Rechtbank Rotterdam 12-08-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11847

Essentie (gemaakt door AI)

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een 13‑jarige tot 8 februari 2027, waarin de noodzaak volgt uit het belang van verzorging en opvoeding art. 1:265c lid 2 BW. Terugplaatsing is niet mogelijk door ontbreken van zelfstandige huisvesting van moeder. De kinderrechter stelt vast dat de GI haar inzet onder de maat heeft geleverd en draagt de GI op per ommegaande de omgang uit te breiden en logeren bij moeder te onderzoeken, voorafgaand aan een perspectiefbesluit. Uitvoerbaar bij voorraad wordt uitgesproken.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Kritische geluiden rechter "niet persoonlijk" bedoeld, maar als "uiting van grote zorg"
Kinderrechter overweegt dat inzet GI onder de maat was en draagt de GI op per ommegaande omgang uit te breiden en logeren bij moeder te onderzoeken, voorafgaand aan perspectiefbesluit. Grote zorgen over situatie in "jeugdland" en kind.

Datum publicatie14-09-2026
ZaaknummerC/10/710623 / JE RK 25-2418
ProcedureBeschikking
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet; Uithuisplaatsing 1:265a e.v. BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De GI heeft haar werkzaamheden onder maat uitgevoerd.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/710623 / JE RK 25-2418

Datum uitspraak: 12 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de tussenbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank 30 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • de tussenbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 april 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • de briefrapportage van de GI van 14 juli 2026, ontvangen op 29 juli 2026.

1.2.

Op 12 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;

  • twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1 van de GI] en [vertegenwoordiger 2 van de GI] .

1.3.

Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van K. Kruk, tolk in de Poolse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

2.3.

Bij beschikking van 29 april 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 februari 2027. Tevens heeft de kinderrechter bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 8 september 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden.

3Het (aangehouden) verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Hierop is reeds beslist. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar. Over de periode tot 8 september 2026 is reeds beslist. Nu moet nog beslist worden over de resterende vijf maanden, te weten tot 8 februari 2027.

4De standpunten

4.1.

De GI handhaaft ter zitting het aangehouden verzoek en licht dit als volgt toe. Sinds drie weken is een vaste jeugdbeschermer betrokken. De jeugdbeschermer heeft van de moeder begrepen dat zij graag een nachtje met [minderjarige] weg zou willen. Omdat de jeugdbeschermer net is betrokken, is dit in deze vakantie nog niet mogelijk.

De jeugdbeschermer zal dit voor de volgende vakantie bespreken binnen haar team. Het is belangrijk dat er meer duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . De moeder wacht nog op een woning. De GI kan hopelijk binnenkort beginnen met de beoordelingsboog van iHub om te bezien waar het perspectief van [minderjarige] ligt.

4.2.

Door de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het aangehouden verzoek van de GI. De moeder wil graag meer contact met [minderjarige] en bijvoorbeeld ook een weekend met hem weg. Zij is verdrietig over de huidige situatie en daardoor gespannen, zij voelt zich machteloos nu het maar niet lukt om het contact met haar zoon uit te breiden.

5De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. 1

5.2.

Het (verdrietige) feit dat het de moeder nog niet is gelukt een zelfstandige woning te bemachtigen, maakt dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder nog niet mogelijk is. [minderjarige] mag in de huidige woonruimte van de moeder vanwege de regels daar niet verblijven. In die zin is de kinderrechter het alle betrokkenen eens dat de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis bestendigd blijft. De berichten zijn dat [minderjarige] zich daar positief ontwikkelt al werd eerder gemeld dat er zorgen waren over de geslotenheid van [minderjarige] . De kinderrechter heeft ter zitting nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat het weliswaar positief te noemen is dat er sinds drie weken vanuit de GI een vaste jeugdbeschermer betrokken is, maar dat betekent niet dat de GI pas drie weken betrokken is. Integendeel. De stukken maken duidelijk dat de inzet van de GI de afgelopen periode volkomen onder de maat is geweest. Dat is uiteraard niet te wijten aan de persoon van de jeugdbeschermer(s) maar wel aan de stand van zaken binnen de GI. Bij haar tussenbeschikking van 29 april 2026 heeft de kinderrechter nota bene nog nadrukkelijk overwogen dat concrete stappen moesten worden gezet door de GI, de situatie voor [minderjarige] lag toen al stil. Helaas is afgelopen periode in feite niets ingezet noch opgepakt door de GI om, bijvoorbeeld, te komen tot uitbreiding van contact tussen [minderjarige] en zijn moeder. De vakantieperiode is niet benut om hen, bijvoorbeeld, een paar dagen samen te laten doorbrengen. Een gegronde reden daartoe ontbreekt. [minderjarige] heeft immers geen enkele boodschap aan capaciteitsproblemen of wat dies meer zij bij de GI. De moeder zet zich voor hem in en aan haar zijde zijn, behalve het gebrek aan de noodzakelijke huisvesting, geen contra-indicaties gemeld waarom dit niet zou kunnen. De kinderrechter heeft ter zitting dan ook de verbazing uitgesproken op welke basis de door de GI vermelde beoordelingsboog thans ineens doorlopen zou moeten worden. De basis daartoe is immers de afgelopen periode, door het ontbreken van de daadwerkelijke inzet van de GI, niet naar behoren gelegd. [minderjarige] en zijn moeder hebben amper contact.

5.3.

De kinderrechter verwacht dat komende periode de GI per ommegaande bekijkt hoe de omgang tussen de moeder en [minderjarige] kan en zal worden uitgebreid. Dit is belangrijk voordat een perspectiefbesluit wordt genomen. Daarbij dient de GI te onderzoeken hoe [minderjarige] een nachtje bij zijn moeder zou kunnen logeren. Het enkele feit dat de moeder geen zelfstandige woning heeft, mag hieraan gegeven de stand van zaken, niet in de weg staan.

De kinderrechter heeft ter zitting herhaald dat haar kritische geluiden zich niet persoonlijk richten op de thans betrokken jeugdbeschermer, maar een uiting zijn van grote zorg; zorg over de huidige situatie in jeugdland en meer in het bijzonder hier zorg voor de dertienjarige [minderjarige] .

5.4.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de resterende vijf maanden, te weten tot 8 februari 2027.

5.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 8 februari 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 13 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733