Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5793

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep van moeder tegen (spoed)machtigingen uithuisplaatsing waarin bekrachtiging is gedaan. Hof acht uithuisplaatsing noodzakelijk voor verzorging/opvoeding en onderzoek art. 1:265b lid 1 BW en neemt overwegingen kinderrechter over. Zorgen over discrepantie tussen verklaringen moeder en medische bevindingen; DNA-onderzoek toont bloed in luier dat niet van kind is, met zorgmelding en lopend strafrechtelijk onderzoek. Buitenproportioneel zorggebruik, geen medische onderbouwing. Terugplaatsing nu niet verantwoord; overige verzoeken afgewezen.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Uithuisplaatsing na aanwijzingen voor falsificatie
Moeder toonde in ziekenhuis luiers met bloed, maar DNA-onderzoek wees uit dat bloed niet van kind was. Ook zeer frequent zorggebruik zonder medische verklaring. Hof bekrachtigt UHP: ernstige zorgen over veiligheid en ontwikkeling kind.

Datum publicatie15-09-2026
Zaaknummer200.371.979/01 en 200.372.935/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsLeeuwarden
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Bekrachtiging uithuisplaatsing, aanwijzingen van falsificatie.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.371.979/01 en 200.372.935/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 258296 en 258909)

beschikking van 8 september 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep in beide zaken,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep in de zaak met nummer 200.371.979/01,

in zijn toetsende en/of adviserende taak gekend in de zaak met nummer 200.372.935/01,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),

gevestigd in Amsterdam,

verweerster in hoger beroep in de zaak met nummer 200.372.935/01,

belanghebbende in de zaak met nummer 200.371.979/01.

Als belanghebbende in beide zaken is aangemerkt:

[belanghebbende] (de vader),

die woont in [woonplaats2] .

1De procedures bij de kinderrechter

zaaknummer 200.371.979/01:

1.1

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft op verzoek van de raad een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg tot 22 juli 2026.

De beslissing is vastgelegd in een beschikking van 24 juni 2026. Bij deze beslissing is [de minderjarige] ook voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 24 september 2026.

1.2

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op verzoek van de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg, tot 24 september 2026. Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van 2 juli 2026.

zaaknummer 200.372.935/01:

1.3

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 9 juli 2026, voor de duur van 4 weken. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden. Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 juli 2026.

1.4

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft vervolgens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een gezinsgerichte voorziening tot 24 september 2026. Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van

14 juli 2026.

2De feiten

De moeder en de vader hebben samen het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2022. [de minderjarige] woonde tot zijn uithuisplaatsing bij de moeder.

3De procedure bij het hof

3.1

De moeder is in hoger beroep gekomen van de beslissingen van de kinderrechter van 24 juni 2026, 2 juli 2026 en 14 juli 2026, voor zover die zien op de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De moeder wil dat het hof deze beslissingen over de uithuisplaatsing ongedaan maakt, omdat ze graag wil dat [de minderjarige] naar huis komt. Zij verzet zich niet tegen de (voorlopige) ondertoezichtstelling.

3.2

De raad wil dat de beslissingen in stand blijven.

3.3

Ook de GI wil dat de beslissingen in stand blijven.

3.4

Het hof heeft in de zaak met nummer 200.371.979/01 de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift namens de moeder op 20 juli 2026, met bijlage(n);

  • een brief namens de moeder van 28 juli 2026, met bijlage(n);

  • een brief van de raad van 31 juli 2026;

  • een e-mailbericht namens de moeder van 14 augustus 2026, met bijlage(n).

3.5

Het hof heeft in de zaak met nummer 200.372.935/01 het volgende stuk ontvangen:

 het beroepschrift namens de moeder op 13 augustus 2026, met bijlage(n).

3.6

De zitting bij het hof was op 25 augustus 2026. De zaken met nummers 200.371.979/01 en 200.372.935/01 zijn gelijktijdig behandeld. Aanwezig waren:

  • de moeder met mr. J. Koenen, als waarnemer van mr. De Gruijl;

  • twee vertegenwoordigers van de raad;

  • twee vertegenwoordigers van de GI; en

  • de vader.

Mr. Koenen heeft een pleitnota overgelegd.

4Het oordeel van het hof

De wet

4.1

De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind 1. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken 2.

De uithuisplaatsing van [de minderjarige]

4.2

Het hof is van oordeel dat de kinderrechters terecht de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] hebben gegeven. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechters in de beschikkingen van 24 juni 2026 en 2 juli 2026 over en maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne. Het hof voegt daaraan het volgende toe.

4.3

Uit het dossier en wat op de zitting is besproken blijken grote zorgen over de veiligheid en opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder. Het spoedverzoek tot uithuisplaatsing is door de raad ingediend naar aanleiding van een recente opname van [de minderjarige] in het ziekenhuis (het UMCG) vanwege hematurie (bloed in de urine). De moeder heeft meerdere luiers getoond met bloed. De urine van [de minderjarige] is binnen twee uur onderzocht en hierin is geen bloed aangetroffen. Daarnaast heeft er uitgebreid lichamelijk onderzoek plaatsgevonden (bloed- en urineonderzoek/echo’s/cystoscopie etc.) door verschillende medische specialisten. Zij hebben gezamenlijk vastgesteld dat er geen medische ontstaanswijze is gevonden van het bloed en/of een verklaring voor de aanhoudende frequentie daarvan. Mede vanwege deze conclusie heeft het UMCG besloten om DNA-onderzoek te doen naar het bloed in een van de luiers. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat het aangetroffen bloed humaan bloed is, maar niet afkomstig van [de minderjarige] . Het UMCG heeft vervolgens een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis, waarop aangifte is gedaan van kindermishandeling door falsificatie van [de minderjarige] door de moeder. Naar aanleiding van deze aangifte is een strafrechtelijk onderzoek naar de moeder gestart.

Het raadsonderzoek is bijna afgerond, het rapport bevindt zich in de conceptfase (ten tijde van de zitting van het hof), en het strafrechtelijk onderzoek loopt nog.

4.4

Het hof constateert dat voornoemde gebeurtenis niet op zichzelf staat. Sinds zijn geboorte in 2022 is [de minderjarige] veelvuldig blootgesteld aan medische onderzoeken, omdat de moeder denkt dat hij ernstige aandoeningen heeft (zoals kanker/leukemie). Al in 2023 heeft de huisarts van de moeder een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van kindermishandeling door falsificatie. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht, op basis van informatie afkomstig van de huisartsenpraktijk van de moeder, dat er sinds 2022 198 consulten en 331 contactmomenten met de huisartsenpost, het noodnummer en/of ambulancepersoneel hebben plaatsgevonden.

Tussen maart 2026 en eind juni 2026 heeft de moeder 34 keer contact opgenomen over bloedluiers en/of bloed bij ontlasting. In totaal betreft het 28 verschillende soorten klachten. De moeder geeft als verklaring dat zij alleen maar de adviezen van de huisarts en/of centrale heeft opgevolgd en door hen werd doorverwezen. Het aantal contactmomenten ligt volgens de moeder wel wat lager. Het hof merkt echter op dat het hier gaat om buitenproportioneel zorggebruik - ook al is dit verspreid over vier jaren -, terwijl er na herhaaldelijk onderzoek door verschillende specialisten geen enkele medische verklaring voor de door de moeder genoemde klachten is vastgesteld. Er wordt tijdens de consulten en door het ambulancepersoneel en het UMCG een gezonde en alerte jongen gezien. Ook tijdens de inzet van [naam] meldt moeder diverse medische zorgen, terwijl de begeleiders die twee keer per week bij de moeder thuiskomen een kind zien dat normaal speelt, niet ziek oogt en actief en vrolijk is.

4.5

De GI maakt zich, anders dan de moeder stelt, niet alleen zorgen over de gezondheid van [de minderjarige] , maar juist ook over zijn dagelijkse verzorging, zijn fysieke veiligheid en ontwikkeling. Dit vanwege de afwijking tussen de verklaringen van de moeder en de bevindingen van medische professionals en de uitkomst van het laatste bloedonderzoek. [de minderjarige] is niet zindelijk en lijkt spraak- en taalproblemen te hebben. Het risico bestaat dat de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] niet goed worden gezien omdat de nadruk de afgelopen jaren vooral heeft gelegen op zorgen over zijn gezondheid. Uit informatie van

[naam] blijkt dat de moeder weliswaar openstaat voor hulpverlening, maar beperkt beschikbaar en leerbaar lijkt door eigen problematiek en onvoldoende afstemt op de behoeften van [de minderjarige] (plan van aanpak d.d. 4 augustus 2026).

Opvallend is dat sinds [de minderjarige] niet meer thuis woont er geen bloed (meer) in zijn luier is aangetroffen en/of zich andere onverklaarbare klachten hebben voorgedaan. Het gaat naar omstandigheden goed met [de minderjarige] in het gezinshuis. Door de GI is weersproken dat de moeder, sinds er volgens haar begin juni 2026 een bloedprop uit de anus van [de minderjarige] is gekomen, geen contact meer heeft opgenomen met de huisartsenpost.

4.6

Het hof is van oordeel dat voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] én voor het onderzoek naar en rondom [de minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het hof deelt de zorgen van de raad, de GI, en overige instanties (zoals VT, de huisarts en het UMCG) over het welzijn en de opvoedsituatie van [de minderjarige] . De moeder lijkt in de afgelopen jaren vooral gefocust geweest te zijn op de zoektocht naar ziektes van [de minderjarige] in plaats van zijn ontwikkelingsbelangen. Nu het raadsonderzoek nog niet helemaal is afgerond en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, vindt het hof het op dit moment - gelet op alle zorgwekkende signalen - niet verantwoord om [de minderjarige] weer naar huis te laten gaan. De uitkomsten van voornoemde onderzoeken zullen eerst moeten worden afgewacht, voordat (verder) kan worden gekeken naar zijn toekomstperspectief.

Hoewel de onderzoeksbevindingen van het laboratorium ten aanzien van het bloed in de luier niet zijn gedeeld door het UMCG, heeft het hof geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen zoals die blijken uit de brief van het UMCG van 29 juni 2026, en alle overige conclusies die de afgelopen jaren door verschillende medische professionals zijn getrokken. Mogelijk zijn de resultaten (nog) niet gedeeld vanwege het lopende strafrechtelijk onderzoek. De moeder heeft haar stelling dat sprake zou zijn van een fout door het laboratorium ook niet nader onderbouwd. Van wie het bloed in de luier wel afkomstig is (al dan niet een aanverwant), is bovendien niet relevant voor het oordeel van het hof in deze zaak. [de minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel onrust meegemaakt en is nu aangewezen op een veilige, stabiele en stimulerende opvoedingsomgeving, waar hij zich optimaal kan ontwikkelen.

4.7

Het voorgaande maakt dat het hof de bestreden beschikkingen van 24 juni 2026,

2 juli 2026 en 14 juli 2026, ten aanzien van de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , zal bekrachtigen.

5De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.371.979/01

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 juni 2026, ten aanzien van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 juli 2026, ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg;

in de zaak met nummer 200.372.935/01:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 juli 2026, ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening;

in beide zaken

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Pieters, mr. M.A.F. Veenstra en mr. M. Bootsma, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 8 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733