige 1] zich goed en veilig ontwikkelt bij [X] , geen aanleiding zijn verblijfplaats te wijzigen. Hierbij overweegt het hof dat ook de raad ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat een wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige 1] op dit moment niet nodig is. Gelet op de huidige omstandigheden, waarin de veiligheid van [minderjarige 1] is gewaarborgd en de ouders de benodigde ondersteuning aanvaarden, is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing bij [X] het meest in het belang van [minderjarige 1] is. Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.
Gelet op bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
6De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking van 15 januari 2026 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam;
wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
