Rechtbank Den Haag 06-08-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25739

Essentie (gemaakt door AI)

Voorlopige voorzieningen waarin het toepasselijk recht op voorlopige partneralimentatie centraal staat. De rechtbank sluit aan bij eerdere beslissingen en past Monegaskisch recht toe. Onder art. 181 Monegaskisch BW eindigt de wederzijdse onderhoudsplicht bij echtscheiding; na scheiding resteert enkel een ‘compensatory allowance’ ex art. 204-5 Monegaskisch BW. Nu de echtscheiding is ingeschreven en een allowance reeds is vastgesteld, is vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot voorlopige partneralimentatie.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Geen voorlopige partneralimentatie na echtscheiding onder Monegaskisch recht
Naar Monegaskisch recht eindigt de onderhoudsverplichting bij de echtscheiding. Daarna resteert alleen de compensatory allowance (5 jaarlijkse termijnen van € 300.000). Verzoek voorlopige partneralimentatie is daarom niet-ontvankelijk.

Datum publicatie15-09-2026
ZaaknummerC/09/706688 FA RK 26-5724
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Voorlopige voorzieningen. Monegaskisch recht is van toepassing. Verzoekster is niet-ontvankelijk in haar verzoek tot voorlopige partneralimentatie.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-5724

Zaaknummer: C/09/706688

Datum beschikking: 6 augustus 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 8 juni 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [land 1] ,

advocaat: mr. M.M.E. Bowmer te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende te [land 2] ,

advocaat: mr. C.L.M. Smeets te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het F9-formulier van 26 juni 2026, van de vrouw;

  • het F9-formulier met bijlagen van 28 juli 2026, van de vrouw;

  • het F9-formulier met bijlagen, waaronder het gewijzigd verzoekschrift, van 29 juli 2026, van de vrouw;

  • het verweerschrift met producties van 29 juli 2026, van de man.

Op 30 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de vrouw, middels een videoverbinding,

  • de advocaat van de vrouw;

  • de man, middels een videoverbinding;

  • de advocaat van de man en mr. Z.C.E. Houben te Amsterdam.

De vrouw verzoekt de op 29 juli 2026 ingediende legal opinion van de man buiten beschouwing te laten, nu de vrouw – gelet op de late indiening door de man – geen tijd had om de inhoud van de brief te laten verifiëren door een eigen adviseur en de bij de legal opinion gevoegde uitspraak niet gelijkend is aan de onderhavige zaak. De uitspraak is zodoende onvoldoende betrouwbaar. De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de vrouw, nu het inherent is aan de aard van onderhavige procedure dat er nog in een laat stadium stukken mogen worden ingediend terwijl niet gebleken is dat de vrouw in haar procesbelang is geschaad.

Zowel van de zijde van de man als van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd en voorgehouden.

Feiten

  • Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 12 september 2024 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank geoordeeld dat het Australische recht van toepassing is op de partneralimentatie. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de partneralimentatie heeft de rechtbank aangehouden om partijen de gelegenheid te geven hun standpunten en argumenten inzake de partneralimentatie aan de hand van de inhoud van het Australische recht nader te onderbouwen.

  • Bij beschikking van 15 juni 2025 heeft het gerechtshof Den Haag, anders dan de rechtbank Den Haag, geoordeeld dat het recht van Monaco van toepassing is op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juni 2026 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de man aan de vrouw (volgens het Monegaskisch recht) een ‘compensatory allowance’ dient te voldoen van € 1.500.000,--, te betalen in 5 jaarlijkse termijnen van € 300.000,--, waarbij de 1e termijn voldaan moet worden uiterlijk op 1 augustus 2026 en de opvolgende 4 termijnen jaarlijks steeds uiterlijk op 1 augustus, iedere termijn te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag waarop de man de betreffende termijnbetaling aan de vrouw moet hebben voldaan, tot aan de dag van voldoening.

Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt – na wijziging –, bij wijze van voorlopige voorzieningen:

  • dat de man met ingang van 1 juni 2026, althans een datum die de rechtbank juist acht, maandelijks bij vooruitbetaling, primair aan de vrouw een bedrag van € 10.869 per maand dient te voldoen als bijdrage in haar levensonderhoud, althans subsidiair € 9.200, per maand, althans meer subsidiair een maandelijkse bijdrage die de rechtbank juist acht;

  • dat de voor de vrouw te bepalen bijdrage vanaf 1 augustus 2026 verrekend wordt met de ‘compensatory allowance’, zoals vastgelegd in de in kracht van gewijsde gegane eindbeschikking, met dien verstande dat voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting zal gelden indien de ‘compensatory allowance’ in latere instantie komt te vervallen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, totdat de eindbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan.


De man heeft verweer gevoerd, welk hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht

Tussen partijen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

Toepasselijk recht

Welk recht van toepassing is op het verzoek van de vrouw tot voorlopige partneralimentatie is tussen partijen in geschil.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat het Nederlandse recht van toepassing is. Zij voert daartoe aan dat een voorlopige alimentatievoorziening buiten het materiele toepassingsgebied van het Haags Alimentatieprotocol valt en dat spoedeisende voorzieningen in beginsel beheerst worden door de lex fori, in dit geval het Nederlandse recht. Nu de man erkent dat de Nederlandse rechter bevoegd is, is daarmee is ook de lex fori gegeven. De vrouw erkent dat het de rechtbank vrijstaat om het recht dat uit het alimentatieprotocol voortvloeit toe te passen. Binnen de kaders van een voorlopige voorzieningen procedure is het echter niet mogelijk om diepgaand onderzoek te doen naar de werking van buitenlands toepasselijk recht, zeker nu de werking hiervan tussen partijen in geschil is.

Volgens de man is het Monegaskisch recht van toepassing op het verzoek van de vrouw. Op grond van 10:116 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt verwezen naar het Haags Alimentatieprotocol 2007. Dat protocol kent geen discretionaire bevoegdheid voor de rechter om het eigen recht, lex fori, toe te passen op een verzoek tot voorlopige partneralimentatie. Artikel 4 van het protocol biedt slechts een dergelijke mogelijkheid voor onderhoudsverplichtingen jegens kinderen en niet voor verplichtingen jegens (ex)echtgenoten Het aanknopingssysteem zoals volgt uit het Alimentatieprotocol is dwingend, waarbij op grond van artikel 3, althans artikel 5 van het protocol, het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, dan wel het recht van de staat waarmee het huwelijk het nauwst verbonden is van toepassing is. Over deze rechtsvraag is zowel bij de rechtbank Den Haag als bij het gerechtshof Den Haag reeds uitvoerig geprocedeerd. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het huwelijk het nauwst verbonden is met Monaco zodat het Monegaskisch recht op het verzoek tot partneralimentatie van toepassing is. Het Alimentatieprotocol maakt geen onderscheid tussen voorlopige en definitieve verzoeken. Verder is de inhoud van het Monegaskisch recht goed kenbaar en gemakkelijk toe te passen, nu de gestelde onderhoudsverplichting naar dat recht als gevolg van de ontbinding van het huwelijk simpelweg niet meer bestaat. De man merkt bovendien op dat het Nederlands recht in geen van deze aanknopingspunten voorkomt.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank benadrukt allereerst dat de rechtbank niet zonder meer gehouden is de lex fori (Nederlands recht) toe te passen in voorlopige voorzieningenprocedures. In de praktijk wordt regelmatig Nederlands recht toegepast wanneer de procedure zich vanwege haar voorlopige en spoedeisende karakter niet leent voor uitvoerig onderzoek naar de inhoud van buitenlands recht, of wanneer een dergelijk onderzoek tot onredelijke vertraging zou leiden. Nu het toepasselijke recht reeds op 15 juni 2025 door het gerechtshof zorgvuldig en uitgebreid is vastgesteld, en deze rechtbank zich daarbij op 9 juni 2026 in haar beschikking heeft aangesloten, ligt het niet voor de hand om in onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure alsnog van Nederlands recht uit te gaan. Dit zou ertoe leiden dat binnen dezelfde rechtsverhouding verschillende rechtsstelsels worden toegepast. De voorlopige voorzieningenprocedure heeft bovendien een nauw verband met de bodemprocedure. Wanneer in de bodemprocedure reeds is vastgesteld welk recht van toepassing is, ligt het in de rede dat de rechter in de voorlopige voorzieningenprocedure daarbij aansluit, tenzij sprake is van nieuwe omstandigheden die tot een andere beoordeling zouden moeten leiden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de voorlopige partneralimentatie van het Monegaskisch recht moet worden uitgegaan.

Wettelijk kader en ontvankelijkheid

De vrouw stelt zich op het standpunt dat – indien de rechtbank van oordeel is dat het Monegaskisch recht van toepassing is – er wel degelijk een rechtsgrond is voor het verzoek van de vrouw. Op grond van artikel 202-2 van het Monegaskisch Burgerlijk Wetboek kan de rechter een interim maatregel vastleggen, waaronder een voorlopige partneralimentatie. Het Monegaskisch recht kent echter een andere volgorde van de echtscheidingsprocedure en gelijk met de echtscheiding wordt de einduitspraak over de ‘compensatory allowance’gewezen. De vrouw is van mening dat er op dit moment echter geen definitieve einduitspraak is ten aanzien van de ‘compensatory allowance’, zodat de vrouw nog om een voorlopige partneralimentatie kan verzoeken.

De man stelt zich op het standpunt dat de wederzijdse onderhoudsverplichting, op grond van artikel 181 Monegaskisch BW, door de echtscheiding is geëindigd nu de echtscheiding op 10 maart 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit volgt niet alleen uit de legal opinion van de zijde van de man, maar ook uit de legal opinion van de zijde van de vrouw van [naam] . De systematiek van het Monegaskisch recht houdt in dat na scheiding geen aanspraak bestaat op een doorlopende maandelijkse onderhoudsverplichting. In plaats daarvan kan de rechter, indien daartoe aanleiding bestaat, een eenmalige uitkering, ‘compensatory allowance’ toekennen, zoals de rechtbank heeft gedaan. De definitieve beschikking is gegeven en de vrouw beschikt inmiddels over een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde titel om de ‘compensatory allowance’ te incasseren. De vrouw heeft dus geen recht meer op partneralimentatie. Zij kan uitsluitend aanspraak maken op de ‘compensatory allowance’, die is vastgesteld. Naar Monegaskisch recht bestaat geen rechtsgrond meer voor een (voorlopige voorziening tot) partneralimentatie. Het is de man dan ook onduidelijk op welke grondslag de vrouw haar verzoek baseert. Gelet op het voorgaande is de man van mening dat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek, zodat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat haar verzoek dient te worden afgewezen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals hiervoor overwogen is het Monegaskisch recht van toepassing op het verzoek van de vrouw. De vraag is vervolgens of conform het Monegaskisch recht de mogelijkheid bestaat om na scheiding een verzoek tot voorlopige partneralimentatie te doen. De rechtbank is – net als de man – van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Volgens het Monegaskische bestaan twee afzonderlijke rechtsgronden op basis waarvan aan (een van) de echtgenoten in het kader van een echtscheiding een alimentatie, dan wel financiële vergoeding kan worden toegekend.

Allereerst op grond van artikel 181 van het Monegaskisch BW. Uit dit wetsartikel volgt dat echtgenoten elkaar wederzijds onderhoud verschuldigd zijn gedurende het huwelijk, als ook gedurende de echtscheidingsprocedure. Zoals deze rechtbank bij beschikking van 9 juni 2026 heeft overwogen eindigt voornoemde verplichting wanneer de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van artikel 204-5 van het Monegaskisch BW, met uitzondering van de situaties waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken vanwege ziekte. Zodra een echtscheidingsbeschikking definitief is kan geen verzoek meer worden ingediend op grond van de voornoemde onderhoudsplicht.

Daarnaast kan volgens artikel 204-5 van het Monegaskisch BW in het kader van de echtscheiding een eenmalige uitkering worden vastgesteld, een ‘compensatory allowance’, met als doel de ongelijkheid te compenseren die de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten schept. De rechtbank verwijst hierbij opnieuw naar de beschikking van 9 juni 2026, waarin de ‘compensatory allowance’ is vastgesteld. Voor zover de vrouw van mening is dat zij na het definitief worden van de echtscheiding en zolang de uitspraak waarin de ‘compensatory allowance’ aan de vrouw is toegekend nog niet in kracht van gewijsde is gegaan nog aanspraak kan maken op partneralimentatie merkt de rechtbank op dat dit niet wordt ondersteund door de legal opinions die zijn overgelegd en de vrouw dit niet nader heeft onderbouwd terwijl dit wel op haar weg had gelegen.

Het voorgaande betekent dat de alimentatie op grond van de onderhoudsverplichting ex artikel 181 van het Monegaskisch BW verschuldigd is tot aan de echtscheiding, terwijl de ‘compensatory allowance’ verschuldigd is zodra de echtscheiding een feit is. Nu het huwelijk van partijen door echtscheiding is ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand kan de vrouw geen aanspraak (meer) maken op een (voorlopige) partneralimentatie. Naar het Monegaskische recht bestaat hiervoor geen wettelijke grondslag. De rechtbank zal de vrouw zodoende niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De rechtbank merkt op dat de vrouw ten aanzien van de ‘compensatory allowance’ een executoriale titel heeft verkregen die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Gelet op het feit dat hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:


*

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechters, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 augustus 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733